Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

4.9 Bescherming van grondwater

4.9.1 Overzicht van EU-regelgeving

2006/118/EG (PbEU L 372, 27.12.2006)

voorgesteld 19.9.2003 – COM(2003)550

Richtlijn betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand

Rechtsgrondslag

Artikel 175 EG-Verdrag (thans art. 192 VwEU)

Bindende termijnen

Datum van inwerkingtreding

16 januari 2007

Omzetting in nationale regelgeving

16 januari 2009

Vaststelling drempelwaarden

22 december 2008

Implementatieverslag Commissie

22 december 2009

80/68/EG (PbEG L 20, 26.1.1980)

voorgesteld 24.1.1978 – COM(78)3

Richtlijn betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen

Rechtsgrondslag

Artikelen 100 en 235 EG-verdrag (thans resp. art. 115 en 352 VwEU)

Bindende termijnen

Datum van inwerkingtreding

19 december 1979

Omzetting in nationale regelgeving

19 december 1981

Beheersing van nieuwe lozingen

19 december 1981

Beheersing van bestaande lozingen

19 december 1985

Datum van intrekking door Kaderrichtlijn Water 2000/60

22 december 2013

4.9.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Waterwet

Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146

Waterbesluit

Stb. 2009, 548, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 330

Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 (Bkmw 2009)

Stb. 2010, 15

Infiltratiebesluit bodembescherming

Stb. 1993, 233, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 535

Lozingenbesluit bodembescherming

Stb. 1997, 649, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 144

Besluit lozing afvalwater huishoudens

Stb. 2007, 468, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 535

Stortbesluit bodembescherming

Stb. 1993, 55, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 244

Bouwstoffenbesluit

Stb. 1995, 567

4.9.3 Doelstelling van de Richtlijnen

Zo’n zeventig procent van het drinkwater in de EU is afkomstig van ondergrondse bronnen. Met het oog op de bescherming van die grondwaterbronnen, is in 1980 de Grondwaterrichtlijn 80/68 vastgesteld, met als doel het voorkomen van de verontreiniging van grondwater, en het zoveel mogelijk beperken of beëindigen van de gevolgen van bestaande grondwaterverontreiniging. Dit doel beoogt de Richtlijn te bereiken door harmonisatie van de regelgeving van de lidstaten betreffende lozingen van bepaalde gevaarlijke stoffen in het grondwater en door totstandbrenging van een systematische controle op de grondwaterkwaliteit.

Van belang is overigens zich in dit verband te realiseren dat zodra verontreiniging van grondwaterbronnen is opgetreden, dit uiterst lastig is weer weg te nemen of te verminderen. De Richtlijn heeft daarom zowel betrekking op directe als indirecte lozingen van de bedoelde gevaarlijke stoffen (art. 1).

Inmiddels is een nieuwe grondwaterrichtlijn 2006/118 vastgesteld, als zogenoemde dochterrichtlijn van de Kaderrichtlijn water 2000/60 (§ ???). De nieuwe Richtlijn geldt vanaf januari 2007 ter aanvulling op de oorspronkelijke grondwaterrichtlijn, en zal Richtlijn 80/68 met ingang van 22 december 2013 vervangen wanneer deze wordt ingetrokken krachtens art. 22 van de Kaderrichtlijn water. Richtlijn 2006/118 werkt de grondwaterbepalingen van de Kaderrichtlijn water nader uit door specifieke maatregelen vast te stellen ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging (art. 1, lid 1), en de bepalingen ter voorkoming of beperking van de inbreng van verontreinigende stoffen in grondwater aan te vullen, teneinde de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen (art. 1, lid 2). In de nieuwe Richtlijn staat derhalve de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en kwalitatieve achteruitgang centraal.

In het navolgende zullen beide Richtlijnen afzonderlijk besproken worden.

4.9.4 Samenvatting van de Richtlijnen

Richtlijn 80/68

In een bijlage bij Richtlijn 80/68 zijn twee lijsten met families en groepen van gevaarlijke stoffen opgenomen (Lijst I en Lijst II), waarbij de stoffen op Lijst I in algemene zin gevaarlijker zijn dan die op Lijst II. Hiermee introduceerde Richtlijn 80/68 een gevaarlijke stoffen regime specifiek voor grondwater, waar dit voorheen onder de horizontale gevaarlijke stoffen bepalingen van Richtlijn 76/464 viel (inmiddels ingetrokken door Richtlijn 2006/11, zie § ???). De grondwater-specifieke stoffenlijsten van Rchtlijn 80/68 komen niet geheel overeen met de generieke stoffenlijsten van Richtlijn 76/464 (inmiddels 2006/11). De lidstaten dienen lozingen van Lijst I-stoffen in het grondwater te voorkomen en lozingen van Lijst II-stoffen zoveel mogelijk te beperken (art. 3). Daarnaast stelt art. 18 van de Richtlijn in meer algemene zin dat de toepassing van krachtens de Richtlijn genomen maatregelen niet mag leiden tot verontreiniging van het grondwater.

