Intern en buitenlands handelsbeleid behoren tot de kernactiviteiten van de EU. Het verwijderen van handelsbelemmeringen en het zorgen voor omstandigheden die economische groei bevorderen vallen onder de belangrijkste doelstellingen van de EU. De voltooiing van de interne markt moet bijdragen aan de groei en de economische gezondheid van de EU. Sommige maatregelen voor de interne markt zijn direct relevant voor het milieubeleid, maar economische groei en handel hebben ook indirecte effecten op het milieu, bijvoorbeeld door een toename in het vrachtverkeer, emissies, en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
De EU heeft een krachtige interne milieuagenda ontwikkeld, waaronder veel beleid valt dat gericht is op het geven van sociale en milieubescherming zonder de interne handel te verstoren. Deze interne regelgeving is pas totstandgekomen na een lang debat over vele kwesties die nu ook worden besproken op een internationaal niveau, in het kader van de buitenlandse handel en de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Een vergelijking kan met name gemaakt worden met betrekking tot de toepassing van het voorzorgsbeginsel en gerelateerde kwesties over risicobeoordeling en met betrekking tot de mogelijkheid van lidstaten om strengere normen dan die van de EU toe te passen in het belang van het milieubeleid.
Hoewel een discussie over de interne markt en het milieu als een onderdeel gezien kan worden van de bredere discussie over vrijhandel en het milieu, zullen sommige aspecten verschillen, afhankelijk van het gekozen standpunt. Zo zou het EU-ecolabel (zie § ???) bijvoorbeeld gezien kunnen worden als een manier om de synergie tussen de interne markt en bescherming van het milieu te bevorderen, omdat het uiteindelijk de nationale ecolabels zou kunnen vervangen, welke een voorkeur kunnen hebben voor binnenlandse producten (zoals de Duitse ‘Blauer Engel’, en de Scandinavische ‘Nordic Swan’). Maar gezien van buiten de EU, kan het EU-ecolabel bekritiseerd worden als een middel om goederen uit de EU te bevoordelen ten opzichte van goederen die vanuit elders ingevoerd worden.
Over de plannen voor de ontwikkeling van de Europese eenheidsmarkt, oftewel de interne markt, zoals nu bepaald in artikel 26 van het VwEU (voorheen artikel 14 EG Verdrag), is uitgeweid in verscheidene Mededelingen van de Commissie, zoals een Witboek uit 1985.[216] Het debat over de botsingen tussen de interne markt en het milieu is sindsdien gevorderd, bijvoorbeeld op het gebied van verkeer van afvalstoffen. Er werd gevreesd dat het opheffen van nationale grenscontroles zou leiden tot een massale toename van dit verkeer. Die kwestie is echter politiek en juridisch opgelost door de goedkeuring van het nabijheidsbeginsel, waardoor het verkeer van afvalstoffen mag worden beperkt op grond van milieuoverwegingen (zie § ???).
Voorbeelden van succesvolle oplossingen van potentiële conflicten tussen de bescherming van het milieu en de interne markt zijn onder andere de Richtlijn inzake verpakking en verpakkingsafval (zie § ???) en het beleid voor chemische stoffen (dit bepaalt onder meer dat toegang van nieuwe stoffen tot de markt in één lidstaat wordt uitgebreid naar alle lidstaten (zie § ???). De omstandigheden onder het Verdrag van Amsterdam zorgden voor meer mogelijkheden voor lidstaten om nationale milieumaatregelen in te voeren die, binnen bepaalde grenzen, strenger zijn dan die van de EU.
