2006/113/EG (PbEU L 376, 12.12.2006) voorgesteld 12.05.2006 – COM(2006)205 | Richtlijn inzake de vereiste kwaliteit van schelpdierwater (Gecodificeerde versie, ter vervanging van Richtlijn 79/923) |
Rechtsgrondslag | Artikel 175 EG-Verdrag (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Datum van inwerkingtreding | 5 november 1979 (Richtlijn 79/923) 16 januari 2007 (Richtlijn 2006/113) De bindende termijnen van de Richtlijn 79/923 (zoals gewijzigd) blijven onverminderd gelden (art. 16 en Bijlage II(B)). |
Datum van intrekking door Kaderrichtlijn Water 2000/60 | 22 december 2013 |
Omzetting in nationale regelgeving | 5 november 1981 |
Aanwijzen van wateren waarop de Richtlijn betrekking heeft | 5 november 1981 |
Realisering waterkwaliteitsnormen | 5 november 1987 |
Verslag aan de Commissie mbt tenuitvoerlegging Richtlijn | Elke drie jaar, uiterlijk 9 maanden na afloop van de drie-jaarlijkse periode; voor het eerst voor de periode 1993-1995 |
Opmerking: Met het inwerkingtreden van Richtlijn 2006/113, op 15 oktober 2010, is haar voorganger Richtlijn 79/923 (zoals meermaals gewijzigd) ingetrokken. De omzettingstermijn en overige bindende termijnen van de eerdere Richtlijn (zoals gewijzigd) blijven echter onverminderd gelden (art. 16 en Bijlage II(B)). Verwijzingen naar Richtlijn 79/923 (zoals gewijzigd) gelden voortaan als verwijzingen naar Richtlijn 2006/113; hiertoe is in Bijlage III van laatstgenoemde Richtlijn een concordantietabel opgenomen.
Besluit kwaliteitsdoelstellingen en monitoring water (Bkmw) | Stb. 1983, 606; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 15 |
Waterwet | Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146 |
Krachtens art. 1 bestaat het doel van de Richtlijn uit het bereiken van een goede schelpdierwaterkwaliteit in de EU met het oog op het garanderen van een goede kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemde schelpdierproducten. De Richtlijn heeft betrekking op door de lidstaten aan te wijzen kustwateren en brakke wateren die bescherming of verbetering behoeven om geschikt te zijn voor het leven en de groei van schelpdieren (weekdieren behorende tot de plaatkieuwigen en buikpotigen). Dit doel wordt nagestreefd door het voorschrijven van normen waaraan de kwaliteit van de aangewezen wateren moet voldoen (waterkwaliteitsnormen). Een aparte Richtlijn (voorheen 91/492,[345] inmiddels vervangen door 2004/41[346]) bevat (onder meer) gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van schelpdieren.
De oorspronkelijke Schelpdierwaterrichtlijn 79/923 was in bijna dertig jaar tijd meermalen ingrijpend gewijzigd. Het is vast beleid van de Commissie,[347] in samenspraak met de overige EU instellingen,[348] om instrumenten die meermaals opeenvolgend gewijzigd zijn (na maximaal tien aanpassingen) te codificeren en consolideren, teneinde het EU-recht duidelijk en doorzichtig te houden. Richtlijn 2006/113 betreft dan ook slechts een zogenaamde herschikking, d.w.z. een codificatie van de eerdere wijzigingen, zonder dat nieuwe inhoudelijke wijzigingen worden toegevoegd.
