 |
|
 |
 |
5.6 Overbrenging van afvalstoffen5.6.1 Overzicht van EU-regelgevingOpmerking: Met Verordening 259/93 zijn de volgende Richtlijnen per 6.5.94 ingetrokken: 84/631 (PbEG L326 13.12.1984) 85/469 (PbEG L272 12.10.1985) 86/279 (PbEG L181 4.7.1986) 87/112 (PbEG L48 17.2.1987) 5.6.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving 5.6.3 Doelstelling van de VerordeningVerordening 259/93 geeft een regeling voor de overbrenging van afvalstoffen binnen, van en naar de Gemeenschap. Deze Verordening, die ook wel Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) wordt genoemd, vervangt een aantal Richtlijnen op het gebied van de overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen. De werkingssfeer van 259/93 is echter ruimer dan die van deze Richtlijnen, aangezien zij ziet op alle soorten afvalstoffen, en niet uitsluitend op gevaarlijke afvalstoffen. De Verordening heeft ten doel het EU-beleid in overeenstemming te brengen met het Verdrag van Bazel (zie § 13.3) en met de OESO-besluiten op het gebied van grensoverschrijdend vervoer van afval. Voorts geeft de Verordening uitvoering aan het verbod tot uitvoer van afvalstoffen naar landen in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan (ACS-staten), die vallen onder de werking van de vierde Overeenkomst van Lomé (1989). Met betrekking tot overbrenging van afvalstoffen voor nuttige toepassing, zoals dat gedefinieerd is in de Kaderrichtlijn afvalstoffen (zie § 5.3), bevatte de Verordening in eerste instantie drie controleprocedures die gebaseerd zijn op de zogenaamde ‘groene’, ‘oranje’, en ‘rode’ afvalstoffenlijsten, waarbij de procedure over het algemeen het strengst is ten aanzien van de afvalstoffen op de rode lijst en het minst streng voor die op de groene lijst. De overbrenging naar enkele niet-OESO landen van bepaalde afvalstoffen van de groene lijst wordt echter onderworpen aan procedures die strenger zijn dan die welke normaal gesproken voor deze afvalstoffen plaats zouden vinden. Deze strengere procedures zijn neergelegd in de Verordeningen 1420/1999 en 1547/1999. Verordening 1547/1999 vervangt per 16 augustus 1999 eerdere controlemaatregelen die waren neergelegd in Beschikking 94/575[339]. Tabel 5.6.1 Wijzigingen in en aanvullingen op de regelgeving.De eerste wijzigingsverordening, 120/97, bevatte een algeheel verbod op de uitvoer van ‘gevaarlijke afvalstoffen’ voor nuttige toepassing naar niet-OESO landen (de uitvoer van afvalstoffen in het algemeen, ongeacht of deze gevaarlijk waren of niet, voor verwijdering in niet-OESO landen was reeds verboden). Deze Verordening gaf uitvoering aan Besluit III/I dat werd genomen door de Conferentie van de Partijen bij het Verdrag van Bazel in september 1995. De term ‘gevaarlijke afvalstoffen’ werd echter niet nader gedefinieerd door dit Besluit, zodat 120/97 het verbod in eerste instantie eenvoudigweg van toepassing verklaarde op de afvalstoffen van de oranje en de rode lijst. De tweede wijzigingsverordening, 2408/98, bevat een lijst met afvalstoffen die als gevaarlijk worden aangemerkt. Deze lijst bestaat uit de stoffen die waren opgenomen in de lijst behorende bij besluit IV/9 dat in februari 1998 was aangenomen door de Conferentie van de Partijen van het Verdrag van Bazel en een aantal afvalstoffen die vallen onder Richtlijn 91/689 (zie § 5.4). Afvalstoffen die voorkwamen op de rode en de oranje lijst (een klein aantal uitgezonderd) worden ook nog steeds als gevaarlijk aangemerkt. 5.6.4 Samenvatting van de VerordeningVerordening 259/93 gebruikt dezelfde definitie van afvalstoffen als de Kaderrichtlijn (75/442, zie § 5.3), en is niet van toepassing op overbrenging van bepaalde specifieke categorieën afvalstoffen (bijv. radioactieve afvalstoffen (deze vallen onder Richtlijn 92/3, zie § 8.4)). De Verordening introduceert een complex stelsel van procedures voor de overbrenging van afvalstoffen, met gedetailleerde bepalingen die variëren voor het land van verzending, bestemming en doorkomst, het doel van de overbrenging (verwijdering of nuttige toepassing), en het type afvalstof. Op bepaalde overbrengingen rust een verbod, waar weer enkele gespecificeerde uitzonderingen op van toepassing zijn. Zo is alle voor verwijdering bestemde uitvoer van afvalstoffen vanuit de EU verboden, behoudens naar EVA-landen die ook partij zijn bij het Verdrag van Bazel (art. 14, lid 1). Voorts rust een verbod op de overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing naar niet-OESO landen. Met betrekking tot overbrenging die is bestemd voor nuttige toepassing zijn de typen afvalstoffen gelijk aan die welke in de OESO-besluiten inzake de controle op grensoverschrijdende overbrengingen van afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing zijn vermeld. De bijlagen bij Verordening 259/93 bevatten om die reden de ‘groene’, ‘oranje’ en ‘rode’ lijsten van afvalstoffen. Verordening 259/93 gaf oorspronkelijk de bijlagen van het OESO-besluit van 30 maart 1992 weer. Bij de Beschikkingen 94/721, 96/660, 98/368 en 1999/816 zijn de bijlagen gewijzigd in overeenstemming met de OESO-aanpassingen van de groene, oranje en rode afvalstoffenlijsten. Verordening 2557/2001 wijzigt bijlage V met betrekking tot de oranje lijst. Het verbod op de uitvoer van gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing in niet-OESO landen werd geëffectueerd door Verordening 120/97, die het verbod van toepassing verklaarde op de oranje en de rode lijst. Verordening 2408/98 zorgde vervolgens nog voor een gedetailleerde aanvulling op de lijst met gevaarlijke afvalstoffen. De Verordening kent elf basisstelsels, die hieronder worden weergegeven. De stelsels verschillen enigszins van elkaar, maar grofweg is de procedure als volgt. Een ieder die de intentie heeft om afvalstoffen over de grens van een lidstaat te (laten) brengen, dient de bevoegde autoriteiten in andere betrokken staten in kennis te stellen door het begeleidende document aan deze autoriteiten toe te sturen. Het begeleidende document wordt verstrekt door de bevoegde autoriteit van verzending. Wanneer de ontvangst van het begeleidende document is bevestigd, hebben de bevoegde autoriteiten een beperkte periode waarbinnen zij kunnen verzoeken om aanvullende informatie, bezwaren kenbaar kunnen maken, vervoersvoorwaarden kunnen stellen en/of goedkeuring kunnen verlenen aan de overbrenging. Wanneer een overbrenging doorgang heeft gevonden, dient de ontvanger aan de kennisgever en de bevoegde autoriteiten een afschrift van het volledig ingevulde begeleidende document toe te zenden. Na de verwijdering of nuttige toepassing dient vervolgens een afschrift van de verklaring van verwijdering of nuttige toepassing aan dezelfde partijen te worden toegezonden. Andere vereisten hebben betrekking op de gegevens die in het begeleidende document dienen te worden opgenomen en verplichtingen die betrekking hebben op contracten voor overbrengingen. Vereisten van de verschillende stelsels
1. Overbrenging van afvalstoffen tussen lidstaten binnen de EU
