2006/44/EG (PbEU L 264, 25.9.2006) voorgesteld 19.1.2004, COM(2004)19 | Richtlijn betreffende de kwaliteit van zoet water dat bescherming of verbetering behoeft teneinde geschikt te zijn voor het leven van vissen (Gecodificeerde versie, ter vervanging van Richtlijn 78/659) |
Rechtsgrondslag | Artikel 175 EG-Verdrag (thans 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Datum van inwerkingtreding | 20 juli 1978 (Richtlijn 78/659) 15 oktober 2006 (Richtlijn 2006/44) De bindende termijnen van de Richtlijn 78/659 (zoals gewijzigd) blijven onverminderd gelden (art. 17 en Bijlage III(B)). |
Datum van intrekking door Kaderrichtlijn Water 2000/60 | 22 december 2013 |
Omzetting in nationale regelgeving | 20 juli 1980 |
Aanwijzen van wateren waarop de Richtlijn betrekking heeft | 20 juli 1980 |
Realisering waterkwaliteitsnormen | 20 juli 1985 |
Verslag aan de Commissie mbt tenuitvoerlegging Richtlijn | Elke drie jaar, uiterlijk 9 maanden na afloop van de drie-jaarlijkse periode; voor het eerst voor de periode 1993-1995 |
Opmerking: Met het inwerkingtreden van Richtlijn 2006/44, op 15 oktober 2010, is haar voorganger Richtlijn 78/659 (zoals meermaals gewijzigd) ingetrokken. De omzettingstermijn en overige bindende termijnen van de eerdere Richtlijn (zoals gewijzigd) blijven echter onverminderd gelden (art. 17 en Bijlage III(B)). Verwijzingen naar Richtlijn 78/659 (zoals gewijzigd) gelden voortaan als verwijzingen naar Richtlijn 2006/44; hiertoe is in Bijlage IV van laatstgenoemde Richtlijn een concordantietabel opgenomen.
Besluit kwaliteitsdoelstellingen en monitoring water (Bkmw) | Stb. 1983, 606; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 15 (omzetting Richtlijn 2006/44 bij Stb. 2007, 266) |
Waterwet | Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146 |
Doel van de Richtlijn is het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van stromend of stilstaand zoet water waarin vissen leven of, indien de verontreiniging zou worden verminderd of weggenomen, zouden kunnen leven (art. 1, lid 3). De Richtlijn heeft betrekking op door de lidstaten aan te wijzen zoet water dat bescherming of verbetering behoeft om geschikt te zijn voor het leven van vissen (art. 1, lid 1). Daarbij maakt de Richtlijn onderscheid tussen water voor zalmachtigen (waarin vissoorten als zalm en forel leven) en water voor karperachtigen (voor vissoorten als karper, snoek, baars en paling) (art. 1, lid 4). De Richtlijn is overigens niet van toepassing op water in natuurlijke of kunstmatige bekkens dat wordt gebruikt voor intensieve visteelt (art 1, lid 2).
Volledigheidshalve zij erop gewezen dat de Richtlijn bovengenoemd doel beoogt te bereiken door het voorschrijven van normen waaraan de kwaliteit van de aangewezen wateren moet voldoen (waterkwaliteitsnormen); een aparte Richtlijn 2004/41[334] bevat gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van (onder meer) visserijproducten.
De oorspronkelijke Viswaterrichtlijn 78/659 was in dertig jaar tijd meermalen ingrijpend gewijzigd. Het is vast beleid van de Commissie,[335] in samenspraak met de overige EU-instellingen,[336] om instrumenten die meermaals opeenvolgend gewijzigd zijn (na maximaal tien aanpassingen) te codificeren en consolideren, teneinde het EU-recht duidelijk en doorzichtig te houden. Richtlijn 2006/44 betreft dan ook slechts een zogenaamde herschikking, d.w.z. een codificatie van de eerdere wijzigingen, zonder dat nieuwe inhoudelijke wijzigingen worden toegevoegd.