Ondanks enige vooruitgang op deze gebieden, bleef er nog steeds bezorgdheid over de milieugevolgen van de interne markt bestaan. De Mededeling van de Commissie uit 1999 over de impact en doeltreffendheid van de interne markt bevatte een paragraaf over het milieu.[217] Hierin werd gezegd dat voor de invoering van de eenheidsmarkt de verwachtingen over de mogelijke gevolgen voor het milieu behoorlijk pessimistisch waren. Er werd tevens aangegeven dat het te vroeg was om een definitieve beoordeling te geven, en dat het nog niet mogelijk was om de vrees gegrond te verklaren op basis van het meten van de milieugevolgen van het interne markt programma. Er blijven echter spanningen tussen het functioneren van de open markt en de doelstellingen van het milieubeleid, iets waar de nadruk op werd gelegd in de Mededeling uit 1999 over ‘Interne markt en milieu’[218], waarin wordt gesteld dat: “Milieunormen worden soms gezien als belemmeringen voor toegang tot de markt, en open markten als een bedreiging voor de kwaliteit van het milieu.” De Mededeling noemt vervolgens een aantal gebieden voor het nastreven van milieu-integratie, waaronder het vrije verkeer van goederen. Specifiek voorgestelde maatregelen omvatten richtsnoeren voor de mogelijkheden van lidstaten om milieumaatregelen in te voeren die verdergaan dan de normen van de EU, en voor het verhogen van de mate waarin de milieurichtlijnen worden omgezet. Het document is gebaseerd op een ‘Actieplan voor de interne markt’[219], waarin de Commissie verplicht werd om een Mededeling uit te brengen over hoe het milieu- en het interne marktbeleid elkaar meer onderling kunnen ondersteunen en hoe potentiële problemen opgelost kunnen worden.
Als onderdeel van het Cardiff integratieproces werd in november 1999 een verslag gemaakt over de integratie van milieubescherming en duurzame ontwikkeling in het beleid voor de interne markt. Het verslag is grotendeels gebaseerd op de Mededeling van de Commissie uit 1999. Er wordt erkend dat conflicten ontstaan tussen een hoge mate van milieubescherming en het vrije goederenverkeer. Deze conflicten zouden moeten worden aangepakt, maar er zouden ook meer positieve inspanningen moeten zijn om onderlinge samenwerking tussen de beleidsterreinen te verbeteren. Onder de in het document genoemde toekomstige prioriteiten vallen effectieve implementatie van milieuwetgeving, verbeteringen van het regelgevingskader, een herziening van de overheidssteun, een grotere nadruk op milieuconvenanten en op de markt gebaseerde maatregelen, en de ontwikkeling van een Groenboek over productbeleid. De Raad nodigde de Commissie ook uit om gebieden te onderzoeken die op basis van reeds beschikbare statistische informatie gecontroleerd kunnen worden, en om verslag uit te brengen aan de Raad in de tweede helft van 2000.
Tijdens zijn zitting van 30-31 mei 2001 heeft de Raad een strategie goedgekeurd. De strategie noemt 13 instrumenten voor integratie, met daarbij de doelstellingen, de nodige activiteiten en, meestal, indicatoren. Deze instrumenten zijn:
Effectieve implementatie van Gemeenschappelijke wetgeving (met name milieuwetgeving);
Een effectief en toereikend regelgevingskader;
Kennisgeving van ontwerpen van technische voorschriften onder Richtlijn 98/34 (nationale maatregelen genomen ter bescherming van het milieu op gebieden waar nog geen harmonisatie heeft plaatsgevonden);
Het beginsel van wederzijdse erkenning;
Normalisatie;
Geïntegreerd productbeleid;
Een strategie voor chemische stoffen;
Overheidsopdrachten;
Ecolabels van de Gemeenschap;
Consumentenbewustzijn en kennisvergaring;
Belastingen;
Overheidssteun;
Milieuconvenanten en marktgeoriënteerde mechanismen, onderverdeeld in vrijwillige milieuconvenanten, milieuoverwegingen in financiële documenten van bedrijven, en milieubeheer- en milieuauditsystemen.
Op drie na, bevatten al deze instrumenten indicatoren om de vooruitgang te meten. In dit opzicht verbindt de strategie de analyse, doelstellingen, acties en indicatoren van specifieke kwesties. Met behulp van ‘harde’ informatie kunnen deze indicatoren bepaald worden. De Raad bepaalde dat de vooruitgang regelmatig geëvalueerd diende te worden, met de bedoeling om een herziening van de strategie uit te voeren voor het eind van 2002.
