Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

4.5 Waterkwaliteit - drinkwater

4.5.1 Overzicht van EU-regelgeving

98/83/EG (PbEG L330, 5.12.1998)

voorgesteld 4.1.1995 - COM(94)612

Richtlijn betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water

Rechtsgrondslag

Artikel 130S EG-verdrag (thans art. 192 VwEU)

Bindende termijnen

Datum van inwerkingtreding

25 december 1998

Omzetting in nationale regelgeving

25 december 2000

Realisering waterkwaliteitsnormen

25 december 2003, tenzij afwijking of uitstel is toegestaan (Bijlage IB)

Opmerking: Met ingang van 25 december 2003 is Richtlijn 80/778[306] ingetrokken en vervangen door Richtlijn 98/83. Dit doet geen afbreuk aan de implementatieverplichtingen van de lidstaten. Verwijzingen naar de voormalige Richtlijn 80/778 worden voortaan opgevat als verwijzingen naar Richtlijn 98/83; hiertoe is in Bijlage V van laatstgenoemde Richtlijn een correlatietabel opgenomen.

4.5.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Drinkwaterwet

Stb. 2009, 370

(Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip)

Waterleidingwet

Stb. 1957, 150, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 370 (Wijzigingsbesluit mbt omzetting: Stb. 2000, 295V)

(Deze wet wordt ingetrokken wanneer de Drinkwaterwet in werking treedt)

Waterleidingbesluit

Stb. 1960, 345, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 144 (Wijzigingsbesluit mbt omzetting: Stb. 2001, 31)

(Deze regeling wordt ingetrokken wanneer de Drinkwaterwet in werking treedt, en vervangen door het Drinkwaterbesluit)

Warenwetbesluit Verpakte waters

Stb. 1998, 527, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2007, 129

Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen

Stb. 1992, 678, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 369

Regeling materialen en chemicaliën leidingwatervoorziening

Stcrt. 2002, 241, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2008, 101

4.5.3 Doelstellingen van de Richtlijn

Richtlijn 98/83 heeft tot doel de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat dat water gezond en schoon is (art. 1, lid 2). Ter bereiking van dat doel stelt de Richtlijn Gemeenschappelijke normen vast waaraan de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water moet voldoen. Bijkomend effect van het vastleggen van drinkwaterkwaliteitsnormen in de Richtlijn is de bescherming van het milieu, meer in het bijzonder van de waterkwaliteit: drinkwaterbronnen moeten immers vrij zijn van verontreiniging, waarover hierna meer.

Voorheen was de EU-drinkwaterregelgeving verdeeld over een tweetal aparte instrumenten: enerzijds bevatte Richtlijn 75/440 waterkwaliteitsnormen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater dat bestemd is voor de productie van drinkwater, en anderzijds schreef Richtlijn 80/778 waterkwaliteitsnormen voor ten aanzien van het eindproduct drinkwater. Inmiddels zijn beide richtlijnen vervangen. De oppervlaktewater kwaliteitsnormen voor drinkwater zijn opgegaan in de Kaderrichtlijn water (§???), waardoor Richtlijn 75/440 met ingang van december 2007 is komen te vervallen. De drinkwaterkwaliteit Richtlijn 80/778 is met ingang van december 2003 ingetrokken en vervangen door de huidige Richtlijn 98/83 (art. 16). Daarnaast schreef Richtlijn 79/869 voorheen de meetmethodes en de frequentie van de bemonstering en de analyse van het oppervlaktewater dat is bestemd voor de productie van drinkwater voor, totdat deze in 2007 door de Kaderrichtlijn water werd ingetrokken.

4.5.4 Samenvatting van de Richtlijn

Richtlijn 98/83 is van toepassing op al het voor menselijke consumptie bestemde drinkwater, met uitzondering van natuurlijk mineraal water en medicinaal water. Voor natuurlijk mineraal water en medicinaal water zijn aparte Richtlijnen opgesteld, namelijk Richtlijn 2009/54 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater[307] en Richtlijn 2001/83 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik[308].

