Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

3.2 De rol van de EU-instellingen bij de totstandbrenging van integratie: op weg naar duurzame ontwikkeling

Ondanks een toenemende verbintenis tot milieu-integratie, is er relatief weinig aandacht uitgegaan naar de definitie van het begrip. Er is een verwarrende verscheidenheid aan methoden om meer rekening te houden met milieuaspecten in de ontwikkeling van sectoraal beleid. Daaronder vallen de strategische milieubeoordeling, het gebruik van economische of belastingmaatregelen, de uitbreiding van milieubeheer- en milieuauditsystemen, levenscyclusanalyse, groene boekhouding en een grotere rol van milieubelangen in de beleidsvorming. Onder de beschikbare mechanismen ter bevordering van integratie vallen ook het verbeteren van de toegang tot informatie, deelname aan de besluitvorming, en toegang tot de rechter.

De Europese Commissie

Het uit 27 personen bestaande college van Commissarissen heeft in principe een grote rol te spelen bij het zorgen voor de milieu-integratie in alle gebieden waarbinnen de Commissie actief is (zie § ???). De praktijk van het integreren van het werk van de Commissie door de grenzen van de afdelingen heen levert echter bijzondere problemen op. Al in 1979 gaf het Spierenburg verslag aan dat de overmatige verkokering van de Commissie één van de ernstigste gebreken vormde van de toenmalige administratieve structuur. Coördinatie werd bemoeilijkt door de verschillende nationale en politieke achtergronden van de Commissarissen en de strikte grenzen tussen de verschillende Directoraten-Generaal.[91]

Ondanks deze hindernissen is een aantal procedures ingesteld om de onderlinge coördinatie tussen de Directoraten-Generaal te verbeteren. Zo werden in 1992 gezamenlijke projecten ontwikkeld, waarin onderlinge samenwerking werd vereist. Tevens werden er ad hoc Comités of taakgroepen opgericht waarin ambtenaren van verschillende afdelingen bijeenkwamen. Volgens de handleiding voor werkprocedures uit 1992 van het DG Milieu beschikte deze over een collectie van materiaal over de milieubeoordeling, die ook ter beschikking stond aan andere Directoraten-Generaal. Mede door de vrijwillige aard van deze richtsnoeren bleken deze maar weinig effect te hebben op de praktijk. De Commissie probeerde vervolgens iets voort te brengen op het gebied van milieu-integratie in een document voor intern gebruik, genaamd ‘Integratie van het milieu in ander beleid door de Commissie’.[92] Het document, waarover eind mei 1993 overeenstemming werd bereikt door de Commissarissen, stelde de volgende vijf sleutelelementen voor:

  • De instelling van een nieuwe integratie-eenheid in het DG Milieu, die direct verslag uitbrengt aan de directeur-generaal;

  • De aanstelling van ‘correspondenten’ voor integratie binnen de afzonderlijke Directoraten-Generaal;

  • Milieubeoordeling van alle beleidsvoorstellen met aanzienlijke milieueffecten, waarbij die voorstellen in het werkprogramma van de Commissie van een groene ster worden voorzien;

  • Jaarlijkse evaluaties van de milieuprestaties van ieder DG, welke bekendgemaakt worden in het Algemeen Verslag over de werkzaamheden van de Europese Unie; en

  • Een gedragscode voor de Commissie over onder andere een meer milieuvriendelijke huishouding.

Deze vereisten werden verder uitgewerkt en werden opgenomen in de herziene handleiding voor werkprocedures uit 1994.[93] Het effect van het document uit 1993 was echter beperkt. Alle wezenlijke ‘vergroening’ van de vijf doelgroepen genoemd in het vijfde Milieuactieprogramma was te danken aan externe factoren. De teleurstelling van het DG Milieu vond zijn weerslag in het voortgangsverslag over het vijfde Milieuactieprogramma. Volgens dit verslag hadden de maatregelen tot dan toe slechts beperkte effecten gehad. Tevens werd gezegd dat hoewel de vooruitgang verschilde per beleidsterrein, de boodschap van het vijfde Milieuactieprogramma onvoldoende geïntegreerd was in het werk van de Commissie, en dat voortdurend adequate middelen en een blijvende verbintenis nodig waren.[94]

In 1997 werd het Verdrag van Amsterdam ondertekend. Hierna erkende de Commissie dat er behoefte was om de bestaande inspanningen te verbeteren en stelde het een aantal veranderingen voor in de bestaande procedures. Tevens stelde de Commissie de invoering van een aantal nieuwe procedures voor. De veranderingen en vernieuwingen zijn als volgt[95]:

  • Milieueffectbeoordeling van alle beleidsvoorstellen in een vroeg stadium van ontwikkeling. Hiermee worden de positieve en negatieve milieugevolgen beoordeeld, waaronder effecten op de milieukwaliteit, biodiversiteit, consumptie van energie- en natuurlijke hulpbronnen, afvalstromen, en op de ruimtelijke ordening. Als de beoordeling aantoont dat er aanzienlijke gevolgen voor het milieu zullen zijn, dan moeten de milieugevolgen nog gedetailleerder beoordeeld worden, waarbij deze beoordeling integraal deel uit gaat maken van het voorstel.

  • Sectorale beleidsverklaringen over het milieu en over duurzame ontwikkeling door ieder DG, waarin verklaard wordt op welke gebieden en op welke wijze integratie wordt bereikt. Hierin moeten zaken worden beschreven, zoals de na te streven politieke doelstellingen, het benoemen van leidende beginselen voor het werk in het specifieke beleidsterrein, de wijzen van implementatie, specifieke projecten waar de aandacht naar uit zou moeten gaan, de te gebruiken middelen, en gezamenlijke acties met andere Directoraten-Generaal. Plannen dienen regelmatig bijgewerkt te worden.

  • Een verslag over integratie en implementatie, waarin een onafhankelijke evaluatie van de prestaties moet worden opgenomen, gemaakt onder toezicht van het DG Milieu. Integratie moet jaarlijks besproken worden in samenhang met het werkprogramma van het DG Milieu. Daarnaast verbeteren de verslagen de informatie die gegeven wordt in het Algemeen Verslag van de Commissie.

  • Het toewijzen van een groene ster aan wetgevingsvoorstellen van het jaarlijkse werkprogramma van de Commissie die een gedetailleerde beoordeling van de milieueffecten nodig hebben.

  • Het aanwijzen van hoge ambtenaren van ieder DG als ‘correspondenten’ voor milieu-integratie. Deze ambtenaren moeten dichtbij het beleidsvormingsproces staan, en moeten ervoor zorgen dat beleidsvoorstellen rekening houden met het milieu en met de behoefte om bij te dragen aan duurzame patronen van ontwikkeling.

  • Het milieuvriendelijker maken van de begroting, waarbij de Commissie de milieueffecten analyseert van de financiering door de Unie, met name op het gebied van het landbouw-, energie-, vervoers-, en ontwikkelingsbeleid en de Structuurfondsen. Tevens zal de Commissie ervoor moeten zorgen dat de nodige structuur aanwezig is om de doelstellingen van het milieuvriendelijker maken van de begroting te bereiken.

  • Het versnellen van de inspanningen van de Commissie om de hoogste graad van milieuzorg te bereiken in het administratieve beleid van de Commissie.

  • Opleidingsprogramma’s voor personeel van de Commissie over milieubeoordeling en milieu-integratie.

Een beoordeling door de Commissie van het systeem om wetgevingsvoorstellen een groene ster te geven gaf aan dat dit systeem aan verandering toe was. De Commissie overwoog vervolgens ook om het systeem te vervangen.