In november 2002 keurde de Raad inderdaad een herziening van de strategie uit 2001 goed. Hierin wordt aangegeven dat het nodig is om rekening te houden met het zesde Milieuactieprogramma en de follow-up van de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in Johannesburg (WTDO) – en dan met name de oproep om programma’s te ontwikkelen voor duurzame productie en consumptie. Tevens wordt aangegeven dat er financiële steun door de Commissie is verleend voor het instellen van een ‘European Environmental Citizens Organisation for Standardisation’ (ECOS), een consortium van milieu-organisaties, dat geassocieerd lid zal worden in de Europese normalisatie-instellingen, ter behartiging van de milieubelangen in het normalisatieproces.
In december 2000 bracht de Commissie nieuwe richtsnoeren uit met betrekking tot overheidssteun ter bescherming van het milieu (zie § ???). Deze vervingen de eerdere richtsnoeren uit 1994, die achterhaald waren omdat lidstaten met name meer steun gaven aan projecten voor hernieuwbare energie. De richtsnoeren lieten, onder bepaalde omstandigheden, steun aan een reeks activiteiten toe op het gebied van onder meer hernieuwbare energie en afvalbeheer, en met betrekking tot het voldoen aan Gemeenschappelijke milieunormen. In 2008 zijn weer nieuwe richtsnoeren aangaande milieusteun vastgesteld door de Commissie. In de communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor milieubescherming[220] stelt de Commissie vast in hoeverre en in welke omstandigheden overheidssteun ter bescherming van het milieu is toegestaan. Een aantal nieuwe gebieden voor steun zijn hierin opgenomen, onder andere voor stadsverwarming, afvalbeheer en regelingen inzake verhandelbare vergunningen. Ook de steunintensiteit (voor extra investeringskosten) is aanzienlijk gestegen, de toegestane intensiteit voor grote ondernemingen is gestegen van 30-40% tot 50-60%. Voor kleine ondernemingen steeg dit van 50-60% tot 70-80%. Wat betreft gerichte steun, zijn de richtsnoeren zeer royaal. Bijvoorbeeld voor opwekking van hernieuwbare energie kan 100% van de door de ondernemingen te dragen extra kosten door de lidstaten worden gedekt. Lidstaten hebben sinds 2001 in toenemende mate gebruik gemaakt van de mogelijkheid overheidssteun te geven voor milieubescherming. Dit kwam naar voren in een Scorebord voor overheidssteun dat op 21 mei 2008 door de Commissie werd uitbracht.[221]
In juli 2001 bracht de Commissie een Interpretatieve Mededeling uit over het Gemeenschapsrecht van toepassing op overheidsopdrachten en de mogelijkheden om milieuoverwegingen hierin te integreren.[222] Het doel van deze Mededeling is het verduidelijken van de mogelijkheden die overheidsinstanties hebben onder het Gemeenschapsrecht om milieuoverwegingen mee te nemen in de procedures voor het verlenen van overheidsopdrachten. De nieuwe Richtlijnen op het gebied van overheidsopdrachten (2004/17 en 2004/18), welke zijn aangenomen op 31 maart 2004, versterken het juridische kader en vullen dit aan. In de aanhef en enkele bepalingen worden expliciet de mogelijkheden aangegeven om milieu-overwegingen in de technische specificaties, selectie- en gunningscriteria en uitvoeringsvoorwaarden van een opdracht op te nemen. Eind 2004 bracht de Commissie tevens een handboek uit over groen aanbesteden, waarin uiteen werd gezet op welke wijze groene overheidsaanbestedingsstrategieën vorm zouden kunnen krijgen.[223]
In januari 2001 werd het zesde Milieuactieprogramma van de EG “Milieu 2010: Onze toekomst, onze keuze” gestart. Een mededeling werd door het DG Milieu van de Commissie opgesteld.[224] Via thematische strategieën werden milieudoelstellingen vastgelegd voor een periode van 10 jaar. Daaruit volgden een scala van maatregelen. Bij de keuze van deze maatregelen werd ‘terdege rekening gehouden met de noodzaak het hoogst mogelijke niveau van harmonisatie en onderlinge aanpassing van wetten te realiseren teneinde de werking van de interne markt niet te verstoren’. Een maatregel met relevantie voor de interne markt van de EU is bijvoorbeeld het definiëren van een nieuwe communautaire strategie inzake BTW. Integratie van milieuoverwegingen in andere beleidsterreinen werd besproken. Een vergroening van de financiële sector werd bijvoorbeeld ook voorzien evenals totstandbrenging van een communautair milieuaansprakelijkheidsstelsel.
