5. Afval  
Handboek Implementatie milieubeleid
EU in Nederland

 

5.7 Verwijdering van PCB’s

5.7.1 Overzicht van EU-regelgeving

96/59 (PbEG L243 24.9.1996)

voorgesteld 18.10.1988 –COM(88)559

Richtlijn betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB’s/PCT’s)

Rechtsgrondslag

Artikel 130s EG-verdrag (thans art. 175)

Bindende termijnen

 

Inwerkingtreding

Omzetting in nationale regelgeving

Inventarisatie van PCB’s en plannen voor de verwijdering van PCB’s

Reiniging of verwijdering van apparaten met PCB’s

16 september 1996

16 maart 1998

16 december 1999

31 december 2010

Opmerking: Met het aannemen van Richtlijn 96/59 op 16 september 1996 is Richtlijn 76/403 (haar voorganger) ingetrokken.

5.7.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Wet milieubeheer

Stb. 1994, 80, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2003, 189

Regeling verwijdering van PCB’s

Stcrt. 1998, 154, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2002, 85

Landelijk afvalbeheerplan (LAP)

Beleidsdocument, maart 2003

5.7.3 Doelstelling van de Richtlijn

Polychloorbifenylen (PCB’s) en polychloorterfenylen (PCT’s) zijn stoffen die vrijwel niet afbreekbaar zijn. Bovendien leveren zij een gevaar op voor de volksgezondheid aangezien zij relatief gemakkelijk in de voedselketen terecht kunnen komen. PCB’s zijn geen natuurlijk voorkomende stoffen, maar door genoemde slechte afbreekbaarheid worden zij wel veelvuldig in het milieu aangetroffen, in het bijzonder in roofvogels die op zeeorganismen jagen. Het zou goed mogelijk kunnen zijn dat PCB’s de veroorzakers zijn geweest van de catastrofale sterfte onder wilde vogels in de Ierse zee in 1969. Het is bekend dat een aantal zeeorganismen, zoals garnalen, reeds kunnen sterven bij een zeer lage concentratie PCB’s in water. PCB’s kunnen worden vernietigd in verbrandingsovens met een hoge temperatuur. Tegenwoordig worden PCB’s voornamelijk gebruikt als niet-geleidende vloeistoffen, maar vóór 1973 werden ze veelvuldig aangewend als hydraulische- of warmtegeleidingsvloeistoffen, smeermiddelen, en als weekmakers in producten als verf en koolstofvrij kopieerpapier.

De eerdere Richtlijnen 76/769 en 85/467 beperken de verkoop en het gebruik van PCB’s (zie § 7.6). Richtlijn 96/59 geeft een regeling voor een controlesysteem voor de verwijdering van PCB’s binnen het raamwerk van Richtlijn 75/442 (zie § 5.3) en bevat tevens voorschriften met betrekking tot de identificatie en verwijdering van PCB’s en op het gebied van de reiniging of verwijdering van met PCB’s verontreinigde apparaten. Een eerdere Richtlijn, 76/403, vereiste de verwijdering van sommige PCB’s maar strekte tevens tot regeneratie en hergebruik. Bij Richtlijn 96/59 is Richtlijn 76/403 ingetrokken en is regeneratie van PCB’s niet langer toegestaan.

5.7.4 Samenvatting van de Richtlijn

Onder ‘PCB’s’ dienen niet uitsluitend polychloorbifenylen te worden verstaan, maar tevens polychloorterfenylen en een aantal andere stoffen en mengsels. De betekenis van het woord ‘verwijdering’ wordt bepaald door verwijzing naar een aantal handelingen die staan vermeld in Richtlijn 75/442.

Voordat Richtlijn 96/59 werd vastgesteld, bestond reeds Europese regelgeving ten aanzien van PCB’s in de vorm van Richtlijn 76/403, welke algemene eisen voor de bescherming tegen gevaren van blootstelling aan PCB’s bevatte, en Richtlijn 85/467, welke vanaf 1985 een verbod bevat op de handel in en het gebruik van nieuwe PCB’s (zie § 7.6). Richtlijn 96/59 heeft betrekking op het beheer en de verwijdering van PCB’s die vóór 1985 in gebruik kwamen. Zij vervangt daarmee Richtlijn 76/403 terwijl Richtlijn 85/467 in werking is gebleven.