Het beginsel dat alle belangrijke voorstellen van de Commissie vergezeld zouden moeten gaan van een milieueffectbeoordeling werd goedgekeurd door staatshoofden en regeringsleiders op de top in Cardiff in juni 1998. Dit kan aangemerkt worden als het begin van de ‘derde fase’ van milieuintegratie, waarbij de nadruk komt te liggen op duurzame ontwikkeling. Hierin vond een aan het EG-Verdrag gehechte verklaring zijn weerslag. De Mededeling van de Commissie over een strategie voor duurzame ontwikkeling uit 2001 verwees ook naar de behoefte aan een strategische beoordeling, waarbij hier naast de milieugevolgen ook aan de sociale en economische gevolgen gedacht werd. Zoals verklaard werd in de conclusies van het voorzitterschap bij de top in Göteborg in juni 2001 zouden bij de top in Laken in december 2001 mechanismen gepresenteerd moeten worden die ervoor zouden moeten zorgen dat alle belangrijke voorstellen een duurzaamheidseffectbeoordeling omvatten, als onderdeel van een meer algemeen actieplan van de Commissie voor een betere regelgeving. Een Mededeling van de Commissie over ‘Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving’, waarin de fundamentele benadering van de duurzaamheidseffectbeoordeling werd beschreven, werd in december 2001 goedgekeurd. Details van de nieuwe procedures werden in juni 2002 bekendgemaakt in een Mededeling over effectbeoordeling.[96] Volgens de Commissie zouden alle belangrijke voorstellen en initiatieven van de Commissie een nieuwe geïntegreerde effectbeoordeling moeten ondergaan vanaf de herfst van 2002. Het doel is om van een voorgestelde maatregel en de alternatieven daarvoor alle positieve en negatieve sociale, economische en milieugevolgen te onderscheiden. Daarnaast geeft het ook een meer gestructureerd kader voor raadpleging van de belanghebbenden. De Mededeling is bedoeld om alle bestaande beoordelingssystemen van de Commissie, waaronder het ‘groene ster’ systeem, te stroomlijnen en te versterken. Beoordelingen zullen op twee niveaus van gedetailleerdheid worden ondernomen. Alle voorstellen die verschijnen in de jaarlijkse beleidsstrategie moeten vergezeld worden van een korte, voorlopige effectbeoordeling. Deze strategie wordt ieder jaar in februari overeengekomen door de Commissie voor het daaropvolgende jaar. Bij het overeenkomen van die strategie zal het college van Commissarissen (bijgestaan door de secretaris-generaal) de maatregelen bepalen, welke een uitgebreide effectbeoordeling nodig hebben, vanwege de waarschijnlijkheid van aanzienlijke sociale of milieugevolgen van deze maatregelen. Om het voorstel op te laten nemen in het meer gedetailleerde jaarlijkse werkprogramma van de Commissie dat ieder jaar in oktober of november wordt overeengekomen, zal voldoende voortgang bij deze meer gedetailleerde beoordeling moeten worden aangetoond. De uitgebreide effectbeoordeling zal dan door het verantwoordelijke DG voltooid moeten zijn, voordat andere relevante Commissiediensten over het voorstel geraadpleegd worden. De maatregelen die verschillende beleidssectoren overlappen, worden door de secretaris-generaal aangewezen. Die legt deze maatregelen ter beoordeling voor aan een interdepartementale groep, in plaats van een specifiek DG. Het systeem zal voor de eerste keer toegepast worden bij voorgestelde maatregelen voor de jaarlijkse beleidsstrategie voor 2004. Verwacht wordt dat het systeem volledig werkzaam zal zijn tegen 2004/2005. Het jaarlijkse werkprogramma van de Commissie voor 2003 bevatte 42 maatregelen waarvoor een uitgebreide beoordeling nodig was, waaronder een aantal milieu-initiatieven.

Inspanningen om de begroting van de EU milieuvriendelijker te maken hebben enig succes gehad, dankzij een initiatief samen met het Europees Parlement in 1995 en 1996. Dit werd gevolgd door een gezamenlijke verklaring op 15 maart 2000 van de Commissaris voor Milieu, Margot Wallström, en de Commissaris voor Regionaal beleid, Michel Barnier. Hierin werd bepaald dat het naleven van belangrijke bepalingen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen (zie § ??? en §???) een voorwaarde zou worden voor de goedkeuring van programma’s onder de Structuurfondsen door de Commissie. Het niet halen van deze eis kan leiden tot een opschorting van de betalingen, die op grond van de Kaderverordening voor Structuurfondsen gedaan worden (zie §???). Een gelijkluidende verklaring kwam van Franz Fischler, de Commissaris voor Landbouw, en Margot Wallström. Dit keer werd verwezen naar de Verordening over plattelandsontwikkeling (zie § ???), en werd benadrukt dat plannen voor plattelandsontwikkeling voldoende rekening moeten houden met de Nitraten- en Habitat- en Vogelrichtlijnen, om in aanmerking te komen voor betalingen. Deze coördinatie tussen verschillende Directoraten-Generaal heeft geleid tot meer gezamenlijke inspanningen ten behoeve van de implementatie van EU-milieubeleid, met name met betrekking tot de Habitatrichtlijn.

Sinds 1998 heeft de Commissie, ter ondersteuning van het werk van de Raad onder het Cardiff integratieproces, een reeks Mededelingen en werkdocumenten ontwikkeld op het gebied van milieu-integratie. Tabel 3.2.1 geeft een overzicht van die documenten. Meer gedetailleerde informatie kan ook gevonden worden in de relevante navolgende sectorale paragrafen.

In 1999 kondigde de voorzitter van de Commissie, Romano Prodi, een herziening aan van de werkwijze van de Commissie, bedoeld om deze meer efficiënt en effectief te maken, waarbij duurzame ontwikkeling een prioriteit wordt. Daarnaast deelde de voorzitter mee dat twee subgroepen van Commissarissen gevormd zouden worden, die de volgende zaken zouden behandelen: a) groei, concurrentievermogen, werkgelegenheid en duurzame ontwikkeling; en b) buitenlandse betrekkingen. De Commissaris voor Milieu, Margot Wallström, was betrokken in beide subgroepen. De eerste groep was echter wel behulpzaam bij het zorgen voor vooruitgang bij het voorstel van de Commissie over een strategie inzake duurzame ontwikkeling, die voorgelegd werd aan de top in Göteborg van juni 2001.[97] Een centraal onderdeel van de discussie daar ging over veranderingen binnen de instellingen ten behoeve van het toezicht houden op en het implementeren van de strategie.

Veel van deze initiatieven hebben een plaats gevonden In het kader van de Duurzame ontwikkelingsstrategie van de EU (zie hieronder).

Het Europees Parlement

De rol van het Europees Parlement (EP – zie § ???) bij het bepalen van het EU-milieubeleid is steeds groter geworden, met als hoogtepunt de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam in 1999. Het EP heeft nu de macht om mee te beslissen op veel beleidsterreinen, waaronder vele met belangrijke implicaties voor het milieu. Daarom is het steeds belangrijker geworden dat milieu-integratie onderdeel wordt van de besluitvorming binnen het EP.

De parlementaire commissies spelen een centrale rol in het besluitvormingsproces van het EP. Hoewel slechts één commissie als bevoegd wordt aangewezen om een bepaald voorstel nader te bekijken, kunnen andere geïnteresseerde commissies dit ook doen en daarover hun mening geven. Leden van die commissies kunnen een adviserende rol spelen in de vergaderingen van de verantwoordelijke commissies. Het reglement van het Europees Parlement maakt het ook mogelijk om gezamenlijke vergaderingen te houden, hoewel dit soort samenwerking tussen parlementaire commissies in de praktijk niet altijd plaatsvindt. In het geval dat het onderwerp bijna in gelijke mate onder de bevoegdheid van twee commissies valt, of indien verschillende gedeelten van het vraagstuk onder de bevoegdheid van twee verschillende commissies vallen, geldt de ‘nauwere samenwerkingsprocedure. Dit houdt onder meer in dat de rapporteur (van de bevoegde commissie) en de rapporteur voor advies moeten proberen het onderling eens te worden over de aan hun commissies voor te stellen teksten en over hun standpunt ten aanzien van amendementen. Bemiddelingscomités worden ingesteld als er voortdurende meningsverschillen zijn tussen de Raad en het Parlement in het kader van de co-decisieprocedure (zie § ???). Elk bemiddelingscomité bestaat uit een gelijk aantal vertegenwoordigers van de desbetreffende Raad en het Europees Parlement, waaronder de voorzitter en de rapporteur van de voor het onderwerp meest relevante parlementaire commissie. Onderhandelingen in het bemiddelingscomité gaan echter alleen over amendementen waarover gestemd is in de plenaire vergadering, zodat eventuele milieuoverwegingen al door het EP uitgesproken moeten zijn, voordat het bemiddelingscomité bijeengeroepen wordt (zie verder § ???).