De Richtlijn geeft kwaliteitsdoelstellingen voor aangewezen schelpdierwateren. Op grond van art. 4 van de Richtlijn moeten de lidstaten hiertoe (met ingang van 5 november 1981) in hun grondgebied gelegen schelpdierwateren aanwijzen, en kunnen zij deze aanwijzingen ingeval van onvoorzien gewijzigde factoren herzien (art. 4, lid 1), zolang de aanwijzingen in geen geval leiden tot toename van al dan niet directe van verontreiniging van de kustwateren of brakke wateren (art. 4, lid 2 jo. art. 8). Indien een lidstaat overigens overweegt schelpdierwater aan te wijzen en dat water gelegen is in de onmiddellijke omgeving van de grens met een andere lidstaat, dan voeren die lidstaten daarover overleg met elkaar (art. 10). Vervolgens moeten de lidstaten programma’s opstellen om de waterkwaliteit in die aangewezen schelpdierwateren te verbeteren teneinde binnen vijf jaar na aanwijzing aan de op grond van die Richtlijn op te stellen waterkwaliteitsnormen te voldoen (art. 5). Bijlage I van de Richtlijn bevat waterkwaliteitsnormen voor twaalf fysische, chemische en bacteriologische parameters (art. 2). Voor die parameters schrijft de bijlage hetzij grenswaarden (onderdeel I van de bijlage: Imperative-values), hetzij richtwaarden (onderdeel G van de bijlage: Guide-values), dan wel beide voor.[349] De lidstaten dienen op grond van art. 3 van de Richtlijn in hun nationale recht waterkwaliteitsnormen vast te leggen met daarin waarden die tenminste even streng zijn als de in onderdeel I genoemde grenswaarden. De lidstaten moeten daarbij de waarden van onderdeel G zoveel mogelijk eerbiedigen.
Het staat de lidstaten overigens vrij strengere grens- en richtwaarden in hun nationale recht voor te schrijven (art. 9). Van belang is hierbij dat in art. 8 van de Richtlijn het zogenaamde stand-stillbeginsel tot uitdrukking komt: toepassing van de krachtens de Richtlijn genomen maatregelen mag er in geen geval toe leiden dat de verontreiniging van de kustwateren of brakke wateren direct of indirect toeneemt. Dit artikel beoogt te bewerkstellen dat geen verslechteringen van de feitelijke schelpdierwaterkwaliteit optreden, zelfs niet indien die feitelijke schelpdierwaterkwaliteit beter is dan in de bijlage van de Richtlijn wordt voorgeschreven.
Het in § ??? genoemde, door Richtlijn 2006/44 in het leven geroepen comité, draagt zorg voor aanpassing van de in de Richtlijn voorgeschreven grens- en richtwaarden aan de vooruitgang van techniek en wetenschap (art. 12). Deze comitologie-bepalingen zijn inmiddels gewijzigd door Verordening 1137/2008[350], met het oog op de introductie van de regelgevingsprocedure met toetsing.
De artt. 6 en 7 van de Richtlijn geven voorschriften ten aanzien van de monitoring van de schelpdierwaterkwaliteit. De kwaliteit van de schelpdierwateren moet worden gemeten tenminste met de frequentie aangegeven in de bijlage (art. 7, lid 1). De frequentie van monitoring mag evenwel worden verlaagd indien de tot monitoring bevoegde nationale instantie constateert dat de waterkwaliteit aanmerkelijk hoger is dan die, die de op grond van de Richtlijn vastgestelde waterkwaliteitsnormen voorschrijven (art. 7, lid 2).
Rapportageverplichtingen voor de lidstaten zijn opgenomen in de artt. 13 en 14. De lidstaten dienen de Commissie in te lichten over de op grond van art. 4 aangewezen wateren en over de mogelijk opgestelde strengere nationaalrechtelijke grens- en richtwaarden. De lidstaten moeten daarnaast - conform de verplichtingen voortvloeiend uit Richtlijn 91/692 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde Richtlijnen op milieugebied (zie § ???) - de Commissie (sinds 1993) iedere drie jaar op de hoogte stellen van de uitvoering van de Richtlijn. De resultaten van deze verslaglegging (op basis van vragenlijsten) worden door de Commissie binnen 9 maanden bekendgemaakt (art. 14).
Krachtens art. 15 stellen de lidstaten de Commissie op de hoogte van de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht die zij op het door deze Richtlijn bestreken gebied uitvaardigen.