De Richtlijn geeft kwaliteitsdoelstellingen voor aangewezen viswateren. Op grond van art. 4 van de Richtlijn moesten de lidstaten hiertoe (met ingang van 20 juli 1980) in hun grondgebied gelegen zoetwateren voor zalmachtigen en karperachtigenaanwijzen, en kunnen zij deze aanwijzingen ingeval van onvoorzien gewijzigde factoren herzien (art. 4, lid 1), zolang de aanwijzingen in geen geval leiden tot toename van al dan niet directe van verontreiniging van zoet water (art. 4, lid 2 jo. art. 8). Indien een lidstaat overigens overweegt zoet water voor zalm- of karperachtigen aan te wijzen en dat water gelegen is in de onmiddellijke omgeving van de grens met een andere lidstaat, dan voeren die lidstaten daarover overleg met elkaar (art. 10). Vervolgens moeten de lidstaten programma’s opstellen om de waterkwaliteit in de aangewezen wateren te verbeteren teneinde binnen vijf jaar na aanwijzing aan de op grond van die Richtlijn op te stellen waterkwaliteitsnormen te voldoen (art. 5). Bijlage I van de Richtlijn bevat waterkwaliteitsnormen voor veertien fysisch-chemische parameters (art. 2). Voor die parameters schrijft bijlage I hetzij grenswaarden (onderdeel I van bijlage I: Imperative-values), hetzij richtwaarden (onderdeel G van bijlage I: Guide-values), dan wel beide voor.[337] De lidstaten dienen op grond van art. 3 van de Richtlijn in hun nationale recht waterkwaliteitsnormen vast te leggen met daarin waarden die tenminste even streng zijn als de in onderdeel I genoemde grenswaarden. De lidstaten moeten daarbij de waarden van onderdeel G zoveel mogelijk eerbiedigen.
Het staat de lidstaten overigens vrij strengere grens- en richtwaarden in hun nationale recht voor te schrijven alsook waterkwaliteitsnormen voor te schrijven voor andere parameters dan die van de Richtlijn (art. 9). Van belang is hierbij dat in art. 8 van de Richtlijn het zogenaamde stand-stillbeginsel tot uitdrukking komt: toepassing van de krachtens de Richtlijn genomen maatregelen mag er in geen geval toe leiden dat de verontreiniging van zoet water direct of indirect toeneemt. Dit artikel beoogt te bewerkstellen dat geen verslechteringen van de feitelijke kwaliteit van zoet water voor zalm- en karperachtigen optreden, zelfs niet indien die feitelijke zoetwaterkwaliteit beter is dan in de bijlage van de Richtlijn wordt voorgeschreven.
De Commissie wordt bijgestaan door een comité voor de aanpassing van de in de Richtlijn voorgeschreven grens- en richtwaarden aan de vooruitgang van techniek en wetenschap (artt. 12 en 13). Deze comitologie-bepalingen zijn inmiddels gewijzigd door Verordening 1137/2008[338], met het oog op de introductie van de regelgevingsprocedure met toetsing.
De artt. 6 en 7 van de Richtlijn geven voorschriften ten aanzien van de monitoring van de zoetwaterkwaliteit. De kwaliteit van zoetwater voor zalm- en karperachtigen moet worden gemeten tenminste met de frequentie aangegeven in bijlage I (art. 7, lid 1). De frequentie van monitoring mag evenwel worden verlaagd indien de tot monitoring bevoegde nationale instantie constateert dat de zoetwaterkwaliteit aanmerkelijk hoger is dan die, die de op grond van de Richtlijn vastgestelde waterkwaliteitsnormen voorschrijven (art. 7, lid 2). Methoden voor monitoring van de zoetwaterkwaliteit worden eveneens in bijlage I gegeven, maar het is toegestaan andere methoden toe te passen zolang daarmee even nauwkeurige monitoringsresultaten worden verkregen.