‘Intergroepen’ van het Parlement bieden ook de mogelijkheid om Europarlementariërs met gemeenschappelijke belangen, maar met verschillende politieke achtergronden en uit verschillende parlementaire commissies, samen te brengen. Er is een groot aantal van deze intergroepen, die in wezen informeel naast de formele structuur van het Parlement werken. Hoewel deze groepen in het verleden van invloed zijn geweest, is er op dit moment geen intergroep die het bewustzijn over milieukwesties in het gehele Parlement probeert te vergroten.

Het EP is ook sinds 1975 verantwoordelijk geweest voor het verlenen van kwijting aan de Commissie met betrekking tot de uitvoering van de begroting van de EU. De parlementaire commissie voor de begrotingscontrole kan rekening houden met de mate waarin de afdelingen van de Commissie voldaan hebben aan de eis om milieuoverwegingen te integreren in hun respectievelijke activiteiten. Het Parlement mag tevens de Commissie om informatie vragen, en de Commissie zal moeten rapporteren hoe het de opmerkingen, die het parlement heeft gemaakt bij het verlenen van de kwijting voor de begroting, heeft uitgevoerd.

De mogelijkheden voor het EP om zijn begrotingsbevoegdheden te benutten, werden gebruikt voor milieudoeleinden in de jaren ’90. Dit was onderdeel van een langdurend proces van het verbinden van milieu-eisen aan belangrijke begrotingsonderdelen. Het draaide om een nauwe driehoeksrelatie tussen de parlementaire commissies voor de begroting en voor het milieu, en enkele belangrijke ambtenaren van het DG Milieu van de Commissie. Volgens Europarlementariër Karl-Heinz Florenz, de rapporteur voor de parlementaire milieucommissie, zou 1996 het jaar worden van het milieuvriendelijker maken van de begroting.

Voor de begroting van 1996 ging de aandacht van de door het Parlement voorgestelde amendementen met name uit naar de Structuurfondsen en het Cohesiefonds (zie § ??? en ???), die verantwoordelijk waren voor een derde van de toewijzingen uit de totale begroting. In de begroting stonden ook enkele ‘niet-verplichte’ uitgaven waarover het Parlement het laatste woord had. De belangrijkste amendementen van de parlementaire milieucommissie voor de ontwerpbegroting bevatten een dreigement om 50 procent van de kredieten van de Structuurfondsen en het Cohesiefonds te bevriezen, als de Commissie niet voor 15 november 1995 een gedragscode zou uitbrengen voor het toekomstig gebruik van de Fondsen. In de gedragscode zou de eis moeten staan dat ieder programma en project gefinancierd door de Fondsen een milieubeoordeling zou moeten ondergaan. Daarnaast zouden de milieugevolgen van de uitgaven in het kader van de Fondsen doorlopend bekeken en geëvalueerd moeten worden, en zouden tevens regelmatig verslagen overgelegd moeten worden aan het Parlement en de Raad. Volgens de milieucommissie zou alleen het slagen van deze eerste fase van het milieuvriendelijker maken van de begroting ervoor kunnen zorgen dat in de toekomst echte integratie plaatsvindt met ander Uniebeleid.[98]

Deze actie bracht de Commissie er toe om een Mededeling over cohesiebeleid en het milieu uit te brengen, die gezamenlijk was opgesteld door de Directoraten-Generaal voor Milieu en voor Regionaal beleid.[99] Het document bevatte een plan van tien punten voor het verscherpen van de milieuvoorwaarden voor het gebruik van de Structuurfondsen. Naast het uitbrengen van de Mededeling werd ook een intentiebrief ondertekend door de Commissarissen voor Begroting en voor Regionaal beleid, waarin gelijksoortige verbintenissen werden aangegaan. Hieronder viel de verbintenis om alle projecten van de Structuurfondsen en van het Cohesiefonds boven de 50 miljoen ECU een milieubeoordeling te laten ondergaan om vast te stellen dat er geen schadelijke milieueffecten zouden plaatsvinden, of om vast te stellen dat deze effecten voldoende gecompenseerd zouden worden. De parlementaire commissie voor de begroting vond deze reactie voldoende, en noemde het een serieuze inspanning om de milieudimensie in de uitvoering van de begroting te versterken. Het dreigement om de uitgaven van de Fondsen te bevriezen werd vervolgens ingetrokken. In de uiteindelijk met de Raad overeengekomen begroting van 1996 werd bij de begrotingslijnen over de Structuurfondsen en het Cohesiefonds een verklaring opgenomen. Hierin stond dat de kredieten van de Structuurfondsen niet verleend konden worden als de door de Fondsen gefinancierde maatregelen niet aan bepalingen van verdragen en wetgeving die betrekking hebben op de maatregelen voldeden. Hierbij werd een speciale vermelding gemaakt met betrekking tot verdragen en wetten met betrekking tot milieubescherming. Een Resolutie van het Parlement van februari 2000, waarin de Commissie aan haar verplichtingen herinnerd werd, was ook één van de belangrijke factoren die de Commissie er toe aanzette om te dreigen met het intrekken van steun van de Structuurfondsen als lidstaten bepaalde verplichtingen niet nakomen.

Inmiddels speelt de integratie van klimaatdoelstellingen, en het zogenaamde ‘climate proofing’ van EU uitgaven en (cohesiefonds)projecten, een grote rol in de begrotingsdiscussie.

In tegenstelling tot de Commissie en de Raad is voor het Parlement het Cardiff integratieproces niet in grote mate van belang, hoewel hierover een Resolutie werd goedgekeurd in 1998. Begin 2001 werd ook een aantal vragen aan de Commissie en de Raad gesteld in het Parlement over het Cardiff proces. Deze werden gevolgd door een inleidend verslag van de parlementaire milieucommissie over milieubeleid en duurzame ontwikkeling.[100] Een Resolutie over het verslag werd aangenomen in mei 2001. Deze Resolutie bevatte een verbintenis om regelmatig de vooruitgang te controleren van het implementeren van duurzaamheid in het beleid van de EU. Tevens droeg de Resolutie de voorzitter van het Europees Parlement op om de eigen methodes van het Parlement onder de loep te nemen, met het oog op het opstellen van werkpraktijken die duurzame ontwikkeling bevorderen.

In de Mededeling van de Commissie over een voorgestelde strategie voor duurzame ontwikkeling wordt aan het Europees Parlement gevraagd om diens werkmethodes te herzien en om zich te beraden over de vorming van een duurzaam ontwikkelingscomité. Dit comité zou zich over de bredere gevolgen van sectorale beleidsvoorstellen kunnen uitspreken. Dit comité zou kunnen worden samengesteld uit vertegenwoordigers van andere commissies, zoals het geval is met de commissie financiële controle.

In februari 2002 nam het Parlement een andere Resolutie aan over duurzame ontwikkeling, waarin het zijn beperkte betrokkenheid bij de voorbereidingen van de voorjaarsontmoetingen bekritiseerde. Bij die ontmoetingen wordt de vooruitgang in het kader van de EU-strategie inzake duurzame ontwikkeling besproken (zie hierna). Het Parlement vroeg om een nieuwe overeenkomst tussen de instellingen om deze kwestie aan te pakken. Daarnaast suggereerde het Parlement dat het zelf een jaarlijks debat zou moeten organiseren voor iedere voorjaarsontmoeting.

De Raad (van Ministers)

Hoewel er, formeel gesproken, slechts één Raad van Ministers is (zie § ???, varieert het lidmaatschap van de Raad al naar gelang van de beleidssector die besproken wordt. Zo zullen de ministers voor landbouw gewoonlijk aanwezig zijn bij de vergaderingen van de Raad voor Landbouw. Het lijkt er op dat deze benadering een effectieve integratie van milieuoverwegingen in de belangrijkste EU-beleidssectoren bemoeilijkt.

Dit in tegenstelling tot de Europese Raad die bijgewoond wordt door de staatshoofden en regeringsleiders, en waarin bredere beleidsinzichten verworven kunnen worden.

De Europese Raad

De Europese Raad (zie § ??? heeft een toenemende proactieve en belangrijke rol gespeeld bij het bepalen van de strategische prioriteiten van de EU, en daarmee bij het bepalen van de mogelijkheden voor het milieubeleid. Milieu-integratie werd al besproken bij de top in Dublin in juni 1990. Dit resulteerde in een speciale verklaring over het milieu, waarin verwezen werdnaar de noodzaak om milieuoverwegingen volledig en effectief te integreren in andere beleidsgebieden.