Waar het Lissabon proces de kritiek kreeg dat stimulatie van de interne markt en economische doelstellingen de overhand kregen wordt ook zijn opvolger, de EU 2020 strategie, bekritiseerd wat betreft de wijze waarop met milieu en duurzaamheid rekening wordt gehouden. Het streven is wederom naar een sterke en duurzame economie met veel werkgelegenheid. Groene economische groei dient bewerkstelligd te worden door de 20/20/20-doelstellingen: De uitstoot van broeikasgassen moet met 20% worden verminderd ten opzichte van 1990, met eenzelfde percentage moet ook de energie-efficiëntie zijn verhoogd en 20% van de energie moet op duurzame wijze worden opgewekt. Ook bijvoorbeeld het kern- of vlaggenschip programma ‘Een industrieel beleid in een globalisatietijdperk’[225] kan een beduidend effect op de interne markt van de EU teweegbrengen.
In 2009 bracht de Commissie een mededeling ter toetsing van de strategie voor duurzame ontwikkeling: ‘Integratie van duurzame ontwikkeling in het EU-beleid: toetsing 2009 van de strategie van de Europese Unie voor duurzame ontwikkeling’.[226] Het werd van cruciaal belang geacht dat maatregelen om de reële economie te ondersteunen en de sociale effecten van de huidige crisis te verminderen compatibel zijn met langetermijndoelstellingen inzake duurzaamheid. Verder werd nog gemeld dat de EU de crisis zal moeten ombuigen tot een kans om financiële en ecologische duurzaamheid te creëren en een dynamische, koolstofarme, op kennis gebaseerde, geïntegreerde samenleving met een efficiënt energiegebruik te ontwikkelen en deze aanpak wereldwijd te bevorderen. De groeiende rol van duurzame ontwikkeling in beleidsvorming werd sterk benadrukt.
Met betrekking tot de interne markt is ook nog relevant het Actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid[227] dat zal moeten gaan bijdragen tot het verbeteren van de milieuprestatie van producten, de vraag naar duurzamere goederen en productietechnologieën stimuleren en de innovatie bevorderen. Het actieplan is vergezeld van voorstellen voor de wijziging van de richtlijnen ecologisch ontwerp en energie-etikettering en de herziening van de milieukeurverordening en de Eco Management and Audit Scheme (EMAS) verordening.[228]
De harmonisatie van het buitenlandse handelsbeleid van de EU onder de Gemeenschappelijke handelspolitiek valt onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap. Het doel van het buitenlandse handelsbeleid is “bijdragen, in overeenstemming met het gemeenschappelijk belang, tot een harmonische ontwikkeling van de wereldhandel, de geleidelijke afschaffing van de beperkingen in het internationale handelsverkeer en de verlaging van de tariefmuren” (artikel 206 VwEU, voorheen artikel 131 EG-Verdrag).
