2006/7/EG (PbEU L64, 4.3.2006; rectificatie PbEU L111, 25.4.2006) Voorgesteld 24.10.2002 – COM(2002)581. Gewijzigd bij Verordening 596/2009/EG (PbEU L188, 18.7.2009) | Richtlijn betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG |
Rechtsgrondslag | Artikel 175 EG-Verdrag (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Datum van inwerkingtreding | 24 maart 2006 |
Omzetting in nationale regelgeving | 24 maart 2008 |
Jaarverslagen aan de Commissie | Jaarlijks, voor het begin van het badseizoen; voor het eerst vóór de aanvang van het eerste badseizoen na 24 maart 2008. Jaarlijks na het badseizoen voor het einde van het kalenderjaar. |
Intrekking en vervanging van Richtlijn 76/160 | 31 december 2014 |
Indeling kwaliteitsstatus en minimaal ‘aanvaardbare’ status alle zwemwateren | uiterlijk aan het einde van het badseizoen van 2015 |
76/160/EEG (PbEG L31 5.2.76) voorgesteld 3.2.1975 – COM(74)2255 | Richtlijn betreffende de kwaliteit van zwemwater |
Rechtsgrondslag | Artikel 100 en 235 EG-verdrag (thans resp. artt. 115 en 352 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Datum van inwerkingtreding | 10 december 1975 |
Omzetting in nationale regelgeving | 10 december 1977 |
Melden van wateren waar niet aan water- kwaliteitsnormen kan worden voldaan | 10 december 1981 |
Realisering waterkwaliteitsnormen | 10 december 1985 |
Intrekking | 31 december 2014 |
Opmerking: Met ingang van 31 december 2014 wordt Richtlijn 76/160 ingetrokken en definitief vervangen door Richtlijn 2006/7. Dit doet geen afbreuk aan de implementatieverplichtingen van de lidstaten. Verwijzingen naar de voormalige Richtlijn moeten worden gelezen als verwijzingen naar de nieuwe Richtlijn 2006/7 (art. 17).
Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz) | Stb. 1969, 315, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 187 (Wijzigingsbesluit mbt omzetting Richtlijn 2006/7: Stb. 2009, 312) |
Waterwet | Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146 |
Waterbesluit | Stb. 2009, 548, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 330 |
Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Bhvbz) | Stb. 1984, 470, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 604 (Wijzigingsbesluit mbt omzetting Richtlijn 2006/7) |
Regeling hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Rhvbz) | Stcrt. 2009, 19693 |
Zwemwaterkwaliteit in de EU is dertig jaar lang onderworpen geweest aan de voorschriften van de zwemwaterrichtlijn 76/160. Op 15 februari 2006 heeft de Europese wetgever een nieuwe zwemwaterrichtlijn 2006/7 vastgesteld. Hoewel de nieuwe Richtlijn uiterlijk op 24 maart 2008 door de lidstaten moest zijn omgezet, en haar voorganger vanaf dat moment vervangt, wordt bij gebreke daaraan de oude Richtlijn 76/160 pas op uiterlijk 31 december 2014 definitief ingetrokken. Echter, zodra een lidstaat alle nodige wettelijke, bestuursrechtelijke en praktische implementatie maatregelen heeft genomen, is de nieuwe Richtlijn van toepassing en vervangt zij Richtlijn 76/160. Het in werking treden van Richtlijn 2006/7, met ingang van 24 maart 2006, doet dan ook geen afbreuk aan de bestaande implementatieverplichtingen van de lidstaten onder het oude regime. Verwijzingen naar de voormalige Richtlijn moeten voortaan worden gelezen als verwijzingen naar de nieuwe Richtlijn 2006/7 (art. 17).
In de navolgende paragrafen zullen de oude en nieuwe Zwemwaterrichtlijn afzonderlijk besproken worden.
De oude zwemwaterrichtlijn heeft tot doel het beschermen van het milieu en de volksgezondheid door vermindering van de verontreiniging van het zwemwater alsmede de bescherming daarvan tegen verdere kwaliteitsvermindering (considerans). De Richtlijn is van toepassing op al het stromende of stilstaande zoete water of zeewater waarin baden door de bevoegde nationale instanties uitdrukkelijk is toegestaan dan wel niet is verboden en gewoonlijk door een groot aantal baders wordt beoefend (art. 1, lid 2). Deze ruime definitie van zwemwater verschafte de lidstaten een dermate grote beoordelingsvrijheid dat de uniforme implementatie tot nadere inperking noopte middels jurisprudentie, en uiteindelijk ook codificatie.[318] De Richtlijn heeft geen betrekking op zwemwater bestemd voor therapeutisch gebruik en op water van zwembaden (art. 1, lid 1).
