Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

4.13 Verontreiniging vanaf schepen

4.13.1 Overzicht van EU-regelgeving

2005/35/EG (PbEU L 255, 30.9.2005, gerectificeerd bij PbEU L 33, 4.2.2006, en PbEU L 105, 13.4.2006)

voorgesteld COM(2003)92, 3.12.2002

Richtlijn inzake verontreiniging vanaf schepen en de invoering van sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreingingsdelicten

(titel gewijzigd bij 2009/123)

2009/123/EG (PbEU L 280, 27.10.2009)

voorgesteld COM(2008)134, 11/03/2008

Richtlijn tot wijziging van 2005/35 (ter vervanging van vernietigd Kaderbesluit 2005/667/JBZ)

Rechtsgrondslag

Artikel 80, lid 2 EG-Verdrag (thans art. 100, lid 2 VwEU)

Bindende termijnen

Datum van inwerkingtreding

(2005/35): 25 juni 2003

(2009/123): 16 november 2009

Omzetting in nationale regelgeving

(2005/35): 1 maart 2007

(2009/123): 16 november 2010

Haalbaarheidsstudie Europese kustwacht (Commissie verslag)

Vóór eind 2006

Verslaglegging aan de Commissie over toepassing Richtlijn door de lidstaten

Om de 3 jaar

4.13.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs)

Stb. 1983, 683, , laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 489

Besluit voorkoming verontreiniging door schepen (Bvvs)

Stb. 2006, 693, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 91

Regeling voorkoming verontreiniging door schepen (Rvvs)

Stcrt. 2006, 249, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2010, 17463

4.13.3 Doelstelling van de Richtlijn

Richtlijn 2005/35 heeft tot doel de internationale normen inzake verontreiniging vanaf schepen in het Gemeenschapsrecht op te nemen en ervoor te zorgen dat de voor lozingen (van verontreinigende stoffen) verantwoordelijke personen passende sancties opgelegd krijgen, om aldus de veiligheid van de zeevaart te verbeteren en het mariene milieu beter te beschermen tegen verontreiniging door schepen (art. 1, lid 1). Expliciet wordt daaraan toegevoegd dat de Richtlijn niet belet dat lidstaten strengere maatregelen kunnen nemen tegen verontreiniging vanaf schepen, zoalng die in overeenstemming zijn met het internationaal recht (art. 1, lid 2). De bedoeling was dat de Richtlijn aangevuld zou worden door gedetailleerde regels inzake misdrijven en sancties alsmede andere bepalingen zoals opgenomen in het Kaderbesluit 2005/667/JBZ (voormalige 3e pijler EU) van de Raad van 12 juli 2005, tot versterking van het strafrechtelijk kader voor de bestrijding van verontreiniging vanaf schepen.[388] Dit Kaderbesluit werd echter in december 2005 door de Commissie aangevochten bij het HvJ EU, en vervolgens vernietigd bij arrest van 23 oktober 2007,[389] wegens strijdigheid met art. 47 EU-Verdrag (thans art. 40 VEU). Teneinde het als gevolg van dit arrest ontstane rechtsvacuüm op te vullen zijn onderdelen van het Kaderbesluit vervolgens door de Gemeenschapswetgever ‘geregulariseerd’, dat wil zeggen (in de voormalige 1e pijler EU) vervangen door Richtlijn 2009/123, waarbij Richtlijn 2005/35 qua titel en inhoud gewijzigd werd. In § ??? zal in het kader van de totstandkoming van de Richtlijn(en) nader worden ingegaan op de inhoud en strekking van het vernietigde Kaderbesluit 2005/667/JBZ, het rechtsgrondslag conflict hierover tussen de Commissie en de Raad, de rechtsgronden voor vernietiging door het HvJ EU, en de wijze waarop enkele bepalingen vervolgens alsnog middels Richtlijn 2009/123 als Gemeenschapswetgeving (voormalige 1e pijler EU) zijn ingevoerd.

In het hiernavolgende overzicht zal Richtlijn 2005/35 besproken worden zoals deze is gewijzigd bij Richtlijn 2009/123, en waar relevant onder opmerking van de specifieke wijziging (en/of de voormalige bepaling in het vernietigde Kaderbesluit 2005/667/JBZ).

