78/176/EEG (PbEG L54, 25.5.1978) voorgesteld 14.7.1975 – COM(75)339 | Richtlijn betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie |
83/29/EEG (PbEG L32, 3.2.1983) voorgesteld 8.7.1982 – COM(82)430 | Wijziging Richtlijn 78/176 |
82/883/EEG (PbEG L378, 31.12.1982) | Richtlijn betreffende de voorschriften voor het toezicht op en de controle van de milieus die betrokken zijn bij lozingen van de titaandioxyde-industrie |
92/112/EEG (PbEG L409, 31.12.1992) | Richtlijn tot vaststelling van de procedure voor de harmonisatie van de programma's tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxide-industrie |
Rechtsgrondslag (78/176, 83/29 en 82/883) Rechtsgrondslag (92/112) | Artikelen 100 en 235 EG-verdrag (thans resp. art. 115 en 352 VwEU) Artikel 100A EG-verdrag (thans art. 114 VwEU) |
Bindende termijnen (78/176) | |
Datum van inwerkingtreding | 22 februari 1978 |
Omzetting in nationale regelgeving | 22 februari 1979 |
Toezending programma’s voor vermindering van verontreiniging aan de Commissie | 1 juli 1980 |
Tenuitvoerlegging programma’s | 1 januari 1982 |
Bereiken doelstellingen programma’s | 1 juli 1987 |
Opstellen verslag | om de drie jaar |
Bindende termijnen (92/112) | |
Datum van inwerkingtreding | 22 december 1992 |
Omzetting in nationale regelgeving | 15 juni 1993 |
Verbod op dumping en lozing sterk verontreinigend afval in water | 15 juni 1993 |
Voldoen aan lozings- en emissie-eisen (bedrijven met chlorideproces) | 15 juni 1993 |
Voldoen aan lozings- en emissie-eisen (bedrijven met sulfaatproces) | 31 december 1993 |
Opmerking: Op 6 januari 2011 is Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies in werking getreden (zie § ???). Daarin zijn ook de bepalingen van de Richtlijnen 78/176, 82/883 en 92/112 opgenomen. Op 7 januari 2014 zullen de drie genoemde Richtlijnen worden ingetrokken.
Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen | Stb. 1993, 324, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 144 |
Regeling grenswaarden voor sulfaat en chloride bij lozingen door de titaandioxide-industrie | Stb. 1989, 618, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723 |
Wet milieubeheer (Wm) | Stb. 1979, 442, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 187 |
Het belangrijkste doel van de Richtlijnen is het voorkomen en geleidelijk verminderen van de verontreiniging veroorzaakt door afvalstoffen van de titaandioxide-industrie met als oogmerk haar te doen beëindigen (78/176, art. 1, lid 1). Titaandioxide (TiO2) is een wit pigment dat wordt gebruikt in verf en andere producten. De hoeveelheid afval die bij de productie ervan ontstaat kan de hoeveelheid product verre overtreffen. Dit afval werd veelal gedumpt op zee of geloosd in riviermondingen. In 1972 lokte de aanwezigheid van ‘red mud’ in de Middellandse Zee, veroorzaakt door lozingen van een Italiaanse titaandioxidefabriek, heftige protesten uit op Corsica. Dit leidde tot een zaak bij het Hof en tot beperkingen die aan de fabriek werden opgelegd.
Richtlijn 92/112 heeft daarnaast de verbetering van de concurrentievoorwaarden in de sector van de titaandioxide-industrie tot doel (art. 1).
Deze Richtlijn legt algemene verplichtingen op aan de lidstaten om te zorgen dat het afval van de TiO2-industrie op zodanige wijze verwijderd wordt dat er geen gevaar voor de menselijke gezondheid of schade aan het milieu ontstaat (art. 2). Ook dienen ze afvalpreventie en recycling te bevorderen (art. 3).