1A – ter verwijdering• Kennisgeving door middel van een begeleidend document (art. 3, lid 1 t/m 5). • Contract tussen de kennisgever en de ontvanger (art. 3, lid 6). • De bevoegde autoriteit van bestemming zendt binnen drie werkdagen na ontvangst van de kennisgeving een ontvangstbevestiging aan de kennisgever en een afschrift aan de andere bevoegde autoriteiten en ontvanger (art. 4, lid 1). • De bevoegde autoriteit van bestemming dient binnen 21-30 dagen (of eerder indien de andere betrokken bevoegde autoriteiten schriftelijke toestemming hebben gegeven) vanaf de datum van de verzending van de ontvangstbevestiging te besluiten om al dan niet onder voorwaarden een vergunning te verlenen (art. 4, lid 2, sub a). De bevoegde autoriteiten van het land van verzending en doorvoer kunnen binnen 20 dagen na verzending van deze ontvangstbevestiging bezwaar maken of voorwaarden verbinden aan het vervoer van de afvalstoffen binnen hun rechtsgebied (art. 4, lid 2, sub b en d). • De overbrenging mag slechts geschieden wanneer de kennisgever daarvoor van de bevoegde autoriteit van bestemming een vergunning heeft verkregen (art. 5, lid 1). • De ontvanger dient binnen drie werkdagen aan de kennisgever en aan de betrokken bevoegde autoriteiten een afschrift van het volledig ingevulde begeleidende document te zenden (art. 5, lid 5). Voorts dient hij zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 180 dagen een verklaring van verwijdering aan dezelfde partijen te sturen (art. 5, lid 6). • De lidstaten kunnen stelselmatig bezwaar maken tegen overbrenging van afvalstoffen of maatregelen nemen om de overbrenging geheel of gedeeltelijk te verbieden, ten einde de beginselen van nabijheid, voorrang voor nuttige toepassing en zelfverzorging toe te passen. Dergelijke maatregelen dienen onmiddellijk aan de Commissie te worden gemeld. De Commissie informeert de andere lidstaten hier vervolgens over (art. 4, lid 3, sub a, onder i). Dergelijke maatregelen kunnen niet worden genomen wanneer het gaat om de productie van kleine hoeveelheden gevaarlijke afvalstoffen waardoor het economisch niet verantwoord zou zijn in de lidstaat nieuwe gespecialiseerde verwijderingsinstallaties te bouwen (art. 4, lid 3, sub a, onder ii). • Bevoegde autoriteiten kunnen gemotiveerde bezwaren tegen de voorgenomen overbrenging maken, bijvoorbeeld wanneer de overbrenging niet in overeenstemming is met de afvalbeheerplannen, in strijd is met verplichtingen uit internationale overeenkomsten of wanneer de kennisgever of de ontvanger zich in het verleden aan sluikhandel heeft schuldig gemaakt (art. 4, lid 3, sub b en c). 1B – Voor nuttige toepassingTen aanzien van de afvalstoffen op de oranje lijst: • Kennisgeving door middel van een begeleidend document (art. 6, lid 1). • Contract tussen de kennisgever en de ontvanger (art. 6, lid 6). • De bevoegde autoriteit van bestemming zendt binnen drie werkdagen na ontvangst van de kennisgeving een ontvangstbevestiging aan de kennisgever en een afschrift aan de andere bevoegde autoriteiten en ontvanger (art. 7, lid 1). • Vervoersvoorwaarden dienen binnen 20 dagen na de ontvangstbevestiging van de kennisgeving bekend te worden gemaakt (art. 7, lid 3). Bezwaren dienen binnen 30 dagen te worden gemaakt en goed te worden gemotiveerd (art. 7, lid 2). • De overbrenging mag plaatsvinden na ontvangst van schriftelijke toestemming, of nadat de termijn van 30 dagen is verstreken en geen bezwaar is gemaakt. De stilzwijgende toestemming vervalt één kalenderjaar na dato (art. 8, lid 1). • De ontvanger dient binnen drie werkdagen na ontvangst van de voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen een afschrift van het volledig ingevulde begeleidende document aan de kennisgever en aan de betrokken bevoegde autoriteiten te zenden (art. 8, lid 5). Voorts dient hij zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 180 dagen na ontvangst van de afvalstoffen, een verklaring van nuttige toepassing van de afvalstoffen aan dezelfde partijen te sturen (art. 8, lid 6). • Bevoegde autoriteiten die rechtsmacht bezitten over specifieke inrichtingen voor nuttige toepassing kunnen besluiten dat zij geen bezwaar zullen maken tegen overbrengingen van bepaalde soorten afvalstoffen naar een bepaalde inrichting voor nuttige toepassing. Zij dienen dit aan de Commissie mee te delen. De Commissie dient vervolgens de andere betrokken bevoegde autoriteiten in de Gemeenschap en het secretariaat van de OESO op de hoogte te stellen (art. 9, lid 1 en 2). Voor de overbrenging naar dergelijke inrichtingen is de kennisgeving vooraf evenwel onverkort vereist (art. 9, lid 3). • Bevoegde autoriteiten kunnen gemotiveerd bezwaar tegen de voorgenomen overbrenging maken, bijvoorbeeld wanneer de overbrenging niet in overeenstemming is met nationale afvalbeheersplannen, verplichtingen uit internationale overeenkomsten of nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen. Voorts kan het bezwaar gestoeld worden op het feit dat de kennisgever of de ontvanger zich in het verleden aan sluikhandel heeft schuldig gemaakt of het afvalstoffen betreft die nuttige toepassing uit economisch en milieutechnisch oogpunt niet rechtvaardigen (art. 7, lid 4, sub a). Overbrengingen van afvalstoffen die op de rode lijst voorkomen en afvalstoffen die nog niet zijn opgenomen in één van de drie lijsten, worden beschouwd als ‘oranje’ afvalstoffen, zij het dat de instemming van de betrokken bevoegde autoriteiten vóór aanvang van de overbrenging schriftelijk moet worden gegeven (art. 10). Overbrenging van afvalstoffen die op de groene lijst staan dient te worden vergezeld van specifieke, door de houder ondertekende, informatie (art. 11). Er bestaat geen vereiste van voorafgaande toestemming. 1C – voor verwijdering en nuttige toepassing met doorvoer via derde Staten• In aanvulling op de vereisten die zijn weergegeven onder nummer 1A en 1B dienen kennisgevers afschriften van de kennisgevingen aan de bevoegde autoriteiten van (een) derde Staat of Staten te zenden (art. 12, onder a). • De bevoegde autoriteit van bestemming dient de bevoegde autoriteit van de derde Staat of Staten te vragen of zij haar schriftelijke instemming binnen een specifieke periode wil geven. Voorts geeft de bevoegde autoriteit, indien daartoe aanleiding is, pas toestemming nadat zij deze schriftelijke instemming heeft ontvangen (art.12, onder b). 2. Overbrenging binnen lidstaten• De bepalingen van de andere stelsels zijn niet van toepassing (art. 13, lid 1). • De lidstaten dienen een passend stelsel in te voeren voor toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen hun rechtsgebied. Zij dienen de Commissie op de hoogte te stellen van deze stelsels. De Commissie informeert op haar beurt de lidstaten over deze nationale stelsels (art. 13, lid 2 en 3). 3. Uitvoer vanuit de EU
3A – ter verwijdering• De uitvoer is verboden, behoudens naar EVA-landen die ook partij zijn bij het Verdrag van Bazel, tenzij deze landen alle invoer van afvalstoffen verbieden, voor de specifieke invoer van die afvalstoffen geen schriftelijke toestemming hebben gegeven of indien de bevoegde autoriteit van verzending redenen heeft om aan te nemen dat de afvalstoffen in het betrokken EVA-land niet volgens milieuhygiënisch verantwoorde methoden zullen worden beheerd (art. 14, lid 1 en 2). • De bevoegde autoriteit van verzending dient te eisen dat de voor verwijdering bestemde afvalstoffen waarvoor een vergunning voor uitvoer naar EVA-landen is gegeven gedurende de gehele overbrenging en in de Staat van bestemming met milieuhygiënisch verantwoorde methoden worden beheerd (art. 14, lid 3). • Kennisgeving dient te geschieden door middel van het begeleidende document. De kennisgever dient tevens afschriften van de schriftelijke toestemming van het land van bestemming en van de bevestiging van het land van bestemming dat er een contract bestaat tussen de kennisgever en de ontvanger, waarin het milieuhygiënisch verantwoorde beheer van de betrokken afvalstoffen is gespecificeerd, aan de bevoegde autoriteit van het land van verzending te verstrekken (art. 15, lid 1 en 4). • In het contract dient