Het Cardiff integratieproces

De Europese Raad kreeg een meer concrete rol bij het bevorderen van milieu-integratie na de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam in 1997. In Artikel 6 van dit Verdrag stond een nieuwe integratieverplichting. Het onderwerp werd als eerste besproken bij de Europese Raad van Luxemburg in 1997, en het groene estafettestokje werd doorgegeven aan de volgende voorzitters (Groot-Brittannië, Oostenrijk, Duitsland en Finland). Op initiatief van de Zweedse regering werd de Commissie in Luxemburg gevraagd om een strategie te maken voor het integreren van het milieu in andere beleidsterreinen. Dit leidde tot een Mededeling van de CommissieEen partnerschap met het oog op integratie’, die werd voorgelegd aan de Europese Raad van Cardiff in juni 1998.[101] Het document beschrijft praktische stappen voor de uitvoering van het integratiebeginsel binnen de drie EU-instellingen: de Commissie, de Raad en het Parlement.

Bij de Raad van Cardiff zijn alle relevante samenstellingen van de Raad uitgenodigd om eigen strategieën op te stellen om milieu-integratie en duurzame ontwikkeling binnen de respectievelijke beleidsterreinen te effectueren. Ook werd gevraagd om controle van de voortgang, rekening houdend met de richtsnoeren van de Commissie, en waarbij indicatoren aangewezen moesten worden. Drie sectorale Raden (voor Landbouw, Vervoer en Energie) moesten het proces dat nu bekend is als het Cardiff proces starten. Eerste verslagen zouden voorgelegd moeten worden aan de Europese Raad van Wenen in december 1998. De staatshoofden en regeringsleiders in Cardiff keurden ook het beginsel goed dat belangrijke voorstellen van de Commissie vergezeld moesten gaan van een milieueffectbeoordeling.[102]

De Europese Raden in Wenen en Keulen (in respectievelijk december 1998 en juni 1999) die hierop volgden, breidden de lijst van sectorale Raden uit naar ontwikkeling, interne markt en industrie, visserij, algemene zaken en ECOFIN (overwegend bestaande uit ministers van economische zaken en financiën). Een voortgangsverslag werd door de Commissie gemaakt in mei 1999 en voorgelegd aan de top in Keulen. Verdere voortgangsverslagen over integratie[103] en over indicatoren[104] werden overhandigd aan de Raad van Helsinki in december 1999. Tegen die tijd werden ook definitieve strategieën van de Raden voor Landbouw, Vervoer en Energie overgelegd.

Een grondige evaluatie van de effectiviteit van het Cardiff proces werd opgedragen door het Britse ‘Department of the Environment, Transport and the Regions’ in 2000. Het verslag hiervan kwam tot de bevinding dat de strategieën verschilden van inhoud en van kwaliteit. Hoewel de strategieën de behoefte aan beleidsveranderingen erkenden, beloofden ze geen actie binnen overeengekomen tijdschema’s. De vervoersstrategie werd door velen gezien als de beste van de eerste drie, aangezien die enkele doelstellingen en tijdschema’s bevatte. In het algemeen werden de strategieën bekritiseerd vanwege het gebrek aan doorzichtigheid bij het ontwerpproces, de overdreven voorzichtige en conservatieve toon, de neiging om bestaande prestaties op te hemelen, en het niet vermelden van de kostenimplicaties van hervormingen. Tevens was er ongerustheid over de neiging van de strategieën om overeengekomen beleidsstandpunten weer te geven, in plaats van lange termijnvisies over duurzame ontwikkeling.[105]

Het Zweedse voorzitterschap gedurende de eerste helft van 2001 legde een grote nadruk op het Cardiff proces en slaagde er in om meer resultaten te krijgen van acht van de negen betrokken Raden. Vanwege de vele veronderstelde zwakheden van de strategieën werd er echter gediscussieerd over hoe het proces in de toekomst verbeterd kon worden, als het überhaupt al door zou moeten gaan. In de conclusies van het voorzitterschap bij de top in Göteborg in juni 2001 werd de toekomst van het proces zeker gesteld, en werd de Raad uitgenodigd om “de laatste hand te leggen aan de sectorale strategieën” en “deze verder te ontwikkelen met het oog op een zo spoedig mogelijke uitvoering ervan” en werd gevraagd om “voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad in 2002 het resultaat van die werkzaamheden te presenteren”. In dezelfde conclusies werd de secretaris-generaal van de Raad ook verzocht om bij de top in Laken gedetailleerde suggesties te presenteren over onder andere effectieve coördinatie tussen de verschillende samenstellingen van de Raad.

In de conclusies van het voorzitterschap bij de top in Barcelona in 2002 werd opgemerkt dat verschillende raadsformaties, waaronder de ECOFIN-Raad en de Raad Algemene Zaken, hun strategieën ter integratie van milieuoverwegingen hadden aangenomen en dat de Raad Visserij de nodige stappen had ondernomen om deze integratie te bereiken bij de aankomende hervormingen.

In oktober 2002 riep de Milieuraad de top op om het Cardiff proces te versterken. Hierbij werd in het bijzonder aan de verschillende raadsformaties gevraagd om de ontkoppeling van economische groei en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en de verslechtering van de toestand van het milieu in de praktijk te brengen onder leiding van de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen. In dat kader zou iedere twee jaar bij de voorjaarstop een overzicht gegeven worden van de verschillende integratie-activiteiten en de resultaten daarvan. De Raad verzocht de top tevens om Onderwijs, Volksgezondheid, Consumentenzaken, Toerisme, Onderzoek, Werkgelegenheid en Sociaal Beleid aan de lijst van raadsformaties toe te voegen die een integratiestrategie dienen op te stellen. Tegelijkertijd werd de Commissie gevraagd om jaarlijks de balans op te maken van het Cardiff proces, om de conclusies hiervan mee te nemen in diens syntheseverslagen (zie hierna) vanaf 2003 en om dit verder te ontwikkelen in de komende jaren. De Raad nodigde de Commissie tevens uit om algemene ontkoppelingsdoelstellingen van de Unie en waar mogelijk, specifieke sectorgebonden ontkoppelingsdoelstellingen, uit te werken. Een aantal van deze onderwerpen werden behandeld in de voorjaarstop in 2003, waar werd opgeroepen de doeltreffendheid en samenhang van bestaande processen, strategieën en instrumenten te vergroten door de “versterking van het proces van Cardiff inzake integratie van milieuoverwegingen in het sectoraal beleid en ontwikkeling van algemene en sectorgebonden ontkoppelingsdoelstellingen”. De conclusies merken tevens het voornemen van de Commissie op om jaarlijks de balans op te maken van het proces van Cardiff inzake integratie van milieuoverwegingen en een regelmatige evaluatie van het milieubeleid uit te voeren, en daarover tijdig verslag uit te brengen, zodat met ingang van 2004 met de resultaten hiervan rekening kan worden gehouden bij de opstelling van de toekomstige verslagen aan de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad.

In de Evaluatie van het Milieubeleid van de Commissie van 2003 wordt ook verwezen naar het Cardiff proces en worden de positieve resultaten opgemerkt. De Commissie suggereert echter wel dat er een inventarisatie van de integratie tot nu toe uitgevoerd dient te worden, dat de maatregelen die moeten worden genomen om het Cardiff proces nieuw leven in te blazen onderzocht moeten worden en dat bekeken moet worden of er genoeg nadruk wordt gelegd op de tenuitvoerlegging van de strategie om ervoor te zorgen dat de Raad in zijn diverse samenstellingen de afspraken nakomt. Om integratie op nationaal niveau te bewerkstelligen stelt de Evaluatie een voorbereidende vergelijkende analyse voor van de nationale strategieën inzake duurzame ontwikkeling, ter bevordering van de consistentie van de strategieën en het identificeren van goede werkwijzen.