De Richtlijn legt de lidstaten de verplichting op om de nodige maatregelen te nemen teneinde ervoor te zorgen dat PCB’s zo spoedig mogelijk worden verwijderd. Ook apparaten die PCB’s bevatten dienen zo spoedig mogelijk te worden gereinigd of verwijderd (art. 3). De lidstaten dienen voorts inventarissen op te stellen van apparaten die meer dan 5 dm³ aan PCB’s bevatten. Deze apparaten en de daarin aanwezige PCB’s dienen vóór 31 december 2010 gereinigd en/of verwijderd te worden (art. 3 en art. 4, lid 1). De inventarissen dienen onder meer de plaats en omschrijving van de apparaten, de hoeveelheid PCB’s in de apparaten en de data en soorten behandeling of vervanging te bevatten. De benodigde informatie dient te worden geleverd door de houders van de apparaten (art. 4, lid 4). De geïnventariseerde apparaten dienen tevens te worden voorzien van een etiket (art. 4, lid 5). De lidstaten moesten vóór 16 september 1999 een samenvatting van de inventarissen naar de Commissie sturen (art. 4, lid 1).

Gebruikte PCB’s en geïnventariseerde apparaten die PCB’s bevatten dienen zo spoedig mogelijk ter verwijdering te worden overgebracht naar een vergunninghoudend bedrijf (art. 6, lid 1). Het vergunninghoudende bedrijf dient een register bij te houden met daarin de hoeveelheid, de oorsprong, de aard en het PCB-gehalte van de aangeleverde gebruikte PCB’s. Het bedrijf heeft de plicht om deze gegevens mee te delen aan de bevoegde instanties (art. 4, lid 6). Wanneer de verwijdering door verbranding geschiedt, verklaart de Richtlijn de bepalingen van Richtlijn 94/67 (betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen, zie § 6.15) van toepassing. Andere methoden voor verwijdering kunnen worden toegestaan, mits zij voldoen aan - in vergelijking met verbranding - gelijkwaardige milieuveiligheidsnormen en beantwoorden aan de technische eisen waarnaar als best beschikbare technologie wordt verwezen (art. 8, lid 2). Verbranding aan boord van schepen is echter verboden (art. 7).

Het scheiden van PCB’s van andere stoffen met het oog op hergebruik en het bijvullen van transformatoren met PCB’s is niet toegestaan (art. 5, lid 1 en 2). Onderhoud van transformatoren mag uitsluitend worden voortgezet mits het tot doel heeft ervoor te zorgen dat de PCB’s die deze apparaten bevatten voldoen aan de technische normen. Voorts moeten deze transformatoren in goede staat zijn en mogen ze geen lekken vertonen (art. 5, lid 3). De Richtlijn bevat voorts nog bepalingen met betrekking tot de reiniging van transformatoren die meer dan 0,05 gewichtsprocenten PCB’s bevatten (art. 9).

De Richtlijn noemt 16 september 1999 als uiterste datum voor de lidstaten om een plan voor de reiniging en/of verwijdering van geïnventariseerde apparaten en de daarin aanwezige PCB’s en een schema voor de inzameling en latere verwijdering van de apparaten die niet hoeven te worden geïnventariseerd vast te stellen (art. 11, lid 1). De inhoud van het plan en het schema wordt niet nader omschreven. In april 2000 heeft de Commissie waarschuwingen verstuurd naar alle lidstaten uitgezonderd Finland, vanwege het in gebreke zijn bij het indienen van de plannen en/of inventarissen van PCB bevattende apparaten.

In januari 2001 leefden 9 lidstaten de bepalingen van de Richtlijn nog niet na. Tegen zes werd een procedure voor het Europees Hof van Justitie aangespannen wegens het nalaten van het versturen van inventarissen naar de Commissie.