Krachtens art. 1, onder 1, van Richtlijn 2009/123 is de hierboven omschreven doelstelling inmiddels aangepast door invoeging van de expliciete verplichting van het aanmerken van bepaalde lozingen als strafbaar feit, met strafrechtelijke sanctionering van inbreuken (met het oog op de ‘regularisatie’ van het vernietigde Kaderbesluit 2005/667/JBZ).

De preambule van Richtlijn 2005/35 geeft aan dat de achtergrond voor de Richtlijn vooral ligt in de behoefte aan meer uniformiteit in de implementatie en handhaving door de lidstaten van het Internationale Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen 1973, en het daarbij behorende Protocol van 1978 (Marpol 73/78), van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO). Met name wat betreft de oplegging van sancties wegens lozingen van verontreinigende stoffen vanaf schepen hanteerden de lidstaten voorheen sterk verschillende praktijken (overweging 4).

4.13.4 Samenvatting van de Richtlijn

Overeenkomstig de hierboven omschreven doelstelling bepaalt art. 3, lid 1 het toepassingsgebied van de Scheepsverontreinigings-Richtlijn vastgesteld in aansluiting op internationaal recht, als behelzende alle lozingen van verontreinigende stoffen in:

  1. de binnenwateren, inclusief havens, van een lidstaat voorzover het Marpol-regime van toepassing is;

  2. de territoriale zee van een lidstaat;

  3. door de internationale scheepvaart gebruikte zeestraten die vallen onder het doorvaartregime als vervat in deel III, hoofdstuk 2, van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982, voorzover deze zeestraten onder de jurisdictie van een lidstaat vallen;

  4. de exclusieve economische of daaraan gelijkwaardige zone van een lidstaat, die is vastgesteld in overeenstemming met het internationaal recht; en

  5. de volle zee.

Volledigheidshalve voegt het tweede lid van art. 3 daaraan toe dat de Richtlijn van toepassing is op lozingen van verontreinigende stoffen vanaf ieder schip ongeacht zijn vlag, met uitzondering van oorlogsschepen, mariene hulpschepen of andere schepen die eigendom zijn van of varen voor een staat en tijdelijk uitsluitend voor niet-commerciële overheidsdiensten worden gebruikt.

Ook voor de definities van de Richtlijn is aansluiting gezocht bij internationale (scheepvaart)verdragen, met name het Marpol 73/78 (art. 2). De Bijlage bij de Richtlijn geeft in aanvulling daarop ook een ‘als referentie bedoeld’ overzicht van de lozingsvoorschriften van Marpol 73/78 met betrekking tot de lozingen van olie en schadelijke vloeistoffen.

Art. 4, lid 1 legt op lidstaten de verplichting ervoor zorg te dragen dat het lozen van verontreinigende stoffen vanaf schepen in een van de in art. 3, lid 1, bedoelde gebieden, met ingebrip van minder ernstige gevallen van lozing, als inbreuk wordt aangemerkt, indien het met opzet, uit roekeloosheid of door ernstige nalatigheid gebeurt. Krachtens art. 4, lid 2, rust op lidstaten de verplichting om de nodige maatregelen te treffen teneinde aansprakelijkstelling mogelijk te maken van elke natuurlijke of rechtspersoon voor bovenstaande inbreuken (zie ook art. 8ter, hieronder).

Uitzonderingen op de regel dat lozingen overeenkomstig art. 4, lid 1, aangemerkt worden als inbreuk, worden verschaft in art. 5, onder verwijzing naar het Marpol 73/78 Verdrag. Krachtens lid 1 is een lozing in de in art. 3, lid 1 bedoelde gebieden geen inbreuken wanneer deze voldoet aan de voorwaarden van Bijlage I, voorschriften 15, 34, 4.1 of 4.3, of van Bijlage II, voorschriften 13, 3.1.1 of 3.1.3 van Marpol 73/78. Krachtens art. 5, lid 2 geldt hierop de uitzondering (zijnde een nadere invulling dan wel inperking van een van de in het MARPOL-verdrag opgenomen uitzonderingen) dat met afgezien van de binnenwateren, inclusief havens, en de territoriale zee van een lidstaat, zulke lozingen voor de eigenaar, de kapitein of de bemanning niet als inbreuk aangemerkt wordt, wanneer zij voldoet aan de voorwaarden van Bijlage I, voorschrift 4.2, of van Bijlage II, voorschrift 3.1.2 van Marpol 73/78.