Opvallend is overigens dat de Richtlijn ‘verontreiniging’ niet definieert aan de hand van maximaal toegestane concentraties stoffen in het grondwater – vergelijk de in de § ??? en § ??? behandelde waterkwaliteitsnormen – maar door aan te grijpen bij het effect van lozingen voor mens en milieu. Verontreiniging in de zin van de Richtlijn is het direct of indirect door de mens lozen van stoffen in het grondwater, ten gevolge waarvan de mens en het milieu in gevaar worden gebracht, geschaad of gehinderd (art. 1, lid 2 onder d). Grondwater omschrijft de Richtlijn overigens als al het water dat zich onder het bodemoppervlak van de verzadigde zone bevindt en dat in direct contact met bodem of ondergrond staat (art. 1, lid 2, onder a).

De verplichting van art. 3 om lozingen van Lijst I-stoffen te voorkomen en van Lijst II-stoffen zoveel mogelijk te beperken, geldt niet ten aanzien van een drietal soorten lozingen (art. 2):

  • lozingen van huishoudelijk afvalwater van alleenstaande woningen die niet zijn aangesloten op een collectief rioleringssysteem en gelegen zijn buiten de gebieden die met het oog op de winning van drinkwater zijn beschermd;

  • lozingen ten aanzien waarvan door de bevoegde nationale autoriteiten wordt geconstateerd dat zij stoffen van Lijst I en Lijst II in zo’n geringe mate bevatten, dat elk gevaar voor verslechtering van de grondwaterkwaliteit is uitgesloten; en

  • lozingen van radioactieve stoffen.

De verplichting genoemd in art. 3 brengt met zich dat de lidstaten alle directe lozingen – lozing zonder doorsijpeling door de grond - van Lijst I-stoffen moeten verbieden en maatregelen moeten treffen ter voorkoming van indirecte lozingen van Lijst I-stoffen (art. 4, lid 1). Indirecte lozingen van Lijst I-stoffen kunnen weliswaar worden vergund, maar zulke lozingen moeten aan een voorafgaand onderzoek worden onderworpen en zijn alleen toegestaan voor zover alle voorzorgsmaatregelen zijn getroffen om verontreiniging van het grondwater te voorkomen.

Lid 2 van art. 4 bepaalt verder dat de lidstaten lozingen van Lijst I-stoffen kunnen toestaan indien na onderzoek blijkt dat het grondwater waarin de lozing wordt overwogen, blijvend ongeschikt is voor enig ander gebruik, zulks op voorwaarde dat die lozing het benutten van bodemschatten niet verhindert en geen schade oplevert aan andere ecosystemen. Daarnaast kunnen de lidstaten toestemming geven voor lozingen van water dat voor geothermische doeleinden is gebruikt of water dat uit mijnen of waterbouwkundige werken is gepompt, voor zover dit water wordt geloosd naar dezelfde laag als die waar het vandaan kwam (art. 4, lid 3).

Ten aanzien van lozingen van Lijst II-stoffen brengt de verplichting van art. 3 met zich dat de lidstaten alle lozingen, zowel directe als indirecte, aan een voorafgaand onderzoek onderwerpen. Naar aanleiding van de uitkomst van dit onderzoek kunnen de bevoegde nationale autoriteiten voor lozing een vergunning verlenen, mits alle voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van verontreiniging van het grondwater zijn getroffen (art. 5).

Art. 7 geeft aan aan welke eisen het voorafgaande onderzoek van indirecte lozingen van Lijst I-stoffen en van directe en indirecte lozingen van Lijst II-stoffen moet voldoen. Eisen ten aanzien van vergunningen voor directe en indirecte lozingen zijn opgenomen in de artt. 9 en 10. Art. 11 bepaalt dat de desbetreffende vergunningen slechts voor een beperkte periode mogen worden verleend en ten minste om de vier jaar moeten worden herzien. Een verplichting voor de bevoegde nationale autoriteiten tot toezicht op de naleving van de vergunningen als ook tot handhaving van eventueel gedrag in strijd met die vergunningen is opgenomen in de artt. 12 en 13. Ingeval een lidstaat overweegt een lozing te vergunnen in grensoverschrijdend grondwater, dan dient die lidstaat de andere betrokken lidsta(a)t(en) hierover in te lichten (art. 17). Zonodig kan voorafgaand aan vergunningverlening overleg worden gevoerd.

Voor het kunstmatig opvullen van het grondwater met het oog op het waterbeheer, is eveneens een vergunning vereist. De lidstaten mogen zo’n vergunning uitsluitend verlenen indien dat geen gevaar voor verontreiniging van het grondwater oplevert (art. 6).

De Richtlijn diende per 19 december 1981 in het nationale recht te zijn omgezet (art. 21); ten aanzien van op het moment van kennisgeving van de Richtlijn al bestaande lozingen van Lijst I- en Lijst II-stoffen konden de lidstaten een termijn voorschrijven tot 19 december 1985, waarbinnen de desbetreffende lozingen moesten voldoen aan de Richtlijn (art. 14).