5.7.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijn

Naar aanleiding van een aantal incidenten, waaronder één in Japan waarbij door PCB verontreinigde rijstolie letsel toebracht aan mensen en sterfte veroorzaakte onder vogels, vaardigde de Raad van de OESO een besluit uit in februari 1973. Dit besluit legde de verplichting op aan de lidstaten van de OESO om zowel het gebruik als de verwijdering van PCB’s te reguleren. De keuze om daarnaast ook een Richtlijn vast te stellen op Europees niveau heeft te maken met het feit dat de wijze van uitvoering van een Richtlijn kan worden getoetst door een rechterlijke instantie (het Hof van Justitie). Een OESO-besluit is echter moeilijker afdwingbaar omdat er in OESO-verband geen rechterlijke instantie bestaat.

Als reactie op het OESO-besluit stuurde de Franse regering een voorlopig concept naar de Commissie getiteld: ‘Voorwaarden voor het gebruik van PCB’s’, hetwelk tevens betrekking had op de verwijdering van PCB’s. De Commissie besloot om twee aparte Richtlijnen voor te stellen, één betreffende het gebruik van PCB’s en een andere betreffende de verwijdering ervan.

In juli 1974 werd een Richtlijn voorgesteld welke later Richtlijn 76/769 werd (zie § 7.6). Het voorstel strekte tot een beperking van de handel en het gebruik van PCB’s in elektrische apparatuur met een gesloten circuit (transformators, weerstanden, inductors), condensators en een beperkt aantal andere toepassingen. Zeven maanden later deed de Commissie het voorstel dat leidde tot Richtlijn 76/403.

Het Europees Parlement stond positief tegenover het voorstel, maar was van mening dat de opname van een rapportageplicht van de Commissie aan het Parlement en de Raad noodzakelijk was. Deze wens kwam tot uitdrukking in één van de slechts twee amendementen die werden ingediend voordat Richtlijn 76/403 werd vastgesteld. Het andere amendement had betrekking op de plicht om regeneratie van PCB’s te stimuleren.

Het is opmerkelijk dat het amendement ter stimulering van de regeneratie van PCB’s uiteindelijk werd verwerkt in Richtlijn 76/403, aangezien de wens om regeneratie uit te bannen nu juist één van de belangrijkste drijfveren was achter het voorstel dat leidde tot Richtlijn 96/59. Deze wens was gebaseerd op de gedachte dat door PCB’s te regenereren en daarmee het gebruik ervan te verlengen, het risico voor het milieu aanwezig blijft aangezien de kans op ontsnapping niet wordt weggenomen. Het alternatief was om er voor te zorgen dat alle nog in gebruik zijnde PCB’s werden opgehaald en verwijderd teneinde de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Een voorstel met deze strekking werd ingediend in oktober 1988. Het duurde vervolgens bijna acht jaar alvorens Richtlijn 96/59 werd vastgesteld. Ten tijde van het vaststellen van de Richtlijn had een aantal lidstaten overigens reeds in het kader van de Derde Internationale Noordzee Conferentie in Den Haag (1990) toegezegd om alle identificeerbare PCB’s te verwijderen voor het eind van 1999. De Richtlijn bevatte uiteindelijk zelfs minder strenge verplichtingen dan het ‘Noordzee-akkoord’. Dit was het gevolg van het feit dat een aantal lidstaten die niet betrokken waren bij dit akkoord anders niet mee zouden werken aan de totstandkoming van de Richtlijn.