tevens te worden bepaald dat de ontvanger binnen drie werkdagen na ontvangst van de afvalstoffen een afschrift van het volledig ingevulde begeleidende document aan de kennisgever en de betrokken bevoegde autoriteit verstrekt, en dat de ontvanger zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 180 dagen na ontvangst van de afvalstoffen, een verklaring van verwijdering aan dezelfde partijen zendt (art. 15, lid 4, sub b). • De bevoegde autoriteit van verzending dient binnen 70 dagen te besluiten om al dan niet onder voorwaarden een vergunning voor de overbrenging te verlenen. Zij verleent alleen een vergunning als er geen bezwaren bestaan (welke binnen 60 dagen bekend dienen te worden gemaakt) (art. 15, lid 2 en 3). • De overbrenging mag pas geschieden nadat de kennisgever de vergunning van de bevoegde autoriteit van verzending heeft ontvangen (art. 15, lid 7). • Het begeleidende document dient te worden afgegeven aan het laatste douanekantoor van uitgang wanneer de afvalstoffen de Gemeenschap verlaten, en een afschrift ervan dient naar de bevoegde autoriteit die de vergunning heeft afgegeven te worden gezonden (art. 15, lid 8 en 9). • De bevoegde autoriteit die de vergunning heeft afgegeven dient, indien zij 42 dagen nadat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten van de ontvanger nog geen bericht van ontvangst van de afvalstoffen heeft ontvangen, onverwijld de bevoegde autoriteit van bestemming in te lichten. Zij dient op overeenkomstige wijze te handelen indien zij 180 dagen nadat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten van de ontvanger nog geen verklaring van verwijdering heeft ontvangen (art. 15, lid 10). 3B – voor nuttige toepassing• Alle uitvoer van ‘gevaarlijk’ afval (zoals gedefinieerd in verordening 2408/98 – zie Kader 1) is verboden, behalve naar OESO-landen. • Uitvoer voor nuttige toepassing is tevens verboden naar een land dat alle invoer van deze afvalstoffen verbiedt of voor de specifieke invoer ervan geen toestemming heeft gegeven en/of indien de bevoegde autoriteit van verzending redenen heeft om aan te nemen dat de afvalstoffen niet met milieuhygiënisch verantwoorde methoden zullen worden beheerd (art. 16, lid 3). • De bevoegde autoriteit van verzending dient ten aanzien van alle voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen waarvoor een uitvoervergunning wordt afgegeven te eisen dat deze gedurende de gehele overbrenging en in de Staat van bestemming op milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden beheerd (art. 16, lid 4). • Op overbrenging van afvalstoffen van de groene lijst zijn de in Kader 2 weergegeven controles van toepassing. • Voor overbrengingen van afvalstoffen die op de rode of de oranje lijst staan naar, of door landen waarop het OESO-besluit uit 1992 van toepassing is, zijn de vereisten zoals weergeven onder nummer 1B van toepassing. In dergelijke gevallen dient
een exemplaar van het begeleidende document door de vervoerder te worden afgegeven aan het laatste douanekantoor van uitgang op het moment dat de afvalstoffen de Gemeenschap verlaten. Vervolgens dient het douanekantoor van uitgang een afschrift van het begeleidende document naar de bevoegde autoriteit die de vergunning heeft afgegeven te verzenden. • Indien de bevoegde autoriteit die de vergunning heeft afgegeven 42 dagen nadat de afvalstoffen de Gemeenschap hebben verlaten van de ontvanger geen bericht van ontvangst van de afvalstoffen heeft ontvangen, dient zij onverwijld de bevoegde autoriteit van bestemming daarover in te lichten (art. 15, lid 8, 9 en 10). • Voor overbrengingen van afvalstoffen van de rode - of de oranje - lijst die voor nuttige toepassing bestemd zijn, of afvalstoffen die nog niet in één van de bijlagen II, III en IV zijn opgenomen en die voor nuttige toepassing worden uitgevoerd naar en via landen waarop het OESO-besluit van toepassing is, is het gestelde onder 3A van overeenkomstige toepassing. • Verboden, behalve wanneer het gaat om afvalstoffen die na bewerking worden teruggestuurd naar de ACS staat van oorsprong (art. 18, lid 1 en 2). Kader 5.6.1 Definitie van ‘gevaarlijke afvalstoffen’ voor de doelstellingen van Verordening 259/93. Kader 5.6.2 Controles op uitvoer van ‘groene lijst’ -afvalstoffen uit de EU voor nuttige toepassing. 4. Invoer in de Gemeenschap
4A – ter verwijdering• Verboden, behalve voor EVA-landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel of voor andere landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel, of waarmee de Gemeenschap en/of haar lidstaten, bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen hebben getroffen die verenigbaar zijn met het Verdrag van Bazel (art. 19, lid 1). • Lidstaten mogen bilaterale overeenkomsten sluiten of regelingen treffen voor de verwijdering van specifieke afvalstoffen voordat dit op EU-niveau gebeurt, wanneer die afvalstoffen in het land van verzending niet op milieuhygiënisch verantwoorde wijze zullen worden beheerd (art. 19, lid 2). • De bevoegde autoriteit van bestemming dient het binnenbrengen van afvalstoffen in haar rechtsgebied te verbieden, indien zij redenen heeft om aan te nemen dat de afvalstoffen aldaar niet op milieuhygiënisch verantwoorde wijze zullen worden beheerd (art. 19, lid 4). • Kennisgeving geschiedt door middel van een begeleidend document (art. 20, lid 1). • De bevoegde autoriteiten van het land van bestemming en van doorvoer kunnen binnen 60 dagen na verzending van de ontvangstbevestiging bezwaar maken of voorwaarden verbinden aan het vervoer van de afvalstoffen binnen hun rechtsgebied (art. 20, lid 3 en 5). De bevoegde autoriteit van bestemming besluit binnen 61-70 dagen (of eerder indien de andere betrokken bevoegde autoriteiten schriftelijke toestemming hebben gegeven) vanaf de datum van de verzending van de ontvangstbevestiging om al dan niet onder voorwaarden een vergunning te verlenen (art. 20, lid 4). • De ontvanger dient een afschrift te zenden van het volledig ingevulde begeleidende document binnen 3 werkdagen en van de verklaring van verwijdering binnen 180 dagen. 4B – voor nuttige toepassing• Verboden, behalve voor landen waarop het OESO-besluit van toepassing is en voor andere landen die partij zijn bij het Verdrag van Bazel en/of waarmee de Gemeenschap, en/of haar lidstaten, bilaterale of multilaterale of regionale overeenkomsten of regelingen hebben getroffen (art. 21, lid 1). • Lidstaten hebben toestemming om in uitzonderlijke gevallen bilaterale overeenkomsten of regelingen te treffen voor de nuttige toepassing van specifieke afvalstoffen, voordat de Gemeenschap dergelijke overeenkomsten en regelingen heeft getroffen. Een lidstaat kan hiertoe overgaan wanneer dergelijke overeenkomsten of regelingen door hem noodzakelijk worden geacht om een onderbreking van de behandeling van afvalstoffen te voorkomen (art. 21, lid 2). • Voor de overbrenging van afvalstoffen van de rode of de oranje lijst, en van afvalstoffen die nog niet op een van de lijsten zijn opgenomen, zijn de vereisten zoals weergegeven onder 1B van toepassing. Indien deze afvalstoffen worden ingevoerd vanuit landen waarop het OESO-besluit niet van toepassing is dient voldaan te worden aan de kennisgeving en goedkeuringseisen van nummer 4A (art. 22). 5. Doorvoer over het grondgebied van de Gemeenschap voor verwijdering en nuttige toepassing buiten de Gemeenschap