Een hardheidsclausule is tenslotte opgenomen in art. 11 van de Richtlijn. Omdat de lidstaten op bepaalde natuurlijke omstandigheden die de schelpdierwaterkwaliteit beïnvloeden geen invloed kunnen uitoefenen, mogen de lidstaten ingeval van ‘uitzonderlijke meteorologische of geografische omstandigheden’ van de Richtlijn afwijken. In dat geval dient de desbetreffende lidstaat de Commissie van zo’n afwijking direct op de hoogte te stellen, onder vermelding van de beweegredenen en de gestelde termijnen waarbinnen weer of alsnog aan de Richtlijn zal worden voldaan (art. 13, lid 2).
Krachtens art. 16 van Richtlijn 2006/113 wordt de oorspronkelijke Schelpdierwaterrichtlijn 79/923 ingetrokken met ingang van 16 januari 2007, maar laat dit de aanwijzings- en omzettingsverplichtingen van de lidstaten onverlet. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn zullen voortaan gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.
De nieuwe Schelpdierwaterrichtlijn zal zelf vervolgens worden ingetrokken en vervangen per 22 december 2013, krachtens art. 22, lid 2 van de Kaderrichtlijn Water 2000/60 (§ ???).
Het Commissievoorstel voor de oorspronkelijke Schelpdierwaterrichtlijn trof soortgelijke kritiek als de parallelle richtlijn voor viswaterkwaliteit (zie § ???Ook hierbij was met name het Verenigd Koninkrijk van mening dat de bescherming van schelpdieren per se (in tegenstelling tot vissers, of consumenten van schelpdieren) niet tot de (economische) doelstellingen van het Gemeenschapsbeleid behoorde. Specifiek richtte de Britse kritiek zich onder meer op de werkelijke doelstelling van (de Commissie voor) de Richtlijn: hoewel dit formeel de bescherming en bevordering van schelpdieren in Europese wateren betrof, waren de bacteriënparameters in de Richtlijn bijlage expliciet gericht op bescherming van de gezondheid van consumenten van schelpdieren. Specifieke consumentenbeschermingswetgeving op dit gebied bestond in 1977 nog niet. Een voorbeeld van de uitwerking van dit twispunt, in afwezigheid van consumentenbeschermingswetgeving, biedt de parameterwaarde voor faecale colibacteriën. Voor deze parameter, als indicator voor verontreiniging door rioolwater, werd in de uiteindelijk vastgestelde Richtlijn slechts een richtwaarde (G-waarde) voorgeschreven, ondanks het voorstel van de Commissie om een grenswaarde (I-waarde) in te stellen. Echter, totdat specifieke consumentenbeschermingswetgeving vastgesteld werd (Richtlijn 91/492,[351] inmiddels vervangen door Richtlijn 2004/41[352]), gold de faecale colibacteriën parameter toch als grenswaarde in wateren waar schelpdieren leefden die direct voor menselijke consumptie bestemd waren.
Ook op het punt van de aanwijzingsplicht voor de lidstaten onstond dezelfde onduidelijkheid en kritiek als bij de Viswaterrichtlijn (zie § ???Ook hier ontstond de vrees voor een alomvattende aanwijzingsplicht, op basis van dubbelzinnig geformuleerde bepalingen. Toen ook voor deze Richtlijn de werkingssfeer, en de aanwijzingsplicht, uiteindelijke flink werden ingeperkt, konden veel van de overige kritiekpunten op het Commissievoorstel losgelaten worden, gezien de grote mate van beleidsvrijheid die aan de lidstaten werd gelaten bij de aanwijzing van schelpdierwateren. Tegelijkertijd gaf deze vrijheid, net als bij de Viswaterrichtlijn, ook bij de aanwijzing van schelpdierwateren de nodige implementatieproblemen. Zo hadden bij de eerste rapportage, in 1982, alleen Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk schelpdierwateren krachtens de Richtlijn aangewezen.