Rapportageverplichtingen voor de lidstaten zijn opgenomen in de artt. 14 en 15. De lidstaten dienen de Commissie in te lichten over de op grond van art. 4 aangewezen wateren en over de mogelijk opgestelde strengere nationaalrechtelijke grens- en richtwaarden. Verder moeten de lidstaten op grond van art. 15 - en conform de verplichtingen voortvloeiend uit Richtlijn 91/692 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde Richtlijnen op milieugebied (zie § ???) - de Commissie (sinds 1993) iedere drie jaar op de hoogte stellen van de uitvoering van de Richtlijn. De resultaten van deze verslaglegging (op basis van vragenlijsten) worden door de Commissie binnen 9 maanden bekendgemaakt (art. 15).
Krachtens art. 16 stellen de lidstaten de Commissie op de hoogte van de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het door deze Richtlijn bestreken gebied uitvaardigen.
Een hardheidsclausule is tenslotte opgenomen in art. 11 van de Richtlijn. Omdat de lidstaten op bepaalde natuurlijke omstandigheden die de zoetwaterkwaliteit beïnvloeden geen invloed kunnen uitoefenen, mogen zij onder voorwaarden van de Richtlijn afwijken. In de eerste plaats mag van een aantal, als zodanig aangeduide, grens- en richtwaarden van bijlage I worden afgeweken ingeval van ‘uitzonderlijke meteorologische of geografische omstandigheden’. In de tweede plaats hoeft niet aan de in bijlage I genoemde waarden te worden voldaan indien het desbetreffende zoetwater een natuurlijke verrijking met bepaalde stoffen ondergaat.[339] In beide gevallen dient de desbetreffende lidstaat de Commissie van de afwijking van de Richtlijn op de hoogte te stellen (art. 14, onder d).
Krachtens art. 17 van Richtlijn 2006/44 wordt de oorspronkelijke Viswaterrichtlijn 78/659 ingetrokken met ingang van 15 oktober 2006, maar laat dit de aanwijzings- en omzettingsverplichtingen van de lidstaten onverlet. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn zullen voortaan gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.
De nieuwe Viswaterrichtlijn zal zelf vervolgens worden ingetrokken per 22 december 2013, krachtens art. 22, lid 2 van de Kaderrichtlijn Water 2000/60 (zie § ???).
Het Commissievoorstel voor de oorspronkelijke Viswaterrichtlijn ondervond de nodige weerstand in 1977, in de prille beginfase van het Europese milieubeleid. Met name het Verenigd Koninkrijk was van mening dat de bescherming van vissen per se (in tegenstelling tot vissers, of consumenten van vis) niet tot de (economische) doelstellingen van het Gemeenschapsbeleid behoorde, en dat deze Richtlijn ten overvloede Europese regelgeving aan de nationale wetgevers voor zou schrijven met als enkele reden de groei van het acquis communautaire en de toename van Europese invloed op de nationale rechtsordes.[340] De Britse kritiek werd gepareerd in een lange brief van de toenmalige Directeur Generaal voor milieu en consumentenbescherming Michel Charpentier.[341] Namens de Commissie wees hij er op dat hoewel de Richtlijn inderdaad tot doel had vissen te beschermen en een goed aquatisch ecosysteem te bewerkstelligen, de kwaliteitseisen van de Richtlijn wel degelijk ook gericht waren op de bescherming van de gezondheid van consumenten van visserijproducten. Deze aanvullende doelstelling is evenwel niet in de Richtlijn opgenomen, en vormt bovendien het onderwerp van andere specifieke EU wetgeving (voorheen Richtlijn 91/493, inmiddels Richtlijn 2004/41)[342]. Hoewel de preambule van de uiteindelijke Richtlijn 78/659, op grond van de interne markt rechtsgrondslag van art. 100 EEG-Verdrag (thans art. 114 VwEU) inderdaad refereert aan zowel de bescherming van het milieu als aan de noodzaak tot onderlinge aanpassing van uiteenlopende nationale wetgevingen teneinde ongelijke concurrentievoorwaarden te vermijden, is dit laatste interne markt effect voor deze Richtlijn in feite zeer beperkt. De Richtlijn biedt immers voor viswaterkwaliteitseisen de nodige regionale en nationale afwijkingsmogelijkheden, en voorziet niet in een uitputtende harmonisatie.
