Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

4.10 Lozing van gevaarlijke stoffen

4.10.1 Overzicht van EU-regelgeving

2006/11/EG (PbEU L 64, 4.3.2006)

voorgesteld 7.1.2004 - COM(2003)847

Richtlijn betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd (Gecodificeerde versie, ter vervanging van Richtlijn 76/464)

Rechtsgrondslag

Artikel 175 EG-Verdrag (thans art. 192 VwEU)

Bindende termijnen

Datum van inwerkingtreding

5 mei 1976 (Richtlijn 76/464)

24 maart 2006 (Richtlijn 2006/11)

De bindende termijnen van Richtlijn 76/464 (zoals gewijzigd) blijven onverminderd gelden (art. 13 en Bijlage II(B) Richtlijn 2006/11)

Datum van intrekking door Kaderrichtlijn Water 2000/60

22 december 2013

Datum van intrekking dochterrichtlijnen 82/176, 83/513, 84/156,

84/491, en 86/280 door Richtlijn 2008/105 (art. 12)

22 December 2012

Verslag aan de Commissie mbt tenuitvoerlegging Richtlijn

Elke drie jaar, uiterlijk 9 maanden na afloop van de drie-jaarlijkse periode; voor het eerst voor de periode 1993-1995

In Richtlijn 76/464 zelf waren geen data voorgeschreven; bij brief d.d. 3 november 1976 stelde de Commissie evenwel de volgende data vast:

Opzetten systeem van vergunningverlening

15 september 1978

Vaststellen reductieprogramma’s voor vervui-ling door Lijst II-stoffen

15 september 1981

Ten uitvoer leggen reductieprogramma’s

15 september 1986

Opmerking: Met het inwerkingtreden van Richtlijn 2006/11, op 24 maart 2006, is haar voorganger Richtlijn 76/464 (zoals meermaals gewijzigd) ingetrokken. De omzettingstermijn en overige bindende termijnen van de eerdere Richtlijn (zoals gewijzigd) blijven echter onverminderd gelden (art. 13 en Bijlage II(B)). Verwijzingen naar Richtlijn 76/464 (zoals gewijzigd) gelden voortaan als verwijzingen naar Richtlijn 2006/11; hiertoe is in Bijlage III van laatstgenoemde Richtlijn een concordantietabel opgenomen.

4.10.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Waterbesluit

Stb. 2009, 548, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 330

Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 (Bkmw 2009)

Stb. 2010, 15

Besluit omgevingsrecht

Stb. 2010, 143

Waterregeling

Stcrt. 2009, 19353, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2010, 7184

Regeling monitoring kaderrichtlijn water

Stcrt. 2010, 5615

Regeling grenswaarden voor chloroform in afvalwater

Stb. 1992, 180, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor DDT in afvalwater

Stb. 1992, 177, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor drins in afvalwater

Stb. 1992, 179, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor EDC in afvalwater

Stb. 1992, 25, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor HCB in afvalwater

Stb. 1992, 181, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor HCBD in afvalwater

Stb. 1992, 182, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor PCP in afvalwater

Stb. 1992, 178, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor PER in afvalwater

Stb. 1992, 27, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor TCB in afvalwater

Stb. 1992, 24, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor tetra in afvalwater

Stb. 1992, 176, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

Regeling grenswaarden voor TRI in afvalwater

Stb. 1992, 26, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723

4.10.3 Doelstelling van de Richtlijn

Richtlijn 2006/11 betreft slechts een zogenaamde codificatie van de verscheidene ingrijpende wijzigingen die in de afgelopen dertig jaar waren aangebracht ten aanzien van de oorspronkelijke Richtlijn 76/464, zonder dat inhoudelijke wijzigingen worden geintroduceerd. Het is vast beleid van de Commissie,[362] in samenspraak met de overige EU instellingen,[363] om instrumenten die meermaals opeenvolgend gewijzigd zijn (na maximaal tien aanpassingen) te codificeren en consolideren, teneinde het EU-recht duidelijk en doorzichtig te houden. In het navolgende zal aan de nieuwe, gecodificeerde Richtlijn bepalingen gerefereerd worden.

De Richtlijn heeft tot doel de bescherming van het aquatisch milieu in de EU tegen verontreiniging door bepaalde gevaarlijke afvalstoffen, met name stoffen die persistent, toxisch en bioaccumuleerbaar zijn (art. 3, jo. Bijlage I). Hiertoe bevat de Richtlijn een juridisch kader voor een gelijktijdig en geharmoniseerd beleid van de lidstaten ter voorkoming en vermindering van verontreiniging van oppervlaktewateren in het binnenland, territoriale zeewateren, en kustwateren (art. 1, jo. 3). Oorspronkelijk vielen ook grondwateren onder de voorganger Richtlijn 76/464, echter deze werden aan de werkingssfeer onttrokken vanaf de datum van inwerkingtreding van de eerste Grondwaterrichtlijn 80/68, met ingang van 19 december 1979.[364] De Richtlijn combineert een emissie-gerichte benadering voor lozingen van bepaalde verontreinigende stoffen, en een immissie-gerichte benadering op basis van geharmoniseerde kwaliteitseisen.

De Richtlijn is een zogenaamde kaderrichtlijn; verschillende ‘dochterrichtlijnen’ (zie Tabel ???) bevatten ter uitvoering van de Richtlijn ‘grenswaarden voor lozingen’ van verschillende gevaarlijke afvalstoffen (inmiddels opgenomen in Bijlage IX van de Kaderrichtlijn water, en binnenkort in te trekken bij Richtlijn 2008/105; zie hieronder). Die grenswaarden verschillen van de in § ??? (drinkwater), § ??? (zwemwater), § ??? (viswater), en § ??? (schelpdierwater) behandelde grenswaarden. Laatstbedoelde grenswaarden maken onderdeel uit van een waterkwaliteitsnorm en geven derhalve aan welke kwaliteit water dient te voldoen. De grenswaarden die hun basis vinden in Richtlijn 2006/11 betreffen daarentegen lozingen en zijn zodoende emissiegrenswaarden: ze schrijven voor welke hoeveelheid van een bepaalde stof in het water mag worden geloosd. Naast emissiegrenswaarden bevat Richtlijn 2006/11 ook ‘waterkwaliteitsdoelstellingen’. Verwarrend genoeg komen die waterkwaliteitsdoelstellingen wat betreft inhoud en functie weer overeen met de in waterkwaliteitsnormen opgenomen grenswaarden, waarover hierna meer.

