 |
|
 |
 |
5.14 Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)5.14.1 Overzicht van EU-regelgeving5.14.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving5.14.3 Doelstelling van de RichtlijnDe hoeveelheid afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) neemt snel toe binnen de EU. In 1998 werd geschat dat deze afvalstroom drie maal zo snel groeide dan het huishoudelijk afval en dat het goed was voor jaarlijks 6 miljoen ton aan afval. Daarnaast was de verwachting dat het aanbod in 2010 verdubbeld zou zijn.[491] Daarom is de Richtlijn gericht op de preventie en op hergebruik, recycling en andere vormen van nuttige toepassing van AEEA.Voorts beoogt de Richtlijn een verbetering van de milieuprestaties van alle marktdeelnemers die bij de levenscyclus van elektrische en elektronische apparatuur betrokken zijn, zoals producenten, distributeurs en consumenten en in het bijzonder de marktdeelnemers die rechtstreeks betrokken zijn bij de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (art. 1). 5.14.4 Samenvatting van de Verordening De Richtlijn voert producentenverantwoordelijkheid voor AEEA in door onder andere het geven van streefcijfers voor de nuttige toepassing (art. 7), het verplichten tot het opzetten van systemen voor gescheiden inzameling (art. 5) en door het stimuleren van het ontwerp en productie van EEA met oog voor het vergemakkelijken van de ontmanteling en nuttige toepassing en in het bijzonder het hergebruik en recyclen. Lidstaten moeten voor dit laatste passende maatregelen nemen om er voor te zorgen dat producenten het hergebruik van AEEA niet in de weg staan door specifieke designelementen of productieprocessen (art. 4). De Richtlijn is van toepassing op elektrische en elektronische apparatuur (EEA) die onder de in bijlage I en II genoemde categorieën valt (art. 2, lid 1; voor de categorieën, zie Tabel 5.14.1). Apparatuur die verband houdt met de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van lidstaten, wapens, munitie en oorlogsmateriaal is uitgesloten van de toepassing van de Richtlijn (art. 2, lid 3). De Richtlijn spitst zich met name toe op AEEA van particuliere huishoudens, alhoewel de definitie ook betrekking heeft op AEEA die van commerciële, industriële, institutionele en andere bronnen afkomstig is en die naar aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is (art. 3, sub k). Lidstaten moeten maatregelen nemen om de samen met het ongesorteerd stedelijk afval te verwijderen AEEA tot een minimum te beperken en een hoog niveau van gescheiden inzameling van AEEA te bereiken (art. 5, lid 1) en moeten er voor zorgen dat: • systemen zijn ingevoerd, waardoor de laatste houders en de distributeurs AEEA ten minste zonder kosten kunnen inleveren. Lidstaten dragen zorg voor de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de noodzakelijke inzamelingsinrichtingen (art. 5, lid 2, sub a); • de distributeurs er de verantwoordelijkheid voor dragen dat bij de levering van een nieuw product een gelijke hoeveelheid van AEEA ten minste zonder kosten bij de distributeur kan worden ingeleverd, met dien verstande dat de apparatuur van een gelijkwaardig type is en dezelfde functies had als de geleverde apparatuur. De lidstaten kunnen van deze bepaling afwijken, mits zij er voor zorgen dat dit de inlevering van AEEA niet bemoeilijkt en dat de systemen kosteloos blijven (art. 5, lid 2, sub b); • het de producenten toegestaan is individuele en/of collectieve terugnamesystemen voor AEEA particuliere huishoudens in te voeren en te exploiteren (art. 5, lid 2, sub c); • AEEA die bij gebruik is verontreinigd en daardoor een risico voor de gezondheid en de veiligheid van het personeel oplevert bij inleveringspunten, kan worden geweigerd. De lidstaten stellen voor deze AEEA specifieke regelingen vast (art. 5, lid 2, sub d). De lidstaten moeten er vóór 31 december 2006 voor zorgen dat een gemiddelde hoeveelheid gescheiden ingezamelde AEEA uit particuliere huishoudens wordt bereikt van ten minste vier kilogram per inwoner per jaar (art. 5, lid 5). Producenten, of derden die in hun naam handelen, dienen systemen in te voeren voor de verwerking van AEEA, met gebruik van de beste beschikbare