De Richtlijn definieert voor menselijke consumptie bestemd water als al het water, al dan niet behandeld, dat voor drinken, koken, voedselbereiding of andere huishoudelijke doeleinden is bestemd, ongeacht de herkomst ervan en ongeacht de vraag of dat water wordt geleverd door een (leiding)distributienet, uit een tankschip of tankauto, of in flessen of verpakkingen; alsook het water dat in een levensmiddelenbedrijf wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten (art. 2). De lidstaten kunnen evenwel water dat bestemd is voor doeleinden waarvoor de kwaliteit van het water niet van invloed is op de volksgezondheid als ook drinkwater afkomstig van zeer kleine drinkwatervoorzieningen[309] van de toepassing van de Richtlijn uitzonderen (art. 3 en art. 2, lid 1, sub b).

Richtlijn 98/83 schept middels art. 4 een algemene verplichting voor de lidstaten in de vorm van een kwalitatief omschreven waterkwaliteitsnorm: de lidstaten dienen ervoor te zorgen dat het drinkwater uiterlijk 25 december 2003 gezond en schoon is (art. 4 in samenhang met art. 14). Drinkwater wordt geacht gezond en schoon te zijn als het geen micro-organismen, parasieten of andere stoffen bevat in hoeveelheden die gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en als het voldoet aan de in bijlage I, onderdelen A en B opgenomen (kwantitatieve) waterkwaliteits-parameterwaarden.[310] .Voor de in bijlage I opgenomen parameters dienen de lidstaten in hun nationale regelgeving drinkwaterkwaliteitsnormen op te stellen. Vervolgens dienen de lidstaten ervoor zorg te dragen dat deze normen worden nageleefd en gecontroleerd, opdat het voor menselijke consumptie bestemde water uiterlijk op 25 december 2003 aan die kwaliteitsnormen voldoet (art. 14, juncto artt. 5 en 6), tenzij afwijking of uitstel is toegestaan (krachtens Bijlage I, deel B, onder 2, 4, en 10).

Onderdeel A van bijlage I bevat grenswaarden[311] voor microbiologische parameters; onderdeel B voor chemische parameters. Bijlage I bevat verder een onderdeel C, waarin richtwaarden voor verschillende parameters zijn opgenomen. Deze laatstbedoelde waarden zijn in beginsel alleen van belang voor monitoringsdoeleinden. Bij overschrijding van een van die waarden dienen de lidstaten evenwel op grond van art. 8, lid 6 na te gaan in hoeverre die overschrijding een risico oplevert voor de volksgezondheid.

Voor de in bijlage I opgenomen parameters dienen de lidstaten in hun nationale regelgeving drinkwaterkwaliteitsnormen op te stellen. De in die normen voor te schrijven waarden dienen ten minste even streng te zijn als de in de onderdelen A en B opgenomen grenswaarden. Het staat de lidstaten vrij strengere grenswaarden voor te schrijven als ook om drinkwaterkwaliteitsnormen op te stellen voor andere parameters dan die genoemd in bijlage I (art. 5), hetgeen zelfs verplicht is in omstandigheden waarin de bescherming van de volksgezondheid dit vereist (art. 5, lid 3). Van belang is in dat verband dat art. 4, lid 2 het stand-stillbeginsel tot uitdrukking brengt: de toepassing van de krachtens de Richtlijn te nemen maatregelen mag er niet toe leiden dat rechtstreeks of indirect achteruitgang optreedt van de bestaande feitelijke kwaliteit van het drinkwater. Deze regeling beoogt te bewerkstelligen dat geen verslechteringen optreden van de feitelijke drinkwaterkwaliteit, zelfs niet indien die feitelijke kwaliteit beter is dan de in bijlage I van de Richtlijn voorgeschreven waarden.

