Richtlijn 80/778 definieert voor menselijke consumptie bestemd water als al het water, onbehandeld dan wel behandeld, dat voor dat doel wordt gebruikt, ongeacht de herkomst ervan en ongeacht de vraag of dat water wordt geleverd door een leidingnet dan wel in een levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging van voor menselijke consumptie bestemde producten (art. 2). De Richtlijn schrijft ten aanzien van de kwaliteit van dat drinkwater vervolgens een tweeënzestigtal waterkwaliteitswaarden voor: waarden die aangeven waaraan de kwaliteit van het drinkwater moet voldoen. De lidstaten dienden ervoor zorg te dragen dat het voor menselijke consumptie bestemde water uiterlijk op 17 juli 1982 aan die waarden voldeed (artt. 7 en 8 in samenhang met art. 18).
Bijlage I van de richtlijn bevat de bedoelde waterkwaliteitswaarden. Onderscheid wordt daarbij gemaakt in richtwaarden, waarden voor Maximaal Toelaatbare Concentraties (ook wel MTC-waarden genoemd en wat functie betreft te vergelijken met grenswaarden (zie § 4.4) en waarden voor Minimaal Vereiste Concentraties (ook wel MVC-waarden genoemd). Anders dan richt- en MTC-waarden, geven MVC-waarden niet een ten hoogste toegestane concentratie van een bepaalde stof in het drinkwater aan, maar een concentratie die daarin ten minste aanwezig moet zijn.[126] De verschillende waarden hebben betrekking op organoleptische, fysisch-chemische, ongewenste, toxische, microbiologische en gewenste parameters. Aan elk van die parameters is een onderdeel van Bijlage I gewijd:
deel a) organoleptische parameters, zoals kleur, reuk en smaak;
deel b) fysisch-chemische parameters, zoals pH-waarde, temperatuur en hardheid;
deel c) parameters voor ongewenste stoffen, zoals nitraten, nitrieten en fluor;
deel d) parameters voor toxische stoffen, zoals lood, pesticiden en kwik;
deel e) microbiologische parameters, zoals het aantal colibacteriën en faecale streptokokken; en
deel f) parameters voor de vereiste concentratie stoffen in onthard drinkwater, zoals de alkaliteit en de concentratie opgeloste zuurstof (uitsluitend MVC-waarden).
Voor deze parameters stellen de lidstaten in hun nationale regelgeving in beginsel waterkwaliteitswaarden vast. Daarbij nemen zij de in de bijlage genoemde MTC- en MVC-waarden in acht en proberen zij zoveel mogelijk vast te houden aan de richtwaarden (art. 7). Het staat de lidstaten overigens vrij om strengere waarden in hun nationale regelgeving vast te leggen (art. 16). Voor die parameters waarvoor uitsluitend een richtwaarde in de bijlage is opgenomen, mogen de lidstaten zelf bepalen of ze al dan niet waarden in hun nationale regelgeving vastleggen. Voor een aantal parameters zijn in het geheel geen waarden opgenomen. Plaatsing van die parameters in de bijlage heeft tot doel de lidstaten op het bestaan van de desbetreffende parameters te wijzen. Mogelijk zouden voor die parameters in de toekomst nog waterkwaliteitswaarden kunnen worden voorgeschreven.[127]
Art. 9 en 10 bevatten mogelijkheden om van het bepaalde in de Richtlijn onder omstandigheden af te wijken, bijvoorbeeld vanwege uitzonderlijke weerkundige omstandigheden of situaties met betrekking tot de natuurlijke staat en de structuur van de bodem van het gebied waarvan een drinkwatervoorziening afhankelijk is. Die afwijkingen mogen evenwel geen betrekking hebben op de toxische en microbiologische parameters (deel d en e van bijlage I) en niet tot gevaar voor de volksgezondheid leiden. Van eventuele afwijkingen die betrekking hebben op een watervoorziening van tenminste 1000 m3 per dag of op een bevolking van tenminste 5000 mensen, stellen de lidstaten de Commissie direct op de hoogte (art 9). Art. 10 bevat daarnaast een bevoegdheid tot afwijking voor niet nader gedefinieerde ‘noodgevallen’ en voor gevallen waarin een lidstaat voor de productie van drinkwater tijdelijk gebruik moet maken van oppervlaktewater van kwaliteitsklasse A3 (zie § 4.4) en geen passende behandeling voorhanden is om het desbetreffende drinkwater aan de drinkwaterkwaliteitswaarden van Richtlijn 80/778 te laten voldoen. In beide gevallen mogen de afwijkingen evenwel geen gevaar opleveren voor de volksgezondheid en moeten zij terstond aan de Commissie worden gemeld.