Op grond van art. 15 moeten de bevoegde nationale instanties een inventaris bijhouden van binnen de desbetreffende lidstaat verleende vergunningen. Die informatie is onder meer van belang voor rapportageverplichtingen van de lidstaten aan de Commissie. Elke drie jaar lichten de lidstaten de Commissie in omtrent de tenuitvoerlegging van de Richtlijn. De Commissie stelt hierop een rapport vast over de uitvoering van de Richtlijn in de Gemeenschap (art. 16, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/692).

Zoals gezegd zag Richtlijn 80/68 met ingang van 22 december 2013 worden ingetrokken, krachtens art. 22, lid 2 van de Kaderrichtlijn water 2000/60 (§ ???). Vanaf dat moment zal de nieuwe grondwaterrichtlijn 2006/118 gelden, als dochterrichtlijn ter aanvulling op de Kaderrichtlijn water.

Richtlijn 2006/118

Tot de primaire doelstellingen van Richtlijn 2006/118 behoort, in uitwerking van de Kaderrichtlijn water, het vaststellen van criteria en de procedure voor de beoordeling van de goede chemische toestand van het grondwater en criteria voor het vaststellen van significante en aanhoudende stijgende trends en de omkering daarvan, en voor het bepalen van de beginpunten voor omkeringen in trends (art. 1, lid 1, onder a en b). Hiertoe stelt de Richtlijn in Bijlage I waterkwaliteitsnormen vast, welke de lidstaten dienen te gebruiken bij de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen (art. 3, lid 1, onder a, en Bijlage I). In de Bijlage worden grondwaterkwaliteitsnormen vastgesteld voor nitraten (50 mg/l) en werkzame stoffen in bestrijdingsmiddelen (0,1 μg/l per stof en 0,5 μg/l in totaal), als communautaire criteria voor de chemische toestand van grondwaterlichamen. Hierdoor vertoont de nieuwe Grondwaterrichtlijn een samenhang met de Nitraatrichtlijn 91/676 (§???), de Gewasbeschermingsmiddelenrichtlijn 91/414 (§???), en de Biocidenrichtlijn 98/8 (§ ???).

Naast de grondwaterkwaliteitsnormen moeten de listaten ook drempelwaarden voor verontreinigende stoffen vaststellen (art. 3, lid 1, onder b, en Bijlage II). Bijlage II biedt richtsnoeren voor de vaststelling van drempelwaarden (deel A), en minimumlijsten van verontreinigende stoffen en indicatoren ten aanzien waarvan de vaststelling van drempelwaarden door de lidstaten moet worden overwogen (deel B), alsmede informatievereisten voor de lidstaten (deel C). Drempelwaarden kunnen worden vastgesteld op nationaal niveau, op het niveau van het stroomgebieddistrict of het deel van het internationaal stroomgebieddistrict dat binnen het grondgebied van een lidstaat ligt, of op het niveau van een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen (art. 3, lid 2). De lidstaten zorgen ervoor dat voor grondwaterlichamen, die door twee of meer lidstaten worden gedeeld, en voor grondwaterlichamen waarbinnen grondwater over de grens van een lidstaat stroomt, de vaststelling van drempelwaarden door de betrokken lidstaten wordt gecoördineerd overeenkomstig art. 3, lid 4 van de Kaderrichtlijn water (art. 3, lid 3). Indien een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen zich tot buiten het grondgebied van de EU uitstrekt, wordt er door de betrokken lidstaten naar gestreefd om in samenwerking met de betrokken derde landen buiten de EU drempelwaarden vast te stellen overeenkomstig art. 3, lid 5 van de Kaderrichtlijn water (art. 3, lid 4).

Lidstaten moesten uiterlijk op 22 december 2008 voor het eerst zulke drempelwaarden vastgesteld hebben, en deze worden bekendgemaakt middels de stroomgebiedbeheersplannen (art. 3, lid 5, jo. art. 13 van de Kaderrichtlijn water). Daarnaast wordt deze informatie opgenomen in een verslag van de Commissie, dat uiterlijk op 22 december 2009 gepubliceerd moest worden. De lijst van drempelwaarden wordt gewijzigd indien nieuwe informatie over verontreinigende stoffen hiertoe aanleiding geeft (art. 3, lid 6).

De gemeenschappelijke procedure voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwater wordt geregeld in art. 4 van de Richtlijn, mede aan de hand van Bijlage V van de Kaderrichtlijn water. Een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen wordt geacht in een goede chemische grondwatertoestand te verkeren indien:

  1. de relevante monitoring erop wijst dat aan de voorwaarden van de Kaderrichtlijn water is voldaan; of

  2. de waarden voor de grondwaterkwaliteitsnormen (Bijlage I) en de relevante drempelwaarden (art. 3, jo. Bijlage II) in geen enkel monitoringpunt in dat grondwaterlichaam of in die groep van grondwaterlichamen worden overschreden; of

  3. de waarde voor een grondwaterkwaliteitsnorm of de drempelwaarde in een of meer monitoringpunten overschreden wordt, maar door een passend onderzoek overeenkomstig bijlage III wordt bevestigd dat:

    • op basis van de beoordeling de concentraties verontreinigende stoffen die de grondwaterkwaliteitsnormen of de drempelwaarden overschrijden, rekening houdend, waar van toepassing, met de omvang van het betrokken grondwaterlichaam, niet worden beschouwd als een significant milieurisico;

    • is voldaan aan de andere in bijlage V van de Kaderrichtlijn water genoemde voorwaarden voor een goede chemische toestand van grondwater;

    • voor grondwaterlichamen die zijn bestemd voor de winning van drinkwater is voldaan is voldaan aan de voorschriften van artikel 7, lid 3 van de Kaderrichtlijn water;

    • de geschiktheid voor menselijk gebruik van het grondwaterlichaam of van één van de lichamen in de groep grondwaterlichamen niet significant door verontreiniging is aangetast.

Ook deze monitoringsresultaten dienen de lidstaten (in samenvatting) op te nemen in hun stroomgebiedbeheersplannen (art. 4, lid 4, jo. art. 13 van de Kaderrichtlijn water).

De lidstaten stellen iedere significante en aanhoudende stijgende trend vast in de concentratie van verontreinigende stoffen, groepen verontreinigende stoffen of indicatoren van verontreiniging in grondwaterlichamen of groepen grondwater­lichamen die als gevaar lopend zijn aangemerkt en zij bepalen het beginpunt voor een omkering in de trend (art. 5, lid 1, jo. Bijlage IV). Door middel van het maatregelenprogramma van de Kaderrichtlijn water (art. 11) die­nen de lidstaten ervoor te zorgen dat verontreiniging geleidelijk verminderd en dat voorkomen wordt dat de grondwatertoestand achteruit gaat (art. 5, lid 2). De lidstaten bepalen het beginpunt voor een trendomkering als percentage van de in bijlage I vastgestelde grondwaterkwaliteitsnormen voor grondwater en van de krachtens artikel 3 vastgestelde drempelwaarden, op basis van de vastgestelde trend en het bijbehorende milieurisico (art. 5, lid 3, jo. Bijlage IV, deel B). Zij geven in de stroomgebiedbeheersplannen een samenvatting van de wijze waarop de trendbeoordeling vanuit afzonderlijke monitoringpunten in een grondwaterlichaam, of een groep grondwaterlichamen, ertoe heeft bij­gedragen dat er in die lichamen een significante en aanhoudende stijgende trend in de concentratie van verontreinigende stoffen of een omkering in die trend is vastgesteld, als ook de redenen voor de vastgestelde beginpunten (art. 5, lid 4). Indien dit nodig is om het effect te beoordelen van bestaande verontreinigings­pluimen in grondwaterlichamen die de verwezenlijking van de doelstellingen in art. 4 van de Kaderrichtlijn water in gevaar kunnen brengen, met name pluimen uit puntbronnen en verontreinigde grond, voeren de lidstaten aanvullende trendbeoordelingen uit voor aangetroffen verontreinigende stoffen, om zich ervan te vergewissen dat de pluimen vanuit verontreinigde locaties zich niet verspreiden, de chemi­sche toestand van het grondwaterlichaam of de groep grondwaterlichamen niet doen verslechteren, noch een risico vormen voor de menselijke gezondheid en het milieu. Ook de resultaten van deze beoordelingen worden kort vermeld in de stroomgebied­beheersplannen (art. 5, lid 5).

Art. 6 van Richtlijn 200/118 schrijft in detail voor welke maatregelen de maatregelenprogrammas, vastgesteld overeenkomstig art. 11 Kaderrichtlijn water, dienen te omvatten teneinde de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater te voorkomen of te beperken. Van belang hierbij is met name de voorkoming van de inbreng van gevaarlijke stoffen in het grondwater (met name gevaarlijke stoffen die behoren tot de families of groepen verontreinigende stoffen genoemd in bij­lage VIII, punten 1 tot en met 9, van de Kaderrichtlijn water (art. 6, lid 1, onder a en b). Ook de inbreng van verontreinigende stoffen uit diffuse bronnen van verontreiniging, die gevolgen heeft voor de chemische toestand van het grondwater, wordt in aan­merking genomen wanneer zulks technisch mogelijk is (art. 6, lid 2). Art. 6, lid 3, biedt uitzonderingsgronden, op basis waarvan de lidstaten kunnen beslissen dat de in lid 1 voorgeschreven maatregelen niet gelden voor de inbreng van bepaalde verontreinigende stoffen of typen verontreinigingen, onverminderd voorschriften van strengere EU wetgeving, en alleen voorzover er een efficiënte monitoring van de betrokken grondwaterlichamen wordt uitgevoerd. Alle toegepast uitzonderingen dienen de lidstaten op te nemen in een inventaris met het oog op kennisgeving, op verzoek, aan de Commissie (art. 6, lid 4).