Bijlage II en III bevatten voorschriften ten aanzien van de monitoring van de drinkwaterkwaliteit. Bijlage II maakt daarbij onderscheid tussen twee soorten monitoring: ‘bewaking’ en ‘audit’. Een bewakingsmonitoring heeft tot doel informatie te verstrekken over de organoleptische en microbiologische kwaliteit van het drinkwater en moet frequent worden uitgevoerd. De minder frequent te verrichten auditmonitoring heeft tot doel na te gaan of Richtlijn 98/83 ten volle wordt uitgevoerd. De minimumfrequentie van monitoring wordt eveneens voorgeschreven in bijlage II, waarbij zij opgemerkt dat Opmerking 4 van die Bijlage voorwaarden geeft waaronder die frequentie mag worden verlaagd indien uit opeenvolgende monitoringsresultaten blijkt dat de drinkwaterkwaliteit constant en significant beter is dan de in bijlage I genoemde grenswaarden. Bijlage III bevat specificaties voor de analyse van alle parameters . Voor monitoring van de microbiologische parameters (onderdeel A van bijlage I) zijn gedetailleerde technieken voorgeschreven; wat betreft de technieken voor monitoring van de chemische parameters (onderdeel B van bijlage I) wordt de lidstaten de vrijheid gelaten, mits wordt voldaan aan een aantal voorwaarden met betrekking tot de precisie van de toe te passen technieken. Ten aanzien van de parameters genoemd in onderdeel C van bijlage I bevat bijlage III geen referentietechnieken. Art. 7 schrijft de lidstaten voor de drinkwaterkwaliteit te monitoren aan de hand van de voorschriften opgenomen in bijlage II en III.

Anders dan in de vroegere Richtlijn 80/778, schrijft art. 6 van Richtlijn 98/83 de plaats van monitoring voor, dat wil zeggen de plaats waar aan de kwaliteitsnormen moet worden voldaan. Voor water dat via een waterleidingnet wordt geleverd, zijn dit de tappunten (kranen) waarmee het drinkwater wordt afgeleverd, derhalve bij de gebruiker. In beginsel dient bij de productie van drinkwater dan ook rekening te worden gehouden met de invloed van distributie van dat water door middel van het leidingnet op de kwaliteit ervan. Echter, voor water dat via een distributienet wordt geleverd, op het punt binnen een perceel of gebouw waar het uit de kranen komt die normaliter worden gebruikt voor menselijke consumptie, worden de lidstaten geacht aan hun verplichtingen krachtens artt. 4, 6 en art. 8, lid 2 te hebben voldaan, wanneer kan worden vastgesteld dat de overschrijding van de overeenkomstig art. 5 vastgestelde parameterwaarden te wijten is aan het huishoudelijk leidingnet of het onderhoud daarvan, behalve op percelen en in gebouwen waar het publiek van water wordt voorzien, zoals scholen, ziekenhuizen en restaurants (art. 6, lid 2).Wel dienen er, indien er een risico bestaat dat het water niet voldoet aan de overeenkomstig art. 5 vastgestelde parameterwaarden, door de lidstaten passende maatregelen te worden genomen om het risico van overschrijding van grenswaarden te voorkomen of weg te nemen, en dienen de betrokken gebruikers van eventuele overschrijdingen op de hoogte te worden gesteld (art. 6, lid 3). Van belang is in dit verband dat art. 10 voorschrijft dat de lidstaten moeten waarborgen dat, onder meer, de materialen die worden gebruikt voor distributie van drinkwater - het leidingnet - geen (grote) invloed heeft op de kwaliteit van het drinkwater.

Art. 8 van de Richtlijn schrijft herstelmaatregelen voor ingeval de drinkwaterkwaliteit niet aan de in bijlage I van de Richtlijn voorgeschreven waarden voldoet. Daartoe behoren het informeren van gebruikers en zonodig het tijdelijk verbieden of beperken van distributie van drinkwater waarvan de kwaliteit niet aan de Richtlijn voldoet.