technieken voor verwerking, nuttige toepassing en recycling. De producenten kunnen de systemen individueel en/of collectief invoeren. De verwerking dient ten minste het verwijderen van alle vloeistoffen en een selectieve behandeling van materialen en onderdelen, overeenkomstig bijlage II, te omvatten (art. 6, lid 1). De Richtlijn geeft technische voorschriften voor de opslag en de verwerking van AEEA in bijlage III. Inrichtingen of bedrijven waar verwerkingshandelingen worden verricht, dienen een vergunning te verkrijgen van de bevoegde instantie overeenkomstig de Kaderrichtlijn afvalstoffen (zie § 5.3). De in artikel 11 van de Kaderrichtlijn bedoelde afwijking van het vergunningsvereiste kan worden toegepast op handelingen voor de nuttige toepassing van AEEA, mits de bevoegde instanties vóór de registratie een inspectie uitvoeren. De inspectie dient ten minste eens per jaar plaats te vinden en omvat verificatie van het type en de hoeveelheid van het te verwerken afval, de algemene technische voorschriften die in acht moeten worden genomen en de nodige voorzorgsmaatregelen (art. 6, lid 2). Voor milieubeschermingsdoeleinden mogen de lidstaten minimumkwaliteitsnormen voor de verwerking van ingezamelde AEEA invoeren. De lidstaten die voor deze kwaliteitsnormen kiezen, moeten de Commissie hiervan op de hoogte stellen (art. 6, lid 1). De Commissie zal dan vervolgens de normen bekendmaken. De lidstaten moeten ook inrichtingen of bedrijven waar verwerkingshandelingen worden verricht aanmoedigen om gecertificeerde milieubeheerssystemen in te voeren (art. 6, lid 6; zie § 11.8). Verwerking van AEEA mag buiten de Gemeenschap worden uitgevoerd, zo lang de uitvoer overeenkomstig de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA; zie § 5.5) is. Als het afval uitgevoerd wordt buiten de Gemeenschap, wordt bij de narekening of de in de Richtlijn bedoelde verplichtingen en streefcijfers bereikt zijn slechts meegeteld, indien de uitvoerder kan aantonen dat de nuttige toepassing, het hergebruik en/of de recycling gebeurden in omstandigheden die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van de Richtlijn (art. 6, lid 5). De producenten of derden die in hun naam handelen dienen individueel of collectief systemen in te voeren voor de nuttige toepassing (art. 7, lid 1). De Richtlijn geeft streefcijfers voor de verschillende categorieën AEEA (zie Tabel 5.14.1). Deze streefcijfers moeten uiterlijk 31 december 2006 bereikt zijn (art. 7, lid 2). De Commissie moet vervolgens voor 31 december 2008 nieuwe streefcijfers voor nuttige toepassing en hergebruik/recycling, waaronder ook voor hergebruik van volledige apparaten en voor de producten die onder categorie 8 van bijlage I vallen (art. 7, lid 4). Voor de laatste categorie (medische hulpmiddelen) zijn geen streefcijfers gegeven in de Richtlijn. De lidstaten zien erop toe dat de producenten, of derden die in hun naam handelen registers bijhouden van de hoeveelheid AEEA en de onderdelen, materialen en stoffen ervan wanneer deze verwerkingsinrichting binnenkomen en verlaten en/of wanneer zij de inrichting voor nuttige toepassing of recycling binnenkomen. De Commissie stelt uiterlijk 13 augustus nadere bepalingen vast, waaronder materiaalspecificaties, voor de controle op het bereiken van de in lid 2 genoemde streefcijfers (art. 7, lid 3). De lidstaten dienen voorts de ontwikkeling van nieuwe technieken voor nuttige toepassing, recycling en verwerking aan te moedigen (art. 7, lid 5). Tabel 5.14.1 Streefcijfers voor nuttige toepassing, hergebruik en recycling te bereiken voor 31 december 2006 Noot: voor categorie 8 (medische hulpmiddelen) zijn geen streefcijfers voor nuttige toepassing gegeven. Uiterlijk 13 augustus 2005 dienen producenten ten minste te voorzien in de financiering van de inzameling, verwerking, nuttige toepassing en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van AEEA van particuliere huishoudens vanaf de afgifte bij de inzamelingsinrichtingen (art. 8, lid 1). Wat producten betreft die na 13 augustus 2005 op de markt worden gebracht, zijn de producenten verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling, verwerking, nuttige toepassing