5A – ter verwijdering en nuttige toepassing (uitgezonderd voor doorvoer zoals behandeld onder 5B) • Kennisgeving geschiedt door middel van een begeleidend document (art. 23, lid 1). • De laatste bevoegde autoriteit van doorvoer in de Gemeenschap dient binnen 60 dagen na het versturen van de ontvangstbevestiging van de kennisgeving een beslissing te nemen. De bevoegde autoriteiten van doorvoer in de Gemeenschap hebben een termijn van 20 dagen na de kennisgeving om in voorkomend geval voorwaarden aan het vervoer van de afvalstoffen te verbinden (art. 23, lid 2 en 4). • Een overbrenging kan doorgang vinden zodra de kennisgever goedkeuring heeft ontvangen, en dient te worden vergezeld van het begeleidende document. • Zodra de afvalstoffen de EU verlaten, dient het begeleidende document aan het douanekantoor van uitgang ter beschikking te worden gesteld (art. 23, lid 6). Vervolgens dient het douanekantoor het door te sturen aan de laatste bevoegde autoriteit van doorvoer in de EU (art. 23, lid 7). • Binnen 42 dagen dient de kennisgever aan de bevoegde autoriteiten te verklaren dat de afvalstoffen op de voorgenomen plaats van bestemming zijn aangekomen (art. 23, lid 7). 5B – voor nuttige toepassing van en naar een land waarop het OESO-besluit van
toepassing is • Kennisgeving door middel van een begeleidend document is vereist voor de overbrenging van afvalstoffen die op de oranje of rode lijst staan (art. 24, lid 1). • De overbrenging mag uitsluitend doorgang vinden wanneer geen bezwaar is gemaakt (bezwaren dienen binnen 30 dagen na de verzending van de kennisgeving kenbaar te worden gemaakt) (art. 24, lid 4, 5 en 6). Gemeenschappelijke bepalingen voor de verschillende regimesWanneer voor een overbrenging via de geëigende weg toestemming is verkregen maar deze toch niet kan worden voltooid, dient de bevoegde autoriteit van verzending er zorg voor te dragen dat de kennisgever de afvalstoffen naar de Staat van verzending terugzendt, tenzij zij ervan overtuigd is dat de afvalstoffen op een andere, milieuhygiënisch verantwoorde wijze verwijderd of nuttig toegepast kunnen worden (art. 25, lid 1). Dergelijke terugzendingen dienen gepaard te gaan met een kennisgeving, maar het land van verzending of van doorvoer mag zich er niet tegen verzetten (lid 2). Lidstaten dienen ‘passende wettelijke maatregelen’ vast te stellen om sluikhandel te ‘verbieden en te straffen’ (art. 26, lid 5). Er is hoofdzakelijk sprake van sluikhandel wanneer de voorschriften van Verordening 259/93 niet (of niet afdoende) worden nageleefd. Voor alle overbrengingen wordt een borgsom of gelijkwaardige verzekering geëist ter dekking van de kosten van het vervoer en van de verwijdering of de nuttige toepassing (art. 27, lid 1). Het is mogelijk om voor ten hoogste 1 jaar gebruik te maken van een algemene kennisgeving, wanneer voor verwijdering of nuttige toepassing bestemde afvalstoffen met dezelfde fysische en chemische eigenschappen periodiek via dezelfde route naar dezelfde ontvanger worden overgebracht (art. 28, lid 1 en 2). Afvalstoffen waarop verschillende kennisgevingen betrekking hebben, mogen tijdens de overbrenging niet gemengd worden (art. 29). Administratieve kosten in verband met de uitvoering van de kennisgevings- en toezichtprocedure en de gebruikelijke kosten van de passende analyses en inspecties mogen in rekening worden gebracht bij de kennisgever (art. 33, lid 1). De kosten van terugzending van afvalstoffen kunnen aan de kennisgever of betrokken lidstaat worden doorberekend, terwijl de kosten van verwijdering of nuttige toepassing in het geval van sluikhandel welke aan de ontvanger kan worden toegerekend voor zijn rekening komen (art. 33, lid 2 en 3 en art. 26, lid 3). Lidstaten dienen maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de afvalstoffen worden overgebracht volgens de bepalingen van de Verordening en in overeenstemming met de in een bijlage opgenomen relevante internationale verdragen en overeenkomsten (art. 42, lid 1). Voorts dienen zij één of meer bevoegde autoriteiten ter uitvoering van de Verordening aan te wijzen, waaronder één bevoegde autoriteit voor doorvoer (art. 36). De Commissie en lidstaten dienen elk ten minste één correspondent aan te wijzen die informeert en adviseert (art. 37, lid 1). Indien de lidstaten een daartoe strekkend verzoek doen, of daartoe anderszins aanleiding is, roept de Commissie op gezette tijden de correspondenten bijeen ten einde met hen de vragen in verband met de toepassing van de Verordening te bespreken (art. 37, lid 2). De lidstaten dienen de Commissie in kennis te stellen van de gegevens van de bevoegde autoriteiten en correspondenten, deze gegevens worden vervolgens doorgezonden naar andere lidstaten en aan het secretariaat van het Verdrag van Bazel (art. 38). In het Publicatieblad is een lijst gepubliceerd van de bevoegde autoriteiten.[340] Lidstaten mogen ook douanekantoren van binnenkomst en van uitgang aanwijzen voor de overbrenging van afvalstoffen naar en uit de EU (art. 39, lid 1). Indien deze kantoren zijn aangewezen, mogen voor het overbrengen van afvalstoffen geen andere grensovergangen worden gebruikt in de lidstaat. De Commissie dient een model van het begeleidende document en de verklaring van verwijdering en nuttige toepassing op te stellen. Dit gebeurt in samenspraak met het Comité dat is ingesteld onder Richtlijn 75/442 (art. 42). Aan dit vereiste is voldaan door de aanname van het standaard begeleidende document in Beschikking 94/774. De consultatieprocedure uit Richtlijn 75/442 wordt ook gebruikt voor het doorvoeren van veranderingen in de afvalstoffenlijsten die het gevolg zijn van besluiten van de OESO. De procedure is toegepast om de groene, oranje en rode afvalstoffenlijsten te veranderen in de Beschikkingen 94/721, 96/660 en 98/368. De lidstaten dienen jaarlijks in overeenstemming met artikel 13, lid 3, van het Verdrag van Bazel een verslag op te stellen. Dit verslag dienen zij toe te zenden aan het Secretariaat van het Verdrag van Bazel en aan de Commissie (art. 41, lid 1). De Commissie heeft met het oog hierop een vragenlijst gepubliceerd (Beschikking 1999/412). De Commissie dient aan de hand van de verslagen van de lidstaten om de drie jaar verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van de Verordening (art. 41, lid 2). 5.6.5 Achtergrond en totstandkoming van Verordening 259/93Naar aanleiding van een aantal uitgebreid in de media belichte incidenten, in het bijzonder de verdwijning van een aantal vaten van een transport tussen Frankrijk en Italië, waarvan werd vermoed dat deze met dioxine vervuilde materialen afkomstig van de Seveso-ramp bevatten (zie § 7.18), werd in eerste instantie een Richtlijn vastgesteld: 84/631. Naar verloop van tijd werd echter duidelijk dat nieuwe actie op Europees niveau noodzakelijk was: de lidstaten voerden Richtlijn 84/631 te laat en onvolledig uit. Bovendien verschilde de interpretatie van een aantal bepalingen uit de Richtlijn tussen de lidstaten onderling. Het gevolg hiervan was dat het geharmoniseerde systeem voor grensoverschrijdend vervoer, waar de Richtlijn op was gericht, niet tot stand kwam. Met de naderende voltooiing van de interne markt nam de druk op de Europese beleidsmakers toe om een meer effectieve regeling te maken op dit, zowel voor de handel als voor het milieu, uitermate belangrijke gebied. Bovendien vereisten andere internationale verplichtingen (het Verdrag van Bazel en de Overeenkomst van Lomé), en het OESO-besluit uit 1992 de totstandkoming van regelgeving op EU-niveau. Het creëren van nieuwe regelgeving bood tevens de mogelijkheid tot vergroting van het toepassingsbereik van de oorspronkelijke procedures uit Richtlijn 84/631. Zo werd het aantal afvalstoffen waarop de Verordening betrekking had