In aanvulling op deze evaluatie presenteerde de Commissie in juni 2004 – helaas te laat voor het voorjaarsverslag voor de Europese Raad – haar eerste inventarisatie van de mate van milieu-integratie in het kader van het Cardiff proces.[106] Hierin concludeert de Commissie dat in de negen ‘Cardiff sectoren’ (vervoer, landbouw en energie, bedrijfsleven, interne markt, ontwikkeling, visserij, algemene zaken en economische en financiële aangelegenheden) gedurende de eerste vijf jaar gemengde resultaten zijn behaald. In positieve zin heeft het proces bijgedragen tot concrete verbeteringen in een aantal sectoren, bijvoorbeeld de initiatieven van de Commissie m.b.t. hernieuwbare energie en energie-efficiëntie, en de hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) in 2003 en 2004. Voor het overige wordt geconstateerd dat veel van de gedane toezeggingen nog voor een groot deel verder in concrete resultaten voor het milieu moeten worden omgezet. Aan de negatieve zijde wordt opgemerkt een gebrek aan consistentie (kwaliteit en ambitie variëren aanzienlijk tussen sectoren), en een tekort aan politiek engagement (het proces lijkt in sommige Raadsformaties ervaren te worden als vooral een pro forma-exercitie). Ook constateert het dat de mechanismen voor de oplevering van resultaten, implementatie en tussentijdse evaluatie ‘voor verbetering vatbaar’ zijn, en benoemt het een behoefte aan duidelijkere prioriteiten en meer focus, en een strategisch vooruitziende aanpak.

De roep om het proces van Cardiff nieuw leven in te blazen werd echter kritisch ontvangen tijdens de Brusselse Voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad in 2004. Dit kwam deels doordat de Commissie de inventarisatie te laat had opgesteld om deze nog formeel behandeld te kunnen laten worden tijdens de top, maar ook omdat de Europese Raad vooral prioriteit wilde verbinden aan economisch herstel en verdere groei, en ‘meer en betere banen’ in Europa. Het thema milieu werd slechts zijdelings genoemd als ‘ecologisch verantwoorde duurzame groei’, en kreeg met slechts 4 van de totaal 81 paragrafen in de Conclusies van de Europese Raad een duidelijk ondergeschikte rol toebedeelt.[107] Het Cardiff proces werd zelfs überhaupt niet bij name genoemd, laat staan plannen voor een opleving daarvan. Ook in de conclusies van de daaropvolgende Voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad in 2005 speelde het Cardiff proces geen rol van betekenis, en deze situatie lijkt zich tot op heden voort te zetten. Inmiddels is dit proces overvleugeld door de duurzaamheidsprioriteit.

Tabel 3.2.1 geeft een overzicht van verslagen en strategieën, en van verwante documenten van de Commissie in het kader van het Cardiff proces.

Het Lissabon proces over sociale en economische hervormingen

Naast zijn sturende rol in het Cardiff integratieproces, heeft de Europese Raad een belangrijke milieudimensie ingevoerd in het zogeheten Lissabon proces, over sociale en economische hervormingen. Het Lissabon proces is vernoemd naar de voorjaarstop in 2000 onder het Portugese voorzitterschap. In Lissabon stelde de Europese Raad als nieuw strategisch doel voor de Europese Unie om: “de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te worden die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang”. [108] De nadruk lag eerst met name op sociale en economische doelstellingen. De Raad van Stockholm in het voorjaar van 2001 besloot dat het toevoegen van een milieudimensie aan het Lissabon proces nodig was voor het voltooien van en het voortbouwen op een strategie inzake duurzame ontwikkeling van de EU.[109] Vanaf 2002 zouden de voorjaarsontmoetingen gaan dienen om de vooruitgang te controleren bij het halen van de doelstellingen op het gebied van milieu en duurzame ontwikkeling, gebaseerd op jaarlijkse syntheseverslagen van de Commissie, de voorjaarsverslagen en op gerelateerde structurele indicatoren.

In november 2001 nam de Commissie een Mededeling aan over structurele indicatoren. Deze bevatte een set van 36 indicatoren, waaronder zes milieu-indicatoren, die zouden worden besproken in het syntheseverslag. Vanuit milieugroeperingen kwam er veel kritiek vanwege het feit dat slechts een zesde van de indicatoren betrekking hadden op het milieu. Na de conclusies van de top in Göteborg vergrootte de Milieuraad de milieucomponent, door uiteindelijk zeven indicatoren aan te wijzen en door een open lijst van milieu-indicatoren samen te stellen, die in de toekomst verder ontwikkeld en gebruikt kunnen worden. De uiteindelijke reeks structurele indicatoren, waaronder zich dus enkele milieu-indicatoren bevonden, werd voorgelegd aan de bijeenkomst van staatshoofden en regeringsleiders in Laken op 13 en 14 december 2001. De zeven door de Raad overeengekomen milieu-indicatoren omvatten uitstoot van broeikasgassen (absoluut gezien, en in vergelijking met de in Kyoto beschreven doelstellingen), het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de opwekking van elektriciteit, het volume van vracht- en personenvervoer per eenheid BBP, de verdeling van vervoer per vervoersmiddel, blootstelling van de stedelijke bevolking aan luchtvervuiling

<!-- --> <!-- -->

Voorzitter­schap van de Raad

Luxemburg juli-dec 1997

VK jan-juni 1998

Oostenrijk juli-dec 1998

Duitsland jan-juni 1999

Finland juli-dec 1999

Algemene documenten

Een partnerschap met het oog op integratie COM(98)333

Integratie van miliebeleid in andere sectoren SEC(1999)777

Van Cardiff naar Helsinki en verder: SEC(1999)1941; Indicators: SEC(1999)1942

Eerste ‘golf’ Raden

Landbouw

Verslag van de Raad

COM(1999)22

Strategie van de Raad

Energie

COM(98) 571

Verslag van de Raad

Strategie van de Raad

Vervoer

Verslag van de Raad

Tweede ‘golf’ Raden

Ontwikkeling

Verslag van de Raad; COM(1999)499

Industrie

Verslag van de Raad

Interne markt

COM(1999) 263

Verslag van de Raad

Derde ‘golf’ Raden

ECOFIN

Algemene zaken

Visserij

COM(1999)363


Tabel 3.2.1 (verv.) Documenten van de Raad en Commissie over het Cardiff proces[110]

Voorzitter­schap van de Raad

Portugal jan-juni 2000

Frankrijk juli-dec 2000

Zweden jan-juni 2001

België juli-dec 2001

Spanje jan-juni 2002

Algemene documenten

Samenvattend verslag van de voorzitter over voortgang en prestaties

Eerste ‘golf’ Raden

Landbouw

COM (2000) 20

Bijlage/verslag van de Raad; Verslag van de Commissie van 5.2.2001; COM(2001)144

Energie

Resolutie van de Raad; SEC(2001)502

Vervoer

Resolutie van de Raad; SEC(2001)502

Tweede ‘golf’ Raden

Ontwikkeling

Strategie/verslag van de Raad; Werkdocument van de Commissie

Industrie

Strategie van de Raad; Verslag van de Commissie

Conclusies van de Raad ‘Ondernemingsbeleid en duurzame ontwikkeling

Interne markt

Strategie van de Raad

Verslag van de Raad

Derde ‘golf’ Raden

ECOFIN

Verslag van de Raad: COM (2000)576

Algemene zaken

Verslag van de Raad; Werkdocument van DG Handel; SEC(2001)508

Visserij

Verslag van de raad

Verslag van de Raad/Bijlage; COM(2001)143

(gemeten in het aantal dagen dat de normen overschreden worden), de hoeveelheid opgehaald gemeentelijk afval, en de energieconsumptie per eenheid BBP. De milieu-indicatoren, waarvan de Commissie kan overwegen om deze toe te voegen aan de lijst van zeven in de komende jaren, worden ook genoemd. Deze betreffen de duurzaamheid van visserij, het gebruik van giftige chemische stoffen, en de kwaliteit van het drinkwater.

Het syntheseverslag van de Commissie voor de voorjaarstop van 2001, ‘De strategie van Lissabon - De veranderingen verwerkelijken’[111] bevatte nog steeds zeven indicatoren op milieugebied, maar het totaal aantal indicatoren was echter gestegen naar 42.De aandacht van het verslag ging bijna volledig uit naar economische en werkgelegenheidskwesties. Daarnaast stelde het verslag slechts drie prioriteitsgebieden voor de toekomst voor, waarvan niet één direct verbonden was met milieubeleid.