Op 16 januari 2009 moet aan de verplichtingen van de nieuwe Grondwaterrichtlijn 2006/118 wor­den voldaan (art. 12). Voor de periode vanaf die datum tot de intrekking van de oude Grondwaterrichtlijn 80/68, per 22 december 2013, voorziet art. 7 in een overgangsregeling. Gedurende deze periode dient bij alle nieuwe vergunningsprocedures in de zin van de artt. 4 en 5 van Richtlijn 80/68 rekening gehouden te worden met de nieuwe vereisten volgens de artt. 3 tot en met 5 van Richtlijn 2006/118.

De delen A en C van bijlage II en de bijlagen III en IV kunnen worden aangepast (art. 8), en de bijlagen worden in ieder geval uiterlijk op 16 januari 2013 herzien en vervolgens om de zes jaar (art. 10). Deze aanpassingen geschieden middels comitologie, en hiertoe wordt de Commissie bijgestaan door een comité (art. 9, lid 1), en in voorkomende gevallen is ook het Europees Parlement betrokken middels de nieuwe regelgevingsprocedure met toetsing (art. 9, lid 2).

De evaluatie van het functioneren van deze Richtlijn en de samenhang met andere milieuwetgeving zal worden meegenomen in het evaluatieverslag van de Commissie krachtens art. 18 van de Kaderrichtlijn water.

4.9.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijn

Hoewel de eerste Grondwaterrichtlijn 80/68 relatief vlot werd aangenomen (binnen twee jaar), gingen hier wel substantiële wijzigingen van het oorspronkelijke Commissievoorstel aan vooraf. Het milieu comité van het Europees Parlement introduceerde vele amendementen, die in veel opzichten de voorschriften van de Richtlijn strenger maakten. Tot de belangrijkste voorgestelde wijzigingen behoorde een verbod op indirecte lozing van Lijst I-stoffen in het grondwater, ook na voorafgaande bestuurlijke toetsing; en een compleet verbod op alle directe en indirecte lozingen in gebieden waar het grondwater gebruikt wordt, of gebruik zou kunnen worden, voor de drinkwatervoorziening. In het plenaire debat in het Europees Parlement, op 14 november 1978, verwelkomde Euro-Commissaris Natali de amendementen, maar niet zonder er tegelijk op te wijzen dat de Commissie als gevolg hiervan serieuze bezwaren zou moeten verwachten in de Raad van Ministers. Inderdaad bestonden zulke bedenkingen in verscheidene lidstaten, waaronder met name het Verenigd Koninkrijk. Echter, met het oog op deze weerstand gaf het Parlement zelf al de nodige concessies ten opzichte van het milieucomité rapport, bijvoorbeeld door belangrijke uitzonderingen toe te staan voor lozingen van Lijst I-stoffen, en om de praktijk van het kunstmatig aanvullen van grondwater (‘opladen van aquifers’, oftewel watervoerende lagen) vanuit rivieren, die onvermijdelijk enkele Lijst I-stoffen bevatten. Uiteindelijk werden de amendementen van het Europees Parlement nog substantieel gewijzigd, en behelsde Richtlijn 80/68, zoals deze op 17 december 1979 werd vastgesteld, in feite een principe verbod met afdoende uitzonderingsmogelijkheden om de kritische lidstaten tegemoet te komen.

De discussie over herziening van de grondwaterrichtlijn speelde al vele jaren. In 1992 en 1995 deed de Europese Raad aanbevelingen voor een actieprogramma en een herziening van Richtlijn 80/68. De Commissie gaf hieraan gehoor met een voorstel voor een actieprogramma voor geïntegreerde grondwaterbescherming en geïntegreerd grondwaterbeheer.[357] Uiteindelijk werd dit voorstel ingetrokken, en de relevante onderdelen van het actieprogramma ondergebracht in de tekst van de Kaderrichtlijn water 2000/60 (§ ???), die in oktober 2000 werd vastgesteld. Echter, tijdens de onderhandelingen over de Kaderrichtlijn konden de Raad van Ministers en het Europees Parlement onvoldoende overeenstemming bereiken over de vastlegging van Europese normen voor grondwaterkwaliteit en criteria voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwaterlichamen in de Kaderrichtlijn. Derhalve werd besloten deze aspecten onder te brengen in een later vast te stellen ‘dochterrichtlijn’, die ook de oude Grondwaterrichtlijn 80/68 zou kunnen vervangen nadat deze in 2013 door de Kaderrichtlijn zou worden ingetrokken.

Tegen deze achtergrond publiceerde de Commissie in september 2003 haar voorstel voor een Grondwater dochterrichtlijn, ter aanvulling en nadere uitwerking op de Kaderrichtlijn water, met name het voorschrift van art. 17, lid 2, onder a, dat maatregelen vastgesteld dienen te worden ter voorkoming en beheersing van grondwaterverontreiniging.