Mogelijkheden voor afwijkingen van de Richtlijn bevatten art. 9 en art. 15. Afwijkingen van de waarden voor chemische parameters genoemd in onderdeel B van bijlage I, is toegestaan indien de levering van drinkwater in een bepaald gebied anders niet kan plaatsvinden en voor zover dit geen gevaren oplevert voor de volksgezondheid (art. 9, lid 1). Zulke afwijkingen moeten evenwel zo kort mogelijk zijn en in ieder geval niet langer duren dan drie jaar. Voor een eventuele derde aaneensluitende periode van afwijking dienen de lidstaten echter aan de Commissie toestemming te verzoeken. Afwijkingen kunnen geen betrekking hebben op drinkwater in verpakkingen of flessen en moeten, mits ze betrekking hebben op een drinkwatervoorziening van meer dan 1000 m3 per dag of bestemd voor meer dan 5000 mensen, aan de Commissie worden gemeld. Bij de beslissing tot afwijking stelt de desbetreffende lidstaat een plan op dat tot doel heeft de in de Richtlijn voorgeschreven waterkwaliteitsnormen alsnog te realiseren. Art. 15 biedt daarnaast een mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen aan de Commissie verlenging te vragen van de in art. 14 genoemde termijn voor tenuitvoerlegging van de Richtlijn (25 december 2003).[312] Die bijkomende periode mag niet langer zijn dan drie jaar, mogelijk een maal verlengd met drie jaar.

Artt. 11 schrijft voor dat de Commissie ten minste om de vijf jaar beziet of bijlage I van de Richtlijn op grond van wetenschappelijke of technische ontwikkelingen aanpassing behoeft. Krachtens art. 12 wordt de Commissie bij deze en andere uitvoerende taken in het kader van deze Richtlijn bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten,

Overeenkomstig art. 13 dienen de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de verbruikers passende en actuele informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ter beschikking staat.Verder schrijft de bepaling de lidstaten een driejaarlijkse rapportageverplichting aan de Commissie voor. Het eerste verslag moest betrekking hebben op de periode 2002-2004. Op grond van de door de lidstaten verstrekte informatie stelt de Commissie een verslag op over de tenuitvoerlegging van de Richtlijn in de Gemeenschap.

Bijlage IV en V geven tenslotte informatie omtrent de verhouding tussen Richtlijn 98/83 en andere Richtlijnen die betrekking hebben op de (drink-)waterkwaliteit. . Bijlage IV gaat in op de relatie tussen de in Richtlijn 98/83 genoemde data van omzetting in nationale regelgeving en die van andere, verwante Richtlijnen. Bijlage V geeft in een transponeringstabel de verhouding aan tussen de voorschriften van Richtlijn 98/83 en die van de (inmiddels ingetrokken) voorganger Richtlijn 80/778.

4.5.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijnen

De Drinkwaterrichtlijn 80/778 werd indertijd aangenomen vanwege de groeiende zorg over het toenemende hergebruik van afvalwater voor drinkwaterdoeleinden, en de toename van (organische) microverontreinigingen van het drinkwater. Met het oog op de bescherming van de volksgezondheid werden in de Richtlijn de niet-bindende drinkwater-richtwaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 1970 gecodificeerd. Aan de vaststelling van de Richtlijn gingen langgerekte onderhandelingen vooraf, met als belangrijkste geschilpunt specifieke kwaliteitsnormen voor de vele verschillende parameters, zowel vanwege economische- als gezondheidsoverwegingen. Nederland wenste stringente parameterwaarden voor natrium, chloride en geleidingsvermogen voor elektriciteit, ter beheersing van de verontreinig door kaliummijnen in de landen stroomopwaarts van de Rijn. De uiteindelijk vastgestelde Richtlijn bevatte evenwel geen maximaal toelaatbare concentratie voor chloride en geleidingsvermogen. Ook over de parameterwaarden voor lood liepen de inzichten aanzienlijk uiteen. Het Verenigd Koninkrijk maakte zich sterk voor een flexibeler richtwaarde dan de 50μg/l van de concept Richtlijn voorgesteld door de Commissie. Dit was omstreden omdat deze waarde een halvering ten opzichte van de WHO richtwaarde uit 1970 inhield. Het zou voor het Verenigd Koninkrijk onmogelijk zijn geweest om in een kort tijdsbestek aan deze waarde te kunnen voldoen (de concept Richtlijn schreef twee jaar voor als termijn), ondanks dat de problemen van loodverontreiniging inmiddels erkend werden, en herstelmaatregelen in gang gezet werden. Mede vanwege de Britse bezwaren werden in de uiteindelijk aangenomen Richtlijn verschillende parameterwaarden versoepeld, waaronder die voor lood. Bovendien werd de termijn waarbinnen de lidstaten aan de drinkwaterkwaliteisnormen moesten voldaan verlengd van 2 naar 5 jaar, met de aanvullende mogelijkheid tot verdere verlengingen in uitzonderlijke omstandigheden. De nitraatparameter aan de hand van WHO-normen werd in de onderhandelingen niet beschouwd als problematisch, en alleen het Verenigd Koninkrijk leek bezorgd over het vermogen aan deze kwaliteitsnormen te kunnen voldoen. Evenwel heeft de norm vergaande gevolgen gehad voor het beheer van oppervlakterwater, met name wat betreft verontreiniging door meststoffen.

