2. De totstandkoming van het EU-milieubeleid  
Handboek Implementatie milieubeleid
EU in Nederland

 

2.8 De invloed van het Europese Hof van Justitie[14]

Er zijn verschillende procedures op basis waarvan zaken bij het Europese Hof van Justitie (EHvJ) terecht kunnen komen. Daartoe behoren:

Artikel 234 (voorheen artikel 177) van het Verdrag. Als er in een zaak bij een nationale rechter een vraag rijst betreffende de interpretatie van communautair recht kan die rechter de zaak voor een uitspraak voorleggen aan het EHvJ. De zaak wordt dan aangehouden totdat de uitspraak van het EHvJ er is en de nationale rechter is dan verplicht in de desbetreffende zaak de uitspraak van het EHvJ toe te passen.

Artikel 226 (voorheen artikel 169). De Commissie kan een in gebreke blijvende lidstaat voor het EHvJ dagen, bijvoorbeeld als deze verzuimt een Richtlijn te implementeren.

Het EHvJ heeft een aantal principes ontwikkeld die aanzienlijke invloed hebben op nationale wetgeving en beleid en op de wijze van toepassing van EU-beleid. Deze worden in het nu volgende besproken.

Suprematie van EG-recht

De bepalingen van het EG-Verdrag, tezamen met de Verordeningen die onder het Verdrag tot stand gekomen zijn, maken automatisch deel uit van het nationale recht van iedere lidstaat; met andere woorden, ze zijn ‘rechtstreeks van toepassing’ (Costa v. ENEL, zaak 6-64). Bovendien hebben ze voorrang boven nationaal recht, zodat de nationale rechter geen strijdige bepalingen mag handhaven, ongeacht of die nu voor of na de EG-regelgeving tot stand zijn gekomen (Amministrazione delle Finanze v. Simmenthal, zaak 106/77). Daarentegen kent de toepassing van Richtlijnen niet eenzelfde automatisme, al kunnen ze wel rechtstreekse werking hebben in de lidstaten, zoals hierna zal worden uitgelegd.

Artikel 10 (voorheen artikel 5) verlangt van de lidstaten dat ze alle geschikte maatregelen treffen om de nakoming van de uit het Verdrag voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. In Factortame no. 2 (zaak C-213/89) werd de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk inzake vissersschepen aangevochten bij de Engelse rechter als strijdig met het Verdrag. In afwachting van een uitspraak in het geschil werd een voorziening gevraagd om de werking van de wetgeving op te schorten. Het Hogerhuis stelde dat het geen bevoegdheid had om dit te doen, maar legde de vraag voor aan het EHvJ. Het EHvJ stelde dat een nationale rechter iedere nationale wettelijke regeling opzij moet zetten die het onmogelijk maakt om te zorgen voor de tijdelijke oplossing van het soort waar in dit geval om gevraagd werd. Met andere woorden, als er onenigheid ontstaat over de interpretatie of toepassing van het Gemeenschapsrecht is de nationale rechter verplicht om in voorkomende gevallen de werking van nationale wetgeving op te schorten, zelfs al is er nog geen uitspraak gedaan over de (on-)geldigheid daarvan.

Rechtstreekse werking

Een uitvloeisel van het beginsel van suprematie van het Gemeenschapsrecht is dat sommige bepalingen ‘rechtstreekse werking’ hebben, dat wil zeggen dat ze individuen rechten geven waarop zij zich kunnen beroepen bij een nationale rechter. Om deze werking te kunnen hebben moeten de bepalingen (1) voldoende duidelijk en precies zijn, (2) onvoorwaardelijk zijn, en (3) geen ruimte laten aan de lidstaten bij hun implementatie (Van Gend en Loos, zaak 26/62). Dit zal vrijwel zeker het geval zijn bij Verdragsartikelen en Verordeningen. Waar zulke bepalingen rechtstreekse werking hebben, dragen ze rechten over waarop een beroep gedaan kan worden tegenover zowel de staat als individuen of bedrijven.

De kwestie van de rechtstreekse werking van een Richtlijn ligt ingewikkelder en speelt alleen in gevallen waarin de lidstaat verzuimd heeft de Richtlijn (op de juiste wijze) te implementeren vóór de uiterste datum. Omdat Richtlijnen alleen bindend zijn wat betreft het resultaat dat bereikt moet worden, zou het kunnen lijken alsof de hiervóór genoemde voorwaarde (3) nooit vervuld kan worden. Echter, teneinde een situatie te voorkomen waarin een lidstaat kan profiteren van zijn in gebreke blijven bij de implementatie werd in de zaak Ratti (148/78) bepaald dat, zodra de tijdslimiet voor implementatie verstreken is, een lidstaat geen beleidsvrijheid meer heeft, zodat een Richtlijn dan rechtstreekse werking kan hebben.