vergroot en werd een aantal bepalingen toegevoegd op het gebied van terugzending van afvalstoffen. Voorts werd een aantal financiële waarborgen ingebouwd. Een bijkomend voordeel was dat het voorstellen van een Verordening (in plaats van een Richtlijn) de in het verleden gerezen problemen op het gebied van de uitvoering voor een belangrijk deel zou ondervangen (juridisch althans). In 1990 heeft de Commissie België voor het Hof van Justitie gedaagd in verband met een Waals decreet dat de opslag en verwijdering van buitenlandse afvalstoffen verbood. De Commissie was van mening dat dit decreet strijdig was met de afvalstoffenrichtlijnen en met het in het Verdrag van Rome neergelegde vrij verkeer van goederen. In zijn arrest van juli 1992[341] bepaalde het Hof dat het algemene verbod in het Waalse decreet inbreuk maakte op Richtlijn 84/631 (giftige afvalstoffen), maar niet op Richtlijn 75/442 (andere typen afvalstoffen), aangezien het Hof van mening was dat Richtlijn 75/442 geen betrekking had op de overbrenging van afvalstoffen. Het Hof stelde voorts dat hoewel afvalstoffen als goederen dienden te worden aangemerkt en het vrije verkeer ervan in beginsel dus niet mag worden begrensd, er toch rekening diende te worden gehouden met de speciale aard van afvalstoffen: uit art. 130r, lid 2 (thans: 174, lid 2) viel, volgens het Hof, impliciet af te leiden dat de autoriteiten de verplichting hebben om ervoor te zorgen dat afvalstoffen zo dicht mogelijk bij hun bron bewerkt en verwijderd worden. Frankrijk oefende tevens druk uit om meer nadruk te leggen op de onafhankelijkheid in de afvalstoffenverwerking. In augustus 1992 vaardigde het daarom een decreet uit waarin de invoer van huishoudelijke afvalstoffen ter verwijdering door storting werd verboden. Aanvankelijk wilde de Commissie een systeem invoeren waarbij de bepalingen op het gebied van overbrengingen over bestuurlijke grenzen binnen de lidstaten gelijk zouden zijn aan de bepalingen die zouden gelden ten aanzien van internationale overbrengingen. Onder grote druk zag zij hier echter van af. Het Europees Parlement diende talrijke amendementen in op het oorspronkelijke voorstel, waaronder voorstellen om de grondslag voor de Verordening te veranderen in art. 100a (thans: art. 95) en om strengere grenzen te stellen aan de overbrenging van afvalstoffen voor nuttige toepassing. De meeste voorstellen van het Parlement werden echter niet overgenomen. Nadat de Verordening was aangenomen verzocht het Parlement het Hof van Justitie om de Verordening te vernietigen omdat deze gebaseerd zou zijn op een onjuiste rechtsgrondslag.[342] Het Hof was echter van mening dat de rechtsgrondslag die de Commissie had gekozen, art. 130s (thans: art. 175), de juiste was. In een eerdere zaak was het Hof tot een soortgelijke conclusie gekomen ten aanzien van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (zie § 5.3). Binnen de Raad vormden de beginselen van zelfvoorziening en nabijheid (van verwijdering) een grote bron van onenigheid. Het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk waren grote voorstanders van een snelle toepassing van deze beginselen, terwijl de kleinere lidstaten hun bezorgdheid toonden over mogelijk disproportionele kosten die het gevolg zouden kunnen zijn, zeker in het geval van kleine hoeveelheden gevaarlijk afval. De definitieve versie van de Verordening geeft het compromis weer dat uiteindelijk werd gesloten. De Verordening maakt een voorwaardelijk verbod van overbrengingen door lidstaten mogelijk op grond van nabijheid, zelfverzorging en voorrang voor de verwijdering bij de bron, maar sluit het instellen van een dergelijk verbod wel uit voor kleine hoeveelheden gevaarlijke afvalstoffen waar "het economisch niet verantwoord zou zijn [....] nieuwe gespecialiseerde verwijderingsinstallaties te bouwen" (art. 4, lid 3, sub a, onder ii). 5.6.6 Achtergrond en totstandkoming van Verordeningen 120/97 en 2408/98Tijdens de totstandkoming van Verordening 259/93, pleitte Denemarken voor een algeheel verbod op de overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen naar ontwikkelingslanden, zelfs voor nuttige toepassing. Het ging hier om een controversieel onderwerp waar ook een aantal milieugroeperingen zich voor inzetten. Een aantal lidstaten wilden aanvankelijk de legitieme handel met niet-OESO landen, die gevaarlijke afvalstoffen voor nuttige toepassing wilden invoeren, beschermen. Tijdens de Conferentie van de Partijen van het Verdrag van Bazel in maart 1994, waren de G77-landen echter unaniem van mening dat de beste manier om het milieu te beschermen in niet-OESO landen, een verbod behelsde. Dit standpunt werd voor het eerst vertaald naar de EU-regelgeving door Verordening 120/97. Deze Verordening bevatte een verbod op de uitvoer van afvalstoffen van de oranje en de rode lijst voor nuttige toepassing naar niet-OESO landen. Voorts wees Verordening 120/97 op het feit dat een aantal materialen die op de groene lijst stonden – en die dus wel voor nuttige toepassing mochten worden uitgevoerd – tegelijkertijd als ‘gevaarlijk’ werden gekwalificeerd in Richtlijn 91/689 (zie § 5.4). De Verordening bevatte met het oog op deze inconsistentie een verplichting voor de Commissie om de bijlage die gevaarlijke afvalstoffen definieerde te wijzigen met het oog op het verbod. De gewijzigde definitie van gevaarlijke afvalstoffen had op 1 januari 1998 moeten worden vastgesteld. Deze datum werd echter niet gehaald omdat de Commissie in afwachting was van relevante ontwikkelingen ten aanzien van het Verdrag van Bazel. De nieuwe bijlage is uiteindelijk geëffectueerd door Verordening 2408/98 in november 1998. 5.6.7 Achtergrond en totstandkoming van Verordeningen 1420/1999 en 1547/1999 De Verordeningen 1420/1999 en 1547/1999 dienen ter vaststelling van de toepasselijke procedures voor de controle op de overbrenging van afvalstoffen van de groene lijst voor nuttige toepassing buiten de EG. De totstandkoming van deze Verordeningen - in het bijzonder van 1420/1999 - bleek behoorlijk controversieel. De Verordeningen spruiten voort uit het bepaalde in art. 17, lid 1 van Verordening 259/93. Dit artikel gaf de Commissie de opdracht de groene lijst te sturen naar niet-OESO landen en deze landen daarbij te vragen of zij zich konden vinden in het toepassen van de gebruikelijke procedures voor deze stoffen of dat zij strengere procedures verlangden. De Commissie toonde de eerste resultaten van deze ‘enquête’ in Beschikking 94/575, welke werd gepubliceerd in juli 1994, ruim twee maanden nadat Verordening 259/93 van kracht werd. Deze Beschikking bevatte echter slechts de gewenste informatie van 15 landen en daarmee van een zeer klein deel van het totaal aantal niet-OESO landen. Voor dit magere resultaat zijn twee redenen aan te wijzen. Ten eerste had een groot aantal landen simpelweg (nog) niet geantwoord op het moment dat Beschikking 94/575 werd ontwikkeld. Ten tweede gaf een aantal landen aan dat het in het geheel geen ‘groene lijst’ afvalstoffen wilde ontvangen voor nuttig gebruik. Deze laatste reactie was niet voorzien door art. 17 van Verordening 259/93. Het artikel bood slechts de mogelijkheid aan de niet-OESO landen om strengere controles te verlangen (door bijv. de procedures ten aanzien van de oranje of rode afvalstoffen op de groene van toepassing te verklaren), maar niet tot een expliciet verbod. De Commissie reageerde - na een heftig debat - op deze situatie door Verordening 1420/1999 vast te stellen. Het voorstel voor Verordening 1420/1999 werd gedaan op 8 februari 1995.