Overigens beoogt de Richtlijn ook een consistente implementatie te bewerkstelligen van verschillende internationale Verdragen en verstoringen van de interne markt door verschillen in concurrentiepositie (tengevolge van verschillende milieurechtelijke normen) te voorkomen.

4.10.4 Samenvatting van de Richtlijn

Inhoudelijk vertoonde Richtlijn 76/464 nogal wat overeenkomsten met de in § ??? besproken (oude) Grondwaterrichtlijn 80/68, en beide hanteerden hetzelfde systeem van stofnormeringen. Zoals hierboven gezegd gold dan ook oorspronkelijk het regime van Richtlijn 76/464 tevens voor grondwater, totdat de Grondwaterrichtlijn 80/68 hiervoor een specifiek regime vaststelde.

De Richtlijn maakt een onderscheid naar twee categorieën verontreinigende stoffen. Een bijlage van de Richtlijn bevat twee lijsten met families of groepen van stoffen. Lijst I ( vaak aangeduid als de ‘zwarte lijst’) bevat stoffen geselecteerd op basis van hun toxiciteit, persistentie en bio-accumulatie, zoals organische halogeenverbindingen, carcinogene stoffen en kwik- en cadmiumverbindingen. Lijst II (vaak aangeduid als de ‘grijze lijst’) bevat stoffen die minder gevaarlijk worden geacht, zoals zink-, koper- en loodverbindingen, cyanide en ammoniak.

Art. 3 legt de lidstaten de verplichting op verontreiniging door lozingen van Lijst I-stoffen geheel te voorkomen; verontreiniging door lozingen van Lijst II-stoffen dient zoveel mogelijk te worden beperkt. Het voorkomen van verontreiniging door Lijst I-stoffen betekent niet dat geen enkele emissie van die stoffen mogelijk is; ‘verontreiniging’ wordt in de Richtlijn namelijk niet gedefinieerd aan de hand van de enkele aanwezigheid van bepaalde stoffen, maar aan de hand van de negatieve effecten die de aanwezigheid van die stoffen kan hebben. Van verontreiniging is met andere woorden sprake bij het ‘direct of indirect door de mens lozen van stoffen of energie in het aquatisch milieu, ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht, het leven en de ecosystemen in het water kunnen worden geschaad, de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander rechtmatig gebruik van het water kan worden gehinderd (art. 12, onder e). Vanaf wanneer dat het geval is, kan worden beoordeeld aan de hand van de bij dochterrichtlijnen vastgestelde emissiegrenswaarden en waterkwaliteitsdoelstellingen (inmiddels opgenomen in Bijlage IX Kaderrichtlijn water, zie hieronder). Stoffen van Lijst I dienden overigens te worden behandeld als Lijst II-stoffen tot het moment waarop voor die Lijst I-stoffen emissiegrenswaarden en waterkwaliteitsdoelstellingen in dochterrichtlijnen waren vastgelegd (zie Tabel 4.10.1).

Ter voorkoming van verontreiniging door Lijst I-stoffen is voor lozingen van Lijst I-stoffen is een voorafgaande vergunning nodig die wordt verleend door het in de betrokken lidstaat bevoegde gezag (art. 4, onder a). Vergunningen worden slechts verleend voor beperkte duur, maar kunnen worden verlengd met inachtneming van de in de tussentijd bijgestelde relevante emissiegrenswaarden (art. 4, onder c). In de emissienormen die vergunningen dienen te bevatten (art. 4, onder b), worden krachtens art. 5, lid 1 bepaald: a) de in de lozingen toelaatbare maximumconcentratie van een stof (in geval van verdunning moet de emissiegrenswaarde die is vastgesteld bij de dochterrichtlijnen onder Richtlijn 76/464, zoals inmiddels opgenomen in Bijlage IX bij de Kaderrichtlijn water) worden gedeeld door de verdunningsfactor; en b) de in de lozingen toelaatbare maximumhoeveelheid van een stof tijdens een of meer bepaalde perioden, zo nodig uitgedrukt in een gewichtseenheid van de verontreinigende stof per eenheid van het element dat kenmerkend is voor de verontreinigende werkzaamheid (bijvoorbeeld, gewichtseenheid per grondstof of per eenheid product). Strengere emissienormen zijn ook toegestaan (art. 5, lid 2).Indien de lozer verklaart dat hij de opgelegde emissienormen niet in acht kan nemen, of indien de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat zulks constateert, wordt de vergunning geweigerd (art. 5, lid 3), en indien de emissienormen niet in acht worden genomen, neemt de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de voorwaarden van de vergunning wordt voldaan en dat, zo nodig, de lozing wordt verboden (art. 5, lid 4).