In eerste lezing, in april 2005, stelde het Europees Parlement maar liefst 89 amendementen voor, op de relatief bondige Richtlijn. De amendementen betroffen onder meer aanpassingen van definities, ‘grondwaterkwaliteitsnormen’, ‘indirecte lozingen’, ‘achteruitgang’, ‘achtergrondniveau’ en ‘basislijnniveau’ van verontreiniging. Daarnaast stond het Parlement een meer decentrale aanpak voor, vanwege de regionale verschillen in chemische samenstelling van het grondwater. Derhalve zou het aan de individuele lidstaten moeten zijn, in plaats van de EU als geheel, om de lijsten van potentieel verontreinigende stoffen vast te stellen, en de maximaal aanvaardbare concentraties en grenswaarden daarvoor.

Veel van deze EP amendementen waren voor de Commissie aanvaardbaar, als verhelderingen en verbeteringen van het oorspronkelijke voorstel, met name aangaande het handhavingsregime voor het bereiken van een goede chemische status van grondwater.

In de Raad van Ministers was echter minder overeenstemming. Eind juni 2005 aanvaarde de Raad 54 van de 89 amendementen van het EP (geheel, deels, of in essentie), terwijl opnieuw definities aangepast werden, en de EP wijzigingen van de Bijlagen werden afgewezen. Een gemeenschappelijke positie werd weliswaar bij gekwalificeerde meerderheid vastgesteld door de Raad, maar een aanzienlijk ‘tegen’-bloc werd gevormd door Duitsland, Hongarije, Italië en Zweden.

Het herziene Commissievoorstel werd in tweede lezing, in de lente van 2006, opnieuw door het Europees Parlement van een veelvoud aan amendementen voorzien, waaronder herintroducties van eerder verworpen aanpassingen. Centraal stond hierbij de grotere nadruk op preventie, niet alleen van grondwaterverontreiniging, maar ook van de achteruitgang van de chemische status van Europese grondwaterlichamen. Derhalve werd ook de ‘achteruitgang’ van de grondwatertoestand expliciet in de titel van de Richtlijn opgenomen. Ook stelde het EP voor dat het lidstaten vrij zou moeten staan om verdergaande maatregelen te treffen ter bescherming van grondwaterlichamen.

Aangezien de Raad de positie van het Parlement in tweede lezing weigerde te aanvaarden, kwam het in oktober 2006 tot bemiddeling (concilliatie). In het bemiddelingscomité konden beide Instellingen uiteindelijk wel een werkbaar compromis bereiken, waardoor Richtlijn 2006/118 uiteindelijk op 12 december 2006 in definitieve vorm kon worden vastgesteld.

Als een van de belangrijkste wijzigingen, die het Parlement wist door te voeren, geldt dat de nieuwe Grondwaterrichtlijn niet alleen uitgaat van ‘bescherming tegen verontreiniging’ maar ook van ‘bescherming tegen kwalitatieve achteruitgang’, zoals nu ook in de aanhef is vastgelegd. Als compromis werd echter afgezien van een nadere definitie van het begrip ‘achteruitgang’. Daarnaast is het aangescherpte handhavingsregime zoals voorgesteld door het EP grotendeels overgenomen, nu is vastgelegd dat de lidstaten niet alleen ‘streven naar’, maar ook daadwerkelijk verplicht worden alle noodzakelijk maatregelen ter voorkoming of beperking van de uitspoeling van gevaarlijke stoffen in het grondwater te nemen. Andere belangrijke wijzigingen betreffen onder meer: de kwaliteitsnormen voor nitraten, waarbij aansluiting gezocht bij de Kaderrichtlijn water 2000/60 (§ ???) naast de Nitraatrichtlijn 91/676 (§???); compensatieregelingen voor agrariërs die inkomstenderving ondervinden als gevolg van de grondwaterbeschermingsvoorschriften; de periodieke herziening krachtens art. 10; grotere invloed voor het EP in de comitologieprocedures, middels de nieuwe regelgevingsprocedure met toetsing (art. 9).

4.9.6 De omzetting in nationale regelgeving

De voorschriften van de oude Grondwaterrichtlijn 80/68 werden in Nederland geïmplementeerd middels de Grondwaterwet (Gww), de Wet milieubeheer (Wm), de Wet bodembescherming (Wbb), en verscheidene daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen, zoals met name het Lozingenbesluit bodembescherming, maar ook het Infiltratiebesluit bodembescherming, het Bouwstoffenbesluit, en het Stortbesluit bodembescherming. In de Gww werd met name geregeld de vergunningverlening, door Gedeputeerde Staten, voor infiltratie van water in de bodem, d.w.z. water in de bodem brengen ter aanvulling van het grondwater met het oog op het onttrekken van grondwater (artt. 14, lid 1, 14a, en 1, lid 1 Gww). Het hierop gebaseerde Infiltratiebesluit bodembescherming (krachtens art. 12 Wbb) gaf aan wanneer er sprake is van gevaar voor verontreiniging, in welk geval geen infiltratievergunning verleend mocht worden. Het Lozingenbesluit bodembescherming, gebaseerd op art. 6 Wbb, had betrekking op lozing in de bodem van huishoudelijk afvalwater, koelwater en bedrijfsafvalwater. Het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterbescherming, op basis van de Wbb, stelde milieuhygiënische randvoorwaarden vanuit bodem en oppervlaktewaterbescherming voor het gebruik van bouwstoffen. Het Stortbesluit bodembescherming, op basis van de Wm, regelde het storten van (afval)stoffen op of in de bodem gereguleerd.