[343] Het voorstel bevatte een tweetal met elkaar verband houdende controversiële punten. Deze twee punten hadden betrekking op de rechtsgrondslag van het voorstel en de wijze waarop de Commissie had gereageerd op de landen die te kennen hadden gegeven geen groene afvalstoffen te willen ontvangen. Ten aanzien van de landen die hadden laten weten geen prijs te stellen op groene afvalstoffen, strekte het voorstel van de Commissie niet tot het instellen van een verbod maar tot het toepassen van de waarborgen die tevens ten aanzien van de rode afvalstoffen gelden. Deze benadering verdedigde de Commissie aan de hand van een aantal argumenten. Zo stelde zij dat het verbieden van dergelijke transporten uitermate ongunstige effecten op de handel zou hebben. Ook zou een aantal landen dat had aangegeven in het geheel geen prijs te stellen op de overbrenging van groene afvalstoffen zich, naar de mening van de Commissie, wellicht niet goed realiseren wat de strekking van deze beslissing zou zijn. De Commissie gaf als derde argument dat de procedure ten aanzien van de rode lijst hetzelfde praktische effect zou hebben als een uitvoerverbod, aangezien de overbrenging uitsluitend wordt toegestaan wanneer het land van bestemming vooraf schriftelijk toestemming geeft. Met deze stellingname lijkt de Commissie het gevaar voor ongewenste overbrengingen die tot stand komen door corruptie of fraude over het hoofd te zien. Waarschijnlijk was dat nu juist de reden waarom een aantal niet-OESO landen in eerste instantie in het geheel geen overbrengingen wenste. De Commissie koos bij haar voorstel art. 113 (thans: art.133) als rechtsgrondslag. Hieruit valt af te leiden dat zij het voorstel uitsluitend betrekking vond hebben op de handel met derde landen. Deze keuze veroorzaakte nogal wat commotie. Er wordt namelijk mee gesuggereerd dat het voorstel geen milieudimensie bevatte. Daar kwam bij dat de oorspronkelijke Verordening 259/93, waarop het voorstel was gebaseerd, gebaseerd was op een ander artikel, namelijk art. 130s (thans: art. 175). Een bijkomend effect van deze keuze was dat de verantwoordelijkheid voor het voorstel kwam te liggen bij het Directoraat-Generaal I van de Commissie (interne markt) en niet bij het Directoraat-Generaal XI dat zich bezighoudt met milieubeleid. Het belangrijkste gevolg van de gekozen rechtsgrondslag had echter betrekking op de rol van het Europees Parlement bij de totstandkoming van de voorgestelde Verordening. Gezien het ‘zware’ onderwerp van het voorstel - beleid ten aanzien van de overbrenging van afvalstoffen - lag het voor de hand dat het Parlement betrokken zou willen zijn bij de nieuwe ontwikkelingen op dit gebied. Sterker, kijkend naar het standpunt dat het Parlement had ingenomen bij de totstandkoming van Verordening 259/93 lag het duidelijk in de lijn der verwachting dat het tegen het voorliggende voorstel van de Commissie zou zijn. Door het voorstel echter te baseren op art. 113 passeerde de Commissie het Parlement, aangezien bij de procedure van dit artikel geen rol was weggelegd voor het Parlement. Zou echter gekozen zijn voor art. 130s als rechtsgrondslag, dan zou het Parlement wel invloed kunnen uitoefenen omdat dit artikel de samenwerkingsprocedure voorschreef. Hoewel niet valt uit te sluiten dat de Commissie oprecht heeft gemeend dat art. 113 als rechtsgrondslag moest dienen, dringt de vraag zich op of de Commissie niet willens en wetens heeft gekozen voor een procedure waarbij het Parlement buiten spel werd gezet. De legitimiteit van het voorstel werd sterk in twijfel getrokken door een vraag van een lid van het Europees Parlement.[344] Parlementariër Hiltrud Breyer vroeg zich af hoe de Commissie een voorstel kon rechtvaardigen dat "de Conventie van Bazel wil omzeilen", een "verwatering en breuk van internationaal recht" teweegbrengt en dat een "affront voor de positie van het democratisch gekozen Europees Parlement [vormt].....[hetwelk] nu uitgeschakeld moet worden door verandering van de rechtsgrondslag van artikel 130s in die van artikel 113". De Commissie antwoordde bij monde van Sir Leon Brittan dat het voorstel met het Verdrag van Bazel in overeenstemming was, en dat het steunt op de zienswijze dat, waar het gaat om de overbrenging van groene lijst afvalstoffen, "ten aanzien van de door derde landen te kennen gegeven wensen [....] zowel behoedzaam als ontvankelijk moet worden opgetreden". De aantijging dat het voorstel neerkwam op een affront van het Europees Parlement werd afgedaan met de opmerking dat de Commissie "rekening [zal] houden met het standpunt van het Parlement in overeenstemming met de interinstitutionele verdeling van de bevoegdheden waarin de Verdragen voorzien". Maar zoals reeds eerder vermeld, bood art. 113 geen enkele basis voor inspraak van het Parlement. Ook de lidstaten hadden bezwaren tegen de aanwijzing van art. 113 als rechtsgrondslag voor het voorstel. Naar verluidt kwam uit een door afgevaardigden van de lidstaten gehouden discussie over het voorstel als unanieme conclusie naar voren dat art. 130s meer toepasselijk zou zijn geweest, temeer daar ook de oorspronkelijke Verordening 259/93 op dit artikel was gebaseerd. In eerste instantie hield de Commissie voet bij stuk, maar uiteindelijk werd een compromis gevonden door de Verordening zowel art. 113 als art. 130s als rechtsgrondslag mee te geven. De Raad steunde dit idee op 25 juni 1996 - ongeveer 16 maanden na de indiening van het oorspronkelijke voorstel. De aanpassing van de rechtsgrondslag stelde het Parlement in staat om een bijdrage te leveren aan het totstandkomingsproces van de Verordening. Tijdens de eerste lezing[345] probeerde het Parlement het voorstel te wijzigen zodat de overbrenging van afvalstoffen van de groene lijst verboden zou worden naar de landen die hadden aangegeven deze niet te willen ontvangen. Het Parlement stelde tevens een wijziging voor in de voorstellen van de Commissie ten aanzien van de landen die niet hadden geantwoord op het oorspronkelijke verzoek om informatie op basis van art. 17, lid 1 van Verordening 259/93. De Commissie had voorgesteld om op deze overbrengingen de procedure toe te passen die normaal gesproken gevolgd werd ten aanzien van de ‘rode’ afvalstoffen. Het Parlement wilde echter nog een stap verder gaan door ook voor deze landen de overbrenging te verbieden. Ook een groot aantal lidstaten gaf blijk van bedenkingen tegen het sturen van afvalstoffen naar landen die dit nu juist hadden uitgesloten. De Commissie zwichtte uiteindelijk voor de uitgeoefende druk, en accepteerde het verbod op de overbrenging van afvalstoffen naar landen die hier expliciet om hadden gevraagd. Dit kwam tot uitdrukking in het hernieuwde voorstel van de Commissie[346], dat werd ingediend op 26 januari 1998. Een pikant detail was dat dit voorstel nog altijd uitsluitend art. 113 als rechtsgrondslag vermeldde. Het voorstel hield ook vast aan het toepassen van de rode lijst procedure in het geval van overbrengingen naar landen die niet hadden gereageerd op het verzoek van de Commissie. De Raad nam een gemeenschappelijk standpunt in ten opzichte van het voorstel op 4 juni 1998.[347] Dit standpunt kwam neer op de acceptatie van de gezamenlijke rechtsgrondslag voor het voorstel, gelegen in de artt. 113 en 130s. Voorts schaarde de Raad zich achter de herziene voorstellen van de Commissie ten aanzien van de overbrenging van afvalstoffen van de groene lijst. Deze voorstellen strekten, zoals reeds vermeld, tot een verbod op overbrenging naar landen die om dit verbod hadden gevraagd en het van toepassing verklaren van de procedure van de rode lijst ten aanzien van de landen die niet hadden gereageerd. De tweede lezing door het Europees Parlement verliep beduidend rustiger. Slechts een klein aantal wijzigingen werd voorgesteld.