Ter vermindering van verontreiniging door Lijst II-stoffen moeten de lidstaten een reductieprogramma vaststellen (art. 6, lid 1). Ook voor iedere lozing die Lijst II-stoffen bevat, moet vervolgens een vergunning worden verleend waarin emissienormen zijn opgenomen (art. 6, lid 2). Die emissienormen moeten gebaseerd zijn op de in de reductieprogramma’s op te nemen nationale waterkwaliteitsdoelstellingen (art. 6, lid 3), die op hun beurt weer gebaseerd moeten zijn op de in dochterrichtlijnen vast te leggen Gemeenschappelijke waterkwaliteitsdoelstellingen (inmiddels Bijlage IX Kaderrichtlijn water, en Richtlijn 2008/105, waarover hierna meer). Waterkwaliteitsdoelstellingen zijn waterkwaliteitsnormen (zie in § ??? (drinkwater), § ??? (zwemwater), § ??? (viswater), en § ??? (schelpdierwater): ze geven aan welke concentratie van een bepaalde stof in een bepaald water op een bepaald moment ten hoogste aanwezig mag zijn. Wanneer een vergunning wordt verleend voor een lozing van Lijst II-stoffen, zal zodoende een vertaalslag moeten worden gemaakt van de immissiegerichte waterkwaliteitsdoelstellingen in emissiegerichte normen die als voorschrift in de vergunning kunnen worden opgenomen (maar zie Milieukwaliteitsnormenrichtlijn 2008/105, § ???, en bespreking hieronder). Naast waterkwaliteitsdoelstellingen, kunnen de reductieprogramma’s ook specifieke voorschriften bevatten die op de samenstelling en het gebruik van stoffen of groepen van stoffen alsmede producten betrekking hebben. In de programma's wordt rekening gehouden met de jongste technische ontwikkelingen die economisch te verwezenlijken zijn (art. 6, lid 4). Krachtens art. 6, lid 5 worden in de programma's de termijnen vastgesteld voor de tenuitvoerlegging hiervan (voorheen gold onder Richtlijn 76/464 de termijn van 15 september 1986, zoals vastgesteld bij brief van de Commissie d.d. 3 november 1976). De lidstaten dienen samenvattingen van de reductieprogramma’s aan de Commissie te zenden alsook de informatie over de tenuitvoerlegging van die programma’s (art. 6, lid 6). Op basis hiervan voert de Commissie een onderlinge vergelijking uit van (de tenuitvoerlegging van) de programma’s van de lidstaten, om te bezien of de tenuitvoerlegging voldoende geharmoniseerd is, en bij gebrek daaraan nadere harmonisatievoorstellen te doen (art. 6, lid 7). In art. 22, lid 3 van de Kaderrichtlijn water wordt lidstaten de mogelijkheid geboden bij het vaststellen van de programma’s op grond van art. 6 van Richtlijn 2006/11 de beginselen van de Kaderrichtlijn water toe te passen voor de aanwijzing van verontreinigingsproblemen en de stoffen waardoor die veroorzaakt worden, de vaststelling van kwaliteitsnor­men en het vaststellen van maatregelen.

In de artt. 7 en 8 van Richtlijn 2006/11 komt het stand-stillbeginsel tot uitdrukking: toepassing van de krachtens deze richtlijn genomen maatregelen mag er in geen geval toe leiden dat de verontreiniging van de wateren binnen de werkingssfeer van deze Richtlijn (art. 1: oppervlaktewateren in het binnenland, territoriale zeewateren, en kustwateren) direct of indirect toeneemt. Bovendien dienen de lidstaten alle passende maatregelen te treffen om te voorkomen dat toepassing van de Richtlijn ertoe leidt dat de verontreiniging in wateren waarop de Richtlijn geen betrekking heeft, toeneemt, en verbieden zij alle handelingen die de bedoeling hebben bepalingen van de richtlijn te ontduiken of han­delingen die dat resultaat tot gevolg hebben. Hiermee wordt beoogd te voorkomen dat veront­reiniging wordt afgewenteld op andere wateren, die niet onder de reikwijdte van Richtlijn 2006/11 vallen.

Van dit stand-stillbeginsel is overigens opgemerkt dat het moeilijk te rijmen valt met het regime van waterkwaliteitsdoelstellingen voor Lijst I-stoffen, aangezien het feit dat lozingen van stoffen in grotere hoeveelheden dan voorgeschreven in emissiegrenswaarden zijn toegestaan indien de waterkwaliteit blijft voldoen aan de waterkwaliteitsdoelstellingen, onverlet laat dat door die lozingen de verontreiniging toeneemt (zij het niet in zo’n mate dat de waterkwaliteitsdoelstellingen worden overschreden).

Art. 9 kent de lidstaten de bevoegdheid toe om strengere voorschriften vast te stellen dan die welke op grond van de Richtlijn noodzakelijk zijn. Art. 10 legt de bevoegde autoriteiten in lidstaten de verplichting op om een inventarisatie bij te houden van binnen hun grondgebied verrichte lozingen van Lijst I-stoffen, in de in art. 1 genoemde wateren. Een verplichting tot rapportage omtrent de uitvoering van de Richtlijn is opgenomen in art. 11: elke drie jaar, en voor het eerst in de periode 1993-1995, brengen de lidstaten verslag uit aan de Commissie, die op basis hiervan een rapport uitbrengt over toepassing van de Richtlijn in de gehele EU. De leden 2 en 3 bepalen expliciet dat de door de lidstaten verstrekte informatie door de Commissie slechts gebruikt mag worden voor het doel waarvoor zij is gevraagd, en dat inlichtingen die naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen (met name betrekking hebbende op individuele ondernemingen of ondernemersverenigingen) niet openbaar gemaakt mogen worden.

Krachtens art. 12 worden de lijsten I en II van Bijlage I herzien door het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie, die handelt op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat, bijvoorbeeld door ze aan te vulllen rekening houdend met de opgedane ervaring, of door in voorkomend geval bepaalde onder lijst II vallende stoffen over te brengen naar lijst I.

Krachtens art. 13 wordt Richtlijn 76/464 ingetrokken bij de inwerkingtreding van Richtlijn 2006/11, met ingang van 24 maart 2006. De omzettingstermijn en overige bindende termijnen van de eerdere Richtlijn (zoals gewijzigd) blijven echter onverminderd gelden (art. 13 en Bijlage II(B)). Verwijzingen naar Richtlijn 76/464 (zoals gewijzigd) gelden voortaan als verwijzingen naar Richtlijn 2006/11, en hiertoe is in Bijlage III van laatstgenoemde Richtlijn een concordantietabel opgenomen.

Een tweetal punten dient hier volledigheidshalve nog te worden opgemerkt. Zoals aangegeven, dienen ten aanzien van Lijst II-stoffen reductieprogramma’s te worden vastgesteld. De Richtlijn kent een dergelijke verplichting ten aanzien van Lijst I-stoffen evenwel niet. Maar, in de tweede plaats, zoals aangegeven dienen Lijst I-stoffen waarvoor nog geen emissiegrenswaarden en waterkwaliteitsdoelstellingen in dochterrichtlijnen zijn vastgelegd, te worden behandeld als Lijst II-stoffen. Omdat het vastleggen van de bedoelde emissiegrenswaarden en waterkwaliteitsdoelstellingen onder Richtlijn 76/464 de nodige tijd in beslag bleek te nemen, moesten bepaalde Lijst I-stoffen toch worden meegenomen bij het vaststellen van de reductieprogramma’s.