De nieuwe zwemwaterrichtlijn heeft tot doel het behouden, beschermen en verbeteren van de milieukwaliteit van zwemwater en bescherming van de gezondheid van de mens (art. 1, lid 2). De Richtlijn is aangenomen ter aanvulling op de de Kaderrichtlijn water (§ ???), en sluit hier dan ook nauw bij aan, voor de specifieke functie van zwemwater. Het toepassingbereik en de definitie van van ‘zwemwater’ zijn bij de nieuwe Richtlijn 2006/7 nader aangescherpt , naar aanleiding van implementatieproblemen en jurisprudentie onder de oude zwemwaterrichtlijn 76/160.[319] De nieuwe Richtlijn is van toepassing op elk oppervlaktewater waar, naar verwachting van de bevoegde autoriteit, een groot aantal mensen zal zwemmen, en waar zwemmen niet permanent verboden is of waarvoor geen permanent negatief zwemadvies bestaat (art. 1, lid 3). Zwemwateren zijn niet simpelweg (van rechtswege) alle wateren die aan de definitie in de Richtlijn voldoen;anders dan voorheen vereist de nieuwe zwemwaterrichtlijn dat de wateren waarop zij van toepassing is expliciet door de lidstaten worden aangewezen, met inbegrip van publieke informatie en participatie (art. 3, lid 1) . Ook de nieuwe Richtlijn sluit alle zwemwater bestemd voor therapeutisch gebruik en water van zwembaden uit van toepassing, alsook kunstmatig gecreëerde, van het oppervlaktewater en het grondwater gescheiden ingesloten wateren (art. 1, lid 3).
De Richtlijn stelde minimumkwaliteitscriteria vast voor zwemwater in de lidstaten (art. 2). In de bijlage van de Richtlijn zijn negentien fysisch-chemische en microbiologische parameters opgenomen. Voor die parameters schrijft de bijlage hetzij grenswaarden (onderdeel I van de bijlage: Imperative-values), hetzij richtwaarden (onderdeel G van de bijlage: Guide-values), dan wel beide voor.[320] De lidstaten dienen op grond van art. 3 van de Richtlijn zwemwaterkwaliteitsnormen in het nationale recht vast te leggen met daarin waarden die tenminste even streng zijn als de in onderdeel I genoemde grenswaarden. De waarden van onderdeel G moeten bij die vastlegging zoveel mogelijk worden geëerbiedigd. Het staat de lidstaten vrij strengere grens- en richtwaarden voor te schrijven dan die van de Richtlijn (art. 7, lid 2). De door de lidstaten op te stellen zwemwaterkwaliteitsnormen kunnen overigens betrekking hebben op alle badzones - plaatsen waar zich zwemwater bevindt - in die lidstaat, dan wel op een afzonderlijke badzone. Op die manier kan rekening worden gehouden met de aard en de feitelijke zwemwaterkwaliteit van de verschillende badzones.
Art. 4 van de Richtlijn verplichtte de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om de zwemwaterkwaliteit in de badzones op het eigen grondgebied in overeenstemming te brengen met de daarvoor geldende grens- en richtwaarden voor 10 december 1985. In ‘afzonderlijke gevallen’ kon een afwijking van die termijn worden toegestaan. Voor het realiseren van de vereiste zwemwaterkwaliteit in bepaalde badzones konden de lidstaten namelijk een langere termijn hanteren, mits een plan voor waterbeheer voor die zone werd opgesteld en de Commissie daarvan voor 10 december 1981 op de hoogte werd gesteld (art. 4, lid 3). Ten aanzien van in de directe omgeving van landsgrenzen gelegen badzones, is overleg omtrent de realisering van de zwemwaterkwaliteitsnormen door de betrokken lidstaten vereist (art. 4, lid 4).
De zwemwaterkwaliteit wordt geacht aan de op grond van de Richtlijn op te stellen waterkwaliteitsnormen te voldoen indien 95% van de monsters overeenstemt met de in de bijlage opgenomen grenswaarden, zulks onder de voorwaarden genoemd in art. 5, lid 1 van de Richtlijn. Voorschriften ten aanzien van de frequentie en methode van monitoring zijn opgenomen in art. 6. De kwaliteit van het zwemwater moet worden gemeten tenminste met de frequentie aangegeven in de bijlage. Voor de meeste parameters is die frequentie eens in de twee weken gedurende het badseizoen. Verder geeft de Richtlijn aan hoe en waar monsters van het zwemwater moeten worden genomen, maar schrijft niet voor op welke manier die monsters vervolgens moeten worden geanalyseerd. Voor een aantal parameters, zoals salmonella en streptokokken, hoeft monitoring van de zwemwaterkwaliteit alleen plaats te vinden indien er gegronde redenen zijn om te vermoeden dat de desbetreffende stoffen of organismen in het zwemwater aanwezig zijn.
