Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

3.10 Economisch en financieel beleid

Duurzame ontwikkeling en economisch beleid

De integratie van milieubeleid en economisch beleid staat centraal bij het onderwerp ‘duurzame ontwikkeling’. Dit komt tot uitdrukking in artikel 3, lid 3 van het VEU, waarin staat dat de EU zich inzet “voor de duurzame ontwikkeling van Europa, op basis van een evenwichtige economische groei en van prijsstabiliteit, een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, en van een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu”, alsmede in artikel 11 van het VwEU, dat stelt: “De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.”

Bij het economisch beleid van de lidstaten vervult de EU een coördinerende rol. Hiertoe stelt de Raad ‘globale richtsnoeren voor het economisch beleid’ op (art. 121 VwEU). De Commissie volgt en beoordeelt de economieën van de lidstaten om de naleving van de richtsnoeren te waarborgen. In die zin vormen de richtsnoeren een potentieel belangrijke drijfkracht van de Gemeenschap voor de integratie van het milieu in het economisch beleid van de lidstaten.

Het elfde van de 16 globale richtsnoeren voor de periode 2008-2010[250] luidt: “Duurzaam gebruik van hulpbronnen aanmoedigen en de synergieën tussen milieubescherming en groei versterken”. Hiertoe moeten de lidstaten: (1) voorrang geven aan energie-efficiëntie en warmtekrachtkoppeling, de ontwikkeling van duurzame, hernieuwbare energie en de snelle verspreiding van milieuvriendelijke en milieuefficiënte technologie; (2) ijveren voor de ontwikkeling van middelen om externe milieukosten te internaliseren, en economische groei en aantasting van het milieu van elkaar los te koppelen; (3) ernaar blijven streven het verlies aan biologische diversiteit een halt toe te roepen; en (4) de strijd tegen de klimaatverandering voortzetten.

Eind 2008 heeft de EU, naar aanleiding van de economische en financiële crisis, een Economisch Herstelplan gelanceerd (COM(2008) 800 def.), dat diverse ‘groene’ elementen bevat, met name op het gebied van energiebesparing. Andere belangrijke documenten waarin de integratie tussen economisch beleid en milieubeleid aan de orde komt zijn de ‘EU-strategie voor duurzame ontwikkeling’ (vastgesteld in 2001 en herzien in 2006; COM(2005) 658) en de ‘Europa 2020 strategie’ (COM(2010) 2020 def.). Laatstgenoemde (de opvolger van de ‘Lissabon-strategie’) bevat als kernelementen ondermeer de doelstellingen die de EU voor het jaar 2020 heeft vastgesteld ten aanzien van energie en klimaat (zie § ???).

In hetzesde Milieuactieprogramma (MAP) komt het beginsel van integratie tussen milieu- en economisch beleid tot uiting in de stelling dat, voordat maatregelen op economisch (en sociaal) gebied worden aangenomen, nagegaan moet worden of zij bijdragen tot en stroken met de doelstellingen en de tijdschema's van het programma.[251] Het zesde MAP richt zich ook op de internalisering van zowel de negatieve als de positieve effecten van productie en consumptie op het milieu met behulp van een combinatie van instrumenten, waaronder marktinstrumenten en economische instrumenten.

Economische instrumenten en ‘groene’ belastingen

Het gebruik van economische instrumenten bij de aanpak van milieuproblemen op Europees niveau kwam tegelijk onder de aandacht met de toegenomen bezorgdheid over de opwarming van de aarde aan het begin van de jaren ’90. Eerste voorstellen over een belasting op kooldioxide-emissies en op het gebruik van energie werden bekendgemaakt in juni 1992 (zie § ???). Er was echter behoorlijke weerstand tegen deze voorstellen, waardoor ze geen doorgang vonden. Een ander voorstel voor het oprichten van een EU-kader voor de belasting van energieproducten werd gedaan begin 1997. Hierover werd uiteindelijk in 2003 overeenstemming bereikt, maar de minimumbelastingniveaus van de Richtlijn voor verwarmingsbrandstoffen (zoals aardgas) en elektriciteit waren aanzienlijk verminderd door de lidstaten via de Raad (zie § ???). In deze Richtlijn (2003/96/EG) zijn ook de minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen opgenomen.

De ‘Eurovignet’ Richtlijn behandelt belastingen voor zware vrachtvoertuigen (> 12 ton), zoals belastingen op de voertuigen zelf, tolgelden, en belastingen op weggebruik (1999/62/EG). In 2006 is deze Richtlijn gewijzigd (2006/38/EG), waardoor bij de tariefstelling nu ook rekening kan worden gehouden met de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen van de voertuigen (EURO-klasse; zie § ???). In 2008 heeft de Commissie opnieuw een voorstel tot wijziging van Richtlijn 1999/62/EG gedaan (COM(2008) 436 def.) teneinde een verdere differentiatie mogelijk te maken naar de mate waarin het vrachtverkeer externe kosten (zoals milieuschade en congestie) veroorzaakt.

De EU heeft een grote stap voorwaarts gezet op het gebied van economische instrumenten in het milieubeleid met de introductie van de broeikasgasemissiehandel (ETS; Richtlijn 2003/87/EG; zie § ???). Naast de energie-intensieve industrie gaat binnenkort ook de luchtvaart onder het ETS vallen.

In maart 2007 publiceerde de Commissie een ‘Groenboek over marktconforme instrumenten voor milieu- en gerelateerde beleidsdoelstellingen’.[252] Daarin komen ondermeer de mogelijkheden aan de orde voor verdere toepassing van marktconforme instrumenten op diverse terreinen: vervoer, water, afvalbeheer, biodiversiteit en luchtverontreiniging.

Andere prioritaire EU-onderwerpen op het raakvlak van milieu- en economisch beleid zijn het afschaffen of hervormen van milieuschadelijke subsidies en het ‘vergroenen’ van het overheidsaanschafbeleid.

[250] Aanbeveling 2008/390/EG betreffende de globale richtsnoeren voor het economische beleid van de lidstaten en de Gemeenschap (2008-2010) (PbEU L137, 27.5.2008).

[251] Artikel 3, onder punt 3 van Besluit 1600/2002/EG tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (PbEG L242, 10.9.2002).

[252] COM(2007) 140 def. Zie ook § ???.