4.10.5 Dochterrichtlijnen

Krachtens art. 6, lid 1 en lid 2 van de oorspronkelijke Richtlijn 76/464 was de Raad bevoegd om, op voorstel van de Commissie, bij dochterrichtlijnen emissiegrenswaarden en waterkwaliteitsdoelstellingen voor specifieke stoffen vast te stellen. Emissiegrenswaarden voor de stoffen van Lijst I werden vastgesteld op basis van toxiciteit, persistentie en bio-accumulatie met inachtneming van de beste beschikbare technische middelen. De beste beschikbare technische middelen mogen overigens niet worden verward met de beste bestaande technische middelen; bij het vaststellen van de emissiegrenswaarden kon de Raad rekening houden met bedrijfseconomische aspecten zoals de mate waarin een bij lozing te hanteren technisch middel redelijkerwijs kan worden aangewend.

Van deze bevoegdheid is in de loop der jaren gebruikgemaakt voor de vaststelling van een zevental dochterrichtlijnen, betrekking hebbend op in totaal zeventien stoffen van lijst I (zie tabel ???). Daarnaast had de Commissie in 1990[365] aangegeven dat voor een zestiental andere stoffen met voorrang dochterrichtlijnen dienen te worden vastgesteld, onder andere voor verschillende zware metalen en voor stoffen die als pesticiden in de landbouw worden toegepast (zie tabel ???). Dit voorstel werd echter in 1993 weer ingetrokken door de Commissie, onder meer vanwege hevige weerstand van het Verenigd Koninkrijk. Met name vanwege de invoering van de Kaderrichtlijn water (§ ???) en de op grond van art. 16 van die Kaderrichtlijn vast te stellen waterkwaliteitsnormen werden er geen verdere dochterrichtlijnen meer onder Richtlijn 76/464 vastgesteld.

Vanaf de inwerkingtreding van de Kaderrichtlijn water, met ingang van 22 december 2000, werden de tot dan toe in dochterrichtlijnen onder Richtlijn 76/464 neergelegde grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen beschouwd als respectievelijk emissiegrenswaarden en milieukwaliteitsnormen onder die Kaderrichtlijn, zoals neergelegd in Bijlage IX van die Richtlijn. Specifiek betreft dit de dochterrichtlijnen met grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwik (84/156) en kwiklozingen (82/176), cadmiumlozingen (83/513), kwik (hexachloorcyclohexaanlozingen (84/491), en lozing van gevaarlijke stoffen, dwz prioriteitsstoffen onder lijst I van Richtlijn 76/464 (86/280).

Op basis van art. 16 van de Kaderrichtlijn water werd vervolgens in december 2001 door de Raad en het Europees Parlement bij Beschikking 2455/2001[366] de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid vastgesteld. Deze stoffenlijst vervangt de lijst van gevaarlijke stoffen die opgenomen waren in lijst I van Richtlijn 76/464, en is als Bijlage X ingevoegd in de Kaderrichtlijn water.

Tenslotte is inmiddels bij Richtlijn 2008/105 (§ ???) een specifieke dochterrichtlijn onder de Kaderrichtlijn water ingevoerd, waarin milieukwaliteitsnormen worden vastgesteld op het gebied van het waterbeleid, met name gericht op het oppervlaktewater. Deze Richtlijn 2008/105 actualiseert opnieuw de prioritaire stoffenlijst van Beschikking 2455/2001 (voorheen Lijst I stoffen onder Richtlijn 76/464), en breidt deze uit met een lijst van 11 stoffen die dienen te worden geëvalueerd met het oog op de mogelijke identificatie als prioritaire (gevaarlijke) stof. Deze nieuwe, geactualiseerde prioritaire-stoffenlijst in Bijlage II van deze (dochter-)Richtlijn heeft met ingang van 13 januari 2009 de stoffenlijst van Bijlage X van de Kaderrichtlijn water vervangen (art. 8).

Richtlijn 2008/15 vormt de afronding van de in 2000 door de Kaderrichtlijn water ingezette intrekking en vervanging van de gevaarlijke stoffenlozingen Richtlijn 76/464 (zoals vervangen door Richtlijn 2006/11) en haar dochterrichtlijnen. Richtlijn 2008/15 voorziet hiertoe in een overgangsregime, en per 22 December 2012 volledige intrekking (artt. 10, 11 en 12), van de verschillende dochterrichtlijnen onder de Richtlijn 2006/11 (vroegere Richtlijn 76/464).

Tabel 4.10.1 Dochterrichtlijnen op grond van Richtlijn 76/464.

Stof

Richtlijnnr

PbEG

Titel

Data

Kwik (Hg)

82/176/EEG

L81 27.03.1982

Richtlijn betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van de sector elektrolyse van alkalichloriden

Voorgesteld: 14.06.1979 – COM(79)296

Datum van kennisgeving: 25.03.1982

Omzetting in nationale regelgeving: 01.07.1983

Realisering emissiegrenswaarden/waterkwaliteitsdoelstellingen:

01.07.1983 en 01.07.1986

84/156/EEG

L74 17.03.1984

Richtlijn betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van andere sectoren dan de elektrolyse van alkalichloriden

Voorgesteld: 15.12.1982 – COM(82)838

Datum van kennisgeving: 18.03.1984

Omzetting in nationale regelgeving: 12.03.1986

Realisering emissiegrenswaarden/waterkwaliteitsdoelstellingen: 01.07.1986 en 01.07.1989

Cadmium (Cd)

83/513/EEG

L291 24.10.1983

Richtlijn betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van cadmium

Voorgesteld: 17.02.1981 – COM(81)56

Datum van kennisgeving: 28.09.1983

Omzetting in nationale regelgeving: 28.09.1985

Realisering emissiegrenswaarden/waterkwaliteitsdoelstellingen: 01.01.1986 en 01.01.1989

Hexa­chloor­cyclo­hexaan (HCH)

84/491/EEG

L274 17.10.1984

Richtlijn betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor de lozing van hexachloorcyclohexaan

Voorgesteld: 07.07.1983 – COM(83)422

Datum van kennisgeving: 11.10.1984

Omzetting in nationale regelgeving: 01.04.1986

Realisering emissiegrenswaarden/waterkwaliteitsdoelstellingen: 01.04.1986 en 01.10.1988

DDT

86/280/EEG

L181 04.07.1986

Richtlijn betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464 vallende gevaarlijke stoffen

