Artikel 191 VwEU vermeldt de breedgeformuleerde doelstellingen van het milieubeleid van de EU, zoals deze bij opeenvolgende verdragswijzigingen sinds de Europese Akte van 1987 zijn ontwikkeld:
behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu;
bescherming van de gezondheid van de mens;
behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen;
bevordering op international vlak van maatregelen om het hoofd te bieden aan regionale of monidale milieuproblemen, en in het bijzonder de bestrijding van klimaatverandering.
Ook omschrijft artikel 191 VwEU de beginselen waarop het EU-milieubeleid berust, te weten:
het voorzorgsbeginsel;
het beginsel van preventief handelen;
het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden; en
het beginsel dat de vervuiler betaalt.
Daarnaast geldt het algemene beginsel dat de EU in haar milieubeleid streeft naar een ‘hoog niveau van bescherming’, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio's van de Unie.
Om ten volle uitvoering te geven aan deze doelstellingen en beginselen is de norm dat alle EU wetgeving die eisen inzake milieubescherming omvat een vrijwaringsclausule kennen op grond waarvan de lidstaten om niet-economische milieuredenen voorlopige maatregelen kunnen nemen, in afwijking van die harmonisatiemaatregel, die aan een toetsingsprocedure op EU-niveau onderworpen zijn (artikel 191, lid 2, onderdeel 2, VwEU). Dit correspondeert in grote mate met de vrijwaringsmogelijkheid in afwijking van interne markt wetgeving onder artikel 114, leden 4 en 5, VwEU, waarbij voorafgaande toetsing en goedkeuring van nationale afwijkende maatregelen door de Commissie vereist is.
Bij het bepalen van het Gemeenschappelijk beleid op milieugebied dient krachtens artikel 191, lid 3, VwEU rekening te worden houden met de volgende specifieke factoren:
beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens;
de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio’s van de EU;
de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit optreden, onderscheidenlijk niet-optreden;
en de economische en sociale ontwikkeling van de EU als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van haar regio's.
Een belangrijk aanvullend milieubeginsel dat bij de Europese Akte in 1987 werd ingevoerd was het principe dat ‘de eisen ter zake van milieubescherming een bestanddeel vormen van de andere takken van gemeenschapsbeleid’. Daarmee is een nieuwe richting ingeslagen die feitelijk uit twee elementen bestaat. Het eerste element wordt belichaamd in de onderdelen van de Gemeenschapswetgeving die door de lidstaten moeten worden geïmplementeerd. Veel van deze wetgeving is aangenomen op basis van de toenmalige artikelen 130r en 130s EEG (later 174 en 175 EG, en thans 191 en 192 VwEU), die nadrukkelijk voorzien in een Gemeenschappelijk beleid inzake het milieu. Sommige onderdelen van de wetgeving zijn echter op grond van andere artikelen tot stand gekomen, zoals het toenmalige artikel 100a EEG (later 95 EG, en thans 114 VwEU) betreffende het functioneren van de interne markt.
Het tweede element betreft het integratie-vereiste uit de Europese Akte dat in de loop der jaren aan betekenis heeft gewonnen en inmiddels in aangescherpte formulering als algemeen beginsel van Europees recht plaats heeft gekregen in de beginbepalingen van het Verdrag in artikel 11 VwEU (deze ‘opwaardering’ vond plaats bij het Verdrag van Amsterdam, waarbij het integratiebeginsel vanuit de milieutitel geëxporteerd werd naar artikel 6 EG). Dit integratiebeginsel bepaalt dat ‘de eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.’ In dit opzicht vormt het EU-milieubeleid een afspiegeling van het beleid in de lidstaten dat veelal bestaat uit: (a) beleidsmaatregelen die traditioneel tot het domein van de milieuministeries behoren, zoals water- en lucht verontreiniging; en (b) beleid op het gebied van milieubescherming van andere ministeries dat wellicht wordt beïnvloed door de milieuministeries. Onvermijdelijk overlappen deze twee elementen elkaar gedeeltelijk. Zij zijn echter beiden een noodzakelijk voorwaarde voor het (c) bereiken van de ‘duurzame ontwikkeling van Europa’, zoals ’ dat in het huidige artikel 3, lid 3 VEU staat genoemd als één van de hoofddoelstellingen van de Unie.
In het Handboek wordt vooral aandacht geschonken aan het milieubeleid behorend tot het eerste element. Hoofdstuk ??? bevat echter een uitgebreid overzicht van de wijze waarop de integratie van milieu-overwegingen in andere beleidssectoren verloopt.