Er zijn maar weinig zaken voorgelegd aan het EHvJ waarbij de kwestie van rechtstreekse werking van milieurichtlijnen aan de orde kwam. In Comitato di coordinamento per la difesa della Cava v. Regione Lombardia (zaak C-236/92) stelde het EHvJ dat de Kaderrichtlijn Afval van 1975 (zie § 5.3) geen rechtstreekse werking kon hebben, aangezien de Richtlijn doelstellingen bevatte waarnaar gestreefd moest worden bij de afvalverwerking en als zodanig onvoldoende precies en onvoorwaardelijk was. In de zaak van Luciano Arcaro (C-168-95) legde de Italiaanse rechter vragen voor die opkwamen gedurende een strafzaak wegens ongeoorloofde cadmiumlozingen. De relevante Richtlijnen waren niet geïmplementeerd met betrekking tot bestaande inrichtingen. Het EHvJ weigerde uitspraak te doen over de kwestie van rechtstreekse werking. De advocaat-generaal vroeg zich evenwel af of de Richtlijnen onvoorwaardelijk en in voldoende mate precies waren om rechtstreekse werking te hebben. Hij concludeerde dat dat niet het geval was, vooral omdat:

(a) het bevoegde gezag strengere emissieplafonds kon vaststellen dan die welke opgenomen waren in de Richtlijn;

(b) grotere lozingen toegestaan konden worden, mits de totale kwaliteitsdoelstellingen voor water, vis etc. niet overschreden werden. Nationale overheden hadden derhalve een aanzienlijke beleidsvrijheid.

Op Richtlijnen kan slechts een beroep worden gedaan tegenover de Staat en uit de Staat voortkomende entiteiten (Foster v. British Gas, zaak C-188/89) en een Richtlijn kan geen verplichtingen opleggen aan individuen totdat ze geïmplementeerd is. Met andere woorden, Richtlijnen hebben ‘verticaal’, maar geen ‘horizontaal’ direct effect (Marshall v. Southampton Area Health Authority, zaak 152/84). De reden is dat ze gericht zijn tot de lidstaten, en daarom alleen hen binden. In Arcaro bepaalde het EHvJ dat de relevante Richtlijn, aangezien ze niet geïmplementeerd was, niet in staat was verplichtingen op te leggen aan een individu zoals de verdachte, en al helemaal niet om zijn strafbaarheid te verzwaren.

Overeenstemmende interpretatie

Zelfs in de gevallen dat een bepaling van Gemeenschapsrecht geen rechtstreekse werking heeft, betekent dit niet dat ze niet relevant is voor de nationale rechter. In Von Colson en Kamann v. Land Nordrhein-Westfalen (zaak 14/83) stelde het EHvJ dat, aangezien lidstaten verplicht zijn alle geschikte maatregelen te treffen om te voldoen aan hun Verdragsverplichtingen, de nationale rechters verplicht zijn om, waar mogelijk, nationale wetten te interpreteren in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht. Dit zal alleen mogelijk zijn daar waar de nationale wet zich over een bepaald punt niet uitspreekt, of er niet eenduidig over is. In Marleasing (zaak C-106/89) werd gesteld dat deze verplichting gold ongeacht of de nationale wet in kwestie nu voor of na de EG-wetgeving was aangenomen, en dat ze niet beperkt was tot nationale wetgeving die aangenomen was met het oog op implementatie van de relevante EG-bepaling. In Arcaro merkte het EHvJ op dat overeenstemmende interpretatie niet kan resulteren in het aan een individu opleggen van een EG-verplichting die niet correct is omgezet, vooral wanneer het een strafrechtelijke zaak betreft. De advocaat-generaal stelde bovendien dat daar waar de nationale wet duidelijk is, de regel van interpretatie niet kan worden gebruikt in tegenspraak met de bewoordingen van die wet.