Voorgesteld: 28.01.1985 – COM(84)772

Datum van kennisgeving: 16.06.1986

Omzetting in nationale regelgeving: 01.01.1988

Realisering emissiegrenswaarden/waterkwaliteitsdoelstellingen: 01.01.1988 en 01.01.1991

Tetrachloor­koolstof (CCl4)

Penta­chloorfenol (PCP)

Aldrin, dieldrin, endrin, isodrin (‘drins’)

88/347/EEG

L158 25.06.1988

Richtlijn inhoudende wijziging van bijlage II van Richtlijn 86/280 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464 vallende gevaarlijke stoffen

Voorgesteld: ‘drins’ - 14.05.1975 – COM(79)243, COM (84)772, COM(86)534

Datum van kennisgeving: 16.06.1988

Omzetting in nationale regelgeving en realisering emissiegrenswaarden/waterkwaliteitsdoelstellingen: 01.01.1989

Hexachloorbenzeen (HCB)

Voorgesteld: HCB, HCBD: 13.10.1987 – COM(87)457

Omzetting in nationale regelgeving en realisering emissiegrenswaarden/waterkwaliteitsdoelstellingen: HCB, HCBD, CHCl3: 01.01.1990

Hexachloorbutadieen (HCBD)

Chloroform

(CHCl3)

1,2-Dichloorethaan (EDC)

90/415/EEG

L219 14.08.1990

Richtlijn inhoudende wijziging van bijlage II van Richtlijn 86/280 betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor lozingen van bepaalde onder lijst I van de bijlage van Richtlijn 76/464 vallende gevaarlijke stoffen

Voorgesteld: COM(88)432

Datum van kennisgeving: 31.07.1990

Omzetting in nationale regelgeving: 01.01.1992

Realisering emissiegrenswaarden/waterkwaliteitsdoelstellingen: 01.01.1993 en 01.01.1995

Trichloorethyleen (TRI)

Perchloorethyleen (PER)

Trichloorbenzeen (TCB)

Opmerking: Met ingang van 22 december 2012 worden bovenstaande dochterichtlijnen ingetrokken door de Milieukwaliteitsnormen Richtlijn 2008/105 (zie § ???). In de tussentijd geldt, met ingang van 13 januari 2009, een overgangsregime krachtens art. 11 van Richtlijn 2008/105.

De eerste vier dochterrichtlijnen, betreffende kwik, cadmium en hexachloorcyclohexaan (HCH), zijn apart vastgesteld; de overige drie zijn vastgesteld door middel van de gecombineerde ‘dochterrichtlijn’ 86/280, aangevuld door de Richtlijnen 88/347 en 90/415. Alle dochterrichtlijnen hebben de volgende elementen gemeen.

Duaal stelsel

Zoals hiervoor aangegeven, bevatten de dochterrichtlijnen zowel emissiegerichte grenswaarden als immissiegerichte waterkwaliteitsdoelstellingen. Al naar gelang de door de desbetreffende lidstaat gemaakte keuze, dient deze de emissiegrenswaarden of de waterkwaliteitsdoelstellingen toe te passen bij vergunningverlening voor lozingen van gevaarlijke stoffen. In beginsel geldt die verplichting voor alle lozingen, maar ten aanzien van een aantal stoffen, zoals chloroform, EDC, TRI en PER, wordt in de dochterrichtlijnen aangegeven dat lozingen tot een bepaalde omvang zijn aan te merken als ‘onbelangrijke’ lozingen en bijgevolg geen vergunning behoeven.

Emissiegrenswaarden

Voor de stoffen waarop de dochterrichtlijnen betrekking hebben, zijn emissiegrenswaarden vastgesteld, gespecificeerd naar verschillende typen van industriële processen of sectoren. Per emissiegrenswaarde is een tweetal waarden opgenomen: de een strenger dan de ander. Stapsgewijs – over het algemeen met een stap van drie jaar – dienen de lozingen in de lidstaten aan die waarden te voldoen. Iedere grenswaarde is verder uitgedrukt op een tweetal manieren: als absolute concentratie van een lozing (concentratiewaarde) en als relatieve hoeveelheid in verhouding tot de hoeveelheden stoffen die in het industriële proces van de inrichting worden geproduceerd, gebruikt of verwerkt. De laatstbedoelde emissiegrenswaarden dienen in ogenschouw te worden genomen terwijl de emissiegrenswaarden ten aanzien van concentraties in beginsel niet mogen worden overschreden. De emissiegrenswaarden moeten iedere vier jaar worden herzien en zonodig aangepast aan technische of wetenschappelijke ontwikkelingen.

Waterkwaliteitsdoelstellingen

De in de dochterrichtlijnen opgenomen waterkwaliteitsdoelstellingen variëren naar gelang de aard van de wateren waar die doelstellingen dienen te worden gerealiseerd (bijvoorbeeld binnenlands oppervlaktewater, estuaria, kust- en territoriaal water en water bestemd voor de bereiding van drinkwater). Een deel van de waterkwaliteitsdoelstellingen wordt evenwel uitgedrukt in concentraties van een stof aanwezig in het sediment of in vissen, schaal-, schelp- en weekdieren die in de desbetreffende wateren leven. De bevoegde nationale autoriteiten dienen de aard van het water waarin wordt geloosd, vast te stellen en op grond daarvan de relevante waterkwaliteitsdoelstelling toe te passen. Van die waterkwaliteitsdoelstelling(en) dienen in de voor lozing vereiste vergunning vervolgens emissienormen te worden afgeleid. Hiervoor is aangegeven dat de formulering van het stand-stillbeginsel in de Richtlijn de nodige vragen oproept ingeval van de toepassing van waterkwaliteitsdoelstellingen. In aanvulling op de formulering in de Richtlijn wordt in de dochterrichtlijnen ten aanzien van waterkwaliteitsdoelstellingen aangegeven dat de concentraties stoffen in sediment, vissen en schaal- , week- en schelpdieren niet ‘significant’ mogen toenemen.