Afwijkingen wat betreft de datum van realisering van de in bijlage I voorgeschreven drinkwaterkwaliteitswaarden zijn met toestemming van de Commissie mogelijk (art. 20). In uitzonderlijke gevallen mogen de lidstaten voor afgebakende bevolkingsgroepen of geografische gebieden een bijzonder verzoek om meer tijd voor realisering van de Richtlijn indienen bij de Commissie. Zo’n verzoek moet met redenen worden omkleed en een actieprogramma bevatten waarin wordt aangegeven binnen welke termijn en op welke wijze alsnog realisering van de Richtlijn zal worden bewerkstelligd.
In art. 11 van Richtlijn 80/778 is het stand-stillbeginsel vervat: de toepassing van de krachtens de Richtlijn te nemen maatregelen mag er niet toe leiden dat rechtstreeks of indirect achteruitgang optreedt van de bestaande feitelijke kwaliteit van het drinkwater. Deze regeling beoogt te bewerkstelligen dat geen verslechteringen optreden van de feitelijke drinkwaterkwaliteit, zelfs niet indien die feitelijke kwaliteit beter is dan in de MTC-, MVC- of richtwaarden van bijlage I van de Richtlijn wordt voorgeschreven.
Art. 12 in samenhang met bijlagen II en III bevat voorschriften ten aanzien van de monitoring van de drinkwaterkwaliteit. Bijlage II bevat daartoe een schema van modelanalyses (een overzichtelijk format voor de weergave van monitoringsresultaten voor alle in Bijlage I genoemde parameters) en geeft de frequentie van monitoring aan. Hoe groter het aantal mensen dat een bepaalde drinkwatervoorziening bedient of hoe groter de hoeveelheid gedistribueerd of geproduceerd drinkwater per dag, hoe frequenter monitoring moet plaatsvinden. Bij een productie/distributie tot 1000 m3/dag dan wel een bevolkingsomvang van minder dan 5000 mensen, mogen de lidstaten de frequentie van monitoring overigens zelf vaststellen. De plaatsen van monsterneming mogen de lidstaten eveneens zelf bepalen. Afwijking van bijlage II is niet toegestaan (art. 12, lid 4). Bijlage III bevat een overzicht van de bij monitoring toe te passen referentie-analysemethoden. De lidstaten gebruiken zoveel mogelijk de voorgeschreven methoden, maar gebruik van andere methoden is onder voorwaarden toegestaan. Overigens zijn niet voor alle parameters uit bijlage I in bijlage III referentie-analysemethoden opgenomen.
De artt. 13 tot en met 15 bevatten regels voor wijziging van de Richtlijn op grond van wetenschappelijke en technische ontwikkelingen. Art. 17bis legt de lidstaten een driejaarlijkse rapportageplicht aan de Commissie op. Op grond van die rapportages stelt de Commissie een rapport op over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 80/778 in de Gemeenschap.
Van belang is tenslotte nog dat de Richtlijn op een aantal plaatsen aandacht besteedt aan de relatie met de levensmiddelenindustrie. In de eerste plaats geeft art. 4, lid 2 aan dat de lidstaten het in de handel brengen van een levensmiddel niet mogen belemmeren of verbieden om redenen die samenhangen met de kwaliteit van het gebruikte drinkwater indien die kwaliteit voldoet aan bijlage I. Desalniettemin hoeven de lidstaten de waterkwaliteitswaarden van bijlage I, met uitzondering van de toxische en microbiologische parameters, niet voor te schrijven voor water dat in de levensmiddelenindustrie wordt gebruikt voor zover het niet voldoen aan die waarden geen invloed kan hebben op de goede hoedanigheid van de desbetreffende levensmiddelen. Wat betreft de toxische en microbiologische parameters, dient het bedoelde water derhalve wel te allen tijde aan de waarden van de Richtlijn te voldoen (art. 3). Art. 17 kent de lidstaten verder de bevoegdheid toe om in hun nationale regelgeving bepalingen op te nemen ten aanzien van het op verpakkingen, etiketten of in reclame informeren over de geschiktheid van drinkwater voor gebruik in babyvoeding.