Wat de strafbaarstelling betreft stelde het oorspronkelijke art. 4 in Richtlijn 2005/35 dat “deze inbreuken worden beschouwd als misdrijven in de zin van, en onder de omstandigheden waarin is voorzien in, Kaderbesluit 2005/667/JBZ ter aanvulling van deze richtlijn”, maar vanwege de vernietiging van dit Kaderbesluit door het HvJ EU, is deze zinsnede verwijdert bij Richtlijn 2009/123 (art. 1, onder 4). In plaats daarvan zijn bij Richtlijn 2009/123 twee nieuwe bepalingen (artt. 5bis en 5ter) ingevoegd, welke lidstaten opdragen ervoor te zorgen dat inbreuken in de zin van artt. 4 en 5 als misdrijven worden aangemerkt (art. 5bis, lid 1), en dat uitlokking van , of hulp bij en medeplichtigheid aan zulke met opzet begane misdrijven als misdrijf strafbaar worden gesteld (art. 5ter). Ingeval van minder ernstige gevallen, waarbij de handeling (lozing) de kwaliteit van het water niet aantast, worden de inbreuken niet als misdrijven aangemerkt (art. 5bis, lid 2), tenzij dit bij herhaling voorkomt vanwege opzet, roekeloosheid of ernstige nalatigheid, en de afzonderlijk minder ernstige inbreuken gezamenlijk wel de waterkwaliteit aantasten. Overigens zij opgemerkt dat de Engelse term ‘ criminal offences’, weliswaar vertaald is als ‘ misdrijven’ maar dat binnen de Nederlandse regelgeving ‘overtredingen’ (in de zin van de WED) correcter is.

Voor de bestraffing van inbreuken (of misdrijven) dienen lidstaten doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende punitieve sancties in het leven te roepen (art. 8). Bij Richtlijn 2008/123 zijn (ter vervanging van de voorschriften in het vernietigde Kaderbesluit 2005/667/JBZ) zijn daarnaast specifieke bepalingen ingevoegd met betrekking op de sanctionering van inbreuken door natuurlijke personen (art. 8bis), en rechtspersonen (art. 8ter: aansprakelijkheid; en art. 8quater: sancties).

De handhaving en inspectie worden geregeld bij art. 6 ten aanzien van schepen in een haven van een lidstaat, en bij art. 7 ten aanzien aanzien van schepen op doorvaart, door kuststaten (waarbij samengewerkt wordt tussen lidstaten of met derde-landen). In alle handhavingsgevallen dient de vlaggenstaat van het betrokken schip op de hoogte gebracht.

Art. 9 bevestigt dat de lidstaten bij de uitvoering van deze Richtlijn rekening dienen te houden met de naleving van het internationaal recht. Derhalve dienen zij de Richtlijn toe te passen zonder formele of feitelijke discriminatie van buitenlandse schepen, en overeenkomstig het geldende internationaal recht, inclusief deel XII, hoofdstuk 7, van het Verdrag inzake het recht van de zee van de Verenigde Naties van 1982 , en stellen zij de vlaggenstaat van het vaartuig en alle andere betrokken staten onverwijld op de hoogte van de maatregelen die overeenkomstig deze richtlijn zijn genomen.