Het lozen, dumpen, opslaan, storten en in de bodem injecteren van TiO2-afval mag alleen met een vergunning gebeuren. De vergunning geldt voor een beperkte duur, maar kan wel worden verlengd (art. 4). De bevoegde instantie mag alleen een vergunning verlenen als de afvalstoffen niet op geschiktere wijze verwijderd kunnen worden en er geen schade te verwachten is voor de desbetreffende milieus (art. 5 en 6). Bijlage I bij de Richtlijn specificeert de informatie die moet worden verstrekt met het oog op de vergunningverlening. Het gaat daarbij om informatie over de aard van de afvalstoffen en de plaats en wijze van verwijdering.
Het verwijderen van afvalstoffen moet gepaard gaan met controle, zowel van de stoffen zelf als van het milieu (art. 7). Bijlage II van de Richtlijn geeft specifieke voorschriften voor die controle. De Commissie moest binnen een jaar met nadere voorschriften voor toezicht en controle van de betrokken milieus komen (dit heeft geleid tot Richtlijn 82/883; zie hierna).
Als niet aan de voorwaarden van de vergunning wordt voldaan, of als er toch schade aan het milieu optreedt, moet de bevoegde autoriteit maatregelen nemen en zo nodig het verwijderen van het afval opschorten (art. 8). De lidstaten moesten uiterlijk 1 juli 1980 aan de Commissie programma’s toezenden om de verontreiniging door afval van de bestaande TiO2-industrie geleidelijk te verminderen en uiteindelijk te beëindigen (art. 9). Deze programma’s moesten uiterlijk 1 januari 1982 ten uitvoer worden gelegd en uiterlijk 1 juli 1987 zouden de doelstellingen moeten worden bereikt. De Commissie beoogde binnen een half jaar na ontvangst van de programma’s voorstellen in te dienen ter harmonisatie van deze programma's, om te komen tot beëindiging van de verontreiniging en ter verbetering van de concurrentievoorwaarden in de TiO2-sector.
Als een lidstaat van mening was dat voor bepaalde industriële vestigingen geen aanvullende maatregelen nodig waren, diende hij de beweegredenen daarvoor binnen een half jaar aan de Commissie mede te delen. Indien de Commissie het niet met de motivering eens was, moesten ten aanzien van de betreffende vestigingen alsnog maatregelen in het programma worden opgenomen (art. 10).
Voor nieuwe vestigingen is voorafgaande vergunningverlening vereist. Daartoe moeten eerst studies worden gemaakt van de milieugevolgen. Vergunningen kunnen alleen worden verleend aan ondernemingen die verklaren dat ze alleen gebruik zullen maken van de vanuit milieuoogpunt minst schadelijke materialen, procédés en technieken die op de markt beschikbaar zijn (art. 11).
De lidstaten kunnen strengere voorschriften vaststellen dan het in de Richtlijn bepaalde (art. 12).
De lidstaten moeten de Commissie voorzien van informatie over de vergunningen, de resultaten van de controle op het milieu, en de genomen maatregelen (art. 13, lid 1). Hierbij wordt de nodige vertrouwelijkheid gewaarborgd.
Om de drie jaar moeten de lidstaten de Commissie inlichten over de tenuitvoerlegging van de Richtlijn (art. 14, zoals gewijzigd bij Richtlijn 91/692).
Deze Richtlijn verlengde de termijn waarop de Commissie harmonisatievoorstellen moest indienen voor de nationale programma’s (op grond van art. 9 van Richtlijn 78/176) tot 15 maart 1983.
Met deze Richtlijn werd (met bijna twee jaar vertraging) voldaan aan de verplichting die art. 7 van Richtlijn 78/176 aan de Commissie oplegde om procedures voor te stellen voor het toezicht op en de controle van de ontvangende milieus. In vijf Bijlagen staat vermeld wat er gemeten moet worden en hoe er gemeten moet worden in het geval van respectievelijk lozing in de lucht, lozing of storting in zeewater, lozing in zoet oppervlaktewater, opslag en storting op de bodem, en injectering in de bodem.
Deze Richtlijn gaf (opnieuw met vertraging) uitvoering aan de verplichting die de Commissie op grond van Richtlijn 78/176 had om de nationale programma’s voor de vermindering en uiteindelijke opheffing van verontreiniging door afval van de TiO2-industrie te harmoniseren[381].