5.7.6 De omzetting in nationale regelgeving

Richtlijn 96/59 is omgezet via de Regeling verwijdering van PCB’s[364] die op 19 augustus 1998 van kracht is geworden. De regeling bevat ten aanzien van de verwijdering van apparaten die meer dan vijf kubieke decimeter aan PCB’s bevatten een aanzienlijk strengere einddatum dan de Richtlijn. In plaats van het jaar 2010 is in de Regeling neergelegd dat de verwijdering moet zijn voltooid per 31 december 1999. De keuze voor deze eerdere einddatum is te verklaren uit de betrokkenheid van Nederland bij het Noordzee-akkoord. Bij dit akkoord is, zoals reeds vermeld, afgesproken dat alle identificeerbare PCB’s verwijderd dienden te worden vóór 1 januari 2000. De Minister van VROM was van mening dat voor het vervroegen van de einddatum ruimte bestond aangezien de rechtsgrondslag van de Richtlijn artikel 130s (thans: art. 175) was. Apparaten met meer dan 5 mg PCB’s per kg dienden vóór eind 2001 te zijn gereinigd of verwijderd. Voor apparaten met een concentratie tussen de 0,5 en 5 mg per kg geldt dat dit vóór eind 2003 gedaan moet zijn.[365]

Naast de regeling gelden ook de voor gevaarlijke stoffen relevante bepalingen van de Wet milieubeheer (zie § 5.4). Het P.C.B-, P.C.T.- en chlooretheen-besluit Wet milieugevaarlijke stoffen (PCB-besluit; zie § 7.6)[366] heeft alleen betrekking op het voorhanden hebben van PCB’s en niet op de verwijdering ervan.

5.7.7 Uitvoering en effecten in de praktijk[367]

Het Nederlandse beleid ten aanzien van PCB’s is gericht op het voorkomen van verspreiding van PCB’s in het milieu. PCB-houdende afvalstoffen mogen worden gereinigd, maar de PCB’s en niet te reinigen PCB-houdende afvalstoffen dienen te worden vernietigd.[368]

Uit een analyse door het bedrijfsleven is gebleken dat er in transformatoren aanzienlijk vaker koelvloeistoffen voorkomen die verontreinigd zijn met PCB’s dan aanvankelijk werd verondersteld. De in de Regeling genoemde datum van 1 januari 2000 voor de verwijdering van alle identificeerbare PCB’s is dan ook niet gehaald. Om alsnog te komen tot een zo snel mogelijke verwijdering was een plan opgesteld ter handhaving van de Regeling. Daarnaast gaf de hoofdinspecteur milieuhygiëne in een brief aan het bedrijfsleven aan dat alle apparatuur met een verontreiniging van meer dan 5 mg/kg PCB’s uiterlijk in het jaar 2001 diende te zijn gereinigd of verwijderd.

Ter stimulering van de beëindiging van het gebruik van PCB’s in bestaande apparatuur is in 1984 een subsidie beschikbaar gesteld aan bedrijven om PCB’s uit grote transformatoren en condensatoren te vernietigen. In die periode zijn alle PCB’s bevattende condensatoren verwijderd. Voor zover bekend komen in condensatoren, anders dan in transformatoren, geen vloeistoffen voor die licht besmet zijn met PCB’s. Er zijn in ieder geval geen meldingen ontvangen van PCB’s bevattende condensatoren of andere apparaten met een inhoud van meer dan 5 kubieke decimeter.

Volgens een schatting uit 1980 zijn in Nederland 880 PCB-houdende transformatoren verkocht. Deze transformatoren bevatten gezamenlijk ongeveer 400 ton aan PCB’s. Inmiddels zijn al deze apparaten, voor zover bekend, verwijderd of gereinigd.

Uit voornoemde, in overleg met het bedrijfsleven uitgevoerde, analyse is naar voren gekomen dat ongeveer 7325 transformatoren momenteel als verontreinigd met PCB’s kunnen worden aangemerkt. Het gaat dan voor alle duidelijkheid om verontreiniging van de koelvloeistof. Dit is 7% van het totaal aantal transformatoren. Niet alle apparaten zijn even ernstig verontreinigd. De volgende onderverdeling kan worden gemaakt:

• 400 apparaten met een totaal gehalte aan PCB’s boven de 500 mg/kg;

• 1675 apparaten met een totaal gehalte aan PCB’s tussen 50 en 500 mg/kg; en

• 5250 apparaten met een totaal gehalte tussen de 5 en 50 mg/kg.