[348] De wijzigingsvoorstellen werden bijna allemaal geaccepteerd door de Commissie. De enige uitzondering had betrekking op een bepaling die stelde dat de Commissie de werking van de procedures opnieuw moest bekijken en deze zo nodig moest herzien. Het Parlement wilde dat eventuele voorstellen tot dergelijke herzieningen niet uitsluitend aan de Raad zouden worden gedaan, zoals de tekst van het gemeenschappelijk standpunt bepaalde, maar ook aan het Europees Parlement. Het hernieuwde voorstel van de Commissie van 13 april 1999[349] wees dit idee echter van de hand omdat het nog steeds de voorkeur gaf aan art. 113 als exclusieve rechtsgrondslag. Let wel: de dubbele rechtsgrondslag voor het voorstel was inmiddels vastgesteld. Verordening 1420/1999 werd uiteindelijk aangenomen op 29 april 1999, meer dan vier jaar na het oorspronkelijke voorstel. Buiten het feit dat het voorstel inhoudelijk flink is gewijzigd, heeft deze lange periode ook voor een aantal merkwaardige elementen in de uiteindelijke Verordening gezorgd. Zo valt in de achtste overweging in de preambule van de Verordening te lezen dat de Commissie zo spoedig mogelijk en uiterlijk vóór 1 juli 1998, bijlage V bij Verordening 259/93 zou moeten herzien en wijzigen, let wel: dat is zo’n 10 maanden vóór de inwerkingtreding van de Verordening! De Verordening bevat nog een andere rariteit. In art. 5 is namelijk bepaald dat de Commissie de Verordening zo spoedig mogelijk herziet en wijzigt "teneinde deze in overeenstemming te brengen met Verordening 259/93". De vaststelling van Verordening 1420/1999 werd snel gevolgd door Verordening 1547/1999. Deze Verordening werd vastgesteld door de Commissie en niet door de Raad, waardoor hij veel sneller tot stand kon komen. Verordening 1547/1999 was in tegenstelling tot Verordening 1420/1999 niet erg omstreden. Zij bevat bepalingen die van toepassing zijn op de landen die hadden aangegeven open te staan voor overbrengingen van groene afvalstoffen, mits onderworpen aan bepaalde controleprocedures. De oude procedure, zoals ingevoerd onder Beschikking 94/575, werd ingetrokken. 5.6.8 De omzetting in nationale regelgevingVerordening 259/93 heeft rechtstreekse werking en hoeft dus niet te worden omgezet in nationale regelgeving. Om een juiste toepassing ervan binnen de nationale rechtsorde mogelijk te maken is evenwel aanvullende regelgeving noodzakelijk. Deze aanvullende regelgeving is in de Wet milieubeheer na de wijziging van 2001 (zie § 5.2) terug te vinden in de artikelen 10.39, 10.44 en 10.56 t/m 10.60.[350] Art. 10.56 biedt de grondslag voor het opstellen van nadere regels door de minister van VROM. Dit is gebeurd via de Regeling EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen.[351] Deze regeling geeft onder meer uitvoering aan art. 27, lid 1 van de Verordening. Dit artikelonderdeel eist een borgsom of gelijkwaardige verzekering bij elke onder de Verordening vallende overbrenging ter dekking van mogelijke kosten. Voorts bevat de regeling de verplichting om met iedere kennisgeving een kopie van het contract met de ontvanger mee te zenden, de verplichting om in bepaalde gevallen een exemplaar van het begeleidende document mét toestemmingsstempel met het transport mee te sturen en de verplichting voor de kennisgever en de ontvanger om documenten tenminste 5 jaar te bewaren. Deze bepalingen zijn in de eerste plaats bedoeld om de controle en handhaving van de Verordening te vereenvoudigen.[352] Een aantal andere zaken uit de Verordening, zoals de mogelijkheid tot het instellen van een algemeen of gedeeltelijk verbod op overbrenging voor bepaalde afvalstoffen ter verwijdering als bedoeld in art. 4, lid 3, sub a van de Verordening heeft nog geen plaats gekregen in de Regeling. De reden hiervoor is dat de Nederlandse wetgever van mening was dat het op zelfvoorziening gebaseerde Nederlandse beleid voldoende mogelijkheden zou bieden om bezwaar te maken.[353] De minister van VROM is in de Nederlandse situatie aangewezen als de bevoegde autoriteit van verzending, bestemming en doorvoer (art. 10.58, lid 3 Wm). Het Internationaal Meldpunt Afvalstoffen (IMA) fungeert daarbij als aanspreekpunt namens de minister. Bij het IMA vindt de uitvoering van taken die voortvloeien uit de EVOA plaats, zoals het voorbereiden en opstellen van beschikkingen, het afhandelen van financiële borgstellingen en de controle en registratie van de meldingen van grensoverschrijdend vervoer van afvalstoffen.[354] Art. 10.60 Wm geeft een aantal verboden ter uitvoering van verschillende EVOA-bepalingen, waaronder het verbod op de sluikhandel (art. 26, lid 5 Richtlijn). In het Landelijk afvalbeheerplan (LAP) wordt voor de verschillende categorieën afvalstoffen het beleid ten aanzien van de in- en uitvoer uitgestippeld. Er wordt aangegeven of er ‘in beginsel’ wel of niet bezwaar wordt gemaakt. De toevoeging ‘in beginsel’ is bedoeld om duidelijk te maken dat het al dan niet maken van bezwaar van de concrete situatie afhangt.[355] 5.6.9 Uitvoering en effecten in de praktijkNederland heeft lange tijd te kampen gehad met een groot gebrek aan verwijderingscapaciteit. Het gevolg hiervan was dat een grote afhankelijkheid bestond van verwijderingsmogelijkheden in het buitenland.[356] Met de komst van Richtlijn 84/631 ontstond een kentering in deze situatie en werd het beleid gericht op nationale zelfvoorziening. Dit beleid werd met de komst van Verordening 259/93 voortgezet. Tot halverwege 1997 gold het zelfvoorzieningsbeleid zowel ten aanzien van afvalstoffen voor verwijdering als voor afvalstoffen voor nuttige toepassing. Het Hof van Justitie heeft voor wat betreft deze laatste categorie afvalstoffen het Nederlandse beleid als strijdig met de Verordening aangemerkt in de zogenaamde ‘Dusseldorp’-zaak.[357] In deze zaak, besliste het Hof van Justitie naar aanleiding van een aantal prejudiciële vragen van de ABRvS dat het in het Meerjarenplan Gevaarlijke Afvalstoffen I (MJP-GA) neergelegde verbod van uitvoer van oliefilters strijdig was met art. 34 van het EG-verdrag (thans art. 29). Aanleiding voor deze prejudiciële vragen was een door de minister van VROM ingediend bezwaar (op basis van art. 7, lid 4) tegen de overbrenging van voor nuttige toepassing bestemde oliefilters naar Duitsland. Het Hof onderkende dat er op basis van art. 130t van het EG-Verdrag (thans art. 176) mogelijkheden bestaan voor de lidstaten om verdergaande beschermingsmaatregelen vast te stellen dan op Gemeenschapsniveau gebeurt, maar wees er op dat deze maatregelen niet in strijd mogen komen met het Verdrag. Een beroep op de bescherming van het milieu als rechtvaardiging voor het uitvoerverbod werd door het Hof verworpen aangezien de door de Nederlandse regering aangebrachte argumenten van economische aard waren.