Handel en milieukwesties hebben in toenemende mate een centrale rol gekregen in discussies binnen de OESO, de GATT/WTO, en UNCTAD. De Uruguay onderhandelingsronde was op veel manieren een proefproces voor duurzame ontwikkeling, waarbij de Gemeenschap, optredend in de naam van de lidstaten, een belangrijke rol speelde in het onderhouden van de agenda voor duurzame ontwikkeling. Een Resolutie van de Raad uit mei 1993 over milieubescherming en internationale handel gaf een lijst met doelen aan die grotendeels bereikt waren bij de ministeriele conferentie in Marrakech, met name door de oprichting van een Comité voor handel en milieu. Voorstellen van de Raad over het verhelderen van de relatie tussen GATT-beginselen en handelsbepalingen in multilaterale milieuverdragen werden ook grotendeels aangenomen in de WTO werkgroep voor milieumaatregelen en internationale handel.
In 1994 werd het stelsel van algemene preferenties (SAP) van de Gemeenschap herzien. Dit resulteerde in een nieuw systeem (Verordening 3281/94) ter integratie van speciale stimuleringsmaatregelen, op onder meer sociaal en milieugebied, in de tarievenstructuur voor landen die binnen de reikwijdte van het schema vallen. Milieuclausules waarbij internationaal goedgekeurde producten en met internationale verdragen in overeenstemming zijnde productiemethoden werden bevorderd werden effectief in 1998. Hierbij werden in eerste instantie criteria van de internationale organisatie voor tropisch hout gebruikt. Het schema is nadien gewijzigd, en werd verlengd tot december 2001 (Verordening 2820/98). Verordening 2501/2001 bevat de juridische bepalingen voor het SAP schema voor de periode 2002-2005; voor de periode 2006-2015 wordt dit uiteengezet door een Mededeling van de Commissie.[229]
In de Mededeling wordt aangegeven dat nieuwe stimuleringsmaatregelen om duurzame ontwikkeling te bevorderen zullen worden ontworpen in deze periode, waaronder een nieuw schema om de bekrachtiging en tenuitvoerlegging van internationale overeenkomsten op het gebied van milieu- en sociaal beleid aan te moedigen.
De activiteiten van de EU op milieugebied vonden ook hun weerslag in de formele benadering van de ministeriële conferentie in Seattle in december 1999, gebaseerd op een Mededeling van de Commissie ‘Benadering van de WTO-millenniumronde door de EU’.[230] In tegenstelling tot andere belangrijke betrokkenen omvatte de benadering van de EU een expliciete verbintenis met betrekking tot het milieu. De Raad achtte het noodzakelijk “ervoor te zorgen dat een passend evenwicht tussen de verdere liberalisering van de handel en de versterking van de multilaterale regels bijdraagt tot duurzame ontwikkeling, milieubescherming, sociale vooruitgang, terugdringing van de armoede en gezondheid van de consument”.[231]
Handels- en milieubeleid zouden een wederzijds ondersteunende rol moeten spelen, waarbij milieuoverwegingen in acht genomen zouden moeten worden gedurende het gehele onderhandelingsproces. De EU oefende druk uit om een aantal specifieke kwesties te bespreken. Hieronder vielen niet alleen het maximaliseren van de synergie tussen handelsliberalisering, milieubescherming en economische ontwikkeling, maar ook:
Opheldering van de relatie tussen WTO-regels en handelsmaatregelen genomen op basis van multilaterale milieuverdragen – de WTO zou zich moeten aanpassen aanwereldwijd overeengekomen instrumenten;
Opheldering van de relatie tussen WTO-regels en processen- en productiemethoden die geen relatie hebben met het product, met name in verband met het gebruik van ecolabels;
Het onderzoeken van de rol van kernbeginselen van het milieurecht, met name het voorzorgsbeginsel, in relatie tot de WTO-regels;
Het aanmoedigen van samenwerking tussen de WTO en relevante internationale organisaties.
De EU gaf ook opdracht tot een studie in meerdere fasen over de beoordeling van duurzaamheidseffecten, te beginnen in de aanloop naar de voorgestelde millenniumronde, en met als doel het bepalen van potentiële effecten op sociaal en milieugebied voor verschillende groepen landen.