Gezien de materie en het toepassingsgebied van de Richtlijn ligt een betrokkenheid van het Europees Agentschap voor de Veiligheid van de Zeevaart (EMSA) voor de hand. Art. 10 van Richtlijn 2005/35 schrijft dan ook voor dat de de lidstaten en de Commissie voor de toepassing van deze Richtlijn in voorkomende gevallen nauw samen met EMSA, rekening houdende met onder meer het Actieprogramma ter bestrijding van door ongevallen veroorzaakte of opzettelijke verontreiniging van de zee,[390] teneinde de nodige informatiesystemen te ontwikkelen die voor de doeltreffende toepassing van deze richtlijn vereist zijn; en gemeenschappelijke praktijken en richtlijnen vast te stellen, op basis van de op internationaal niveau reeds bestaande praktijken en richtlijnen, voor met name: het volgen en vroegtijdig identificeren van schepen die in strijd met deze richtlijn verontreinigende stoffen lozen, inclusief, zo nodig, voor bewakingsapparatuur aan boord; betrouwbare methoden voor het traceren van verontreinigende stoffen in zee tot een bepaald schip; en de daadwerkelijke handhaving van deze richtlijn. Indien in dit kader maatregelen of activiteiten voorgesteld worden, dan informeert de Commissie het comité dat in eerdergenoemd Actieprogramma werd opgericht (art. 14). EMSA heeft daarnaast krachtens Verordening 1406/2002[391] tot taak om samen te werken met de lidstaten bij de ontwikkeling van technische oplossingen en het verlenen van technische bijstand in verband met de uitvoering van de Richtlijn, bij acties als het opsporen van lozingen door middel van satellietcontroles en toezicht, alsmede het bijstaan van de Commissie bij de uitvoering van de Richtlijn, waaronder, indien van toepassing, door middel van inspectiebezoeken aan de lidstaten.

In de slotbepalingen van Richtlijn 2005/35 is verder voorzien in een haalbaarheidsstudie voor een Europese kustwacht, die zich op de voorkoming van verontreiniging en de reactie daarop richt. Krachtens art. 11 diende de Commissie vóór eind 2006 deze haalbaarheidsstudie, met kosten/baten-analyse, voor te leggen aan het Europees Parlement en de Raad.

Op grond van art. 12 moeten lidstaten om de drie jaar een rapportageverslag indienen bij de Commissie over de toepassing van deze Richtlijn door de bevoegde autoriteiten, op basis waarvan deze verslaglegt aan het Europees Parlement en de Raad. In dit verslag beoordeelt de Commissie onder meer de wenselijkheid van de herziening van de Richtlijn of van de uitbreiding van het toepassingsgebied ervan.

Krachtens art. 13 wordt de Commissie in de comitologieprocedures bijgestaan door het Comité voor Maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen (COSS).[392] Dit COSS kan onder meer wijzigingen van Marpol 73/78 van het toepassingsgebied van Richtlijn 2005/35 uitsluiten (art. 15).

Richtlijn 2005/35 diende uiterlijk op 1 maart 2007 in de lidstaten te zijn geïmplementeerd (art. 16). Voor de wijzigingen op grond van Richtlijn 2009/123 geldt de omzettingstermijn van 16 november 2010 (art. 2, Richtlijn 2009/123).

4.13.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijn

Het voorstel voor nadere Europese scheepsverontreinigingsregelgeving maakte deel uit van een groot pakket aan maatregelen ter vergroting van de maritieme/mariene veiligheid voorgesteld in de nasleep van de scheepvaartrampen met de Prestige en de Erika, rond de milleniumwisseling (zie § ???). Binnen een maand na het zinken van de olietanker Prestige voor de westkust van Galicië werd, op 13 december 2002 tijdens de Copenhagen top, door de Europese Raad de politieke aanzet gegeven voor een EU Scheepsverontreiniging Richtlijn, zoals vooraf al ondersteund door de Transport Raad van een week eerder. Echter, hoewel deze kort op elkaar volgende scheepsrampen, met grote milieuschade tot gevolg, zeker politiek urgentie aan de voorstellen gaven, was het duidelijk dat het probleem van (olie)verontreiniging van het mariene ecosysteem niet primair te wijten is aan rampen, maar veleer aan opzettelijke ('bedrijfsmatige') lozingen van olie andere verontreinigende stoffen door schepen. Derhalve sprak de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken zich op 19 december 2002 ook expliciet uit voor een aanscherping van de bescherming van het (mariene) milieu, mede door middel van opleggen van strafrechtelijke sancties voor mariene verontreiniging door schepen als gevolg van ernstige nalatigheid.