Vanaf 15 juni 1993 is het storten (lozing vanuit schepen of vliegtuigen in oppervlaktewater, inclusief de zee) van vaste afvalstoffen, sterk zure afvalstoffen, zuiveringsafvalstoffen, zwak zure afvalstoffen of geneutraliseerde afvalstoffen verboden (art. 3). Met ingang van diezelfde datum moesten de lidstaten ook de lozing op oppervlaktewateren (inclusief de zee) verbieden van vaste stoffen, sterk zure afvalstoffen en zuiveringsafvalstoffen door bestaande industriële vestigingen, zij het dat dit verbod niet geldt voor zuiveringsafvalstoffen van bedrijven die van het chlorideproces gebruik maken (art. 4). In geval van ernstige technische en economische moeilijkheden was uitstel tot 30 juni 1993 mogelijk (art. 5).
De lozing van minder verontreinigend afval (zoals zwak zure en geneutraliseerde afvalstoffen) moest worden beperkt tot in art. 6 gespecificeerde waarden, met ingang van respectievelijk 31 december 1993 (bedrijven met sulfaatproces) en 15 juni 1993 (bedrijven met chlorideproces). Uitstel in geval van ernstige technische en economische moeilijkheden was mogelijk tot uiterlijk 31 december 1994, maar alleen voor bedrijven met sulfaatproces (art. 7). Als alternatief voor de genoemde lozingseisen kunnen de lidstaten kiezen voor gelijkwaardige kwaliteitsdoelstellingen, in combinatie met daarbij passende grenswaarden (art. 8).
Art. 9 bevat de grenswaarden voor de emissies naar de atmosfeer, waarbij dezelfde deadlines golden voor beide soorten processen als bovengenoemd.
De in art. 6, 8 en 9 genoemde beperkingen moeten door de lidstaten worden gecontroleerd aan de hand van de productie van de betrokken industrieën (art. 10).
De lidstaten moeten zorgen dat de afvalstoffen waarvan dumping, lozing of emissie verboden zijn, zoveel mogelijk niet ontstaan, dan wel worden hergebruikt of verwijderd zonder nadelige gevolgen voor mens of milieu (art. 11).
De directe aanleiding tot het vaststellen van Europese titaandioxideregelgeving lag in het zogenoemde ‘rode modder’ conflict, aan het begin van de jaren 1970, tussen Frankrijk en Italië over milieuverontreiniging als gevolg van het op zee storten van ferrosulfaat (of ijzervitriool: een van de afvalstoffen van titaandioxide productie), afkomstig uit de Montedison fabriek in Scarlino.
Het oorspronkelijke Commissievoorstel van juli 1975, voorzag in veel strengere voorschriften dan de uiteindelijk vastgestelde Richtlijn 78/176 zou bevatten. Naast vergunnings- en monitoringverplichtingen verplichtte de concept-Richtlijn ook een gefaseerde reductie van emissies, met als doelstelling dat tegen 1985 slechts 5% van de totale, onbehandelde emissies gestort zouden mogen worden op zee of in estuaria (riviermondingen). Zoals bij veel van de vroege waterwetgeving het geval was, maakte het Verenigd Koninkrijk bezwaar tegen deze voorstellen, en verklaarde minister Denis Howell op 16 oktober 1975 in de Raad van Ministers dat het VK de concept-Richtlijn in huidige vorm niet kon ondersteunen omdat het uniforme normen stelde voor het reguleren van afvallozingen, ongeacht de betrokken milieuomstandigheden. Dit argument kwam voort uit de praktijk in Britse fabrieken om continu te lozen in riviermondingen met grote getijde excursies en sterke stromingen, waarin het zuurgehalte in het water snel geneutraliseerd wordt door het vermengen met zeewater, waardoor de resulterende bezinksels met ijzer, titanium, en andere elementaire metalen, snel verspreid worden. De Britse titaandioxide-productie locaties waren zelfs specifiek aangewezen op met het oog op lozingen naar riviermondingen die al rijk waren aan zwevende deeltjes.