In art. 7, lid 1 van de Richtlijn komt het zogenaamde stand-stillbeginsel tot uitdrukking: toepassing van de krachtens de Richtlijn genomen maatregelen mag er in geen geval toe leiden dat rechtstreeks of indirect achteruitgang van de feitelijke zwemwaterkwaliteit mogelijk wordt gemaakt. Bedoeld artikel beoogt te bewerkstellen dat geen verslechteringen van de feitelijke zwemwaterkwaliteit optreden, zelfs niet indien die feitelijke kwaliteit beter is dan in de bijlage van de Richtlijn wordt voorgeschreven.
Een rapportageverplichting voor de lidstaten is opgenomen in art. 13 (zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/692[321]). Jaarlijks moeten de lidstaten een verslag over de uitvoering van de Richtlijn indienen bij de Commissie. De Commissie publiceert eveneens jaarlijks een verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn in de EU.
De artt. 9 tot en met 11 regelen de instelling van een comité belast met het aanpassen van de in de Richtlijn opgenomen grens- en richtwaarden aan de vooruitgang van de wetenschap en de techniek. De comitologie-bepalingen zijn sinds de vaststelling van de oorspronkelijke richtlijn tweemaal gewijzigd, laatstelijk bij Verordening 1137/2008.[322]
Een hardheidsclausule is tenslotte opgenomen in art. 8 van de Richtlijn. Omdat de lidstaten op bepaalde natuurlijke omstandigheden die de zwemwaterkwaliteit beïnvloeden, geen invloed kunnen uitoefenen, mag onder omstandigheden van het bepaalde in de Richtlijn worden afgeweken. In de eerste plaats kan worden afgeweken van bepaalde, met zoveel woorden in de bijlage aangeduide, parameters vanwege ‘uitzonderlijke meteorologische of geografische omstandigheden’. In de tweede plaats hoeft niet aan de in de bijlage genoemde waarden te worden voldaan indien het desbetreffende zwemwater een natuurlijke verrijking met bepaalde stoffen ondergaat.[323] Die afwijkingen mogen evenwel niet plaatsvinden ten opzichte van dwingende eisen van volksgezondheid en moeten direct aan de Commissie worden gemeld, onder vermelding van de redenen voor afwijking en de aan die afwijking gestelde termijn.
Zoals gezegd is inmiddels bij Richtlijn 2006/7 een herzien EU zwemwaterregime vastgesteld. Hoewel de nieuwe Richtlijn uiterlijk op 24 maart 2008 door de lidstaten moest zijn omgezet, en haar voorganger vanaf dat moment vervangt, wordt bij gebreke daaraan de oude Richtlijn 76/160 pas op uiterlijk 31 december 2014 definitief ingetrokken. Echter, zodra een lidstaat alle nodige wettelijke, bestuursrechtelijke en praktische implementatiemaatregelen heeft genomen, is de nieuwe Richtlijn van toepassing en vervangt zij Richtlijn 76/160. Het inwerkingtreden van Richtlijn 2006/7, met ingang van 24 maart 2006, doet dan ook geen afbreuk aan de bestaande implementatieverplichtingen van de lidstaten onder het oude regime. Verwijzingen naar de voormalige Richtlijn moeten voortaan worden gelezen als verwijzingen naar de nieuwe Richtlijn 2006/7 (art. 17).
Krachtens de nieuwe Zwemwaterrichtlijn dienen de lidstaten, met ingang van het badseizoen van 2008, elk jaar alle zwemwateren aan te wijzen en hiervoor de duur van het badseizoen te bepalen (art. 3). Voor ieder van deze zwemwateren moeten lidstaten voorafgaande aan, gedurende, en na afloop van het badseizoen de waterkwaliteit controleren. De richtlijn stelt minimumkwaliteitscriteria vast waaraan al het zwemwater in de EU moet voldoen, aan de hand van microbiologische parameters die zijn opgenomen in Bijlage I. Waar de oude Richtlijn 76/160 nog 19 van zulke parameters voor analyse voorschreef, is dit in de nieuwe Richtlijn 2006/7 teruggebracht tot 2: intestinale enterokokken en Escherichia coli. Wel moeten onder bepaalde omstandigheden ook andere parameters in aanmerking genomen worden, zoals de aanwezigheid van cyanobacteriën of microalgen (art. 9 en Bijlage III). De oude verplichting om alle 19 parameters te controleren vervalt zodra een lidstaat het nieuwe controle-regime krachtens Richtlijn 2006/7 invoert.