Hoewel op dit terrein reeds geruime tijd internationale rechtsregels gelden, met name krachtens het Internationale Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen 1973, en het daarbij behorende Protocol van 1978 (Marpol 73/78), van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO), blijkt de uitvoering en handhaving daarvan onvoldoende bescherming te bieden tegen grootschalige opzettelijke en regelmatige accidentele lozingen door schepen. Met name speelt hierbij een rol het gebrek aan consequente implementatie en handhaving door verdragsstaten, in het bijzonder wat betreft de oplegging van sancties. Op international vlak bestaan er voor het Marpol 73/78-Verdrag weinig handhavingsmechanismen, waardoor de internationale gemeenschap tegenover kapiteins en scheepseigenaars of staten die zich niet houden aan de verdragsbepalingen goeddeels aangewezen is op nationale of regionale handhavingsmaatregelen.

Tegen deze achtergrond publiceerde de Commissie op 5 maart 2003 haar voorstel voor Richtlijn 2005/35, met het oog op EU regels voor sanctionering van zowel accidentele als opzettlijke lozingen door schepen. Een Commissie Mededeling inzake de vergroting van de veiligheid op zee naar aanleiding van het vergaan van de olietanker Prestige[393] werd aan het Richtlijn-voorstel gehecht. De concept-Richtlijn had tot doel de internationale normen inzake verontreiniging vanaf schepen in het Gemeenschapsrecht op te nemen en er voor te zorgen dat de voor lozingen (van verontreinigende stoffen, niet alleen olie) verantwoordelijke personen passende sancties opgelegd zouden krijgen, om aldus de veiligheid van de zeevaart te verbeteren en het mariene milieu beter te beschermen tegen verontreiniging door schepen. Het voorstel nam de internationale normen voor verontreiniging vanaf schepen over in Gemeenschapsrecht, en voorzag deze van een Communautair handhavingsregime, met inbegrip van de aanmerking van bepaalde lozingen als strafrechtelijke inbreuken (misdrijven), en aanwijzingen aan de lidstaten voor de strafrechtelijke sanctionering daarvan. Het was de bedoeling dat de Richtlijn, met name met betrekking tot deze laatste aanwijzingen, zou worden aangevuld door een Kaderbesluit van de JBZ-Raad gericht op de onderlinge afstemming van de (strafrechttelijke) wetten en regels van de lidstaten inzake milieumisdrijven door schepen te versterken en de samenwerking tussen de lidstaten met het oog op de bestrijding van deze misdrijven te vergemakkelijken en aan te moedigen. Het voorstel voor zo’n Kaderbesluit publiceerde Commissie op 2 mei 2003.[394] Wat de strafrechtelijke aspecten betreft was de door de Commissie voorziene onderIinge verhouding tussen beide instrumenten dat de Richtlijn zou bepalen dat verontreiniging vanaf schepen als misdrijf moest worden beschouwd waarop strafrechtelijke sancties van toepassing zijn; terwijl het Kaderbesluit met name bedoeld om de hoogte van de strafrechtelijke sancties onderling aan te passen.

Gezien de politieke urgentie van de voorstellen, vanwege de recente grootschalige en mediagenieke scheepvaartrampen, stond er aanzienlijke politieke- en tijdsdruk op de onderhandelingen over de Richtlijn. In eerste lezing, in april 2004, introduceerde het Europees Parlement een aantal inhoudelijke amendementen op het voorstel, waaronder het voorstel voor het opzetten van een Europese Kustwacht, die zou kunnen assisteren bij het toezicht en derhalve de toepassing van de Richtlijn. Ook wilde het EP de lidstaten slechts 6 maanden, in plaats van een jaar, geven om aan de Richtlijn te voldoen. Een cruciale wending voor het voorstel ontstond echter in de onderhandelingen in de Raad. Op 7 oktober 2004 stelde de Raad zijn Gemeenschappelijke Positie vast, ondanks tegenstemmen door Griekenland en Malta. Hierin besloot de Raad dat gedetailleerde voorschriften voor strafrechtelijke sancties niet in de Richtlijn opgenomen moesten worden (in de supranationale, voormalige 1e Pijler van de EU), maar in een apart Kaderbesluit van de JBZ Raad (in de intergouvernementele voormalige 3e pijler van de EU: Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken; PJSS – voorheen Justitie & Binnenlandse Zaken; JBZ). Derhalve wilde de Raad dat in de Richtlijn niet over ‘misdrijven’ maar over ‘overtredingen’ gesproken zou worden, opdat de strafrechtelijke en aansprakelijkheid aspecten aan de lidstaten zouden blijven, en geregeld bij JBZ-Raad Kaderbesluit. Verder wees de Raad ook de EP voorstellen af voor een Europese kustwacht (althans binnen het kader van deze Richtlijn), evenals de aangescherpte omzettingstermijn.