Naast deze inventarisatie is een statistische verdeling gemaakt, waardoor per fabrikaat de kans kan worden aangegeven of deze verontreinigd is met PCB’s en in welke mate. Een aantal bedrijven is naar aanleiding van deze verdeling aangemerkt als ‘PCB-verdacht’.

De verwijdering van transformatoren vindt in Nederland plaats door ontmanteling en vernietiging van de daarbij vrijkomende PCB’s door een tweetal gespecialiseerde bedrijven. Ook kleine condensatoren worden - om analysekosten te vermijden - als PCB’s bevattend beschouwd en als zodanig vernietigd.

De monitoring van PCB-houdende afvalstoffen vindt plaats door het op de Wm gebaseerde meldingen en registratiesysteem.[369]

5.7.8 Verdere ontwikkelingen

In een verslag van de parlementaire commissie voor milieu van eind 2000 werd opgemerkt dat ondanks de door de lidstaten gegeven beloftes en verzekeringen er nog weinig was gedaan. Nederland werd echter (samen met Finland) als eervolle uitzondering vermeld.[370] De parlementaire commissie geeft aan dat PCB’s nog in aanzienlijke hoeveelheden gebruikt worden en roept de Commissie op tot het nemen van maatregelen..

In november 2001 bracht de Commissie een strategie uit inzake dioxinen, furanen en PCB’s.[371] De Commissie spreekt hier de verwachting uit dat de (inmiddels vastgestelde) Richtlijn betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA; zie § 5.14) een vergaande invloed zal kunnen hebben op de gescheiden inzameling milieuvriendelijke verwijdering van elektrische apparaten die PCB’s bevatten, omdat hierin expliciet de verplichting opgenomen om de gevaarlijke onderdelen uit elektrische en elektronische apparatuur te verwijderen alvorens enige verdere verwerking plaatsvindt. Tevens wordt opgemerkt dat de Richtlijn niet adequaat is geïmplementeerd. De Commissie neemt zich o.a. voor om er voor te zorgen dat de inventarissen versneld worden opgesteld.

Referenties

VROM, Ministerie van (2003). Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012. Den Haag.



[364] Stcrt. 1998, 154, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2002, 85.

[365] VROM (2003), p. 211.

[366] Stb. 1991, 232, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2002, 189.

[367] Ontleend aan een rapportage in het kader van de PARCOM-richtlijn, verkregen van Ilse Maas (Ministerie van VROM).

[368] VROM (2003), p. 211.

[369] VROM (2003), p. 214.

[371] COM(2001)593.

Terug  Volgende
5.6 Overbrenging van afvalstoffen  5.8 Afgewerkte olie
1. Inleiding
2. De totstandkoming van het EU-milieubeleid
3. De integratie van het milieu in ander EU-beleid
4. Water
5. Afval
6. Lucht
7. Gevaarlijke stoffen
8. Radioactiviteit
9. Natuur en landschap
10. Geluid
11. Milieu-effectrapportage en informatie
12. Financiële en economische instrumenten
13. Internationale verdragen
14. Klimaatverandering
I. Afkortingen
II.Chronologische lijst van Richtlijnen, Beschikkingen en Verordeningen
III. Voorgestelde wetgeving in afwachting van vaststelling
IV. Voorstellen in ontwikkeling
V. Websites m.b.t. Europees milieubeleid
Printversie
   
  klik hier om de lijst te bekijken  
Toevoegingen en wijzigingen
Homepage
Notificatieservice
EU- en Nederlandse Regelgeving
Reactieformulier
Colofon
Realisatie:
Instituut voor Milieuvraagstukken
Ministerie van VROM

Institute for European Environmental Policy (IEEP)
Copyright VROM. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze site mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Ministerie van VROM. Aan de inhoud van deze site kunnen geen rechten ontleend worden, noch jegens de samenstellers noch jegens derden.
  bovenkant pagina