In september 2000 stelde het DG Handel een ontwerpmededeling op ‘Naar een duurzame handelspolitiek’, als bijdrage van de Commissie aan het Cardiff integratieproces (zie § ???). Het stuk was echter opgesteld zonder inbreng van andere Commissiediensten. Het werd vervolgens tegengehouden door het DG Milieu, omdat de aandacht was gericht op de WTO en niet op het handelsbeleid in meer algemene zin. Daarnaast schonk het onvoldoende aandacht aan het milieu. Het document werd vervolgens slechts een informele discussiepaper ‘De niet aan handel gerelateerde gevolgen van handelsbeleid – het stellen van vragen, het nastreven van duurzame ontwikkeling’. In maart 2001 bracht de Commissie ook een werkdocument uit over het integreren van het milieu in het beleid voor buitenlandse betrekkingen.[232] Dit was een redelijk getailleerde beschrijving van de portefeuille van het DG Buitenlandse Betrekkingen, waarbij de milieudimensie van de verschillende soorten buitenlands beleid werd onderzocht, en waarin enige voorstellen werden beschreven over wat er in de toekomst gedaan zou moeten worden.
Een reeks van conclusies van de Raad over milieu-integratie werd goedgekeurd door de Raad voor Algemene Zaken in april 2001. Deze conclusies bevatten een verslag in een door de Raad aangenomen bijlage. De conclusies herhalen de onderwerpen die behandeld zouden moeten worden in een strategie voor integratie, beschrijven de doelstellingen, en stellen een tijdschema voor het voltooien van de strategie. In de paragraaf waarin aandacht wordt besteed aan de behoefte aan actie staat een aantal categorieën waarvoor relatief specifieke voorstellen worden gedaan. Met betrekking tot buitenlandse handel zou de Commissie een methodologie voor de duurzaamheidseffectbeoordelingen van handelsverdragen en vereiste bijgaande maatregelen moeten verfijnen. Daarnaast zouden de Commissie en de Raad prioriteit moeten geven aan het zo snel mogelijk voltooien van werk aan de methodieken voor duurzaamheidseffectbeoordelingen. Tevens zou de Commissie moeten doorgaan met het werken aan de juridische verduidelijking van de relatie tussen WTO-regels en de op basis van multilaterale milieuverdragen genomen handelsmaatregelen. Er bestaan ook aansporingen aan het adres van andere landen om actie te ondernemen, zoals bijvoorbeeld het volgen van het voorbeeld dat de EU gaf met de ‘Alles behalve wapens’ Verordening 416/2001, waarin invoer vrij van douanerechten uit de armste landen in de wereld wordt toegestaan voor alle producten, behalve wapens.
Op basis van een werkdocument van de Commissie over de integratie van milieuoverwegingen in het externe beleid van de Raad Algemene Zaken[233] nam de Raad Algemene Zaken op 11 maart 2002 zijn uiteindelijke strategie voor integratie goed, op tijd voor de top in Barcelona in het voorjaar van 2002. Het deel van de strategie over handel is beperkt. Het is weinig meer dan een samenvatting van de uitkomsten van de besprekingen in Doha van december 2001. Tevens wordt een verplichting tot de ontwikkeling van duurzaamheidseffectbeoordelingen genoemd, met als doel om in toekomstige onderhandelingen over handel het onderdeel van duurzame ontwikkeling een krachtiger en meer geïntegreerde rol te laten spelen. De strategie voorzag tevens in de creatie van een ‘groene diplomatie’ netwerk, dat vervolgens werd goedgekeurd door de regeringsleider tijdens een bijeenkomst in Thessaloniki in juni 2003. De inaugurele vergadering van dit netwerk vond in juni 2003 plaats in Athene. Hier werden een ontwerp actieplan en een werkprogramma vastgesteld. Een beoordeling van de strategie was gepland voor 2003.