De behoefte aan een groter aandeel van milieu-indicatoren in verhouding tot het totaal aantal structurele indicatoren werd daarom weer ter sprake gebracht in de conclusies van de Milieuraad in maart 2002, waarin de Raad aangeeft dat in het syntheseverslag “niet voldoende rekening wordt gehouden met de milieudimensie, en benadrukt dat in de volgende versie van dit verslag de milieuaspecten ruimer en grondiger moeten worden behandeld, om te komen tot een nieuwe benadering van de besluitvorming waarbij de drie dimensies van duurzame ontwikkeling evenwichtiger worden behandeld”. Op de top zelf riep de Europese Raad tevens op om evenveel aandacht te besteden aan de economische, sociale en milieukwesties, waarmee de milieucomponent van het Lissabon proces versterkt werd.

De syntheseverslagen van de Commissie zijn gebaseerd op regelmatige, van elkaar onafhankelijke herzieningen en richtsnoeren die ieder najaar worden gemaakt door de Raden voor ECOFIN en Werkgelegenheid, onder de zogeheten open coördinatiemethode (OCM). Er bestaat nog geen soortgelijke procedure voor milieubeleid. Daardoor was de ongebalanceerde aard van het syntheseverslag niet geheel onverwacht. Bij een ontmoeting van milieuministers in december 2002 werd gevraagd om de instelling van een OCM met betrekking tot het milieu. Hier werd op ingegaan door de Commissie in de Evaluatie van het Milieubeleid 2003[112], waarin gesuggereerd wordt dat de open coördinatiemethode in het milieubeleid gebruikt kan worden. Dit systeem – dat gebruik maakt van benchmarking, peer reviews, regelmatige verslaglegging en de ontwikkeling van richtsnoeren op vrijwillige basis voor de lidstaten – geldt al voor het economisch en werkgelegenheidsbeleid. De toepassing van deze methode op het milieubeleid wordt nu uitgetest in het kader van het EU-actieplan voor milieutechnologie (ETAP; zie § ???).

De Europese Raad van het voorjaar van 2003 wees milieubescherming voor groei en banen aan als één van de prioriteiten bij het behalen van de doelstellingen van het Lissabon proces. De Raad gaf aan: “Milieudoelstellingen zullen als een katalysator werken voor innovatie en modernisering in sleutelsectoren zoals energie en vervoer, en zullen nieuwe investeringen in schone, meer op een efficiënt gebruik van hulpbronnen gebaseerde technologieën bevorderen”. De Europese staatshoofden en regeringsleiders benadrukten tevens het belang van het beleid op het gebied van innovatie en de invoering van nieuwe technologieën, waarbij het voornemen van de Commissie om vóór eind 2003 de laatste hand te leggen aan het actieplan betreffende milieutechnologieën werd opgemerkt. In het bijzonder werd opgeroepen om prioriteit te geven aan de ontwikkeling van nieuwe voertuigbrandstoffen, met name waterstof en aan nieuwe speerpunttechnologieën zoals brandstofcellen. De voorjaarstop erkende de beperkingen van milieugerelateerde structurele indicatoren, en riep op om deze te verbeteren.

De conclusies van de Europese Raad in Brussel van oktober 2003 bespreken de “milieudimensie” in de laatste paragraaf en geven slechts aan wat de het milieu kan bijdragen aan de groei. De reeks indicatoren die de Commissie gebruikt bij het beoordelen van de geboekte vooruitgang bestaat slechts uit veertien indicatoren, waarvan er drie milieugerelateerd zijn. Deze hebben betrekking op de broeikasgasemissies, de energie-intensiteit van de economie en de omvang van het vervoer.

Ook tijdens de Voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad in 2004 werd slechts zijdelings ingegaan op de milieudimensie, en lag de nadruk vooral op verdere kostenefficiëntie verbeteringen in de tenuitvoerlegging van EU Besluiten op het terrein van klimaatverandering, verbeterde energie-efficiënte en stimulering van toenemend gebruik van duurzame, hernieuwbare energiebronnen. De Europese Raad riep ook op tot een onafhankelijke evaluatie van het Lissabon proces, waarbij ook nieuwe instrumenten en programma’s aangewezen zouden moeten worden om de doelen te verwezenlijken.

In de aanloop naar deze tussentijdse evaluatie meldde de Europese Commissie dat de EU achter lag op schema. Het werd duidelijk dat de Europese economie in 2010 niet de sterkste ter wereld zou zijn als de strategie niet zou worden aangepast. In 2005 werd deze (tussentijdse)evaluatie van de Lissabonstrategie uitgevoerd door een commissie op hoog niveau (‘High Level Group’) onder leiding van voormalig premier Wim Kok.[113] De belangrijkste aanbevelingen van de ‘evaluatiecommissie Kok’ waren dat prioriteit gegeven moest worden aan het stimuleren van economische groei, het aantrekkelijker maken van werken, het flexibiliseren van de loonvorming en het vergroten van de arbeidsmobiliteit. Milieu- en socialedoelstellingen werden in het rapport als bijproducten van deze ontwikkelingen gezien, en kregen een ondersgeschikte rol in de aanbevelingen voor een hernieuwde impuls voor de Lissabonstrategie, net als veel onderdelen van de duurzame ontwikkelingsstrategie.

Mede op basis van deze interim-evaluatie werd in maart 2005 de Lissabonstrategie opnieuw gelanceerd.[114] De nadruk kwam vanaf 2005 vooral te liggen op economische groei en het creëren van banen. Hiervoor werd een ‘Actieprogramma voor economische groei en werk’ opgesteld, dat gold voor de periode 2005-2008. De sociale en milieudoelstellingen raakten meer op de achtergrond.

In de mededeling[115] aan de Voorjaarsraad van 2005 beschreef de Commissie de hernieuwde Lissabonstrategie evenwel als een ‘essentieel onderdeel van de overkoepelende doelstelling van duurzame ontwikkeling’, en noemde de Lissabonstrategie en de Duurzame ontwikkelingsstrategie complementaire maatregelen die elkaar versterken, ondanks het gebruik van verschillende instrumenten en tijdspaden. Voor het beheer van de Lissabonstrategie 2005 zou meer gebruik gemaakt moeten worden van nieuwe beleidsinstrumenten (‘new governance’), en er werd een nieuwe structuur in het leven geroepen op basis van een partnerschap tussen de lidstaten en de EU-instellingen (met een faciliterende rol voor de Commissie). Iedere lidstaat moet hiertoe elke drie jaar een actieplannen voor hervorming vastleggen in een nationale hervormingsprogramma (NHP), mede aan de hand van ‘geïntegreerde richtsnoeren’ ontwikkeld door de Commissie.[116] Benadrukt werd dat de Lissabonstrategie een zaak moet zijn van ‘alle belanghebbenden op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau’.

In december 2007 presenteerde de Commissie een Strategisch verslag[117] over de hernieuwde Lissabon-strategie, met aanbevelingen voor de lancering van de nieuwe cyclus (2008-2010). Op basis van dit rapport lanceerden de Europese regeringsleiders in maart 2008 de tweede periode van de vernieuwde Lissabonstrategie. Onder druk van de publieke opinie kwamen de sociale en milieudoelstellingen weer iets meer naar voren. Ondanks dit voornemen bleven het creëren van banen en het bevorderen van concurrentie de topprioriteiten, mede als gevolg van het uitbreken van de economische crisis gedurende deze periode. Tegelijkertijd met het lanceren van deze tweede periode van de vernieuwde Lissabonstrategie, heeft de Europese Raad ook aan de Commissie verzocht een opvolger voor de Lissabonstrategie op te stellen, voor de periode na 2010.

Hoe meer 2010 naderde, hoe meer duidelijk werd dat de doelstellingen van de Lissabonstrategie niet gehaald gingen worden. Ten dele wordt dit geweten aan de economische crisis, maar ook hiervoor al lag het proces niet op schema. Ten dele is dit het gevolg van het gebrek aan bindende doelstellingen en tijdlijnen, doordat het proces plaatsvindt binnen de vorm van de open coördinatiemethode, zonder handhavingsmechanismen.

