4.11.3 Doelstelling van de Richtlijn
De Richtlijn heeft ten doel het milieu te beschermen tegen de nadelige gevolgen van de lozing van stedelijk afvalwater en van het afvalwater van bepaalde bedrijfstakken (art. 1). Onder ‘stedelijk afvalwater’ wordt verstaan: huishoudelijk afvalwater, al dan niet vermengd met industrieel afvalwater en/of afvloeiend hemelwater. De Richtlijn bevat minimumeisen voor het opvangen, de behandeling en de lozing van stedelijk afvalwater, alsmede een tijdschema voor de realisatie hiervan. Er worden ook voorschriften in gegeven betreffende de afvoer van zuiveringsslib, waaronder een verbod op de afvoer van dat slib naar oppervlaktewateren (het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw valt onder Richtlijn 86/278; zie § 5.10). Daarmee draagt de Richtlijn ondermeer bij aan het bereiken van de doelstellingen van Richtlijn 76/160 betreffende de kwaliteit van zwemwater (zie § 4.6), zij het dat Richtlijn 91/271 een veel breder bereik heeft.
4.11.4 Samenvatting van de Richtlijn
Opvang van afvalwater
Alle steden en dorpen (‘agglomeraties’) met meer dan 2000 inwonerequivalenten (i.e.)[141]
moeten, afhankelijk van hun grootte, uiterlijk eind 2000 of eind 2005 voorzien zijn van een opvangsysteem voor stedelijk afvalwater (art. 3, lid 1). Bijlage I.A beschrijft de eisen waaraan zo’n opvangsysteem moet voldoen.
Behandeling van afvalwater
Op grond van art. 4 moet stedelijk afvalwater dat in de genoemde opvangsystemen terechtkomt worden behandeld, waarbij de eisen die aan de behandeling gesteld worden over het algemeen strenger zijn naarmate de agglomeratie groter is. In de meeste gevallen moet er minimaal een secundaire behandeling plaatsvinden (een proces dat meestal biologische behandeling met secundaire bezinking omvat). De termijnen waarop een secundair behandelingssysteem aanwezig moet zijn variëren met het aantal inwonerequivalenten (art. 4) (zie Tabel 4.11.1). Uitstel (tot uiterlijk eind 2005) is mogelijk om technische redenen, ten behoeve van geografisch bepaalde bevolkingsgroepen (art. 8, lid 1-4). De eis van secundaire behandeling kan vervallen voor lozingen in het hooggebergte (boven 1500 m), waar biologische behandeling wegens de lage temperaturen moeilijk uitvoerbaar is (art. 4, lid 2).
Lozingen in kwetsbare gebieden moesten uiterlijk eind 1998 aan een verdergaande behandeling worden onderworpen (art. 5). De lidstaten dienden deze gebieden aan te wijzen op basis van criteria die in Bijlage II van de Richtlijn staan. Het gaat daarbij om gebieden die eutroof zijn of dat in de nabije toekomst kunnen worden (in dat geval gelden eisen voor fosfor en stikstof zoals vermeld in Tabel 2 van Bijlage I bij de Richtlijn[142]); om oppervlaktewater met hoge nitraatconcentraties, dat voor drinkwater bestemd is; en om andere wateren waar verdergaande behandeling nodig is om aan EG-Richtlijnen te voldoen.
Lidstaten kunnen ook minder kwetsbare gebieden aanwijzen, waar de normen voor lozing op estuaria en kustwateren minder streng kunnen zijn (art. 6). De criteria voor de aanwijzing van deze gebieden staan eveneens in Bijlage II. Het moet gaan om mariene wateren waar de lozing van afvalwater geen nadelige invloed heeft op het milieu vanwege de morfologische, hydrologische of specifieke hydraulische omstandigheden. In zulke gebieden kan worden volstaan met primaire behandeling (een fysisch en/of chemisch proces waarmee het biochemisch zuurstofverbruik (BZV) met minimaal 20% en de hoeveelheid gesuspendeerde stoffen met minimaal 50% wordt verminderd), mits uit ‘grondige studies’ blijkt dat er geen nadelige invloed op het milieu zal zijn. Als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, kan de Commissie een ‘passend voorstel’ aan de Raad voorleggen (art. 6, lid 3). Voor agglomeraties met meer dan 150.000 i.e. geldt de mogelijkheid van minder strenge eisen alleen in uitzonderlijke gevallen, indien kan worden aangetoond dat een verdergaande behandeling geen voordelen voor het milieu oplevert (art. 8, lid 5).