en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van AEEA voor de verwerking van het afval van hun eigen producten. De producent kan voor de organisatie van die financiering kiezen tussen collectieve en individuele regelingen. Om het potentiële struikelblok te vermijden dat de producent onvindbaar en/of failliet is gegaan, bepaalt de Richtlijn dat de producenten bij het op de markt brengen van een product een waarborg dienen te geven waaruit blijkt dat het beheer van de AEEA wordt gefinancierd. Deze kan de vorm hebben van een recyclingverzekering, een geblokkeerde bankrekening of deelneming van de producent aan passende financiële regelingen voor de financiering van het beheer van AEEA (art. 8, lid 2). Gedurende een overgangsperiode van acht jaar (tien jaar voor categorie 1) na de inwerkingtreding van de Richtlijn krijgen de producenten de mogelijkheid om bij de verkoop van nieuwe producten de kosten van inzameling, verwerking en milieuvriendelijke verwijdering ten aanzien van de kopers aan te tonen. De verantwoordelijkheid voor de financiering van kosten voor het beheer van de ‘historische voorraad’ (AEEA die is ontstaan uit apparatuur die vóór 13 augustus 2005 op de markt is gebracht) berust bij één of meer systemen waaraan alle producenten die op de markt aanwezig zijn naar evenredigheid bijdragen, bijvoorbeeld naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de betrokken apparatuur (art. 8, lid 3). Artikel 9 bepaalt dat de producenten op uiterlijk 13 augustus 2005 ten minste dienen te voorzien in de financiering van de inzameling, verwerking, nuttige toepassing en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van AEEA die afkomstig is van andere gebruikers dan particuliere huishoudens en van na 13 augustus 2005 op de markt gebrachte apparatuur. Voor de ‘historische voorraad’ worden de kosten door de producenten gedragen. De lidstaten kunnen als alternatief bepalen dat andere gebruikers dan particuliere huishoudens ook geheel of gedeeltelijk deze kosten dragen. In een gezamenlijke verklaring geven de Raad, het Parlement en de Commissie aan dat de huidige bewoording van artikel 9 aanleiding heeft gegeven tot bezorgdheid wat de financiële gevolgen ervan voor de producenten betreft. Zij verklaren daarom de kwestie zo spoedig mogelijk te onderzoeken. De Commissie geeft aan dat het een voorstel tot wijziging van artikel 9 zal indienen, wanneer komt vast staan dat de bezorgdheid gegrond is.[492] Producenten en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen op grond van artikel 9 onverminderd de bepalingen van de Richtlijn andere financieringsregelingen overeenkomen. Om een goed beheer van AEEA aan te moedigen, dienen lidstaten er voor te zorgen dat gebruikers van EEA in particuliere huishoudens de nodige informatie krijgen over: • het voorschrift dat AEEA niet als ongesorteerd stedelijk afval mag worden verwijderd, maar gescheiden moet worden ingezameld; • de voor hen beschikbare inleverings- en inzamelingssystemen; • hun rol in de bevordering van hergebruik, recycling andere vormen van nuttige toepassing van AEEA; • de mogelijke gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van de aanwezigheid van gevaarlijke bestanddelen in EEA (art. 10, lid 1). De lidstaten dienen maatregelen te nemen consumenten aan te moedigen bij te dragen aan de inzameling van AEEA, alsook om hen ertoe aan te zetten het proces van hergebruik, verwerking en nuttige toepassing van AEEA te vergemakkelijken (art. 10, lid 2). Daarnaast moet ook de betekenis van het symbool ter aanduiding van de gescheiden inzameling van AEEA worden overgebracht naar het publiek (zie Figuur 5.14.1). De producenten van EAA die na 13 augustus 2005 op de markt wordt gebracht dienen dit symbool, indien mogelijk, duidelijk weer te geven op hun producten. Figuur 5.14.1