Nieuwe inrichtingen

Een complicatie door het duale stelsel van emissiegrenswaarden en waterkwaliteitsdoelstellingen deed zich voor ten aanzien van vergunningverlening aan nieuwe inrichtingen. Zoals aangegeven, worden de emissiegrenswaarden in de dochterrichtlijnen vastgesteld met inachtneming van de beste beschikbare technieken. De op grond van die emissiegrenswaarden in vergunningen voor nieuwe inrichtingen vast te leggen emissienormen zullen derhalve ook op de beste beschikbare technieken zijn gebaseerd. Uitsluitend bij toepassing van die beste beschikbare technieken zal de vergunninghouder aan die emissienormen kunnen voldoen. Ten aanzien van het vastleggen van waterkwaliteitsdoelstellingen geldt de relatie met de beste beschikbare technieken niet; die relatie is gelet op het effectgerichte karakter van de waterkwaliteitsdoelstellingen ook hooguit indirect. Naar aanleiding van de totstandkoming van Richtlijn 82/176/EEG betreffende grenswaarden en kwaliteitsdoelstellingen voor kwiklozingen afkomstig van de sector elektrolyse van alkalichloriden wezen de Franse en Italiaanse regeringen op de gevolgen die het duale stelsel voor de concurrentiepositie van lidstaten kent. Immers, oprichting van een inrichting in een lidstaat waar niet met emissiegrenswaarden, maar met waterkwaliteitsdoelstellingen werd gewerkt, zou eenvoudiger zijn omdat die oprichting niet per se conform de beste beschikbare technieken behoeft te geschieden. Het Verenigd Koninkrijk - de enige lidstaat die ervoor had gekozen in plaats van de emissiegrenswaarden, waterkwaliteitsdoelstellingen toe te passen – weigerde evenwel over te stappen op emissiegrenswaarden. Een oplossing werd gevonden in een verklaring van de Raad van ministers die bij de Richtlijn werd gevoegd. Alhoewel in cryptischer bewoordingen, verklaarde de Raad van ministers dat de in vergunningen op te nemen emissienormen in een lidstaat waar de waterkwaliteitsdoelstellingen worden gehanteerd, niet alleen moeten zijn gebaseerd op die waterkwaliteitsdoelstellingen, maar ook op de beste beschikbare technieken.

Diffuse lozingen

Gegeven het feit dat de Richtlijn haar doel beoogt te bereiken door middel van het reguleren van lozingen - door middel van het in een vergunning vaststellen van emissienormen die hetzij op emissiegrenswaarden, hetzij op waterkwaliteitsdoelstellingen zijn gebaseerd - maar in de praktijk niet alle lozingen van gevaarlijke stoffen afkomstig zijn van herleidbare bronnen, bevatten de dochterrichtlijnen ook verplichtingen tot het opstellen van programma’s. Die programma’s moeten gericht zijn op het terugdringen van verontreiniging door diffuse lozingen en door andere lozingen waarvoor geen emissienormen in een vergunning zijn voorgeschreven. Deze verplichting geldt vanaf Richtlijn 86/280 standaard voor alle stoffen waarvoor dochterrichtlijnen worden vastgesteld. Een vergelijkbare verplichting is naderhand opgenomen in Richtlijn 84/156 voor lozingen van kwik, maar niet in de dochterrichtlijnen betreffende cadmium (83/513) en hexachloorcyclohexaan (84/491).

Monitoring en analyse

Richtlijn 86/280 bevat algemene bepalingen ten aanzien van de monitoring en analyse van alle gevaarlijke stoffen. Die algemene bepalingen zijn in de verschillende dochterrichtlijnen, waar nodig, aangevuld met specifieke voorschriften voor monitoring en analyse van de desbetreffende stoffen.

Gemeenschapsrapportage

De lidstaten dienen de Commissie op haar verzoek informatie te verschaffen over de vergunningen die zijn verleend voor lozingen van stoffen waarop de dochterrichtlijnen betrekking hebben. Ook dienen zij informatie te verschaffen over de uit monitoring en analyse verkregen gegevens. Op basis van die gegevens stelt de Commissie in beginsel iedere vijf jaar voor de Raad een rapport op over de toepassing van de Richtlijn en de dochterrichtlijnen in de verschillende lidstaten. Zo’n rapport is in 1996 door de Commissie gepubliceerd.[367]

<!-- --> <!-- -->

Trifluralin (174)

Endosulfan (76)

Simazine (106)

Triorganotinverbindingen

  • Tributyltin oxide (115)

  • Trifenyltin acetaat (125)

  • Trifenyltin chloride (126)

  • Trifenyltin hydroxide (127)

Atrazine

Organofosforverbindingen

  • Azinphos-ethyl (5)

  • Azinphos-methyl (6)

  • Fenitrothion (80)

  • Fenthion (81)

  • Malathion (89)

  • Parathion en Parathion-methyl (100)

  • Dichloorvos (70)


Opmerking: Tussen haakjes staat de positie van de desbetreffende stof op lijst I van de Richtlijn aangegeven. Atrazine was in lijst I niet opgenomen omdat ervan werd uitgegaan dat de stof weinig werd gebruikt binnen de Gemeenschap. Gebleken is evenwel dat atrazine veelvuldig wordt toegepast als onkruidverdelgingsmiddel. Overigens is atrazine vergelijkbaar met simazine, dat wel op lijst I staat.

Inmiddels is met de invoering van de Kaderrichtlijn water 2000/60 (§ ???), en de Milieukwaliteitsnormen Richtlijn 2008/105 (§???) de prioritaire-stoffenlijst herzien.

4.10.6 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijn

Toen de Europese Commissie begin jaren 1970 voor het eerst gevaarlijke stoffen wetgeving voorstelde, deed dit het nodige stof opwaaien. Mede vanwege de grote impact en de vereiste investeringen en uitvoeringshandelingen die dit soort regelgeving inherent zou inhouden, was de inhoud van de wetgeving vanaf het begin onderwerp van heftige discussie. Ook de vorm was in het oog springend; het oorspronkelijke Commissievoorstel was voor een Besluit van de Raad, niet voor een Richtlijn. Ook werden er geen bindende termijn vastgelegd, en ontbrak in het toenmalige eerste Europese Milieuactieprogramma de grondslag voor het op deze wijze vaststellen van grenswaarden voor gevaarlijke stoffen; immers, tot 1987 ontbrak in het EG-verdrag een expliciete juridische basis voor milieuwetgeving, en was de betekenis van de eerste milieuactieprogramma’s (slechts) politiek van aard.