Een van de redenen voor het op plaatsen onvoldoende eenduidig en precies taalgebruik in Richtlijn 80/778 was de prille staat van de wetenschappelijke inzichten in de lange-termijn en chronische gezondheidseffecten van vele verontreinigende stoffen die in het drinkwater voorkomen.

Sinds de vaststelling van de oorspronkelijke drinkwaterkwaliteitsrichtlijn, in 1980, heeft de wetenschappelijke en technische vooruitgang op dit terrein grote sprongen gemaakt.

De herziening van de Richtlijn, waartoe de Commissie in augustus 1994 voorstellen deed, was dan ook met name gericht op het aanpassen van de voorschriften aan de nieuwe wetenschappelijke en technische inzichten, met name op basis van de in 1993 herziene drinkwater richtwaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie WHO. Het Commissievoorstel voorzag in ingrijpende wijzigingen van de oorspronkelijke Richtlijn, met name ten aanzien van de parameterwaarden voor verontreinigende stoffen. Het aantal door de lidstaten na te leven parameters werd beperkt (van 67 naar 48) tot de stoffen die van essentieel belang zijn voor de bescherming van drinkwaterkwaliteit en de volksgezondheid. Wel werden, met het oog op nieuwe wetenschappelijke kennis, 9 nieuwe stoffen parameters opgenomen, waaronder benzeen en vinylchloride. Ook kregen lidstaten de mogelijkheid om naast de verplichte parameters desgewenst andere parameters toe te voegen. Verschillende parameterwaarden werden bovendien aangescherpt aan de hand van wetenschappelijke vooruitgang, waaronder voor lood, pesticiden en nitraten; terwijl andere juist versoepeld konden worden, zoals voor nitriet. De onderhandelingen voor de herziening waren, net als voor de oorspronkelijke drinkwaterrichtlijn, langdurig en complex. Met name de aanscherping van de lood parameter vormde een langdurige discussiepunt in de Raad, net als bij de onderhandelingen voor de oorspronkelijke Richtlijn 80/778, onder meer vanwege de omvangrijke investeringen die de vereiste vervanging van loden waterleidingen met zich mee zou brengen. Uiteindelijk kon de aanzienlijk aangescherpte parameterwaarde (van 50 tot 10 microgram/liter maximale loodconcentratie in drinkwater), worden vastgesteld op basis van een verlengde voldoeningtermijn van 15 jaar voor lidstaten.

De parameterwaarde voor lood bedraagt vanaf vijf jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe Richtlijn 98/83 tot 15 jaar na haar inwerkingtreding 25 μg/l.

Ook op het ongewijzigd blijven van de parameterwaarde voor pesticiden in het Commissievoorstel was de nodige kritiek, onder meer van het Comité van de Regio’s (CoR) en het Economisch en Sociaal Comité (ESC), en partijen in de water industrie. In het Europees Parlement werden vele amendementen voorgesteld ten opzichte van het Commissie herzieningsvoorstel, en werd ook gewezen op het belang van de onderlinge afstemming van de verschillende instrumenten van het EU waterbeleid, waarmee de drinkwaterrichtlijn samenhangt. Deze kritiek werd door de Commissie verwerkt in het aangepaste voorstel van juni 1997, onder meer door ruimere afwijkingsmogelijkheden voor lidstaten, terwijl tegelijk hun informatieverplichtingen werden uitgebreid. Na een tweede lezing op basis van dit aangepaste voorstel kon uiteindelijk in november 1998 de herziene drinkwaterrichtlijn 98/83 vastgesteld worden.