Schadeclaims tegen de staat

In Francovich e.a. v. Italië (zaken C-6/90 en C-9/90) bepaalde het EHvJ dat een staat die zijn Verdragsverplichtingen niet nakomt doordat hij een Richtlijn niet binnen de toegestane tijd implementeert, in principe aansprakelijk gesteld kan worden ten opzichte van individuen voor verliezen die zij als gevolg daarvan lijden. Voor deze aansprakelijkheid moet aan drie voorwaarden zijn voldaan: (a) het resultaat dat de Richtlijn voorschrijft moet het verlenen van rechten aan individuen inhouden; (b) op basis van de bepalingen van de Richtlijn moet het mogelijk zijn om de inhoud van die rechten te identificeren; (c) er is een oorzakelijk verband tussen het in gebreke blijven van de staat en de geleden verliezen en schade. Verder is in Brasserie du pêcheur v. Bundesrepublik Deutschland en The Queen v. Secretary of State for Transport, ex parte Factortame e.a. (zaken C-46/93 en C-49/93) gesteld dat, om het recht op vergoeding te doen ontstaan, de inbreuk ‘voldoende ernstig’ moet zijn. Dit zal afhankelijk zijn van de omstandigheden van de zaak. Als een lidstaat bijvoorbeeld verplicht is een Richtlijn binnen een bepaald tijdsbestek te implementeren, zal het in gebreke blijven daarvan op zichzelf een voldoende ernstige inbreuk zijn (Dillenkofer e.a. v. Bundesrepublik Deutschland, zaken C-178/94 e.a.). In deze zaak werd het argument dat de tijdslimiet te kort was verworpen. Verder werd bepaald dat een succesvolle procedure op basis van art. 169 (thans art. 226) geen voorwaarde is voor aansprakelijkheid van een staat. In andere gevallen zal het relevant zijn om factoren in aanmerking te nemen zoals de duidelijkheid en precisie van de overtreden regel, de vraag of het in gebreke blijven opzettelijk of onbedoeld was, of de Gemeenschap bezwaar had gemaakt tegen de omissie of er aan bijgedragen had, enzovoorts (zie bijvoorbeeld The Queen v. H.M. Treasury, ex parte British Telecommunications, zaak C-392/93, en vergelijk The Queen v. Ministry of Agriculture, Fisheries and Food, ex parte Hedley Lomas (Ireland), zaak C-5/94).

Boetes tegen lidstaten

Op grond van Artikel 228 van het Verdrag, dat is ingevoerd bij het Verdrag van Maastricht in 1993, mag de Commissie lidstaten voor het Europese Hof van Justitie brengen die hebben nagelaten een vorige veroordeling van het Hof na te komen. In 1992 heeft het Hof Griekenland veroordeeld op basis van de Kaderrichtlijn Afval uit 1975 voor het ongecontroleerd storten van afval op een bepaalde plek op het eiland Kreta. Bij een daarop volgende veroordeling in juli 2000 (Commissie v. Griekenland zaak C-387/97) heeft het Hof Griekenland opgedragen een boete te betalen van 20.000 Euro voor iedere verdere dag dat zij de Richtlijn niet zou nakomen. Griekenland is daarmee de dubieuze eer te beurt gevallen om als eerste lidstaat tot de betaling van een dwangsom te zijn veroordeeld.

Het vrije verkeer van goederen

In Procureur de la République v. Association de défense des brûleurs d’huiles usagées (zaak 240/83) bevestigde het EHvJ dat de bescherming van het milieu een van de wezenlijke doelstellingen van de Gemeenschap is, die bepaalde beperkingen op het beginsel van het vrije verkeer van goederen kunnen rechtvaardigen. Deze benadering werd gehandhaafd in Commissie v. Denemarken (zaak 302/86) betreffende een Deens systeem dat ervoor moest zorgen dat alle verpakkingen van bier en frisdranken herbruikbaar waren. Wel vervolgde het EHvJ met te zeggen dat het systeem in kwestie niet kon worden gehandhaafd omdat het milieu afdoende kon worden beschermd door een vergelijkbaar, minder restrictief systeem (zie § 5.8). Deze benadering werd ook gehandhaafd in Commissie v. België (zaak C-2/90) aangaande het vrije verkeer van afval (zie § 5.6). In Hedley Lomas (zaak C-5/94) vermoedde het Britse Ministerie van Landbouw dat Spaanse slachterijen een Richtlijn over het verdoven van dieren overtraden en weigerde vergunningen af te geven voor de export van schapen. Het EHvJ stelde dat een lidstaat geen beroep mag doen op de uitzonderingsbepalingen op het vrije verkeer van goederen zoals genoemd in artikel 30 van het Verdrag (bescherming van de gezondheid etc.) als er een Richtlijn is aangenomen die dat doel beoogt, zelfs als er geen procedure bestaat om het voldoen aan de Richtlijn in de gaten te houden of als er geen straf staat op overtreding.

Proportionaliteit

Dit beginsel houdt in dat maatregelen niet verder moeten gaan dan nodig is om het gewenste doel te bereiken. Het is algemeen van toepassing en kan zowel gehanteerd worden in de context van het betwisten van de rechtmatigheid van Gemeenschapswetgeving als bij kwesties betreffende het voldoen aan Richtlijnen door lidstaten. In de bovengenoemde Deense-flessenzaak werd gesteld dat maatregelen ter bescherming van het milieu beperkingen van het vrije verkeer kunnen inhouden, maar alleen voorzover ze proportioneel zijn met het beoogde resultaat. In Gourmetterie Van den Burg (zaak C-169-89) stelde het EHvJ dat een Nederlands verbod op het op de markt brengen van Schotse sneeuwhoenders niet in verhouding stond tot de baten, namelijk de bescherming van populaties niet-bedreigde soorten in het Verenigd Koninkrijk. Op het proportionaliteitsbeginsel kan tevens een beroep gedaan worden bij het aanvechten van nationale wetten als men meent dat onevenredig strenge straffen leiden tot een inbreuk op Verdragsbepalingen (Skanavi, zaak C-193/94).