Deze koerswijziging van de Raad was aanzienlijk. Hoewel de oorspronkelijke Commissie-voorstellen hadden voorzien dat de bepalingen inzake de aard (strafrechtelijk) en het type (gevangenisstraf of financieel) van de sancties in het Communautaire instrument (Richtlijn) opgenomen zouden worden, en de bepalingen inzake de hoogte van de strafrechtelijke sancties in het intergouvernementele instrument (Kaderbesluit), wilde de Raad al deze elementen in het Kaderbesluit vastleggen, en aan de Richtlijn onttrekken. Hoewel de Commissie het met deze wijziging van de Raad grondig oneens was, aangezien het juist de strafrechtelijke sanctionering had willen opnemen in de Richtlijn om tot een consequente en effectieve handhaving van de scheepsverontreinigingsregels te komen, kon het weing anders dan deze positie van de Raad aanvaarden,mede omwille van de urgentie van het onderwerp en de noodzaak het voorstel zo snel mogelijk door co-decisie heen te loodsen. Voor de tweede lezing werd begin 2005 een trialoog belegd tussen het EP, de Raad, en de Commissie, om de overige inter-Institutionele meningsverschillen glad te strijken. Uiteindelijk konden op deze overige punten werkbare compromissen bereitk worden, zoals de haalbaarheidsstudie voor een Europese kustwacht op termijn, en het aanmerken van ernstige inbreuken als ‘misdrijven’ onder art. 4 – echter zonder nadere strafrechtelijke voorschriften vast te stellen, aangezien deze inmiddels uit het voorstel naar het JBZ-Raad concept-Kaderbesluit waren overgeheveld. Opnieuw maakte de Commissie officieel nota van haar ongenoegen met deze beslissing van de Raad (met akkoord van het EP), maar sprak tegelijkertijd wel haar waardering uit voor de relatief vlotte vaststelling van deze belangrijke nieuwe Richtlijn 2005/35, op 7 september 2005.

Hiermee was de kous echter nog niet af, wat de Commissie betreft. De Raad had in JBZ formatie inmiddels op 12 juli 2005 het Kaderbesluit 2005/667[395] gedetaileerde strafrechtelijke voorschriften vastgesteld, waarmee lidstaten verplicht werden in strafrechtelijke sancties te voorzien ter handhaving van de scheepsverontreinigings-Richtlijn 2005/35 en het Marpol 73/78-Verdrag.

De Commissie stelde echter op 8 december 2005 beroep in bij het HvJ EU tegen het Kaderbesluit, wegens strijdigheid met art. 47 EU-Verdrag (thans art. 40 VEU). De Commissie stelde dat de Raad bij het vaststellen van dit Kaderbesluit met strafrechtelijke sanctiebepalingen de verkeerde rechtsgrondslag gekozen had en art. 47 EU-Verdrag (thans art. 40 VEU) geschonden had, aangezien deze sanctiemaatregelen van strafrechtelijke aard noodzakelijk waren ter waarborging van de doeltreffendheid van het gemeenschappelijk vervoerbeleid, zoals door Richtlijn 2005/35 (in de 1e Pijler) ontwikkeld was, en derhalve op grond van art. 80, lid 2 EG-Verdrag (thans art. 100, lid 2, VwEU) hadden kunnen worden vastgesteld. Vanwege de ondeelbaarheid van het Kaderbesluit zou het besluit als geheel indruisen tegen art. 47 EU-Verdrag (thans art. 40 VEU), en zou het derhalve onwettig zijn. De Commissie wist zich in dit beroep gesterkt door het zeer kort daarvoor gewezen Milieustrafrecht arrest.[396] In dit arrest speelde een soortgelijke rechtsgrondslag- en bevoegdheids-kwestie over een Kaderbesluit van de JBZ-Raad in de (voormalige) 3e EU pijler, welke de Commissie had aangevochten vanwege strijd met art. 47 EU-Verdrag (thans art. 40 VEU). Hierbij had het HvJ EU zich al in bovenstaande zin uitgesproken met betrekking tot de bevoegd van de (toenmalige) EG om bij supranationale wetgeving (1e pijler) strafrechtelijke maatregelen met het oog op de bescherming van het milieu vast te stellen. De (1e pijler) Gemeenschapswetgever beschikt, aldus het Hof, over de bevoegdheid om de strafrechtelijke sanctionering van inbreuken op het Communautair milieurecht verplicht te stellen voor de lidstaten wanneer dit onontbeerlijk is in de strijd tegen ernstige aantastingen van het milieu en teneinde de volledige doeltreffendheid van de door hem op dit gebied vastgestelde normen te verzekeren. In navolging van dit belangwekkende precedent in het Milieustrafrecht arrest (gewezen slechts een week voor de vaststelling van Richtlijn 2005/35 en exact drie maanden na de vaststelling van Kaderbesluit 2005/667) wilde de Commissie het JBZ Kaderbesluit ‘regulariseren’, d.w.z. vervangen door een Richtlijn in de supranationale EU rechtsorde (voormalige 1e pijler).