In de eindevaluatie van de Lissabonstrategie[118] in 2010 concludeert de Commissie dat de strategie ‘over het geheel genomen een positief effect heeft gehad op de EU, ook al werden de hoofddoelstellingen niet gehaald.’

Bekeken vanuit het oogpunt van milieubescherming is slechts een beperkt aantal ‘win-win’ milieudimensies zoals energie-efficientie, duurzame energiebronnen, en de ontwikkeling van milieutechnologiën geïntegreerd in het proces, vooral vanwege hun potentieel voor een verbeterde concurrentiepositie en werkgelegenheid. De overige milieu-elementen uit de Duurzame ontwikkelingsstrategie – oorspronkelijk bedoeld als de milieu-pijler van de Lissabonstrategie – wachten op aandacht.

Europa 2020 Strategie

De opvolger van de Lissabonstrategie, voor de periode 2010-2020, werd in maart 2010 aangekondigd direct na de installatie van de Commissie ‘Barroso II’. De nieuwe langetermijn groeistrategie van de Europese Unie voor een sterke en duurzame economie met veel werkgelegenheid kreeg de naam ‘Europa 2020-Strategie’, met als ondertitel in het Commissievoorstel: ‘Slimme, duurzame en inclusieve groei’.[119] De directe prioriteit ligt welhaast vanzelfsprekend bij het het hoofd bieden aan de actuele mondiale economische en financiële crisis, en hier op een duurzame wijze van te herstellen en er sterker uit naar voren te komen, mede door lering te trekken uit de oorzaken en gevolgen van de crisis in het heden en verleden. Voor de midden- en langere termijn zet de Commissie in haar voorstel drie hoofdlijnen uit, die moeten worden omgezet in concrete maatregelen op EU‑ en nationaal niveau: slimme groei (accent op kennis, innovatie, onderwijs en de digitale maatschappij), duurzame groei (in het productieproces zuiniger omgaan met hulpbronnen en toch de concurrentiekracht van de EU vergroten) en inclusieve groei (groei voor iedereen: de arbeidsparticipatie verhogen, beter onderwijs bieden en armoede bestrijden). Er worden vijf ambitieuze doelstellingen vastgesteld voor werkgelegenheid, innovatie, onderwijs, sociale samenhang en klimaat/energie. Teneinde vorderingen richting 2020 af te kunnen meten worden aan deze doelstellingen concrete streefcijfers vastgesteld op EU-niveau, die vervolgens door de lidstaten moeten worden vertaald in nationale streefcijfers, al naar gelang van hun uitgangspositie:

  • 75% van de bevolking tussen 20-64 jaar moet werk hebben;

  • 3% van het EU-bbp moet worden geïnvesteerd in O&O;

  • de "20/20/20"-klimaat‑ en energiedoelstellingen moeten worden gehaald;

  • het percentage voortijdige schoolverlaters moet lager zijn dan 10% en minstens 40% van de jongere generatie moet een titel of hogeronderwijsdiploma hebben;

  • het aantal mensen voor wie armoede dreigt moet met 20 miljoen dalen.

Deze doelen zullen worden nagestreefd middels zeven kerninitiatieven voorgesteld door de Commissie. Het uitvoeren van deze initiatieven is een gedeelde prioriteit en er zal actie moeten worden ondernomen door zowel EU‑organisaties, lidstaten, als lokale en regionale overheden. De kerninitiatieven behelzen concreet, met name:

  • Innovatie-Unie: het accent in het onderzoek en ontwikkeling (O&O) en innovatiebeleid verleggen naar de belangrijkste knelpunten en de kloof tussen wetenschap en markt overbruggen zodat uitvindingen kunnen worden omgezet in producten. Het EU‑octrooi zou ondernemingen bijvoorbeeld 289 miljoen euro per jaar kunnen besparen;

  • Efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa: de verschuiving naar een zuinige en koolstofarme economie ondersteunen. Europa moet vasthouden aan de 2020-doelstellingen op het gebied van energieproductie, -efficiëntie en -verbruik. Dit leidt tot een besparing van 60 miljard euro op olie‑ en gasimport in 2020.

  • Industriebeleid voor groene groei: zorgen dat de industriële basis van de EU de concurrentie in de wereld van na de crisis aankan, door ondernemerschap te bevorderen en nieuwe vaardigheden te ontwikkelen. Dit levert miljoenen nieuwe banen op;

Naar aanleiding van het Commissievoorstel en het akkoord op hoofdlijnen door de Europese Raad in maart 2010,[120] sprak het Europees Parlement in een Resolutie[121] nog zijn teleurstelling uit over de milieudimensie van de Europa 2020-strategie. De oproep tot versterking van de rol voor de bescherming van het milieu, verlies aan biologische diversiteit, en klimaatdoelstellingen, bleef echter onbeantwoord.

Op 17 juni 2010, tijdens de eerste reguliere bijeenkomst van de Europese Raad onder (vast) voorzitterschap van Herman van Rompuy, gaven de EU regeringsleiders hun definitieve goedkeuring aan het Commissievoorstel voor de Europa 2020-strategie met haar vijf kern-doelstellingen.[122]

Voor de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie zijn op voorstel van de Commissie[123] door de Raad tien geïntegreerde richtsnoeren vastgesteld voor het economisch beleid van de lidstaten en de EU (Richtsnoeren 1-6),[124] en het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (Richtsnoeren 7-10).[125] Voor milieubeleid is met name Richtsnoer 5 van belang, inzake het zuiniger omgaan met hulpbronnen en het beperken van de uitstoot van broeikasgassen.

Tijdens de Europese Raadsbijeenkomst van juni 2010 werd besloten tot een samenvoeging van de macro-economische beleidsontwikkelingen en structurele hervormingen in het kader van Europa 2020, met ingang van januari 2011. Hiertoe werd de term ‘Europees Semester’ ingevoerd, voor de periode in de eerste helft van elk jaar waarin de verslagen van de lidstaten in het kader van het Stabiliteits- en groeipact en in het kader van de Europa 2020-strategie op elkaar worden afgestemd en de lidstaten beleidsrichtsnoeren en aanbevelingen ontvangen, voordat zij de laatste hand leggen aan hun nationale begroting. De bedoeling is hiermee de ex ante-dimensie van de coördinatie van en het toezicht op het economisch beleid in de EU te versterken, waardoor de voordelen van een gemeenschappelijke agenda op EU-niveau en van op maat gemaakte maatregelen op nationaal niveau kunnen worden gecombineerd. Hierdoor kan de EU bijtijds lering trekken uit nationale ontwikkelingen en kunnen de lidstaten op hun beurt de Europese vooruitzichten en richtsnoeren in hun nationale beleidsmaatregelen voor het volgende jaar opnemen. In het kader van deze nieuwe procedure voor beleidscoördinatie zal de Commissie elk jaar in haar jaarlijkse groeianalyse de belangrijkste economische uitdagingen voor de EU evalueren, en zal zij prioritaire maatregelen aanbevelen om deze uitdagingen het hoofd te bieden. Op grond van deze input zal de Europese Raad op zijn voorjaarsbijeenkomst richtsnoeren uitbrengen over de belangrijkste uitdagingen die in het verschiet liggen. Rekening houdend met deze richtsnoeren formuleren de lidstaten vervolgens hun begrotingsstrategieën op middellange termijn in hun stabiliteits- of convergentieprogramma's, en geven zij in hun nationale hervormingsprogramma's aan welke maatregelen nodig zijn om de doelstellingen van Europa 2020 te bereiken en de belemmeringen voor groei uit de weg te ruimen. Beide documenten worden gelijktijdig tegen half april ingediend. Aan het eind van het Europees Semester, vóór de zomer, brengt de Raad landenspecifieke richtsnoeren uit op basis van aanbevelingen van de Commissie. Zo kunnen de lidstaten bij de opstelling van hun begroting voor het volgende jaar met deze bijdragen rekening houden. Met de verplichting voor lidstaten om nationale stabiliteits- en convergentieprogramma’s en nationale hervormingsprogramma’s in te dienen, ontstaat er een veel grotere rol voor de lidstaten bij de rapportage en monitoring van voortgang in de Europa 2020 strategie, waar in het voorgaande Lissabonproces deze taken vooral centraal bij de Commissie lagen.