Een ander geschilpunt in de onderhandelingen over Richtlijn 78/659 betrof (de mate van discretionare bevoegdheid bij) de aanwijzing van viswateren. Reden hiervoor was dat het oorspronkelijke Commissievoorstel door een dubbelzinnige formulering van artikelen 1 en 4 de suggestie wekte dat lidstaten alle zoetwaterlocaties op hun grondgebied zouden moeten aanwijzen en beschermen als viswater, met als gevolg disproportioneel grote beheerslasten en kosten. De uiteindelijk uitonderhandelde compromistekst van art. 1 beperkt de werkingssfeer van de Richtlijn veel eenduidiger tot ‘water dat door de Lid-Staten is aangewezen als bescherming of verbetering behoevende ten einde geschikt te zijn voor het leven van vissen.’ Hiermee werd de lidstaten uiteindelijk een grote mate van beleidsvrijheid geboden om bepaalde wateren al dan niet aan te wijzen als viswater (hetgeen overigens in de implementatie vervolgens enige problemen zou veroorzaken, vanwege te beperkte of zelfs geheel ontbrekende aanwijzing door verschillende lidstaten, waaronder Nederland maar ook België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland en Italië).
Een laatste geschilpunt in de onderhandelingen over Richtlijn 78/659 betrof de parameters voor viswaterkwaliteit. Omdat de door de Commissie voorgestelde parameters vanuit verschillende partijen als disproportioneel stringent bestempeld werden, bevat de uiteindelijke Richtlijn soepeler parameterwaarden voor onder meer temperatuur, opgeloste zuurstof, fosfaten en fenolverbindingen. De nitraat parameter werd zelfs volledig losgelaten.
Hoewel de discussie op deze punten heftig was, niet alleen in de Raad maar ook in het Europees Parlement en in het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC), alsook in vele nationale parlementen, werd uiteindelijk op beide punten een werkbaar compromis bereikt, en kon Richtlijn 78/659 op 18 juli 1978 door de Raad worden vastgesteld.
De vaststelling van de nieuwe Viswaterrichtlijn 2006/44 verliep zonder opmerkelijke ontwikkelingen. De Richtlijn behelst dan ook niet meer dan slechts een codificatie en consolidatie van de verscheidene wijzigingen die de oorspronkelijke Viswaterrichtlijn sinds 1978 had ondergaan, zonder verdere inhoudelijke wijzigingen te introduceren. Voor codificatie van wetteksten geldt bovendien een versnelde werkmethode, aangezien er geen inhoudelijke wijzigingen mogen worden aangebracht.[343] Het Commissievoorstel van januari 2004 kon dan ook na een enkele lezing zonder wijzigingen door het Europees Parlement en de Raad worden vastgesteld, in september 2006.
De kwaliteitseisen die de Viswaterrichtlijn stelt voor viswater zijn in Nederland omgezet middels het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water (Bkmw),[344] op grond van artikelen 5.1, 5.2, 5.2b, en 5.3 Wm. In paragraaf 3 en Bijlage III van het Bkmw zijn de grenswaarden (imperatieve, of I-waarden uit de Richtlijn) overgenomen als ‘normen’. Bijlage V geeft voorschriften omtrent de monsterneming en metingen, en de voorwaarden voor afwijkingen.