Richtlijn 2006/7 voert een nieuw systeem in van indeling van zwemwateren naar waterkwaliteit, op grond van de beoordeling en controle van bovengenoemde twee parameters in Bijlage I (art. 4), en aan de hand van de criteria in Bijlage II. De vier categorieën van zwemwaterkwaliteitsstatus zijn ‘uitstekend’, ‘goed’, ‘aanvaardbaar’, en ‘slecht’ (art. 5 en Bijlage II). De indeling is gebaseerd op de beoordeling van zwemwaterkwaliteitsgegevens van het afgelopen badseizoen en de drie voorgaande badseizoenen (art. 4, lid 2), in plaats van een beoordeling van een meetreeks van één jaar, zoals onder de oude richtlijn gold. Aan de hand van een voorafgaand aan het badseizoen vastgesteld tijdschema voor controle worden per seizoen in ieder zwemwater minstens vier monsters genomen, behalve wanneer het badseizoen zeer kort is of indien er sprake is van bijzondere geografische beperkingen (art. 3 en Bijlage IV). Naast deze kwaliteitsbeoordeling moeten ook ‘profielen’ van ieder zwemwater opgesteld worden, met een beschrijving van het betrokken gebied, de eventuele bronnen van verontreiniging en de ligging van de controlepunten(art. 6 en Bijlage III). Hierbij wordt ook gebruik gemaakt van gegevens verzameld in de context van de kaderrichtlijn water (art. 6, lid 3). De zwemwaterprofielen worden uiterlijk op 24 maart 2011 voor het eerst opgesteld (art. 6, lid 1).
De eerste indeling naar kwaliteitsstatus moeten de lidstaten uiterlijk aan het einde van het badseizoen van 2015 voltooid hebben (art. 5, lid 2). Bovendien moeten op dat moment ook alle zwemwateren ten minste de kwaliteitsstatus ‘aanvaardbaar’ hebben, en moeten de lidstaten ‘realistische en evenredige’ maatregelen getroffen hebben om het aantal als ‘goed’ en ‘uitstekend’ ingedeelde zwemwateren te doen toenemen (art. 5, lid 3).
Zwemwateren kunnen tijdelijk als ‘slecht’ worden ingedeeld en toch nog aan de voorwaarden van de Richtlijn voldoen (art. 5, lid 4, onder a). Voorwaarde is dat in het volgende badseizoen passende beheersmaatregelen worden genomen, waaronder een zwemverbod of een negatief zwemadvies, om blootstelling van zwemmers aan verontreiniging te voorkomen; de oorzaken en redenen van het niet-bereiken van de ‘aanvaardbare’ kwaliteitsstatus worden geïdentificeerd; er passende maatregelen worden genomen om de oorzaken van verontreiniging te voorkomen, te verkleinen of weg te nemen; en het publiek door middel van een duidelijk en eenvoudig teken gewaarschuwd en voorgelicht wordt over de oorzaken van de verontreiniging en de op basis van het zwemwaterprofiel genomen maatregelen. Echter, voor zwemwateren die vijf opeenvolgende jaren als ‘slecht’ ingedeeld worden (of waarvoor het behalen van ‘aanvaardbare’ kwaliteit onhaalbaar of onevenredig duur is), moet een permanent zwemverbod worden ingesteld of een permanent negatief zwemadvies uitgebracht (art. 5, lid 4, onder b). Een lidstaat kan evenwel voor het einde van de periode van vijf jaar een permanent negatief zwemadvies of zwemverbod uitbrengen indien het bevoegde orgaan van oordeel is dat het verwezenlijken van de gewenste kwaliteit onhaalbaar of onevenredig duur is.
Ingeval van uitzonderlijke omstandigheden, zoals onverwachte situaties die een negatief effect hebben of redelijkerwijs kunnen hebben op de zwemwaterkwaliteit en op de gezondheid van de zwemmers, dienen lidstaten passende beheersmaatregelen te nemen, waaronder voorlichting van het publiek en, zo nodig, een tijdelijk zwemverbod (art. 7). In het bijzonder worden zulke (onmiddellijke) beheersmaatregelen voorgeschreven ingeval van (mogelijke) proliferatie van cyanobacteriën, oftewel blauwalg (art. 8). Ook wordt specifiek controle voorgeschreven voor macroalgen en/of marien fytoplankton, teerachtige residuen, glas, plastic, rubber of ander afval (art. 9).
Voortbouwend op de structuur van de kaderrichtlijn water, schrijft Richtlijn 2006/7 voor dat lidstaten in grensoverschrijdende (zwem)wateren en stroomgebieden samen dienen te werken, onder meer door passende informatie-uitwisseling en gezamenlijk uitgevoerde beheersmaatregelen (art. 10).
De bepalingen omtrent actieve voorlichting en inspraak door het publiek maken een belangrijk onderdeel uit van de wijzigingen van Richtlijn 2006/7 ten opzichte van de oude zwemwaterrichtlijn. In de besluitvorming in het kader van de Richtlijn dient inspraak door het publiek aangemoedigd en gefaciliteerd te worden (art. 11). Met name de publieke informatie en voorlichtingsbepalingen zijn uitgebreid. Bovenstaande informatie met betrekking tot de indeling, de beschrijving en de eventuele verontreiniging van de zwemwateren dient op een gemakkelijk toegankelijke plaats, in de directe nabijheid van de betrokken zones, actief en onmiddellijk voor het publiek beschikbaar te worden gesteld, bijvoorbeeld door duidelijke tekens en symbolen, en/of gebruikmakend van passende media en technologieën zoals het Internet. Met name een zwemverbod of een negatief zwemadvies moet snel en gemakkelijk kunnen worden opgemerkt (art. 12). Inmiddels worden voor al dit soort bekendmakingen EU-gestandaardiseerde borden ontwikkeld.