Het eerste voortgangsverslag (‘jaarlijkse groeianalyse’) van de Commissie over Europa 2020,[126] van januari 2011, is noodgedwongen gebaseerd op ontwerpversies van de nationale hervormingsprogramma's. Het eerste ‘Europees Semester’ valt gelijk met een economisch keerpunt in de EU, met na twee geleidelijk herstel van de recessie. Voor de milieudimensie van het Europa 2020 wordt echter aanzienlijk minder voortgang geboekt dan voorzien in de streefcijfers (bijvoorbeeld 10% minder dan het streefcijfer van 20% terugdringing van het energieverbruik in de EU tegen 2020. Nederland scoort hiervoor overigens gemiddeld, met 14% reductie). Het Commissierapport noemt deze gebrekkige inspanning van de lidstaten ‘zorgwekkend’.

Actuele ontwikkelingen in het kader van de Europa 2020 strategie, en verdere achtergrondinformatie over dit proces, zijn beschikbaar via een speciale ‘Europa 2020’ website van de Europese Commissie.[127]

Duurzame ontwikkelingsstrategie

Zoals gezegd heeft de Europese Raad naast deze initiatieven in 2001 ook (deels) ondersteuning gegeven aan Commissievoorstellen voor een Europese strategie inzake duurzame ontwikkeling (zie verder § ??? en ???).[128] Als onderdeel van deze strategie is een systeem ingevoerd waaronder “alle EU-instellingen moeten zorgen dat belangrijke beleidsbeslissingen gebaseerd zijn op voorstellen die een effectbeoordeling van hoge kwaliteit hebben ondergaan, waarbij op evenwichtige wijze de sociale dimensie, de milieudimensie en de economische dimensie van duurzame ontwikkeling worden beoordeeld”. Een dergelijke afweging van milieu-kosten en -baten bij alle belangrijke beleidsbeslissingen binnen de EU-instellingen bevordert het milieu-integratievereiste. De strategie werd in 2006 vernieuwd.[129] Een eerste voortgangsrapport werd in 2007 uitgebracht,[130] gevolgd door een tweede dat in 2009 verscheen.[131] In het laatste rapport werd onderkend dat er weliswaar vooruitgang is geboekt, maar dat op een aantal gebieden (zoals afnemende biodiversiteit, verbruik van natuurlijke hulpbronnen, stijgend brandstofverbruik in de transportsector en wereldwijde armoede) duurzaamheid nog ver te zoeken is. Eurostat publiceerde ook een voortgangsverslag over de Europese strategie voor duurzame ontwikkeling in 2009. Hierin werden vorderingen gemeten aan de hand van doelstellingen en streefcijfers. Dit kwantitatieve verslag bevestigde dat er over het algemeen wel voortgang werd geboekt, bijvoorbeeld op het gebied van duurzame consumptie en productie, maar dat met name op terreinen van klimaatverandering, energie en de instandhouding van de visbestanden een gematigde tot duidelijk negatieve verandering van het streefpad plaatsvond.[132]

Referenties

Environmental Audit Committee (1999). EU Policy and the Environment: an agenda for the Helsinki Summit. First Report, House of Commons, Session 1999-2000.

Europe Environment (2001). European Commission: plan for environmentally-friendly administration falls short of target, 591 12.06.2001.

Europese Commissie (1979). Proposals for the Reform of the Commission of the European Communities and its Services Report made at the request of the Commission by an independent Review Body under the chairmanship of Mr Dirk Spierenburg, september 1979.

Europese Commissie (1996). Voortgangsverslag van de Commissie oer de uitvoering van het beleidsplan en actieprogramma van de Europese Gemeenschap inzake het milieu en duurzame ontwikkeling "Op weg naar duurzame ontwikkeling". COM(95)624, Brussel, 10.01.1996.

Europees Parlement (1996). Report from the Committee on Budgets on the 1996 Draft Budget, as Modified by the Council. A4-0305-11/96, oktober 1996.

Europees Parlement (2001). Report on environment policy and sustainable development: preparing for the Gothenburg European Council. Europees Parlement,Commissie voor Milieu, Volksgezondheid en Consumentenbeleid, Anneli Hulthén, A5-0171/2001.

Fergusson, M., Coffey, C., Wilkinson, D., Baldock, D., Farmer, A., Kramer, R.A., en Mazurek, A. (2001). The Effectiveness of EU Council Integration Strategies and Options for Carrying Forward the Cardiff Process. Report to Department of Environment, Transport and the Regions. IEEP, Londen.

Wilkinson, D. (1998). Steps towards integrating the environment in other EU policy sectors. In: T.ORiordan en H. Voisey (eds.). The Transition to Sustainability: the Politics of Agenda 21

[91] Europese Commissie (1979).

[92] SEC(93)785/5.

[93] Wilkinson (1998).

[94] Europese Commissie (1996).

[95] Persbericht van de Europese Commissie IP/97/636, 11 juli 1997.

[96] COM(2002)276.

[97] COM(2001)264.

[98] Europees Parlement (1996).

[99] COM(95)509.

[100] Europees Parlement (2001).

[101] COM(98)333.

[102] Environmental Audit Committee (1999).

[103] SEC(99)1941.

[104] COM(99)1942.

[105] Fergusson et al. (2001).

[106] COM(2004)394 def., 1.6.2004.

[108] Conclusies beschikbaar via: http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/ec/00100-r1.en0.htm (laatstelijk geraadpleegd 25.3.2011).

[109] Conclusies beschikbaar via: http://ec.europa.eu/governance/impact/background/docs/goteborg_concl_en.pdf (laatstelijk geraadpleegd 25.3.2011).

[110] Zoals hierboven besproken is het Cardiff process sinds 2002 in feite opgegaan in andere processen; sindsdien zijn er geen nieuwe documenten meer in dit kader verschenen. Een inventarisatie van het proces door de Commissie verscheen in juni 2004 als COM(2004)394 def., 1.6.2004.

[111] COM(2002)14.

[112] COM(2003)745.

[113] Evaluatierapport van november 2004, Facing the challenge. The Lisbon strategy for growth and employment. Report from the High Level group chaired by Wim Kok. Beschikbaar via: http://ec.europa.eu/research/evaluations/pdf/archive/fp6-evidence-base/evaluation_studies_and_reports/evaluation_studies_and_reports_2004/the_lisbon_strategy_for_growth_and_employment__report_from_the_high_level_group.pdf (laatstelijk geraadpleegd 25.3.2011).

[114] Conclusies van de Voorjaarsraad 2005, beschikbaar via: http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/ec/84335.pdf (laatstelijk geraadpleegd 25.3.2011).

[115] COM(2005)24 def., 2.2.2005.

[116] Beschikbaar via: http://ec.europa.eu/archives/growthandjobs/pdf/integrated_guidelines_en.pdf (laatstelijk geraadpleegd 25.3.2011).

[117] COM(2007)803 def., 11.12.2007.

[118] SEC(2010)114 def., 2.2.2010.

[119] COM(2010)2020 def., 3.3.2010.

[120] Zie conclusies van de Europese Raad, EUCO 7/10, beschikbaar via:http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/ec/113591.pdf (laatstelijk geraadpleegd 25.3.2011).

[121] EP Resolutie P7_TA-PROV(2010)0223, 16.6.2010, beschikbaar via: http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+TA+P7-TA-2010-0223+0+DOC+XML+V0//NL (laatstelijk geraadpleegd 25.3.2011).

[122] Zie conclusies van de Europese Raad, EUCO 13/10, beschikbaar via: http://www.consilium.europa.eu/ueDocs/cms_Data/docs/pressData/en/ec/115346.pdf (laatstelijk geraadpleegd 25.3.2011).

[123] COM(2010)193 def., 27.4.2010.

[124] Aanbeveling 2010/410 van de Raad van 13.7.2010 betreffende de globale richtsnoeren voor het economische beleid van de lidstaten en de Unie, PbEU L191, 23.7.2010.

[125] Besluit 2010/707 van de Raad van 21.10.2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, PbEU L 308, 24.11.2010.

[126] COM(2011)11 def., 12.1.2011.

[127] http://ec.europa.eu/europe2020/index_nl.htm (laatstelijk geraadpleegd 25.3.2011).

[128] COM(2001)264.

[129] DOC 10917/06.

[130] COM(2007)642.

[131] COM(2009)400.