Richtlijn 98/83 zal de vorenbehandelde Richtlijn 80/778 met ingang van uiterlijk 25 december 2003 vervangen. Richtlijn 98/83 heeft hetzelfde toepassingsbereik als haar voorganger. Zij is van toepassing op al het voor menselijke consumptie bestemde water met uitzondering van natuurlijk mineraal water en medicinaal water.[128] Richtlijn 98/83 geeft daarbij, anders dan haar voorganger, expliciet aan dat zij ook betrekking heeft op drinkwater in flessen of verpakkingen. De lidstaten kunnen evenwel water dat bestemd is voor doeleinden waarvoor de kwaliteit van het water niet van invloed is op de volksgezondheid als ook drinkwater afkomstig van zeer kleine drinkwatervoorzieningen[129] van de toepassing van de Richtlijn uitzonderen (art. 3).
Richtlijn 98/83 behelst een ingrijpende actualisering van Richtlijn 80/778 aan technische en wetenschappelijke ontwikkelingen. Richtlijn 98/83 bevat voor een aantal nieuwe parameters drinkwaterkwaliteitswaarden, terwijl zulke waarden voor een aantal andere parameters zijn geschrapt. Per saldo bevat Richtlijn 98/83 drieënvijftig waterkwaliteitswaarden, derhalve minder dan haar voorganger.
Richtlijn 98/83 bevat in art. 4 een kwalitatief omschreven waterkwaliteitsnorm[130]: de lidstaten dienen ervoor te zorgen dat het drinkwater uiterlijk 25 december 2003 gezond en schoon is (art. 4 in samenhang met art. 14). Om dat te beoordelen, zijn de drieënvijftig (kwantitatieve) waterkwaliteitswaarden van belang. Drinkwater is namelijk gezond en schoon als het geen micro-organismen, parasieten of andere stoffen bevat in hoeveelheden die gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en voldoet aan de in bijlage I, onderdelen A en B opgenomen drinkwaterkwaliteitswaarden. Onderdeel A van bijlage I bevat grenswaarden[131] voor microbiologische parameters; onderdeel B voor chemische parameters. Bijlage I bevat verder een onderdeel C, waarin richtwaarden voor verschillende parameters zijn opgenomen. Deze laatstbedoelde waarden zijn in beginsel alleen van belang voor monitoringsdoeleinden. Bij overschrijding van een van die waarden dienen de lidstaten evenwel op grond van art. 8, lid 6 van Richtlijn 98/83 na te gaan in hoeverre die overschrijding een risico oplevert voor de volksgezondheid.
Voor de in bijlage I opgenomen parameters dienen de lidstaten in hun nationale regelgeving drinkwaterkwaliteitsnormen op te stellen. De in die normen voor te schrijven waarden dienen ten minste even streng te zijn als de in de onderdelen A en B opgenomen grenswaarden. Het staat de lidstaten vrij strengere grenswaarden voor te schrijven als ook om drinkwaterkwaliteitsnormen op te stellen voor andere parameters dan die genoemd in bijlage I (art. 5). Van belang is in dat verband dat art. 4, lid 2 het stand-stillbeginsel tot uitdrukking brengt: de toepassing van de krachtens de Richtlijn te nemen maatregelen mag er niet toe leiden dat rechtstreeks of indirect achteruitgang optreedt van de bestaande feitelijke kwaliteit van het drinkwater. Deze regeling beoogt te bewerkstelligen dat geen verslechteringen optreden van de feitelijke drinkwaterkwaliteit, zelfs niet indien die feitelijke kwaliteit beter is dan de in bijlage I van de Richtlijn voorgeschreven waarden.
Bijlage II en III bevatten voorschriften ten aanzien van de monitoring van de drinkwaterkwaliteit. Bijlage II maakt daarbij onderscheid tussen twee soorten monitoring: ‘bewaking’ en ‘audit’. Een bewakingsmonitoring heeft tot doel informatie te verstrekken over de organoleptische en microbiologische kwaliteit van het drinkwater en moet frequent worden uitgevoerd. De minder frequent te verrichten auditmonitoring heeft tot doel na te gaan of Richtlijn 98/83 ten volle wordt uitgevoerd. De frequentie van monitoring wordt eveneens voorgeschreven in bijlage II, waarbij zij opgemerkt dat die frequentie mag worden verlaagd indien uit opeenvolgende monitoringsresultaten blijkt dat de drinkwaterkwaliteit beter is dan de Richtlijn voorschrijft. Bijlage III schrijft de bij monitoring toe te passen referentiemethoden voor. Voor monitoring van de microbiologische parameters (onderdeel A van bijlage I) zijn gedetailleerde technieken voorgeschreven; wat betreft de technieken voor monitoring van de chemische parameters (onderdeel B van bijlage I) wordt de lidstaten de vrijheid gelaten, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden met betrekking tot de precisie van de toe te passen technieken. Ten aanzien van de parameters genoemd in onderdeel C van bijlage I bevat bijlage III geen referentietechnieken. De artt. 6 en 7 schrijven de lidstaten voor de drinkwaterkwaliteit te monitoren aan de hand van de voorschriften opgenomen in bijlage II en III.