Kleine steden en dorpen die op grond van de Richtlijn geen secundaire behandelingssystemen hoeven te hebben, moeten niettemin zorgen dat hun afvalwater uiterlijk eind 2005 aan een ‘toereikende’ behandeling wordt onderworpen om aan de relevante kwaliteitsdoelstellingen en aan de relevante bepalingen van EG-Richtlijnen te kunnen voldoen (art. 7).
Tabel 4.11.1 geeft een overzicht van de in art. 4 t/m 8 opgenomen eisen.
Art. 10 bepaalt dat waterzuiveringsinstallaties zo moeten worden ontworpen dat ze onder alle omstandigheden goed kunnen functioneren. De lozingen van de waterzuiveringsinstallaties zelf dienen aan regels te worden onderworpen, waarbij aan de eisen van Bijlage I.B van de Richtlijn moet worden voldaan (art. 12).
Het lozen van industrieel afvalwater in opvangsystemen en op waterzuiveringsinstallaties moest vóór eind 1993 aan regels worden onderworpen (art. 11). Deze lozingen moeten een voorbehandeling ondergaan overeenkomstig in Bijlage I.C van de Richtlijn vermelde eisen. Die eisen houden ondermeer de bepaling in dat het resulterende slib op een uit milieu-oogpunt verantwoorde wijze veilig kan worden afgevoerd.
Directe lozingen van biologisch afbreekbaar afvalwater van (in Bijlage III genoemde) bedrijfstakken in de voedingsmiddelenindustrie met een omvang van meer dan 4000 i.e. moesten uiterlijk eind 2000 aan voorschriften en/of bijzondere vergunningen zijn onderworpen (art. 13).
De Richtlijn bepaalt verder dat er uiterlijk eind 1998 regels moesten zijn voor de afvoer van zuiveringsslib, afkomstig van waterzuiveringsinstallaties. Zuiveringsslib moet zo mogelijk worden hergebruikt. De afvoer naar oppervlaktewateren diende vóór eind 1998 te zijn beëindigd (art. 14).
Art. 9 beschrijft de te volgen procedure bij grensoverschrijdende waterverontreiniging door stedelijk afvalwater.
Art. 15 bevat bepalingen betreffende controles op lozingen die de lidstaten moeten uitvoeren. Bijlage I.D specificeert de controleprocedures.
Om de twee jaar moeten de lidstaten een rapport publiceren over de situatie inzake de afvoer van stedelijk afvalwater en slib in hun gebied (art. 16).
Uiterlijk eind 1993 moesten de lidstaten een (zo nodig om de twee jaar te actualiseren) programma voor de tenuitvoerlegging van de Richtlijn opstellen (art. 17).
Art. 18 roept een Comité in het leven, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. Dit Comité adviseert de Commissie over maatregelen die in het kader van de Richtlijn genomen kunnen worden, zoals het wijzigen van de in Bijlage I opgenomen normen.
Tabel 4.11.1 Richtlijn 91/271 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater: eisen van art. 4-8.
Vereiste behandeling:
B = ‘Toereikende’ behandeling om aan de relevante EG-Richtlijnen te voldoen;
P = Primaire behandeling;
S = Secundaire behandeling;
T = Behandeling die verder gaat dan secundaire behandeling, in kwetsbare gebieden.
* Alleen in uitzonderlijke gevallen, indien kan worden aangetoond dat een verdergaande behandeling geen voordelen voor het milieu oplevert.