De lidstaten verstrekken aan de Commissie voor elk zwemwater bij de controles verkregen resultaten, tezamen met de zwemwaterkwaliteitsbeoordeling en een beschrijving van de belangrijkste beheersmaatregelen die werden genomen; uiterlijk op 31 december van elk jaar met betrekking tot het voorafgaande badseizoen (art. 13). Vervolgens stellen zij voor het aanstaande badseizoen de Commissie op de hoogte van eventuele wijzigingen ten opzichte van de voorafgaande jaarrapportage. Op basis hiervan publiceert de Commissie jaarlijks, uiterlijk op 30 april en mede via internet, een samenvattend rapport over de zwemwaterkwaliteit in de EU (art. 13, lid 4).
De Richtlijn voorziet in een herbeoordeling van de Richtlijn in 2020 (art. 14, lid 3). Naast de uitvoeringservaringen en effectbeoordeling van de Richtlijn zal daarbij rekening gehouden worden met een wetenschappelijke evaluatie die voorzien is voor de periode 2008-2014, inzake kwaliteitsbeoordeling van zwemwater mede op basis van epidemiologisch en virologisch onderzoek (art. 14, lid 1 en 2). In de tussentijd zal de Richtlijn periodiek aangepast worden aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang (art. 15).
Krachtens art. 16 wordt de Commissie in de uitvoering van de Richtlijn (en de technische aanpassingen daarvan) bijgestaan door een comité. Deze comitologie-bepalingen zijn met ingang van augustus 2009 aangepast aan de nieuwe regelgevingsprocedure met toetsing, krachtens Verordening 596/2009/EG.[324]
Zoals gezegd voorziet de nieuwe zwemwaterrichtlijn in een overgangsregeling met het oog op de bestaande voorschriften van de oude Richtlijn uit 1976 (art. 17). Hoewel de nieuwe Richtlijn 2006/7 uiterlijk op 24 maart 2008 door de lidstaten moest zijn omgezet (art. 18, lid 1), en haar voorganger vanaf dat moment vervangt, wordt de oude Richtlijn 76/160 formeel pas op uiterlijk 31 december 2014 definitief ingetrokken. Het inwerkingtreden van Richtlijn 2006/7, met ingang van 24 maart 2006, doet dan ook geen afbreuk aan de bestaande implementatieverplichtingen van de lidstaten onder het oude regime. Echter, zodra een lidstaat alle nodige wettelijke, bestuursrechtelijke en praktische implementatie maatregelen heeft genomen, is de nieuwe Richtlijn van toepassing en vervangt zij Richtlijn 76/160. Verwijzingen naar de voormalige Richtlijn moeten voortaan worden gelezen als verwijzingen naar de nieuwe Richtlijn 2006/7 (art. 17, lid 3).
De bescherming van het zwemwater is een van de eerste en meest succesvolle onderdelen van het Europese waterbeleid geweest. Weliswaar gaf, zoals hierboven reeds kort werd opgemerkt, de oorspronkelijke Zwemwaterrichtlijn uit 1976 aanvankelijk aanleiding tot de nodige implementatieproblemen, met name vanwege de defintie van het kernbegrip ‘zwemwater’ (§???).[325] Toch heeft de EU regelgeving een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit van het zwemwater in de lidstaten tot gevolg gehad. Maar deze verbeteringen leken medio jaren 1990 te stagneren. Om technologische, wetenschappelijke en beheers-redenen kwam de Richtlijn steeds vaker onder vuur te liggen, bijvoorbeeld omdat enkele parameters achterhaald of zelfs niet meer relevant werden, de onderlinge vergelijkbaarheid van resultaten gecompliceerd werd door uiteenlopende analysemethoden, en omdat de controle van de wateren uitsluitend plaatsvond om de naleving van de eisen te controleren en niet om een beter begrip van de zwemwateren te krijgen.