Uiteindelijk zou het HvJ EU, op 23 oktober 2007, de lezing van de Commissie grotendeels onderschrijven, en werd het Kaderbesluit 2005/667/JBZ nietig verklaard.[397] Hoewel het Hof van oordeel was dat de vaststelling van de aard en de hoogte van de op te leggen strafrechtelijke sancties niet tot de bevoegdheid van de (supranationale, 1e pijler) Gemeenschapswetgever behoort, en derhalve bepaalde artikelen van het Kaderbesluit niet als zodanig in strijd met met art. 47 EU-Verdrag (thans art. 40 VEU) waren vastgesteld, moest vanwege de ondeelbaarheid van het besluit toch de hele maatregel als geheel nietig verklaard worden.

Teneinde het als gevolg van dit arrest ontstane rechtsvacuüm op te vullen formuleerde de Commissie vervolgens een voorstel om onderdelen van het JBZ Kaderbesluit te ‘regulariseren’, dat wil zeggen te vervangen oftewel om te zetten in (supranationale, 1e pijler) Gemeenschapswetgeving. Het voorstel voor Richtlijn 2009/123 werd op 11 maart 2008 gepubliceerd.[398] Het voorstel nam de inhoud van het nietig verklaarde Kaderbesluit 2005/667/JBZ in grote lijnen over (met uitzondering van de vaststelling van de aard en de hoogte van de op te leggen strafrechtelijke sancties, waarvan het HvJ EU immers duidelijk gesteld had dat de bevoegdheid daartoe in de (voormalige) 1e pijler ontbrak, althans zolang het Verdrag van Lissabon nog niet in werking getreden was), ter uitbreiding en wijziging van de titel en inhoud van Richtlijn 2005/35. Doordrongen van de urgentie van de wetgeving, en het rechtsvacuum dat door de voorgaande situatie was ontstaan, kwamen de instellingen tot een snel compromis zodat het voorstel in 1e lezing kon worden vastgesteld. Op 21 oktober 2009 werd dit resultaat bereikt, en drie weken later kon Richtlijn 2009/123 in werking treden.

4.13.6 De omzetting in nationale regelgeving

Richtlijn 2005/35 (zoals gewijzigd) wordt in Nederland geimplementeerd bij de Wet voorkoming verontreiniging door schepen (Wvvs)[399], en het daarop gebaseerde Besluit voorkoming verontreiniging door schepen (Bvvs).[400] Nadere uitvoering wordt gegeven bij de Regeling voorkoming verontreiniging door schepen (Rvvs).[401] In de Wvvs en de Bvvs zijn met name de internationale verdragsvoorschriften voor zeeschepen opgenomen (met name het Marpol 73/78-Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie). De Rvvs ziet vooral op de eisen die als zodanig op nationaal niveau, zij het veelal met een internationale achtergrond, of ter uitvoering van Europese regelgeving aan zeeschepen worden gesteld, zoals bij Richtlijn 2005/35. Het Bvvs bevat de internationale verdragsvoorschriften, en in de Rvvs zijn de aanvullende of bijzondere regels opgenomen; beide moeten derhalve steeds in samenhang worden toegepast. In principe kan men als vuistregel hanteren dat alle internationale verdragsverplichtingen in het Bvvs zijn uitgevoerd, terwijl alle nationale of Europese aanvullingen en bijzonderheden in de Rvvs zijn opgenomen.