4.5.6 De omzetting in nationale regelgeving

De drinkwaterrichtlijn 98/83 is (tijdig) in de Nederlandse rechtsorde omgezet middels de Waterleidingwet (Wlw)[313] en het Waterleidingbesluit (Wlb).[314] Binnenkort, op een nader te bepalen tijdstip, zal deze implementatiewetgeving echter opgaan in (en ingetrokken worden door) de nieuwe Drinkwaterwet (Dww),[315] en het daarop gebaseerde (ontwerp-)Drinkwaterbesluit en Regelingen.

De uit 1957 stammende Wlw voldeed, ondanks vele aanpassingen, na een halve eeuw niet meer geheel aan de eisen van deze tijd, onder meer vanwege de verouderde structuur van de wet en de gehanteerde begrippen en redacties, en de niet optimale aansluiting op de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ook was er behoefte aan nieuwe regels met betrekking tot tarieven, leveringszekerheid, prestatievergelijking, en overheidseigendom. Medio jaren 1990 zijn de voorbereidingen begonnen voor een herziening van de Wlw. Uiteindelijk werd besloten tot een gefaseerde herziening van de wet, mede vanwege de beperkt beschikbare tijd voor de implementatie van de inmiddels van kracht geworden Richtlijn 98/83, de aanpak van Legionellapreventie naar aanleiding van incidenten met Legionella-uitbraak, en de noodzaak om zo spoedig mogelijk de overheidseigendom van drinkwaterbedrijven wettelijk te regelen. De derde fase van dit herzieningstraject, betreffende de algehele herziening van de Wlw, heeft inmiddels geresulteerd in de Drinkwaterwet. De meeste bestaande bepalingen van de Wlw en het Wlb die dienden ter uitvoering van Richtlijn 98/83 zijn inhoudelijk (vrijwel) ongewijzigd overgenomen in de Drinkwaterwet.[316] Nieuw of uitgebreid zijn de bepalingen inzake het instrument van onderlinge prestatievergelijking tussen drinkwaterbedrijven, waarbij naast kostenefficiency ook (onder meer) milieuaspecten meewegen (artt. 39-43 Dww);[317] en de leveringszekerheid en de continuïteit van de openbare (drink)watervoorziening, ook in crisisomstandigheden (artt. 32-38 Dww). In de Drink­waterwet is de duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening benoemd als een dwingende reden van groot openbaar belang (art. 2, lid 2 Dww). Dit belang is dus leidend bij de uitoefening van bevoegdheden en toepassing van wettelijke voor­schriften door bestuursorganen. Dit betekent dat de drinkwatervoorziening één van de weinige wettelijke redenen van uitzondering vormt met betrekking tot de toepassing van de bepalingen van de Vogel- en/of Habitatrichtlijn (§ ???); bij een belangenafweging, bijvoorbeeld met betrekking tot natuur of woningbouw, de veiligstelling van de drinkwatervoorziening zal prevaleren; de duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening hiermee eenzelfde prioriteitsstelling heeft gekregen als de bescherming tegen hoogwater. Openbare drinkwatervoorziening mag derhalve inbreuk maken op natuurbelangen, bijvoorbeeld de aanleg van leidingen, mits dit goed is onderbouwd.

Het primaire doel van de Drinkwaterwet, evenals voorheen de Wlw, is de waarborging van de kwaliteit van het drinkwater met het oog op de volksge­zondheid (gezond en schoon drinkwater). Drinkwaterbedrijven dienen een leveringsplan op te stellen waarin maatregelen vastgelegd worden om de kans op storingen als gevolg van interne en externe factoren zoveel mogelijk te voorkomen en indien nodig te herstellen (artt. 34 en 37 Dww). Als basis voor hun leveringsplannen dienen drinkwaterbedrijven een risicoanalyse uit te voeren van het gehele bedrijfsproces van bron tot levering, waarbij mede rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van ernstige bedreigingen in de vorm van breuk van transportleidingen, calamiteiten met betrekking tot de kwaliteit van de bron­nen en terroristische aanslagen op een drinkwaterbedrijf (art. 33 Dww). Van de geïnventariseer­de risico’s dient te worden aangegeven op welke wijze maatregelen ter beperking zijn of worden getroffen. De invulling en uitwerking van het leveringsplan is een taak van de drinkwaterbe­drijven, waarbij toetsing door de VROM-Inspectie zal plaatsvinden (art. 37, lid 3 Dww).