In 1987 is Nederland door het EU HvJ veroordeeld vanwege gebreken in de omzetting van Richtlijn 80/68.[358] De aanpassingen die hierop volgden hebben grotendeels de onvolkomenheden in de omzetting gecorrigeerd.

Inmiddels is met ingang van 22 december 2009 de Waterwet[359] in werking getreden, en zijn hierin veel van bovenstaande omzettingsbepalingen overgenomen, met name uit de ingetrokken Gww. Zo valt de vergunningverlening voor bodeminfiltratie of grondwater onttrekking nu onder art. 6.4 Waterwet. De bevoegdheid ligt in beginsel bij de Waterschappen dan wel, afhankelijk van het type activiteit (met name voor grondwater en de inzameling van stedelijk afvalwater), bij Gedeputeerde Staten. Voorheen wees de Gww alleen de provincies als bevoegd gezag aan. Ook onder de Waterwet blijft de provincie echter wel kaderstellend en beleidsvormend op regionaal niveau. Art. 6.26 bepaalt dat een infiltratievergunning alleen wordt verleend als er geen gevaar is voor verontreiniging van het grondwater. Bij deze beoordeling worden nog altijd de regels van art. 12 van de Wbb, en het hierop gebaseerde Infiltratiebesluit bodembescherming, in acht genomen. Regels over bescherming van grondwater worden aan de vergunning verbonden op grond van art. 6.26, derde lid, en aan de vergunning worden voorschriften verbonden om de controle op de kwaliteit van het grondwater te verzekeren. De bovengenoemde AMvB’s zijn inmiddels veelal ook gekoppeld aan de Waterwet.

De nieuwe Grondwaterrichtlijn 2006/118 is in Nederland geïmplementeerd (overigens net niet op tijd voor de omzettingstermijn van 15 januari 2009) middels de Waterwet en het hierop gebaseerde Waterbesluit,[360] het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 (Bkmw 2009),[361] en verschillende van bovengenoemde bestaande AMvB’s, welke inmiddels gekoppeld zijn aan de Waterwet.

In het Bkmw 2009, een AMvB op grond van hs. 5 van de Wet milieubeheer (Wm) vastgesteld ter uitvoering van de milieudoelstellingen van de Kaderrichtlijn water 2000/60 (§ ???), worden de definities van Richtlijn 2006/118 overgenomen (art. 1, lid 3 Bkmw 2009). In art. 9 en Bijlage III van het Bkmw 2009 zijn de criteria en de procedure voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwater neergelegd, overeenkomstig de eerste twee leden van artt. 3 en 4 van de Richtlijn. De hieruit voortvloeiende vaststelling van een lijst met drempelwaarden voor verontreinigende stoffen en indicatoren van verontreiniging waarvan is vastgesteld dat zij een gevaar vormen voor grondwaterlichamen (art. 3, leden 5 en 6 van Richtlijn 2006/118) is geregeld in art. 4.5, lid 2 van het Waterbesluit.

De EU voorschriften voor grondwatermonitoring zijn overgenomen in art. 13, lid 1 van het Bkmw 2009, en worden nader uitgewerkt in het monitoringsprogramma. De verslaglegging van de beoordeling van de chemische toestand van het grondwater in de stroomgebiedbeheersplannen overeenkomstig het systeem van de Kaderrichtlijn water (art. 4, lid 4 van Richtlijn 2006/118) is in het Bkmw 2009 geregeld in art. 15, lid 2, onderdelen a en e, en in art. 4.5, lid 2 van het Waterbesluit. De voorschriften van art. 5 van de Richtlijn, inzake vaststelling van significante en aanhoudende stijgende trends en het bepalen van het beginpunt voor omkeringen in trends, zijn omgezet in artt. 10 en 15, lid 2, onder f, van het Bkmw 2009, alsmede art. 4.5, lid 2 van het Waterbesluit.