Een van de uitkomsten van de vierde ministeriele conferentie in Doha in november 2001 was de overeenkomst om te onderhandelen over: de verhouding tussen WTO-regels en handelsmaatregelen genomen op basis van multilaterale milieuverdragen; het instellen van procedures van regelmatige informatie-uitwisseling tussen de secretariaten van de multilaterale milieuverdragen en de relevante comités van de WTO en; de criteria voor het verlenen van de waarnemersstatus. De EU had aangedrongen op het verlenen van een waarnemersstatus bij de WTO-onderhandelingen met betrekking tot het milieu aan de secretariaten van enkele belangrijke milieuverdragen en de milieuorganisatie van de Verenigde Naties (UNEP). In februari 2003 werd hier binnen de WTO over besloten dat de secretariaten van enkele milieuverdragen en UNEP aanwezig mochten zijn bij de vergaderingen van het Comité voor handel en milieu van de WTO.
In februari 2002 nam de Commissie een Mededeling aan, getiteld ‘Naar een wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling’.[234] Hierin werd onder meer aangegeven dat in de toekomst aandacht moest worden besteed aan het gebruik maken van globalisering voor duurzame ontwikkeling. De voorjaarstop in maart 2002 riep tevens op om de eerlijke handel te bevorderen. Deze onderwerpen kwamen tot op zekere hoogte terug in de Wereldtop over duurzame ontwikkeling (WTDO) in Johannesburg, waar de EU bevestigde zich te verbinden aan het versterken van de handels- en samenwerkingsovereenkomsten en aan de steun aan de handel in milieuvriendelijke producten en diensten op bilaterale, regionale en wereldwijde schaal. Een Mededeling van de Commissie over ‘Wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw’ (Forest Law Enforcement, Governance and Trade; FLEGT) [235] is gericht op het bestrijden van illegale houtkapactiviteiten in overeenstemming met de verplichtingen die op grond van de WTDO zijn aangegaan. De Mededeling werd gevolgd door een voorstel voor een Verordening van de Raad inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem op vrijwillige basis voor de invoer van hout in de EU. Uiteindelijk werd die Verordening (nr. 2173/2005) aangenomen in 2005.
Het vergunningensysteem op vrijwillige basis dient ten uitvoer te worden gelegd door middel van partnerschapsovereenkomsten met houtproducerende landen en regio’s die op dit gebied met de EU willen samenwerken. Deze overeenkomsten bevatten elementen van institutionele ondersteuning, capaciteitsopbouw en technische bijstand. In 2008 werden gedetailleerde maatregelen ter uitvoering van Verordening 2173/2005 vastgesteld door de Commissie middels Verordening nr. 1024/2008.
In september 2009 leidde Verordening 1007/2009 van het Parlement en de Raad betreffende de handel in zeehondenproducten tot tegenstand van Noorwegen en Canada. Dierenwelzijn lag ten grondslag aan de beperkingen op onder andere import van bepaalde zeehondenproducten in de Europese markt. De maatregel is volgens Noorwegen en Canada echter niet conform de WTO-regels inzake discriminatie. Er is als gevolg hierop een officiële klacht ingediend bij de Wereldhandelsorganisatie. Ook ten aanzien van standaarden voor biobrandstoffen, werd door Indonesië en andere landen flink in twijfel getrokken of deze wel conform de WTO regels zouden zijn.
[216] COM(85)310.
[217] COM(96)520.
[218] COM(1999)263.
[219] SEC(97)1.
[220] PbEU 2008/C 82/1.
[221] COM(2008)304.
[222] COM(2001)274.
[223] SEC(2004)1050, 18.8.2004.
[224] COM (2001) 31
[225] COM(2011)21.
[226] COM(2009) 400.
[227] COM(2008) 397.
[228] Verordening Nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad.
[229] COM(2004)461.
[230] COM(1999)331.
[231] Conclusies van de Raad, 26 oktober 1999.
[232] SEC(2001)508.
[233] SEC(2002)271.
[234] COM(2002)82.
[235] COM(2003)251.