Het decentrale karakter van de drinkwatervoorziening, en het deels regionaal toezicht daarop (naast het centrale toezicht), wordt in de Nederlandse drinkwaterwetgeving duidelijk onderschreven. Het voorzien in de behoefte aan voldoende en kwalitatief goed (deugdelijk) drinkwater wordt primair tot de taken van de bedrijfstak van de openbare watervoorziening gerekend (artt. 3 en 7 Dww). De taakopdracht aan de bedrijven is zodanig vastgelegd, dat kwaliteit en duurzaamheid van de voorziening centraal staan. De rol van de rijksoverheid daarbij is, naast het uitoefenen van toezicht, vooral voorwaardenscheppend en kaderstellend (art. 21 Gw). Het centrale toezicht op de waterleidingbedrijven in Nederland voor wat betreft de kwaliteit en le­veringszekerheid van het drinkwater wordt uitgevoerd door de VROM-Inspectie (art. 48 Dww). Deze kan, in aanvulling op de wetgeving, afwijkingen (in parameters en frequentie) voorschrijven als dit naar zijn oordeel van belang is voor het verkrijgen van voldoende inzicht in de kwaliteit van het wa­ter (art. 51 Dww). Bij normoverschrijdingen dient bij de eerste constatering de VROM-Inspectie direct te worden geïnformeerd, en conform Richtlijn 98/83 dient ook de Europese Commissie te worden geïnformeerd. Om deze informatiestroom correct te laten plaatsvinden werd onder de Wlw en het WlB de ‘Inspectierichtlijn voor de melding van normo­verschrijdingen drinkwaterkwaliteit’ (2005) opgesteld.

De reikwijdte van de nieuwe Drinkwaterwet omvat echter meer dan alleen de productie en distributie van drinkwater door drinkwaterbedrijven, en strekt van bron tot kraan. Hierbij wordt nadere uitwerking gegeven aan de bestaande regelgeving (bijvoorbeeld inzake de levering van warm tapwater en afzonderlijke, niet aan het leidingnet van een drinkwaterbedrijf gekoppelde watervoorzieningen) op basis van de Drinkwaterrichtlijn 98/83 en de implementatie daarvan in de Wlw en het Wlb.

De Regeling materialen en chemicaliën leidingwatervoorziening is vooral van belang voor de implementatie van de voorschriften van art. 10, krachtens hetwelk de lidstaten moeten waarborgen dat, onder meer, de materialen die worden gebruikt voor distributie van drinkwater - het leidingnet - geen (grote) invloed hebben op de kwaliteit van het drinkwater. Tenslotte bevatten ook het Warenwetbesluit Verpakte waters (art. 14a) en het Warenwetbesluit Bereiding en behandeling van levensmiddelen (art. 18, lid 2) bepalingen ter implementatie van Richtlijn 98/83, ten aanzien van het naleven van de parameters van Bijlage III van de Drinkwaterrichtlijn voor verpakt drinkwater en drinkwater gebruikt bij voedselbereiding.

4.5.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

De resultaten van de meetprogramma’s die de drinkwaterbedrijven in Nederland uitvoeren worden jaarlijks gerapporteerd aan de VROM-Inspectie. In de rapportage over 2009 stelde de VROM-Inspectie (2010) vast dat de kwaliteit van het Nederlandse drinkwater goed is. Geen van de geconstateerde normoverschrijdingen van de wettelijke parameters gaf aanleiding tot een bedreiging van de volksgezondheid. Wel vereist de kwaliteit van de bronnen voor drinkwater blijvende aandacht.