De producenten dienen er voor te zorgen dat voor elk op de markt gebracht nieuw type EEA informatie verstrekt wordt voor hergebruik en verwerking. Dit moet gebeuren binnen een jaar nadat zij de producten op de markt hebben gebracht. Voor zover de hergebruikcentra en de verwerkings- en recyclingsinrichtingen dit nodig hebben om aan de Richtlijn te kunnen voldoen, moet de informatie aanwijzingen bevatten over verschillende onderdelen en materialen van de apparatuur, alsook over de plaatsen in de apparatuur waar zich gevaarlijke stoffen en preparaten bevinden. De informatie wordt door de producenten van AEEA aan de hergebruikcentra en de verwerkings- en recyclingsinrichtingen verstrekt in de vorm van handboeken of via elektronische media (art. 11, lid 1). Elke producent van EEA die na 13 augustus 2005 op de markt wordt gebracht moet duidelijk herkenbaar zijn door een aanduiding op het apparaat. Het apparaat dient tevens voorzien te worden van de expliciete vermelding dat het na 13 augustus 2005 op de markt is gebracht. De Commissie zal de opstelling van Europese normen hiervoor bevorderen (art. 11, lid 2). De lidstaten dienen een register op te stellen van producenten en moeten jaarlijks gegevens verzamelen over de hoeveelheden en categorieën EEA die in de lidstaten op de markt werden gebracht, langs de onderscheidene wegen werden ingezameld, hergebruikt, gerecycleerd en nuttig gebruikt, alsmede over de hoeveelheden ingezamelde AEEA die werden uitgevoerd. Deze informatie moet op tweejaarlijkse basis aan de Commissie verstrekt worden, telkens binnen 18 maanden van de betrokken periode. De eerste mededeling heeft betrekking op de periode 2005-2006. De vorm waarin deze gegevens dienen te worden verstrekt, wordt binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Richtlijn vastgesteld, met het doel een gegevensbank over AEEA en de verwerking er van in te richten (art. 12, lid 1). De lidstaten zenden de Commissie tevens om de drie jaar een verslag toe over de uitvoering van de Richtlijn. Het eerste driejaarlijkse verslag bestrijkt de periode 2004-2006. De Commissie publiceert uiterlijk negen maanden na ontvangst van de verslagen van de lidstaten een verslag over de uitvoering van de Richtlijn (art. 12, lid 2). De lidstaten dienen sancties vast te stellen voor inbreuken op de nationale bepalingen die krachtens de Richtlijn zijn vastgesteld (art. 15). Tevens dienen de lidstaten er voor te zorgen dat er inspecties en controles voorhanden zijn om het bepaalde in de Richtlijn te handhaven (art. 16). Griekenland en Ierland kunnen vragen om een verlenging van 24 maanden van de termijn om de streefcijfers voor nuttige toepassing te halen. Dit heeft te maken met hun ontoereikende recyclinginfrastructuur, geografische omstandigheden, geringe bevolkingsdichtheid, en gering gebruik van EEA (art. 17, lid 4). 5.14.5 Achtergrond en totstandkoming van de Verordening De AEEA-Richtlijn is voortgekomen uit het werk van de werkgroep inzake prioritaire afvalstromen (zie § 5.1). Deze groep keek onder meer naar de mogelijkheden om de milieu-effecten van het afval van EEA te beperken, nadat de bezorgdheid was uitgesproken dat er sprake was van een toename van AEEA. In 1995 gaf de groep de Commissie een aantal aanbevelingen over de manier waarop de behandeling van dit afval kon worden verbeterd en over hoe de hoeveelheid afval kon worden verminderd. Tegelijkertijd introduceerden enkele lidstaten, waaronder Nederland (zie hierna) en Zweden hun eigen wetgeving met betrekking tot AEEA. Dit leidde tot zorgen over potentiële belemmeringen van de interne markt. Het vijfde Milieuactieprogramma[493] noemde AEEA als één van de doelgebieden voor regelgeving. Dit volgde op de onderkenning dat de verwezenlijking van duurzame ontwikkeling ingrijpende veranderingen in de huidige ontwikkelings-, productie-, consumptie- en gedragspatronen vereist. Verder pleit het Milieuactieprogramma onder andere voor vermindering van verkwistend verbruik van natuurlijke hulpbronnen en voor voorkoming van vervuiling. Dit streven stond ook tien jaar later, toen de AEEA-Richtlijn werd aangenomen, nog steeds hoog op de agenda. In november 1996 nam het Parlement een Resolutie aan waarin het de Commissie verzocht om voorstellen in te dienen voor Richtlijnen voor een aantal prioritaire afvalstromen, waaronder AEEA en om dergelijke voorstellen te baseren op het principe van producentenverantwoordelijkheid. Dit verzoek werd herhaald door de Raad in zijn Resolutie van 24 februari 1997. De Richtlijn werd in juni 2000 voorgesteld samen met het voorstel voor een Richtlijn betreffende