De implementatie van Richtlijn 2005/35 in de Rvvs betreft een wijziging in de strafrechtelijke sanctionering van lozingen van olie en schadelijke vloeistoffen in bulk in strijd met de voorschriften van het MARPOL-verdrag. Overtreding van lozingsvoorschriften was al strafrechtelijk gesanctioneerd. Met implementatie van de Richtlijn, middels art. 13 Rvvs, is een uitzondering op de MARPOL lozingsverboden (geïmplementeerd via het Bvvs) nader ingevuld dan wel ingeperkt.

De Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) is toezichthouder van het strafrechtelijk traject, terwijl het openbaar ministerie (OM) voor de opsporing en vervolging verantwoordelijk is. De strafbaarstelling van inbreuken in de zin van de artt. 4 t/m 8 van Richtlijn 2005/35 is in Nederland geregeld bij art. 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten (WED) in samenhang met art. 5 Wvvs in samenhang met art. 29, lid 1 en 2 van het Bvvs, artt. 13 en 14 van de Rvvs, en het Wetboek van Strafrecht.

4.13.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

De Algemene Rekenkamer heeft in 2001 een kritisch rapport uitgebracht over het Nederlandse beleid ter voorkoming en bestrijding van vervuiling door zeeschepen (Algemene Rekenkamer, 2001). Aanbevolen werd ondermeer om ac tiever te gaan handhaven, met meer aandacht voor de milieurisico’s. In 2010 bleken de meeste aanbevelingen te zijn opgevolgd (Algemene Rekenkamer, 2010). Het milieutoezicht op zeeschepen door de Inspectie Verkeer en Waterstaat (IVW) richt zich nu op de meest risicovolle schepen. Ook zijn maatregelen genomen om de laagdrempeligheid van de voorzieningen voor afvalinname in de havens te vergroten en wordt er beter samengewerkt tussen handhavers op zee en in de havens. Maar nog niet alle problemen zijn opgelost. Zo is de hoeveelheid afval in de Noordzee en op de stranden, die mede door de scheepvaart wordt veroorzaakt, niet significant afgenomen. Ook worden er nog steeds (olie­)verontreinigingen op de Noordzee waargenomen, al zijn het aantal en de omvang ervan sinds 2001 wel aanzienlijk afgenomen.

Referenties

Algemene Rekenkamer (2001), Milieuvervuiling door zeeschepen.Den Haag.

Algemene Rekenkamer (2010), Milieuvervuiling door zeeschepen. Terugblik 2010. Den Haag.

[388] PbEU L 255, 30.9.2005; vernietigd door het HvJ EU bij arrest van 23 oktober 2007, in zaak C-440/05, Commissie/Raad, Jur. 20007, I-9097.

[389] Ibid.

[390] Opgezet bij Beschikking 2850/2000, PbEU L 332, 28.12.2000, zoals gewijzigd bij Beschikking 787/2004, PbEU L 138, 30.4.2004.

[391] PbEU L 208, 5.8.2002.

[392] Opgericht bij art. 3 van Verordening 2099/2002, PbEU L 324, 29.11.2002; zoals gewijzigd bij Verordening, PbEU L 68, 6.3.2004.

[393] COM(2002)681 def.

[394] COM(2003)227 def.

[395] PbEU L 255, 30.9.2005; vernietigd door het HvJ EU bij arrest van 23 oktober 2007, in zaak C-440/05, Commissie/Raad, Jur. 20007, I-9097.

[396] Zaak C-176/03, Commissie/Raad, Jur. 2005, I-7879.

[397] Ibid.

[398] COM(2008)134.

[399] Stb. 1983, 683, , laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 489.

[400] Stb. 2006, 693, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 91.

[401] Stcrt. 2006, 249, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2010, 10488.