Behalve de artikelen 191-193 van de milieutitel van het VwEU zijn er nog diverse andere verdragsbepalingen die relevant zijn voor de bescherming van het milieu. Deze zijn opgesomd in ???. Deze bepalingen zijn in het bijzonder van belang voor regelgeving in het kader van het zogenoemde Cardiff proces (zie hfs ???). Eén van de consequenties van het integreren van milieu-overwegingen in andere beleidssectoren is dat het EU-milieubeleid niet langer de exclusieve verantwoordelijkheid is van het Directoraat-Generaal Milieu van de Commissie (DG Milieu). De bijeenkomst van de Europese Raad van EU staatshoofden en regeringsleiders in Cardiff in juni 1998 heeft een proces in werking gezet (genaamd het ‘Cardiff’ proces) waarbij sectorale Raden (met verantwoordelijkheid voor landbouw, mobiliteit/vervoer, energie, etcetera) hun eigen strategieën voor integratie van milieu-overwegingen ontwikkelen (zie hfs ???). Inmiddels is dit proces overvleugeld door de duurzaamheidsprioriteit, in het kader van het Lissabonproces en de EU-2020 Strategie (zie § ???).
Een soortgelijke ontwikkeling als bij het integratiebeginsel, uitgegroeid van een milieubeginsel geïntroduceerd in de milieutitel bij de Europese Akte in 1987 tot een algemeen beginsel van Europees recht, is het in de hiernavolgende § ??? behandelde subsidiariteitsbeginsel.
Nieuw artikel nummer (VEU of VwEU) | Oud artikel nummer (EG Verdrag) | Onderwerp |
3 VEU | 2 EG | Doelstellingen EU |
14 VEU | 189 EG | Bevoegdheden van het Europees Parlement |
15 VEU | - | Bevoegdheden van de Europese Raad |
16 VEU | 202 EG | Bevoegdheden van de Raad (van Ministers) |
17 VEU | 211 EG | Bevoegdheden van de Commissie |
19 VEU | 220 EG | Bevoegdheden van het Hof van Justitie EU |
11 VwEU | 6 EG | Integratie milieu |
13 VwEU | (Protocol Nr. 33) | Dierenwelzijn |
26 – 27 VwEU | 14 – 15 EG | Interne markt |
36 VwEU | 30 EG | Rechtvaardigingsgronden handelsbeperkingen |
38 – 44 VwEU | 32 – 38 EG | Landbouw (Gemeenschappelijk landbouwbeleid) |
90 – 100 VwEU | 70 – 80 EG | Vervoer |
114 – 118 VwEU | 94 – 97 EG | Onderlinge aanpassing van wetgeving (Interne markt) |
170 – 172 VwEU | 154 – 156 EG | Trans-Europese netwerken |
177 VwEU | 161 EG | Structuurfondsen |
191 – 193 VwEU | 174 – 176 EG | Milieu |
194 VwEU | - | Energie |
206 – 207 VwEU | 131 – 133 EG | Gemeenschappelijke handelspolitiek |
208 – 211 VwEU | 177 – 181 EG | Ontwikkelingssamenwerking |
216 – 218 VwEU | 300, 310 EG | Internationale overeenkomsten |
238 VwEU; Protocol Nr. 36 overgangsbepalingen (art. 3) | 205 EG | Stemming bij gekwalificeerde meerderheid (Raad) |
258 VwEU | 226 EG | Procedure bij niet nakomen Verdragsverplichtingen (ingesteld door Commissie) |
259 VwEU | 227 EG | Procedure bij niet nakomen Verdragsverplichtingen (ingesteld door lidstaat) |
260 VwEU | 228 EG | Sanctieprocedure bij niet nakomen Verdragsverplichtingen (voor het Hof van Justitie EU) |
267 VwEU | 234 EG | Pre-judiciële beslissingen van het Hof van Justitie EU |
288 VwEU | 249 EG | Typen wetgeving |
294 VwEU | 251 EG | Gewone wetgevingsprocedure (voorheen: ‘medebeslissingsprocedure’) |
352 VwEU | 308 EG | Algemene bevoegdheidsbepaling (flexibiliteitsclausule, ook wel ‘paraplu-artikel’) |
Benson, D. en A. Jordan (2008). A Grand Bargain or an “Incomplete Contract”? European Union Environmental Policy after the Lisbon Treaty. European Energy and Environmental Law Review, 17(5), pp. 280-290.
Jordan, A., en J. Fairbrass (2001). European Union Environmental Policy after the Nice Summit. Environmental Politics, 10(4), pp.109-114.
Jordan, A., en A. Lenschow (2000). “Greening” the European Union: What Can Be Learned From the Leaders of EU Environmental Policy?. European Environment, 10(3), pp.109-120.
Lee, M. (2008). The Environmental Implications of the Lisbon Treaty. Environmental Law Review, 10(1), pp. 131-138.