De vaststelling van de nieuwe Schelpdierwaterrichtlijn 2006/113 verliep vlot en probleemloos. De Richtlijn behelst dan ook niet meer dan slechts een codificatie en consolidatie van de verscheidene wijzigingen die de oorspronkelijke Schelpdierwaterrichtlijn sinds 1979 heeft ondergaan, zonder verdere inhoudelijke wijzigingen te introduceren. Voor codificatie van wetteksten geldt bovendien een versnelde werkmethode, aangezien er geen inhoudelijke wijzigingen mogen worden aangebracht.[353] Het Commissievoorstel van mei 2006 kon dan ook na een half jaar, op basis van een enkele lezing zonder wijzigingen door het Europees Parlement en de Raad worden vastgesteld, in december 2006.
De kwaliteitseisen die de Schelpdierwaterrichtlijn stelt voor schelpdierwater zijn in Nederland omgezet middels het Besluit kwaliteitsdoelstellingen en monitoring water (Bkmw), [354] gebaseerd op hs 5 Wm, zoals inmiddels opgenomen in de Waterwet.[355] In paragraaf 4 (artt. 7 en 8) en Bijlage IV van het Bkmw zijn de grenswaarden (imperatieve, of I-waarden uit de Richtlijn) overgenomen als ‘normen’, zonder dat hierbij aanvullende parameters zijn vastgesteld. Bijlage V geeft voorschriften omtrent de monsterneming en metingen, en de voorwaarden voor afwijkingen.
De overige verplichtingen uit het Bkmw in het kader van het beschermen van schelpdierwater rusten op het overheidsorgaan dat ingevolge de Waterwet bevoegd is tot het verlenen van vergunningen als bedoeld in art. 6.2 van die wet, dat wil zeggen de Minister van IenM of, ten aanzien van regionale wateren, het bestuur van het betrokken waterschap (art. 10 Bkmw jo. art. 6.2 Waterwet). Deze bestuursorganen dienen bij het formuleren van waterplannen (krachtens artt. 4.1, 4.4 en 4.6 van de Waterwet) de schelpdierwater-kwaliteitseisen van bijlage IV van het Bkmw in acht te nemen.
De aanwijzing van schelpdierwateren vindt plaats in het nationaal waterplan op grond van art. 4.1, lid 3, onder c van de Waterwet (voor rijkswateren) en in de regionale waterplannen op grond van art. 4.4, lid 2, onder a van de Waterwet.
De inwerkingtreding van de codificerende Richtlijn 2006/113 vereiste geen aanpassingen van bovenstaande Nederlandse implementerende wet- en regelgeving.[356]
In het Nationaal Waterplan 2009-2015 zijn de Waddenzee en delen van de Delta en Noordzee aangewezen als schelpdierwater. In de jaren 2006-2007 voldeden 70 procent van de schelpdierlocaties aan de vereiste normen. Overschrijdingen hadden betrekking op temperatuur en overige fysisch-chemische parameters. In de schelpdieren zelf zijn de afgelopen jaren geen normoverschrijdingen geconstateerd (Rijkswaterstaat, 2009).
[345] PbEG L 268, 24.9.1991.
[346] PbEU L 157, 30.4.2004.
[347] COM(87) 868 PV, 1.4.1987.
[348] Interinstitutioneel Akkoord van 28.11.2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, PbEG C77, 28.3.2002.
[349] Grenswaarden geven een waterkwaliteit aan die tenminste moet worden bereikt en die, waar zij eenmaal is bereikt, niet meer mag verslechteren. Richtwaarden schrijven een kwaliteitsniveau voor dat zoveel mogelijk moet worden bereikt en dat, waar dat niveau aanwezig is, zo veel mogelijk in stand moet worden gehouden.
[350] PbEU L311, 21.11.2008.
[351] PbEG L 268, 24.9.1991.
[352] PbEU L 157, 30.4.2004.
[353] Zoals overeengekomen in het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994: ‘Beter wetgeven’, PbEU C 321, 31.12.2003.
[354] Stb. 1983, 606; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 15 (omzetting Richtlijn 2006/44 bij Stb. 2007, 266).
[355] Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146.
[356] Stcrt. 2007, 243.