Mede naar aanleiding van deze problemen, en om de kwaliteitsverbeteringen een nieuwe impuls te geven op basis van de voortschrijdende wetenschappelijk inzichten en technische mogelijkheden, deed de Commissie reeds in 1994 een voorstel tot herziening van de Richtlijn.[326] Met name de bijlagen met parameters zouden aangepast en geactualiseerd worden. Dat eerste herzieningsvoorstel is in eerste lezing door het Europees Parlement behandeld (en van vele amendementen voorzien), maar is nooit door de Raad besproken. Ook een gewijzigd Commissievoorstel uit 1997[327] werd door de Raad en het Europees Parlement om wetenschappelijke en technische alsmede politieke redenen verworpen; met name bestond een brede voorkeur voor een geheel nieuwe Richtlijn, op basis van nieuwe wetenschappelijke gegevens en raadpleging in brede kring. Echter, de discussies over deze herzieningsvoorstellen gaven in de navolgende periode wel een impuls aan nieuwe onderzoeken en ontwikkelingen over de kwaliteitszorg en beheersaanpak voor zwemwater, op basis waarvan de Commissie uiteindelijk besloot de herzieningsprocedure te sluiten en een nieuwe herziening op te starten in de context van de nieuwe Kaderrichtlijn water (KRW, § ???), en gekoppeld aan het integrale beheerskader van de KRW.
Het startsein van deze nieuwe herzieningsprocedure van het EU zwemwaterbeleid werd gegeven in een Mededeling van de Commissie van 21 december 2000, direct volgend op de vaststelling van de Kaderrichtlijn water.[328] In deze mededeling analyseerde de Commissie de sterke en zwakke punten van het toezicht op de kwaliteit van het zwemwater onder de Richtlijn 76/160, en werden verschillende verbeteringen geopperd voor een nieuw juridisch regime, mede met het oog op de relevante technische en wetenschappelijke vooruitgang. Hierbij noemde de Commissie in het bijzonder de volgende uitgangspunten: kwaliteitsnormen zijn onmisbare elementen en moeten ambitieus en juridisch bindend zijn; er moet verder worden gegaan dan het loutere toezicht op de waterkwaliteit en er moet gekeken worden naar de bronnen van verontreiniging; en het is essentieel te beschikken over uiterst actuele en betrouwbare informatie over de waterkwaliteit. Als belangrijke problemen en tekortkomingen van het geldende regime noemde de Commissie in haar mededeling met name: de duidelijke afbakening van de badzones, de maatregelen die bij niet-naleving van de kwaliteitscriteria moeten worden genomen, de uitwerking van zwemwaterprofielen, de studie van de resultaten van 3 tot 5 jaar onderzoek voor elke badzone, het gebruik van sanitaire parameters om criteria voor de waterkwaliteit vast te stellen, de harmonisatie van de analysemethoden, de verplichting om binnen een bepaalde termijn op te treden in gevallen van slechte of verslechterende waterkwaliteit, methoden voor de voorspelling van de waterkwaliteit, het gebruik van het internet als informatiemiddel over de waterkwaliteit, de deelname van het publiek aan de uitwerking van de vereiste actieprogramma's, en de oprichting van een beheerscomité. In algemeenheid werd gewezen op de noodzaak de bureaucratische lasten die de oude Zwemwaterrichtlijn met zich bracht te verminderen, en de voorlichting van en participatie door het publiek te verbeteren.
Op basis van deze analyse van tekortkomingen en behoeften publiceerde de Commissie vervolgens in oktober 2002 opnieuw een voorstel voor een nieuwe Zwemwaterrichtlijn. Cruciale drijfveren daarvoor waren de aansluiting bij en de behoefte aan coherentie met het zesde EU Milieuactieprogramma, de strategie voor duurzame ontwikkeling, en de Kaderrichtlijn water. Hoofdpunten in de nieuwe Richtlijn zouden zijn de drastische beperking van de te controleren parameters en actualisering van hun waarden; verbeterde voorlichting aan het publiek alsmede classificatie van kwaliteitsniveaus van zwemwateren; verbeterde bemonstering en monitoring van zwemwaterkwaliteit; een grotere mate van decentrale verantwoordelijkheidsverdeling; en een uitbreiding van de categorie zwemwatergebruikers boven alleen ‘zwemmers’ (met het oog op overige waterrecreanten, zoals kanoërs en surfers). Tegen deze laatste uitbreiding bestond echter in de Raad de nodige weerstand, waardoor de beperkte definitie gehandhaafd bleef.
Eén van de belangrijkste wijzigingen die in tweede lezing door het Europees Parlement en de Raad werd aangebracht was de aanvullende waterkwaliteitsclassificatie van ‘aanvaardbaar’. Het oorspronkelijke Commissievoorstel kende een indeling naar slechts drie categorieën: ‘slecht’, ‘goed’ en ‘uitstekend’. Hoewel het Parlement de toevoeging van ‘aanvaardbare’ status door de Raad in beginsel ondersteunde, stond het EP aanzienlijk stringentere standaarden voor deze classificatie voor dan de Raad. Een werkbaar compromis kon uiteindelijk in conciliatie bereikt worden. Daarnaast werd de door de Commissie voorgestelde voldoeningstermijn van 5 jaar danig opgerekt naar uiterlijk 2015, mede ter aansluiting op de termijnen van de Kaderrichtlijn water. Zo kwam men uiteindelijk tot de doelstelling dat tegen 2015 alle Europese zwemwateren een minimum van ‘aanvaardbare’ waterkwaliteit moeten hebben. Bij de geplande herziening van de Richtlijn, in 2020, zal geëvalueerd worden of de classificatie ‘aanvaardbaar’ nader aangescherpt of zelfs uitgefaseerd kan worden.