Anders dan in Richtlijn 80/778, schrijft art. 6 van Richtlijn 98/83 de plaats van monitoring voor. Voor water dat via een waterleidingnet wordt geleverd, zijn dit de kranen waarmee het drinkwater wordt afgeleverd, derhalve bij de gebruiker. In beginsel dient bij de productie van drinkwater dan ook rekening te worden gehouden met de invloed van distributie van dat water door middel van het leidingnet op de kwaliteit ervan. Echter, wanneer kan worden vastgesteld dat een eventuele overschrijding van grenswaarden te wijten is aan het leidingnet, wordt het desbetreffende water toch geacht aan de vereisten van de Richtlijn te voldoen. Wel dienen in dat geval passende maatregelen te worden genomen om het risico van overschrijding van grenswaarden te voorkomen of weg te nemen en dienen de betrokken gebruikers van eventuele overschrijdingen op de hoogte te worden gesteld. Van belang is in dit verband dat art. 10 voorschrijft dat de lidstaten moeten waarborgen dat, onder meer, de materialen die worden gebruikt voor distributie van drinkwater - het leidingnet - geen (grote) invloed heeft op de kwaliteit van het drinkwater.
Art. 8 van de Richtlijn schrijft herstelmaatregelen voor ingeval de drinkwaterkwaliteit niet aan de in bijlage I van de Richtlijn voorgeschreven waarden voldoet. Daartoe behoren het informeren van gebruikers en zonodig het tijdelijk verbieden of beperken van distributie van drinkwater waarvan de kwaliteit niet aan de Richtlijn voldoet.
Mogelijkheden voor afwijkingen van de Richtlijn bevatten art. 9 en art. 15. Afwijkingen van de waarden voor chemische parameters genoemd in onderdeel B van bijlage I, is toegestaan indien de levering van drinkwater in een bepaald gebied anders niet kan plaatsvinden en voor zover dit geen gevaren oplevert voor de volksgezondheid (art. 9, lid 1). Zulke afwijkingen moeten evenwel zo kort mogelijk zijn en in ieder geval niet langer duren dan drie jaar. De Commissie kan evenwel tot drie aaneensluitende perioden van afwijking toestaan. Afwijkingen kunnen geen betrekking hebben op drinkwater in verpakkingen of flessen en moeten, mits ze betrekking hebben op een drinkwatervoorziening van meer dan 1000 m3 per dag of bestemd voor meer dan 5000 mensen, aan de Commissie worden gemeld. Bij de beslissing tot afwijking stelt de desbetreffende lidstaat een plan op dat tot doel heeft de in de Richtlijn voorgeschreven waterkwaliteitswaarden alsnog te realiseren. Art. 15 biedt daarnaast een mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen aan de Commissie verlenging te vragen van de in art. 14 genoemde termijn voor tenuitvoerlegging van de Richtlijn (25 december 2003).[132] Die bijkomende periode mag niet langer zijn dan drie jaar.
De artt. 11 en 12 schrijven voor dat de Commissie, daartoe bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, ten minste om de vijf jaar beziet of bijlage I van de Richtlijn op grond van wetenschappelijke of technische ontwikkelingen aanpassing behoeft. Art. 13 schrijft de lidstaten een driejaarlijkse rapportageverplichting aan de Commissie voor. Het eerste verslag moet betrekking hebben op de periode 2002-2004. Op grond van de door de lidstaten verstrekte informatie stelt de Commissie een verslag op over de tenuitvoerlegging van de Richtlijn in de Gemeenschap. Verder moeten de lidstaten zorgdragen voor het verstrekken van actuele informatie omtrent de drinkwaterkwaliteit aan de gebruikers daarvan.
Bijlage IV en V geven tenslotte informatie omtrent de verhouding tussen Richtlijn 98/83 en andere Richtlijnen die betrekking hebben op de (drink-)waterkwaliteit, met name Richtlijn 80/778. Bijlage IV gaat in op de relatie tussen de in Richtlijn 98/83 genoemde data van omzetting in nationale regelgeving en die van andere, verwante Richtlijnen. Bijlage V geeft in een transponeringstabel de verhouding aan tussen de voorschriften van Richtlijn 98/83 en die van Richtlijn 80/778.