Het aangepaste voorstel voor een Richtlijn, dat de Commissie in oktober 1974 publiceerde, refereerde in de preambule dan ook vooral aan de noodzaak van het aansluiten bij, en het coördineren van, internationale verdragen en conventies met betrekking tot verontreiniging van rivieren en andere wateren, die op dat moment in onderhandeling of onlangs vastgesteld waren, met name het Vedrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee vanaf het land (Vedrag van Parijs: zie § ???), het Verdrag inzake de bescherming van de Rijn tegen chemische verontreiniging (Rijnchemieverdrag: § ???), en het Europees ontwerpverdrag voor de bescherming van Internationale waterwegen tegen vervuiling (Verdrag van Straatsburg).

Alledrie deze verdragen hanteren twee stoffenlijsten geïnspireerd op de soortgelijke lijsten in de Verdragen van Oslo en Londen inzake verontreinigende stortingen op zee (Verdrag inzake het voorkomen van verontreiniging van de zee door het storten vanuit schepen en luchtvaartuigen: Oslo Verdrag; en Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee ten gevolge van het storten van afval en andere stoffen: Verdrag van Londen).

Volgens het rapport van het Milieucomité van het Europees Parlement stond de Belgische regering aan de wieg van het Commissievoorstel voor een gevaarlijke-stoffenrichtlijn. Kennelijk meende België dat Antwerpen, vanwege zijn ligging aan de Schelde potentieel onderworpen aan de strenge voorschriften van het Verdrag van Straatsburg, in een nadelige concurrentiepositie zou verkeren ten opzichte van steden als Londen of Le Havre, welke niet aan internationale rivieren gelegen zijn. Onder verwijzing hiernaar zou de Belgische regering de Commissie ervan overtuigd hebben van de noodzaak om alle lidstaten aan eenzelfde regime te onderwerpen. In deze lezing lijkt de oorsprong, en het oogmerk, van de Richtlijn in economische overwegingen te liggen. Dit verklaart dan ook de grote meningsverschillen tussen de lidstaten die een economisch voordeel konden ontlenen aan de bij de Richtlijn vast te stellen Gemeenschappelijke emissiegrenswaarden, en die lidstaten die juist wel zouden varen bij het uitblijven van harmonisering op dit gebied, zoals bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk waar veel lozingen in riviermondingen en rivieren plaatsvonden, en welke niet partij was bij alle internationale verdragen (bijvoorbeeld het Rijnchemieverdrag). In de onderhandelingen die volgden, zowel in de Raad als in het Europees Parlement, zouden deze tegenovergestelde economische belangen een invloedrijke rol gaan spelen.

Op grond van het oorspronkelijke Commissievoorstel voor een Richtlijn (was Raadsbesluit), van oktober 1974, zouden zowel voor Lijst I als Lijst II-stoffen emissiegrenswaarden vastgesteld worden door de Raad bij gekwalificeerde meerderheid. Echter, al binnen twee maanden was het voorstel op dit punt bijgesteld, naar het volstaan met milieukwaliteitsdoelstellingen voor Lijst II-stoffen. Er kon echter geen consensus bereikt worden over het voorstel in de Raadsvergadering van 16 oktober 1975, vooral vanwege het verzet van het Verenigd Koninkrijk tegen het vaststellen van Gemeenschappelijke emissiegrenswaarden voor Lijst I-stoffen. De controverse over het voorstel, en de recalcitrante houding van het Verenigd Koninkrijk, werden verder verhevigd door het feit dat de onderhandelingen plaatsvonden op het moment dat in het VK bij referendum besloten moest worden over het (voortdurend) lidmaatschap van de EG. Ongetwijfeld droeg deze politieke context bij aan de invloed van de zeer kritische geluiden uit de Britse industrie lobby op het onderhandelingsstandpunt van de Britse overheid. De Commissie en de overige lidstaten trachtten de Britse weerstand tegen Gemeenschappelijke emissiegrenswaarden te doorbreken onder verwijzing naar overwegingen van concurrentiebescherming en de administratieve eenvoud en gemak van harmonisatie. Deze argumenten werden echter verzwakt door het inconsistente onderscheid dat inmiddels al was overeengekomen in de aanpak voor Lijst I en Lijst II stoffen.

Uiteindelijk werd bij wijze van compromis een principeovereenkomst bereikt over het toestaan van een duaal regime voor Lijst I-stoffen, waarbij de lidstaten de keuze konden maken tussen het hanteren van hetzij emissiegrenswaarden danwel milieukwaliteitsdoelstellingen.

Naast deze grote wijziging van de aanpak voor List I en Lijst II stoffen, werden ook de inventarisatievereisten van het wetgevingsvoorstel afgezwakt. Waar het oorspronkelijke Commissievoorstel nog een inventarisatie van alle lozingen van Lijst I en Lijst II stoffen vereiste, schreef Richtlijn 76/464 uiteindelijk slechts inventarisatie voor bij lozingen van Lijst I stoffen. Echter, aangezien Lijst I stoffen als Lijst II stoffen behandeld dienden te worden zolang hiervoor nog geen emissiegrenswaarden en waterkwaliteitsdoelstellingen in dochterrichtlijnen waren vastgelegd, en dit proces zeer geruime tijd in beslag bleek te nemen, was de inventarisatie-eis voor lijst I stoffen achteraf bezien van geringe waarde.

De vaststelling van deze dochterrichtlijnen bleek inderdaad een langgerekt proces, om veelal dezelfde redenen die vertraging hadden veroorzaakt in de onderhandelingen voor de Kaderrichtlijn 76/464. In juni 1982 publiceerde de Commissie een Mededeling[368] ter identificatie van Lijst I stoffen, op basis van uitgebreid wetenschappelijk onderzoek. Hierin werd op basis van wetenschappelijk onderzoek een lijst van 1.500 stoffen aangewezen die voor technische doeleinden gebruikt werden en behoorden tot de families en groepen van Lijst I stoffen. Daarvan werden 1000 stoffen geproduceerd of gebruikt in kwantiteiten van minder dan 100 ton per jaar, 186 stoffen in meer dan 1.000 ton per jaar, 44 stoffen in meer dan 10.000 ton per jaar, en slechts 25 in meer dan 100.000 ton per jaar. Op basis van de milieu(water)risicobeoordeling van 500 van deze stoffen waren 108 stoffen geselecteerd voor nader onderzoek, waarvan 15 met prioriteit. Daarnaast waren er al 21 stoffen nader onderzocht, en later nog eens 2, wat het totaal op 131 stoffen bracht.

