Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

3.11 Ontwikkelingssamenwerking

De belangrijkste onderwerpen in het kort

Een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU is “ondersteuning van de ontwikkeling van de ontwikkelingslanden op economisch, sociaal en milieugebied, met uitbanning van de armoede als voornaamste doel” (VEU art. 21, lid 2, punt d). Op het gebied van ontwikkelingshulp zijn de bevoegdheden van de EU complementair aan die van de lidstaten.

In 2005 hebben Commissie, Raad en Parlement een gezamenlijke visie op het EU-ontwikkelingsbeleid gepresenteerd.[253] Uitgangspunt zijn de acht ‘Millennium Development Goals’, die door de EU worden onderschreven en die in 2015 moeten zijn bereikt. Daartoe behoort ondermeer ‘environmental sustainability’. Een van de EU-prioriteiten is het assisteren van de partnerlanden bij het uitvoeren van internationale milieuverdragen, zoals het Biodiversiteitsverdrag (zie § ??? en het Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming (zie § ???).

Op klimaatgebied ligt de nadruk op hulp bij de aanpassing aan klimaatverandering. Eind 2009 is besloten om hiervoor in de periode 2010-2012 per jaar € 2,4 miljard uit te trekken. Daarnaast wordt door de koppeling van het Europese systeem voor handel in broeikasgasemissierechten aan het ‘Clean Development Mechanism’ (zie § ???) bijgedragen aan de bevordering van energie-efficiëntie en schonere energie in ontwikkelingslanden.

In de periode 2007-2013 beschikt de EU over de volgende instrumenten voor de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid:

  • Het Europees Ontwikkelingsfonds, dat zich richt op de ‘ACS-landen’ (landen in Afrika, het Caraïbisch gebied en de Stille Oceaan, waarmee de EU in 2000 de Overeenkomst van Cotonou afsloot) en op de overzeese gebiedsdelen van de lidstaten;

  • Het Financieringsinstrument voor Ontwikkelingssamenwerking, dat zowel een geografisch programma omvat (gericht op Latijns-Amerika, Azië, Midden-Azië, het Midden-Oosten en Zuid-Afrika) als een thematisch programma. Een van de thema’s binnen laatstgenoemd programma is “het milieu en het duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen”;Het Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument, dat zich richt op de buurlanden van de EU in Oost-Europa, Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

In augustus 2002 werd op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling (WTDO) in Johannesburg een aantal milieudoelstellingen geformuleerd, waaraan de EU zich ook heeft verbonden. Hieronder vallen:

  • het halveren van het aantal mensen dat geen toegang heeft tot drinkwater en waterzuivering vóór 2015 ;

  • de handhaving en het herstel tegen 2015 van de overbeviste visbestanden op niveaus die een maximale duurzame productie mogelijk maken;

  • het streven naar het gebruik en productie van chemische producten op een zodanige wijze dat deze zo gering mogelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens en het milieu;

  • het bevorderen van de ratificatie en de implementatie van de Verdragen van Rotterdam en Stockholm (zie hfs. ???);

  • het aanmoedigen van landen om het nieuwe wereldwijd geharmoniseerde systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen zo spoedig mogelijk te implementeren, zodat het systeem uiterlijk in 2008 volledig operationeel is;

  • het ontwikkelen van geïntegreerde waterbeheersplannen voor 2005;

  • een aanzienlijke verlaging van het verlies aan biologische diversiteit tot 2010.

Andere uitkomsten van de WTDO waren de aankondiging van een 10-jarig raamwerk van programma’s ter stimulering van duurzame productie en consumptie en de sluiting van een groot aantal partnerschappen ter implementatie van de Agenda 21. De in Johannesburg aangegane verplichtingen zijn sindsdien bevestigd in verschillende conclusies van de Raad.

De EU wil voorkomen dat ontwikkelingslanden worden opgescheept met de nadelige effecten van de Europese welvaart en het Europese (milieu)beleid. De uitvoer van gevaarlijke (afval)stoffen is daarom verboden of aan strenge regels gebonden. Ook worden criteria opgesteld om er bijvoorbeeld voor te zorgen dat het gebruik van biobrandstoffen in de EU niet ten koste gaat van bossen en natuurgebieden in de exporterende landen. In het kader van het FLEGT-initiatief[254] wordt de invoer van illegaal gekapt hout tegengegaan, zowel door middel van regelgeving (gericht op de importeurs) als door afspraken met de landen waar het hout vandaan komt.

In april 2009 bracht de Commissie een werkdocument uit getiteld “Improving environmental integration in development cooperation”[255]. Daarin wordt geconstateerd dat er sinds de in 2001 geformuleerde strategie voor het integreren van milieu in het ontwikkelingsbeleid[256] veel is bereikt, maar ook dat milieu nog steeds een lage prioriteit heeft op de politieke agenda van partnerlanden en bij ontwikkelingsspecialisten in de donorlanden. In het document wordt ondermeer gepleit voor een ruimere toepassing van (strategische) milieueffectrapportages bij ontwikkelingsprogramma’s en -projecten. De Commissie heeft ook een handboek gepubliceerd voor het integreren van milieu in ontwikkelingssamenwerking (EC, 2007).

Referenties

EC (2007), Environmental Integration Handbook for EC Development Co-operation. European Commission, EuropeAid, Brussel.

[253] ‘The European Consensus on Development’. PbEU C46, 24.2.2006.

[254] Forest Law Enforcement, Governance and Trade.

[255] SEC(2009) 555 final, 21.4.2009.

[256] SEC(2001) 609.