Ter vergelijking, in het Middelandse Zee gebied wordt de verspreiding van afvalstoffen bemoeilijkt door de beperkte getijdewerking. De daar vigerende praktijk van incidenteel en met tussenpozen afval storten (dwz in plaats van continu, zoals in het VK) van geconcentreerde zuren vanuit schepen (het zuurgehalte wordt geconcentreerd met het oog op de transportkosten), resulteert in hogere concentraties in het zeewater dan het geval zou zijn bij onafgebroken lozing van verdunde zuren vanuit een pijplijn.
Het voorstel voor een titaandioxide-Richtlijn werd in Engeland ook gebruikt om de nadelen te onderstrepen van de emissiegrenswaarden aanpak voorzien in Richtlijn 76/464 betreffende de lozing van gevaarlijke stoffen in water (zie § ???).
Bovendien werd er in dat kader op gewezen dat er bij titaandioxideproductie geen gebruik werd gemaakt van Lijst-I stoffen (‘zwarte lijst stoffen’) onder die Richtlijn (afgezien van sporen) , en dat alle lidstaten overeengekomen waren om alle andere stoffen te reguleren middels milieukwaliteitsdoelstellingen, in plaats van emissiegrenswaarden. Tijdens het plenaire debat in het Europees Parlement over het voorstel erkende Euro-commissaris Scarascia Mugnozza dat het kort daarvoor bereikte compromis over de gevaarlijke stoffenrichtlijn 76/464 inderdaad een relevante factor was in de discussie over het titaandioxidevoorstel.
De oplossing die uiteindelijk gevonden werd voor titaandioxide, overigens onder Brits voorzitterschap, bestond eruit dat alle lidstaten hun eigen programma’s voor progressieve verontreinigingsreductie aan de Commissie zouden sturen. Zonder twijfel bleef het Verenigd Koninkrijk de grootste tegenstander van centrale, uniforme maatregelen, maar het vooruitzicht van excessief strikte normen bleek ook voor andere landen en partijen een zorg. Zo wees bijvoorbeeld het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) in haar opinie over het voorstel van 25 februari 1976 op het dreigende gevaar voor banenverlies binnen de EEG wanneer de titaandioxide industrie uit onvrede over excessief hoge kosten en lasten de EEG zou verlaten om zich elders onder meer coulante omstandigheden te vestigen. Het Verenigd Koninkrijk slaagde er uiteindelijk in om het cruciale art. 10 in de Richtlijn te introduceren, op grond waarvan lidstaten, onder vermelding aan de Commissie, specifieke fabrieken aan de verontreinigingsreductie programma’s konden onttrekken, als er geen verontreiniging veroorzaakt werd. Deze bepaling, geïntroduceerd onder druk van de Britse industrie, zou uiteindelijk leiden tot de eerste milieu-zaak aanhangig gemaakt bij het EU HvJ, maar leidde uiteindelijk niet tot een uitspraak.[382]
Krachtens de Richtlijn moesten de lidstaten voor 1 juli 1980 hun nationale programma’s ter vermindering en uiteindelijk beëindiging van verontreiniging door titaandioxide productie indienden bij de Commissie. Brussel zou op basis daarvan binnen zes maanden een voorstel formuleren om tot harmonisatie van de nationale aanpakken te komen. In praktijk ontving de Commissie de laatste landenrapporten pas ruim een jaar later, in oktober 1981, en werd vervolgens bevonden dat vele rapporten onvoldoende informatie bevatten, en derhalve niet onderling vergelijkbaar waren om tot een harmonisatie-voorstel te komen. Derhalve moest de Commissie middels Richtlijn 83/29 aanvullende informatie verzoeken van de lidstaten, met een nieuwe bindende termijn van 15 maart 1983. Uiteindelijk kwam de Commissie op 14 april 1983 met een voorstel voor een harmonisatie-Richtlijn.