Andere aandachtspunten van de VROM-Inspectie zijn de ‘eigen winningen’ (van campings e.d.) en de kwaliteit van het leidingwater bij de oplevering van nieuwbouwwoningen.

4.5.8 Verdere ontwikkelingen

De Europese Commissie werkt al geruime tijd aan een mogelijke herziening van Richtlijn 98/83/EG. Een belangrijk element daarin is de ‘Water Safety Plan’-benadering. Daarbij staan de zorg voor kwaliteit en het beheersen van risico’s in de gehele productie- en distributieketen van het drinkwater centraal. Een van de instrumenten daarvoor is het ‘European Acceptance Scheme’, waarin normen worden ontwikkeld voor (bouw)materialen die met drinkwater in contact kunnen komen. Een ander belangrijk onderwerp bij de herziening is een mogelijke uitbreiding van de rapportageverplichtingen naar kleinere watervoorzieningen (50 – 5000 aangeslotenen). Uit een in 2009 door de Commissie gehouden enquête is gebleken dat zich juist bij deze kleinere voorzieningen het vaakst problemen met de drinkwaterkwaliteit voordoen.

Referenties

Rijswick, H.F.M.W. van (red.) (2008). EG-recht en de praktijk van het waterbeheer. 2e herziene druk. STOWA, Utrecht.

VROM-Inspectie (2010). De kwaliteit van het drinkwater in Nederland in 2009. Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Den Haag.

Wuijts, S. en Rijswick, H.F.M.W. van (2007). Drinkwateraspecten en de Kaderrichtlijn Water: Bescherming van drinkwater uit oppervlaktewater. RIVM rapport 734301028/2007. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Bilthoven.

[306] PbEG L 229, 30.8.1980.

[307] PbEU L 164, 26.6.2009.

[308] PbEG L 311, 28.11.2001. Omdat Richtlijn 2009/54wordt gerekend tot het levensmiddelenbeleid en Richtlijn 2001/83 tot het industriebeleid van de EU - en dus niet tot het milieubeleid - blijft een bespreking van deze Richtlijnen hier achterwege.

[309] Het betreft watervoorzieningen die gemiddeld minder dan 10 m3 per dag leveren dan wel watervoorzieningen waarvan minder dan 50 personen gebruik maken, tenzij het water wordt geleverd in het kader van een commerciële of openbare activiteit.

[310] Met 48 parameterwaarden (voor drinkwater via leidingen) bevat de bijlage bij Richtlijn 98/83 per saldo 8 waterkwaliteitsnormen minder dan haar voorganger, Richtlijn 80/778.

[311] Vergelijkbaar met de MTC- en MVC-waarden van Richtlijn 80/778.

[312] De datum van realisering is voor enkele chemische parameters overigens soepeler, namelijk 25 december 2008 en 25 december 2013, zie opmerkingen 2, 4 en 10 in bijlage I, onderdeel B.

[313] Stb. 2000, 295V (Wijzigingsbesluit ten behoeve van de omzetting).

[314] Stb. 2001, 31 (Wijzigingsbesluit ten behoeve van de omzetting).

[315] Stb. 2009, 370.

[316] Dit geldt niet voor de bepalingen ten aanzien van de Commissie drinkwatervoorziening (hs I Wlw: artt. 2 t/m 3h); het geneeskundig onderzoek van het personeel van waterleidingbedrijven (hs II Wlw: artt. 9 t/m 13 Wlw; inmiddels reeds afdoende opgenomen in de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en de Infectieziektenwet); de reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening gericht op schaalvergroting van de drinkwaterbedrijven (hs III Wlw; aangezien deze reorganisatieplannen uit 1975 inmiddels geheel zijn doorgevoerd); en het sectorale planstelsel (Beleidsplan en Tienjarenplannen), ter voorbereiding en totstandkoming van watervoorzieningswerken, uit 1986 (hs IV Wlw).

[317] Voorheen was op vrijwillige basis al met dit instrument de nodige ervaring opgedaan. Ter bevordering van de effectiviteit en transparantie van het proces wordt dit nu wettelijk verplicht voor drinkwaterbedrijven, en worden uitgangspunten voor de prestatievergelijking wettelijk vastgelegd.