De onderhandelingen over de nieuwe Zwemwaterrichtlijn, op basis van het nieuwe Commissievoorstel uit 2002, waren opnieuw langgerekt en tamelijk moeizaam. Obstakels waren met name de mate van striktheid van de richtwaarden en verplichtingen, en de proportionaliteit van de te behalen doelen ten opzichte van de daaraan verbonden kosten. Toch kon uiteindelijk op 15 februari 2006, precies 30 jaar en 10 dagen na de vaststelling van de oorspronkelijke Richtlijn 76/160, de nieuwe Zwemwaterrichtlijn 2006/7 worden aangenomen.
Voorheen werd de eerdere Richtlijn 76/160 in Nederland met name omgezet in het op de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz) gebaseerde Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Bhvbz), en in het op de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) en de en de Wetmilieubeheer (Wm) gebaseerde Besluit kwaliteitseisen en monitoring water (Bkmw).[329] De uitvoeringspraktijk was aanvankelijk niet adequaat, resulterend in een veroordeling door het EU Hof van Justitie, op 19 maart 2002. [330] Er was onvoldoende voldaan aan de resultaatsverplichtingen inzake de zwemwaterkwaliteit en bemonsteringsfrequentie op bepaalde locaties (schendingen van, respectievelijk, art. 4, lid 1 en art. 6, lid 1 van Richtlijn 76/160). Nederland heeft deze schendingen zonder meer toegegeven, en verbeterde de bemonstering en de kwaliteit van het zwemwater middels een stappenplan een wetswijziging, waardoor sinds 2005 aan de verplichtingen voldaan werd.[331]
Ook de implementatie de nieuwe Zwemwaterrichtlijn 2006/7 heeft in Nederland plaatsgevonden middels de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Whvbz), en het daarop gebaseerde Besluit hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Bhvbz). Omzetting vond verder plaats middels de Waterwet,[332] en het daarop gebaseerde Waterbesluit.[333]
De zwemwaterkwaliteitseisen en monitoringsverplichtingen uit het Bkmw zijn komen te vervallen op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe implementerende wet- en regelgeving, en zijn deze bepalingen opgenomen in het gewijzigde Bhvbz. Met de inwerkingtreding met ingang van 17 maart 2009 overschreed Nederland met één jaar de omzettingstermijn van 24 maart 2008 voor de nieuwe Zwemwaterrichtlijn 2006/7.
De Whvbz implementeert met name de Richtlijnbepalingen ten aanzien van het zwemmen zelf, zoals de aanwijzing van zwemwaterlocaties en de bepaling van het badseizoen. In het kader van de Whvbz stellen gedeputeerde staten jaarlijks een inventarisatie op van de plaatsen waar naar hun oordeel door een groot aantal personen wordt gezwommen (art. 10b), op basis waarvan de Minister van IenM, respectievelijk provinciale staten, de functie van zwemwater vastlegt, , wanneer deze nog niet is vastgelegd voor de bedoelde locatie (art. 9c). Deze waterfunctievastlegging, alsmede de lange-termijnmaatregelen die nodig zijn om de kwaliteitsnorm te realiseren, worden opgenomen in de waterplannen die op grond van hoofdstuk 4 (artt. 4.1, 4.4 en 4.6) van de Waterwet worden opgesteld en die het integrale waterkwaliteitsbeheer in Nederland waarborgen.
Het Bhvbz implementeert de EU zwemwaterkwaliteitseisen en monitoringsverplichtingen. Het besluit regelt onder meer de indeling van aangewezen locaties in kwaliteitsklassen (slecht, aanvaardbaar, goed en uitstekend) in overeenstemming met Bijlage II van Richtlijn 2006/7, alsook het door waterbeheerders vaststellen van zwemwaterprofielen in overeenstemming met Bijlage III van de Richtlijn. Krachtens het besluit, in overeenstemming met de Richtlijn, is het realiseren van de kwaliteit in de klasse aanvaardbaar een resultaatsverplichting, en geldt daarnaast een inspanningsverplichting om de klasse goed en uitstekend op termijn op zoveel mogelijk locaties te realiseren.