In februari 1983 nam de Raad bij Resolutie nota van de deze stoffenlijst uit de Commissiemededeling, als basis voor verdere werkzaamheden. Teneinde dit proces sneller te laten verlopen werd een vereenvoudigde procedure overeengekomen voor de vaststelling van de dochterrichtlijnen. Dit werd neergelegd in de ‘grote dochterrichtlijn’ 86/280, van algemene toepassing op alle Lijst I/Zwarte lijst stoffen die nog aan dochterrichtlijnen onderworpen moesten worden. Als gevolg van deze vereenvoudiging kwam het proces iets meer op gang, en konden uiteindelijk van de oorspronkelijke Commissie stoffenlijst in tien jaar tijd 17 stoffen opgenomen worden in dochterrichtlijnen onder Richtlijn 76/464. In februari 1990 publiceerde de Commissie een voorstel[369] ertoe strekkende dat voor nog eens 16 andere stoffen met voorrang dochterrichtlijnen dienen te worden vastgesteld (zie tabel ???), onder andere voor verschillende zware metalen en voor stoffen die als pesticiden in de landbouw worden toegepast. Dit voorstel ondervond echter hevige kritiek, met name van het Verenigd Koninkrijk, en werd uiteindelijk in 1993 officieel ingetrokken door de Commissie.

Vanwege de invoering van de Kaderrichtlijn water (§ ???) en de op grond van art. 16 van die Kaderrichtlijn vast te stellen waterkwaliteitsnormen werden geen verdere dochterrichtlijnen meer onder Richtlijn 76/464 vastgesteld, en is inmiddels deze taak overgenomen door de Milieukwaliteitsnormen richtlijn 2008/105 (§???).

De vaststelling van de nieuwe Gevaarlijke stoffenrichtlijn 2006/11 verliep zonder opmerkelijke ontwikkelingen. De Richtlijn behelst dan ook niet meer dan slechts een codificatie en consolidatie van de verscheidene wijzigingen die de oorspronkelijke Richtlijn 76/464 in de afgelopen 30 jaar had ondergaan. Voor codificatie van wetteksten geldt bovendien een versnelde werkmethode, aangezien er geen inhoudelijke wijzigingen mogen worden aangebracht.[370] Het Commissievoorstel van januari 2004 kon dan ook na een enkele lezing zonder wijzigingen door het Europees Parlement en de Raad worden vastgesteld, in februari 2006.

4.10.7 De omzetting in nationale wetgeving

Voorheen werd Richtlijn 76/464 in Nederland omgezet in met name de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo), de Wet milieubeheer (Wm), en de Wet op de waterhuishouding (Whh), en de bijbehorende lagere regelgeving.

Ter implementatie van Richtlijn 2006/11 werd de Regeling milieukwaliteitseisen gevaarlijke stoffen oppervlaktewateren vastgesteld. Echter, deze Regeling is inmiddels ingetrokken en vervangen door het Besluit kwaliteitseisen en monitoring water 2009 (Bkmw 2009), en de Regeling monitoring kaderrichtlijn water.

De emissiegrenswaarden voor specifieke Lijst I-stoffen, zoals vastgesteld in de verschillende dochterrichtlijnen onder Richtlijn 76/464 (inmiddels 2006/11), werden voorheen opgenomen in individuele Regelingen op grond van de Wvo. Bij de inwerkingtreding van de Waterwet, met ingang van 22 december 2009, zijn deze Regelingen aangepast en gebaseerd op art. 6.3 van het Waterbesluit en art. 8.40, lid 1, jo. art. 21.6, lid 6, Wm.

Op grond van art. 6.1 van de Waterregeling geldt dat in een vergunning krachtens art. 6.2 van de Waterwet wordt bepaald dat de vergunning geldt voor een daarbij te bepalen termijn van ten hoogste tien jaar, indien zij wordt afgegeven voor het in een oppervlaktewaterlichaam brengen van een of meer Lijst I-stoffen onder Richtlijn 2006/11, waarvoor grenswaarden zijn vastgesteld in de betreffende dochterrichtlijnen. Voor de inwerkingtreding van de Waterwet werd Richtlijn 2006/11 op dezelfde wijze omgezet in de context van de Wvo, middels art. 1 van de Regeling tijdelijke vergunning voor lozing van zwartelijststoffen (deze Regeling is van rechtswege komen te vervallen).

Bij vergunningverlening voor het lozen van afvalwater wordt bij het vaststellen van emissiegrenswaarden rekening gehouden met de voorschriften van Richtlijn 2006/11. Sinds de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), met ingang van 1 oktober 2010, geldt deze regeling krachtens art. 5.5, lid 3 Besluit omgevingsrecht, voor omgevingsvergunningen op grond van art. 2.1, lid 1, onder e, van de Wabo.

4.10.8 Uitvoering en effecten in de praktijk

Industriële bronnen dragen vooral in de rijkswateren nog in significante mate bij aan de waterverontreiniging met gevaarlijke stoffen. Zo werd in 2006 bijvoorbeeld in de rijkswateren in het stroomgebied Rijndelta nog 25 kg kwik en 39 kg cadmium geloosd (bron: SGBP 2009-2015 Rijndelta). Diffuse bronnen (met name landbouw en atmosferische depositie) en rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI’s; zie § ???) leveren tegenwoordig echter de grootste bijdrage aan de belasting van het oppervlaktewater met gevaarlijke stoffen.

[362] COM(87) 868 PV, 1.4.1987.

[363] Interinstitutioneel Akkoord van 28.11.2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten, PbEG C77, 28.3.2002.

[364] Hiermee verviel dan ook art. 4 van Richtlijn 76/464, mbt grondwater lozingen.

[365] COM(90)9, 8.2.1990.

[366] PbEG L 331, 15.12.2001.

[367] European Commission (1996). Administrative structures and implementation of the Community directives on the dangerous substances discharged into the aquatic environment.

[368] PbEG, C 176, 14.7.1982.

[369] COM(90)9, 8.2.1990.

[370] Zoals overeengekomen in het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994: ‘Beter wetgeven’, PbEU C 321, 31.12.2003.