De Kaderrichtlijn water vergt dat de uitvoering van die richtlijn wordt gecoördineerd per stroomgebieddistrict, welke de lidstaten dienen aan te wijzen. Deze aanwijzing geschiedt in Nederland bij en krachtens art. 1.2, eerste lid, van de Waterwet, welke daarnaast voorschrijft dat de onderlinge grenzen van de Nederlandse delen van de stroomgebieddistricten worden vastgesteld bij AMvB, waarbij tevens wordt voorzien in de toedeling van grondwaterlichamen aan één van de stroomgebieddistricten. Het Waterbesluit (art. 1.2) geeft daaraan uitvoering, en de bijlagen bij het Waterbesluit bevatten kaarten waarop het beloop van de grenzen is aangegeven. Deze toedeling van grondwater komt inhoudelijk geheel overeen met de voorzieningen die voorheen op grond van de Wet op de waterhuishouding (Whh) van kracht waren in het kader van het Besluit vaststelling grenzen stroomgebieddistricten. Art. 4.5 van het Waterbesluit geeft nadere uitwerking aan de voorschriften van art. 4.1 van de Waterwet voor de inhoud van het nationale waterplan, als stroomgebiedbeheerplan. Naast de algemene inhoudsvereisten krachtens de Kaderrichtlijn water (o.m. art. 13) geldt krachtens de Grondwaterrichtlijn 2006/118 (art. 3, leden 5 en 6) ook het vereiste dat in stroomgebiedbeheerplannen de drempelwaarden voor grondwaterlichamen moeten worden opgenomen, een samenvatting van de beoordeling van de chemische toestand van het grondwater, de wijze van trendbeoordeling en overige informatie met betrekking tot de verontreinigende stoffen waarvoor een drempelwaarde is bepaald (art. 4.5, lid 2 Waterbesluit). Art. 4.6 van het Waterbesluit bepaalt dat in het nationale waterplan maatregelen ter uitvoering van de Grondwaterrichtlijn en onder meer de Kaderrichtlijn water worden opgenomen. Voor grondwater gaat het concreet om maatregelen om de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater te voorkomen of te beperken (artt. 6, en 4, lid 5 van Richtlijn 2006/118), bijvoorbeeld nationaal (water)emissiebeleid of het meststoffenbeleid en het daarbij behorende wettelijk kader of andere beleidsinstrumenten. Art. 6.11 van het Waterbesluit stelt regels aan het melden van de onttrekking van grondwater en de infiltratie van water, en het meten van gegevens ten aanzien van die handelingen. Deze verplichtingen waren voorheen geregeld in de Grondwaterwet en het daarop berustende Uitvoeringsbesluit op grond van art. 11 en 12 Grondwaterwet. Voor meldingen die onder het regime van de Grondwaterwet zijn gedaan, en voor besluiten omtrent een hogere meetfrequentie op grond van het Uitvoeringsbesluit, is in art. 8.3 van het Waterbesluit in overgangsrecht voorzien. Art. 7.1 van het Waterbesluit bevat een vrijstelling van heffing voor bepaalde grondwateronttrekkingen, als nadere uitwerking van art. 7.8, tweede lid, van de Waterwet.

4.9.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

In de Stroomgebiedbeheerplannen die in december 2009 zijn vastgesteld zijn drempelwaarden voor de grondwaterkwaliteit opgenomen, gebaseerd op adviezen van het RIVM (Verweij et al., 2008). In Tabel 4.9.1 zijn deze samengevat. Voor sommige stoffen varieert de drempelwaarde per grondwaterlichaam, afhankelijk van de achtergrondwaarde. Een aantal van de stoffen uit Bijlage II, deel B van Richtlijn 2006/118 komt om uiteenlopende redenen vooralsnog niet voor een drempelwaarde in aanmerking. De komende jaren worden de huidige drempelwaarden zo nodig aangepast en wordt het aantal stoffen uitgebreid waarvoor nationaal drempelwaarden worden afgeleid.

<!-- --> <!-- -->

Stof

Drempelwaarde(n)

Chloride

140 - 1990 mg/l*

Nikkel

30 µg/l

Arseen

15 – 25,5 µg/l

Cadmium

0,5 µg/l

Lood

11 µg/l

Fosfaat

0,1 – 9,0 mg/l P


* Voor zoute grondwaterlichamen is geen drempelwaarde afgeleid voor chloride, omdat deze daar van nature in zeer hoge concentraties voorkomt.

Ook voor de implementatie van de voorschriften met betrekking tot trends en trendomkering (art. 5 van Richtlijn 2006/118) heeft het RIVM een handreiking gepubliceerd (Boumans et al., 2008). In de Stroomgebiedbeheerplannen wordt voor alle stoffen 75% van de drempelwaarde gehanteerd als beginpunt voor trendomkering.

Voor de monitoring van de grondwaterkwaliteit en -kwantiteit is een Draaiboek beschikbaar (Ministerie van VROM, 2006).

Tabel 4.9.2 geeft een indruk van de kwantitatieve en chemische toestand van de verschillende grondwaterlichamen in de vier Nederlandse stroomgebieden.

<!-- --> <!-- -->

Stroomgebied

Kwantitatieve toestand

Chemische toestand

Goed

Ontoereikend

Goed

Ontoereikend

Eems

2

0

1

1

Maas

5

0

2

3

Rijndelta

11

0

8

3

Schelde

5

0

3

2


Referenties

Boumans, L.J.M. , H.F.R. Reijnders en W. Verweij (2008), KRW en GWR: Handreiking trend en trendomkering. RIVM-rapport 607300006/2008, Bilthoven.

Ministerie van VROM (2006), Draaiboek monitoring grondwater. Haskoning, ’s-Hertogenbosch, november 2006.

Verweij, W., et al. (2008), Advies voor drempelwaarden. RIVM-rapport 607300005/2008, Bilthoven.

[357] COM(96)315 def.

[358] Zaak 291/84, Commissie/Nederland, JurEG 2002, 3483.

[359] Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146.

[360] Stb. 2009, 548, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 144.

[361] Stb. 2010, 15.