De Whvbz en het Bhvbz bevatten daarnaast delegatiebepalingen voor het implementeren van verplichtingen uit de zwemwaterrichtlijn, welke zijn uitgewerkt in de Regeling hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden (Rhvbz). In deze regeling worden onder meer regels gesteld betreffende de frequentie van het onderzoek en de beoordeling van de waterkwaliteit (artt. 3-5), en de voorlichting van het publiek (art. 6). Daarnaast wordt de duur van het badseizoen vastgesteld van 1 mei tot 30 september (art. 2), en worden tijdstippen geregeld waarop de waterbeheerder en gedeputeerde staten gegevens moeten verstrekken aan de Minister van Infrastructuur en Milieu ten behoeve van de rapportage aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen over de aangewezen zwemwaterlocaties (artt. 7-8).
De nieuwe Zwemwaterrichtlijn benadrukt meer dan haar voorganger de decentrale verantwoordelijkheden voor waterkwaliteitsbeheer. Bij de implementatie in Nederland is er dan ook voor gekozen om de verplichtingen grotendeels bij de waterbeheerder en gedeputeerde staten neer te leggen. Hiermee wordt aangesloten bij de al bestaande bevoegdheidsverdeling in Nederland. Ter ondersteuning van de monitoring van parameters uit de zwemwaterrichtlijn door waterbeheerders is in samenwerking met waterbeheerders het protocol ‘Controle zwemwaterlocaties conform de Europese zwemwaterrichtlijn 2006/7/EG’ ontwikkeld, waarin de relevante voorschriften als handleiding uiteengezet zijn.
Met het oog op de overgangsfase van het oude naar het nieuwe EU zwemwaterregime heeft Nederland ervoor gekozen, krachtens het Bhvbz, om de monitoring van de nieuwe parameters en de artt. 7, 8 en 9 Richtlijn 2006/7 met ingang van het badseizoen 2012 te gaan uitvoeren. Krachtens art. 3 van de Richtlijn kan vanaf dat moment gestaakt worden met de monitoring van de uitgebreidere lijst parameters van de oude Zwemwaterrichtlijn. In voorbereiding hierop zal vanaf 2010 begonnen worden met de monitoring van de nieuwe parameters.
Een belangrijk instrument bij het realiseren van de kwaliteitsnormen voor zwemwater is de vergunning die is vereist voor het (direct) lozen van verontreinigende stoffen op oppervlaktewater. De waterbeheerder is voor de kwaliteit van oppervlaktewateren verantwoordelijk. In beginsel wordt er geen vergunning afgegeven indien een lozing negatief effect kan hebben op de kwaliteit van het zwemwater, tenzij dit zeer goed gemotiveerd is. Dit werd voorheen geregeld in de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), maar is nu opgenomen in de Waterwet (art. 6.2).
In Nederland zijn ruim 640 locaties in oppervlaktewater aangewezen als zwemwater, waarvan zo’n 90 kustlocaties. De kwaliteit van de Nederlandse zwemwateren is in de jaren ’90 aanzienlijk verbeterd en sindsdien min of meer stabiel gebleven. Sinds 1999 voldoet meer dan 90% van de aangewezen zwemwaterlocaties (zowel kust- als binnenwateren) aan de grenswaarden (in sommige jaren zelfs 100% van de kustwaterlocaties). Aan de richtwaarden wordt door meer dan 70% (kustwateren) resp. 50% (binnenwateren) van de locaties voldaan ( EEA, 2010). Zwemverboden op grond van een slechte waterkwaliteit komen nog maar weinig voor: sinds 1999 jaarlijks op minder dan 1% van de locaties en in 2008 en 2009 op geen enkele locatie.
De zwemwaterprofielen die voor de verschillende Nederlandse locaties zijn opgesteld zijn te vinden op de website van de Helpdesk Water.
EEA (2010), Bathing water results 2009 – The Netherlands. http://ec.europa.eu/environment/water/water-bathing/report2010/Netherlands.pdf.
Rijswick, H.F.M.W. van (red.) (2008). EG-recht en de praktijk van het waterbeheer. 2e herziene druk. STOWA, Utrecht.
[318] Rijswick, van (2008), pp. 161-162.
[319] Rijswick, van (2008), pp. 161-162.
[320]
[321] Richtlijn 91/692 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde Richtlijnen op milieugebied, PbEG L377, 31.12.1991.
[322] PbEU L311, 21.11.2008.
[323] Met natuurlijke verrijking wordt gedoeld op het proces waardoor een bepaalde hoeveelheid water zonder ingrijpen van de mens bepaalde stoffen die in de bodem voorkomen, opneemt.
[324] PbEU L188, 18.7.2009.
[325] Rijswick, van (2008), pp. 161-162.
[326] COM(94)36 def.
[327] COM(97)585 def.
[328] COM(2000)860 def.
[329] Stb. 1983, 606; laatstelijk gewijzigd en deels ingetrokken bij Stb. 2010, 15.
[330] Zaak C-268/00, Commissie/Nederland, JurEG 2002, I-2995, M&R 2002, nr. 93, m.nt. Van Rijswick.
[331] Rijswick, van (2008), p. 168.
[332] Stb. 2009, 107.
[333] Stb. 2009, 548, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 144.