[358] Een tweede door de Nederlandse regering aangebrachte rechtvaardigingsgrond, namelijk het beroep op de bescherming van de volksgezondheid, trof geen doel omdat er geen sprake was van een situatie waarin "de verwerking van oliefilters in andere lidstaten en het vervoer ervan over een, wegens hun uitvoer, grotere afstand een gevaar voor de gezondheid of het leven van personen zou vormen" (r.o. 46). Met de Dusseldorp uitspraak werd duidelijk dat het MJP-GA in overeenstemming dient te zijn met het EG-Verdrag en dan met name met het vrij verkeer van goederen. Als gevolg van de uitspraak werd in 1997 het eerste MJP-GA vervangen door het Meerjarenplan Gevaarlijke Afvalstoffen II 1997-2007 (MJP-GA II), waarin het zelfvoorzieningsbeginsel als bezwaargrond tegen overbrenging voor nuttige toepassing was geschrapt. Ditzelfde geldt voor het LAP. Een uitgangspunt van het LAP is dat Nederland voor het storten van afvalstoffen zelfvoorzienend wil zijn. Daarom wordt tegen overbrenging voor het storten wel op grond van het beginsel van nationale zelfvoorziening bezwaar gemaakt. Ook de uitvoer van brandbaar niet-gevaarlijk restafval en brandbaar gevaarlijk afval voor verbranden als vorm van verwijdering zal in principe niet worden toegestaan.[359] De praktijk in cijfers[360]De meldingsprocedure wordt gestart door het opsturen van een kennisgeving door de producent van de afvalstof of door een bedrijf dat vergunning heeft om afvalstoffen onder zich te hebben. Het IMA ontving 2096 kennisgevingen in het jaar 2001. Dit was een stijging van ruim 12,5% ten opzichte van 2000. Deze toename is voornamelijk veroorzaakt door kennisgevingen voor uitvoer en in mindere mate door invoer. Het aantal kennisgevingen voor doorvoer nam zelfs voor het eerst in een aantal jaren af. In Tabel 5.6.2 wordt een overzicht gegeven van het soort overbrenging waarop de kennisgevingen in de periode 1996-2001 betrekking hadden. Tabel 5.6.2 Aantal kennisgevingen per soort overbrenging in de periode 1996-2001. Het overgrote deel van de kennisgevingen heeft nog steeds betrekking op gevaarlijk afval, al neemt het aantal kennisgevingen voor de overbrenging van niet-gevaarlijke afvalstoffen jaarlijks toe. De reden hiervan is waarschijnlijk dat een steeds groter deel van de bedrijven bekend wordt met het feit dat Verordening 259/93 tevens van toepassing is op de overbrenging van niet-gevaarlijke afvalstoffen. De meeste kennisgevingen resulteren na de benodigde aanvullingen uiteindelijk in een beschikking. In 2001 zijn in totaal 1912 beschikkingen afgegeven. Dit is een stijging van 21% ten opzichte van 2000. Van deze beschikkingen kunnen er 1496 als ‘inhoudelijk’ worden gekwalificeerd. Dat wil zeggen dat de aanvraag inhoudelijk is getoetst. De 416 niet-inhoudelijke beschikkingen hadden slechts tot doel onvolledige of om andere redenen niet-ontvankelijke aanvragen af te wijzen. Het is belangrijk dat dit gebeurt, omdat de Verordening 259/93 in bepaalde gevallen een stilzwijgende toestemming aanneemt wanneer niet binnen een bepaalde termijn bezwaar wordt gemaakt. De kwaliteit van de kennisgevingen was over het algemeen vrij laag. Zo was het IMA in 2001 bij 67% van de aanvragen genoodzaakt om aanvullende informatie te vragen. In 2001 was het aantal gemelde invoertransporten 6% lager dan in 2000. Het aantal uitvoertransporten is echter bijna verdrievoudigd ten opzichte van 1999. Het aantal doorvoertransporten is na een flinke stijging tussen 1999 en 2000 in 2001 praktisch gelijk gebleven (zie Tabel 5.6.3). Over het algemeen worden de verplichte meldingen conform de voorschriften gedaan. Bij doorvoer van afvalstoffen komt het nog wel vaak voor dat de ontvangst en de verwerking van de afvalstoffen niet gemeld worden. Tabel 5.6.3 Aantal gemelde transporten van afvalstoffen. In 2001 is de uitvoer van 2141,8 kiloton afval gemeld. Hiervan kan 439,9 kiloton worden gekwalificeerd als gevaarlijk afval. Het overige deel is niet-gevaarlijk afval. Duitsland, België en Italië waren de belangrijkste landen van bestemming. Zij ontvingen respectievelijk 59%, 15% en 15% van de totale uitvoer. Tot 1994 nam de totale uitgevoerde hoeveelheid af, daarna nam deze toe. De inwerkingtreding van de Verordening zorgde voor een lichte stijging van de uitvoer, omdat er meer afvalstoffen gemeld moesten worden. De daaropvolgende stijging is toe te schrijven aan het feit dat het principe van zelfvoorziening werd losgelaten voor nuttige toepassing van afvalstoffen binnen de EU. Het uitvoerverbod naar niet-OESO landen van afvalstoffen voor bepaalde in bijlage V bij de Verordening aangewezen afvalstoffen lijkt te worden nageleefd. In 2001 werden geen meldingen gedaan van niet-toegestane uitvoer naar dergelijke landen. In 2001 is 512,2 kiloton ingevoerd. Hiervan kan 239,2 kiloton als gevaarlijk worden gekwalificeerd. Het overige deel was niet-gevaarlijk. Het grootste deel van de afvalstoffen was afkomstig uit België (263,7 kiloton oftewel 51,5%). De ingevoerde hoeveelheid gevaarlijke afvalstoffen bleef in de periode 1996-1998 ongeveer gelijk, nam in 1999 en 2000 enigszins af om vervolgens in 2001 weer sterk toe te nemen. Dit is met name het gevolg van een kleine verdrievoudiging van de hoeveelheid ingevoerde verontreinigde grond. Als oorzaak hiervan is de import van 100 kiloton Ierse grond aan te wijzen. Veruit de meeste gevaarlijke afvalstoffen worden ingevoerd voor nuttige toepassing. Ook de invoer van niet-gevaarlijke afvalstoffen geschiedt met name voor nuttige toepassing. Doorvoer van afvalstoffenDe hoeveelheid doorgevoerde afvalstoffen is in de afgelopen tien jaar gemiddeld gestegen. In 1992 werd nog 15,2 kiloton gemeld, in 2001 was dat inmiddels reeds 285,1 kiloton (hoewel dit wel een lichte afname vormt ten opzichte van de 295,5 kiloton in 2000). In 2001 was van de totale hoeveelheid doorgevoerde afvalstoffen 42% afkomstig uit Duitsland en 42% uit België. Duitsland, Frankrijk en België waren de belangrijkste landen van bestemming (respectievelijk 49%, 19% en 17%). Het grootste gedeelte van de doorgevoerde hoeveelheid (87%) was bestemd voor nuttige toepassing. 5.6.10 Verdere ontwikkelingenDe Commissie heeft in juli 1998 een verslag over de toepassing van de Verordening gepubliceerd.[361] In dit verslag werd kritiek geleverd op de wijze waarop de lidstaten uitvoering gaven aan de Verordening. Het belangrijkste probleem leek daarbij te zijn dat slechts een klein aantal lidstaten aan de rapportageverplichting uit de Verordening had voldaan. De meeste lidstaten stuurden de informatie voor het jaar 1996, die benodigd was voor het samenvattende verslag van de Commissie, te laat in. In juni 2003 heeft de Commissie een voorstel tot wijziging van de EVOA ingediend.[362] Het voorstel heeft een aantal doelstellingen: • verwerking van een OESO-besluit[363] uit 2001 in de wetgeving van de Gemeenschap; • oplossing van problemen bij de toepassing, het beheer en de handhaving van de EVOA en verhoging van de juridische duidelijkheid; • wereldwijde harmonisatie op het gebied van grensoverschrijdende transporten van afvalstoffen; • herschikking van de artikelen van de verordening. De rechtsgrondslag van het voorstel is evenals de oorspronkelijke Verordening art. 130s EG-Verdrag. De structuur van de Verordening zal enigszins gewijzigd worden. Tevens wordt voorgesteld om het aantal lijsten terug te brengen naar twee, waarbij de oranje en rode lijst zullen samengaan. Ook wordt voorgesteld om het aantal procedures terug te brengen naar twee. Dit geldt voor zowel de transporten binnen de EU als voor de uitvoer uit en invoer in de EU. Veltkamp, A.M.E. (1998). Overbrengen van afvalstoffen, (Trans)nationale uitvoering en handhaving. Kluwer, Deventer. Jans, J.H., Sevenster, H.G. en H.H.B. Vedder (2000). Europees Milieurecht in Nederland. Boom Juridische uitgevers, Den Haag. VROM, Ministerie van (1999). In-, uit- en doorvoer van afvalstoffen, jaaroverzicht 1998. Publicatiereeks afvalstoffen nr. 1999/50. VROM, Ministerie van (2002). In-, uit- en doorvoer van afvalstoffen, jaaroverzicht 2001. Juni 2001, Den Haag. VROM, Ministerie van (2003). Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012. Den Haag.
|
|
|