[383] Hierin werden uniforme verminderingen in lozingen voorgesteld, veelal ongeacht het ontvangende milieu, precies zoals bij de oorspronkelijke Richtlijn 78/176 zo hevig bestreden en uiteindelijk losgelaten was (zie hierboven). Opnieuw maakte met name het Verenigd Koninkrijk bezwaar tegen dit voorstel, op grond van strijdigheid met nationaal beleid en vigerende praktijk, en de economische gevolgen die deze maatregelen zouden hebben. Met het oog op deze hardnekkige Britse blokkade kondigde de Commissie in februari 1987 aan dat het haar voorstel voor een harmoniserende titaandioxide Richtlijn opnieuw zou indienen op grond van het nieuwe art. 100A EG-Verdrag, zoals dat inmiddels door de Europese Akte was geïntroduceerd. Deze nieuwe rechtsgrondslag verschafte de Commissie de mogelijkheid om het Britse verzet te omzeilen, aangezien dit niet langer unanimiteit zou vereisen en een meerderheidsbesluit afdoende zou zijn om de Richtlijn vast te stellen. Mede als gevolg van deze strategie hief het VK haar verzet goeddeels op, toen het na afloop van de tweede Noordzee Conferentie in November 1987 een meer robuuste aanpak van waterverontreiniging aankondigde. Deze koerswijziging was echter ook het gevolg van de vaststelling door de Britse titaandioxide industrie van een grootschalig verontreinigingsbeheersingsprogramma, waarin op de Europese voorstellen werd geanticipeerd.
Desalniettemin stelde het Verenigd Koninkrijk zich, net als verschillende andere lidstaten, op het principiële standpunt dat het door de Commissie verkozen art. 100A EG niet de juiste rechtsgrondslag voor de titaandioxide Richtlijn vormde. Zij stelden de Richtlijn derhalve in juni 1989 alsnog op basis van unanimiteit vast (als het ware krachtens art. 130S). Twee jaar later zou het EU HvJ zich over dit inmiddels beruchte inter-institutionele rechtsgrondslag conflict buigen, en de nietigheid van de Richtlijn uitspreken.[384]
De Commissie kwam vervolgens met een nieuw voorstel voor de harmoniserende Richtlijn, opnieuw op grond van art. 100A, overeenkomstig het oordeel van het Hof. De Richtlijn werd vastgesteld door de Raad in december 1992.
De titaandioxide Richtlijnen worden in Nederland geïmplementeerd in het Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen[385], op grond van de artt. 8.40, 8.41, 8.42 en 8.42a, Wet milieubeheer (Wm).[386] Nadere uitwerking vindt plaats in de Regeling grenswaarden voor sulfaat en chloride bij lozingen door de titaandioxide-industrie.[387] Verder gelden natuurlijk de algemene vergunningsverplichtingen en afvalstortingsvoorschriften krachtens de Wm en de Waterwet (zie § ???).
In Nederland is slechts één producent van titaandioxide gevestigd (Tronox). In de jaren ’80 is er veel te doen geweest over de afvalzuurlozingen van dit bedrijf (toen nog Tiofine geheten) op de Noordzee. In 1989-1990 is overgeschakeld van het sulfaatproces naar het chlorideproces en zijn de lozingen gesaneerd.
Op 6 januari 2011 is Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies in werking getreden (zie § ???). In hoofdstuk VI van deze Richtlijn zijn de bepalingen van de Richtlijnen 78/176, 82/883 en 92/112 opgenomen. Op 7 januari 2014 zullen de drie genoemde Richtlijnen worden ingetrokken. Inhoudelijk zijn de bepalingen ongewijzigd gebleven.
[381] Een eerdere Richtlijn (89/428, PbEG L201, 14.7.1989), die hetzelfde beoogde, werd in 1991 door het Europese Hof van Justitie nietig verklaard omdat de Raad de verkeerde rechtsgrondslag had gebruikt (het ‘milieu-artikel’ 130S in plaats van het ‘harmonisatie-artikel’ 100A) (Zaak C-300/89).
[382] PbEG C 153, 20.6.79.
[383] COM(83)189, 14.4.1983.
[384] Zaak 300/89, Commissie/Raad, PbEG C 180, 11.7.91.
[385] Stb. 1993, 324, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 144.
[386] Stb. 1979, 442, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 187.
[387] Stb. 1989, 618, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19723.