Gerechtvaardigde verwachting

Dit beginsel betreft de rechten van individuen of bedrijven in lidstaten om hun activiteiten te verrichten met een redelijke mate van zekerheid wat betreft de regels die in de loop der tijd van toepassing zijn. Een speciale toepassing van deze algemene regel is dat een individu niet achteraf strafrechtelijk vervolgd kan worden op grond van een verandering in de wet voor een activiteit die niet illegaal was toen ze werd uitgevoerd. Zo stelde het EHvJ in Pretore di Saló (zaak 14/86) dat op grond van Richtlijn 78/659 betreffende waterkwaliteitsnormen voor zoetwatervis (zie § 4.7) geen strafrechtelijke sancties konden worden opgelegd aan Italiaanse burgers zolang de Italiaanse overheden de Richtlijn niet afdoende geïmplementeerd hadden. Nationale rechters moeten, wanneer ze hun verplichting tot ‘overeenstemmende interpretatie’ nakomen, ervoor zorgen dat ze de op gerechtvaardigde verwachting gebaseerde rechten niet schenden (Kolpinghuis Nijmegen, zaak 80/86).

Locus standi

Hoewel de mogelijkheden voor milieu-organisaties om zaken voor de rechter te brengen uitgebreid zijn behandeld in het kader van het Witboek over burgerlijke aansprakelijkheid, hanteert het Hof zelf een beperkte opvatting over degenen die een procedure kunnen starten. In een zaak uit 1978 (Greenpeace International v. Europese Commissie zaak C-321/95) begon de belangengroepering Greenpeace een rechtszaak tegen de Commissie in een poging om de verstrekking van fondsen aan Spanje te dwarsbomen. Deze fondsen waren bedoeld voor de financiering van de bouw van twee electriciteitscentrales op de Canarische eilanden, waarvan de bouw was gestart terwijl de benodigde milieu-effectrapportages niet waren gemaakt. Volgens het Verdrag mag een beslissing die gericht is tot een andere partij (de verstrekking van fondsen aan de Spaanse regering) alleen ter discussie worden gesteld door een derde partij (Greenpeace) als deze er ‘een rechtstreeks en individueel belang’ bij heeft. Het Hof oordeelde vervolgens dat Greenpeace niet over dusdanige speciale kenmerken beschikt waardoor het besluit hen meer aan zou gaan dan een ander, en dat zij daarom niet in de noodzakelijke positie verkeerde om het besluit aan te vechten.

Referenties

Haigh, N., en D. Baldock (1989). Environmental policy and 1992. IEEP, Londen.

von Moltke, K. (1977). The Legal Basis for Environmental Policy of the European Communities. Environmental Policy and Law 3 (1), maart 1977.



[14] Dit gedeelte is gebaseerd op een tekst van Caroline Connell, advocate.

Terug  Volgende
2.7 Implementatie in Nederland  2.9 De aanpak van milieuverontreiniging
1. Inleiding
2. De totstandkoming van het EU-milieubeleid
3. De integratie van het milieu in ander EU-beleid
4. Water
5. Afval
6. Lucht
7. Gevaarlijke stoffen
8. Radioactiviteit
9. Natuur en landschap
10. Geluid
11. Milieu-effectrapportage en informatie
12. Financiële en economische instrumenten
13. Internationale verdragen
14. Klimaatverandering
I. Afkortingen
II.Chronologische lijst van Richtlijnen, Beschikkingen en Verordeningen
III. Voorgestelde wetgeving in afwachting van vaststelling
IV. Voorstellen in ontwikkeling
V. Websites m.b.t. Europees milieubeleid
Printversie
   
  klik hier om de lijst te bekijken  
Toevoegingen en wijzigingen
Homepage
Notificatieservice
EU- en Nederlandse Regelgeving
Reactieformulier
Colofon
Realisatie:
Instituut voor Milieuvraagstukken
Ministerie van VROM

Institute for European Environmental Policy (IEEP)
Copyright VROM. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze site mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Ministerie van VROM. Aan de inhoud van deze site kunnen geen rechten ontleend worden, noch jegens de samenstellers noch jegens derden.
  bovenkant pagina