beperking van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur (2002/95; zie § 7.20), hoewel ze als aparte maatregelen werden voorgesteld. Oorspronkelijk waren beide gezamenlijk in één Commissievoorstel opgenomen, maar later werden ze gescheiden, met name omdat ze aangenomen moesten worden onder twee verschillende Verdragsartikelen. De AEEA-Richtlijn is aangenomen op basis van artikel 175 EG-Verdrag (milieubescherming), terwijl Richtlijn 2002/95 op basis van artikel 95 (interne markt) is aangenomen. Toch werden de twee dossiers gedurende de medebeslissingsprocedure gezamenlijk bekeken, waarbij de meeste inhoudelijke geschillen de AEEA-Richtlijn betroffen. Het conciliatiecomité bereikte op 8 november uiteindelijk overeenstemming over de Richtlijn. Daarvoor is er gedurende tweeëneenhalf jaar onenigheid geweest tussen de Raad en het Parlement. Het belangrijkste meningsverschil en de reden voor de lang aanhoudende discussie betrof de vraag wat er moest gebeuren met het afval waarbij geen producent gevonden kan worden en de ‘historische voorraad’ (van producten die op de markt waren gebracht voor de voorschriften van de Richtlijn inwerking zouden treden). Tevens was er een verschil van mening over de streefcijfers voor recycling per hoofd van de bevolking en over de financiering van de inzameling en recycling van afval. De belangrijkste geschilpunten worden weergegeven in Tabel 5.14.2. 5.14.6 De omzetting in nationale regelgeving In Nederland is sinds 1 juni 1998 het Besluit beheer wit- en bruingoed (voorheen: Besluit verwijdering wit- en bruingoed)[494] van kracht. Dit besluit introduceert een terugname- en herverwerkingsplicht voor groot wit- en bruingoed, zoals wasmachines en tv’s. In 2000 is die verplichting ook gaan gelden voor klein wit- en bruingoed (bv. koffiezetapparaten, scheerapparaten en waterkokers). Het besluit stelt producenten en importeurs verantwoordelijk voor de terugname en verwerking van de apparaten. Zij moeten de terugname en verwerking organiseren en financieren. Via de bijbehorende Regeling aanwijzing producten wit- en bruingoed[495] zijn verschillende producten aangewezen waarop het besluit betrekking heeft. Hieronder vallen vele door de bijlage II van de Richtlijn genoemde producten. Zoals gezegd heeft de Nederlandse wetgeving de Commissie geïnspireerd bij het ontwerpen van het voorstel voor de Richtlijn. Heel veel zal er dus niet hoeven gebeuren ter implementatie van de Richtlijn. Toch zal de formele implementatie nog moeten plaatsvinden. Dit zal voor 13 augustus 2004 moeten gebeuren door middel van de invoering van een nieuw AMvB voor wit- en bruingoed en wijziging van een aantal wetten en AMvB’s. Zo zullen de Wet milieubeheer (Wm), de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms), het Cadmiumbesluit Wms 1999 en het Besluit kwikhoudende producten Wms 1998 gewijzigd worden en zal het Besluit beheer wit- en bruingoed worden ingetrokken.[496] Tabel 5.14.2 Samenvatting van de geschilpunten tussen de Raad en het Parlement in de medebeslissingsprocedure. 5.14.7 Uitvoering en effecten in de praktijkIn Nederland is de Stichting Nederlandse Verwijdering Metalektro Producten (NVMP) verantwoordelijk voor: • de landelijke inzameling van afgedankte huishoudelijke elektrische apparaten; • de milieuvriendelijke recycling van deze afgedankte producten; • de financiering van het totale project; • de monitoring en rapportage naar het ministerie van VROM; • de communicatie met producenten, importeurs, detailhandel en consumenten. Uit de gegevens van het NVMP blijkt dat de hoeveelheid kleine elektrische apparaten die in 2002 werd ingezameld en verwerkt met 20% is gestegen ten opzichte van 2001. Voor de inzameling en recycling van grote elektrische apparaten tekent zich een stabilisering af. Figuur 5.14.12 geeft de hoeveelheden wit- en bruingoed aan die in de periode 2000-2002 is ingezameld. Figuur 5.14.2 Hoeveelheden ingezameld wit- en bruingoed in Nederland in 2000-2002.[497]
Bij een groot aantal nieuw gekochte apparaten betaalt de consument een extra bedrag. Dit is de zogeheten verwijderingsbijdrage. Deze bijdrage verschilt per product. Op deze wijze worden de kosten voor recycling betaald.
|
|
|