Voor de temperatuur van viswater gold voorheen in Nederland een strengere eis, van 25ºC, dan de Europese norm van 28ºC. Bij de wijziging van het Bkmw ter omzetting van Richtlijn 2006/44, in juli 2007, is er echter voor gekozen om deze lagere temperatuurwaarde los te laten. De Nota van toelichting op het wijzigingsbesluit legt uit dat de reden voor het opnemen van een lagere temperatuur was dat destijds de natuurlijke achtergrondtemperatuur in de Nederlandse wateren niet hoger werd dan 22 °C en de viswaterrichtlijn een maximale temperatuursverhoging van 3 °C toestaat. Echter, omdat de afgelopen decennia de achtergrondtemperatuur van het oppervlaktewater geleidelijk is gestegen (een in 2005 uitgevoerde droogtestudie had aangetoond dat de gemiddelde temperatuur waarmee water via de Rijn ons land binnenkomt in de afgelopen eeuw met 3 graden is gestegen), wordt inmiddels de Europese temperatuurnorm onverkort overgenomen in Bijlage III bij het Bkmw.
De overige verplichtingen uit het Bkmw in het kader van het beschermen van viswater rusten op het overheidsorgaan dat ingevolge de Waterwet bevoegd is tot het verlenen van vergunningen als bedoeld in art. 6.2 van die wet, dat wil zeggen de Minister van IenM of, ten aanzien van regionale wateren, het bestuur van het betrokken waterschap (art. 10 Bkmw jo. art. 6.2 Waterwet). Deze bestuursorganen dienen bij het formuleren van waterplannen (krachtens artt. 4.1, 4.4 en 4.6 van de Waterwet) de viswater-kwailiteitseisen van bijlage III van het Bkmw in acht te nemen.
De aanwijzing van viswateren vindt plaats in het Nationaal Waterplan op grond van art. 4.1, derde lid, onder c van de Waterwet (rijkswateren) en in de regionale waterplannen op grond van art. 4.4, lid 2, onder a van de Waterwet (regionale wateren).
In het Nationaal Waterplan is de functie viswater voor karperachtigen toegekend aan alle rijkswateren. Er zijn geen wateren voor zalmachtigen aangewezen. Omdat de basiskwaliteitsnormen van de KRW strenger zijn dan die van Richtlijn 2006/44 zijn er geen wateren voor zalm- en karperachtigen opgenomen in in het ‘Register beschermde gebieden KRW Nederland’.Voor informatie over de toestand en ontwikkeling van de waterkwaliteit zie § ???.
[334] PbEU L 157, 30.4.2004.
[335] COM(87) 868 PV, 1.4.1987.
[336] Interinstitutioneel Akkoord van 28.11.2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, PbEG C77, 28.3.2002.
[337] Grenswaarden geven een waterkwaliteit aan die tenminste moet worden bereikt en die, waar zij eenmaal is bereikt, niet meer mag verslechteren. Richtwaarden schrijven een kwaliteitsniveau voor dat zoveel mogelijk moet worden bereikt en dat, waar dat niveau aanwezig is, zo veel mogelijk in stand moet worden gehouden.
[338] PbEU L311, 21.11.2008.
[339] Met natuurlijke verrijking wordt gedoeld op het proces waardoor een bepaalde hoeveelheid water zonder ingrijpen van de mens bepaalde stoffen die in de bodem voorkomen, opneemt.
[340] Zie House of Commons 6 April 1978 cols 822–23; en House of Lords 28 June 1977 col 1066.
[341] Brief gedateerd 22 September 1977, van M. Michel Charpentier aan Lord Ashby.
[342] PbEU L 157, 30.4.2004.
[343] Zoals overeengekomen in het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994: ‘Beter wetgeven’, PbEU C 321, 31.12.2003.
[344] Stb. 1983, 606; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 15 (omzetting Richtlijn 2006/44 bij Stb. 2007, 266). Per 9.2.07 werd de citeertitel gewijzigd (voorheen: Besluit kwaliteitsdoelstellingen en monitoring water). Het Bkmw is gebaseerd op de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) (artt. 13 en 15 Wvo), welke inmiddels volledig is opgenomen in de Waterwet (Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146).