2007/60/EG (PbEU L 288, 6.11.2007) voorgesteld 18.1.2006 – COM(2006)15 | Richtlijn over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s |
Rechtsgrondslag | Artikel 175 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Datum van inwerkingtreding | 26 november 2007 |
Omzetting in nationale regelgeving | 26 november 2009 |
Vaststelling voorlopige overstromingsrisicobeoordeling* | Uiterlijk 22 december 2011. Daarna toetsing om de zes jaar, voor het eerst uiterlijk op 22 december 2018 |
Vaststelling overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten | Uiterlijk 22 december 2013. Daarna toetsing om de zes jaar, voor het eerst uiterlijk op 22 december 2019 |
Vaststelling overstromingsrisicobeheerplannen | Uiterlijk 22 december 2015. Daarna toetsing om de zes jaar, voor het eerst uiterlijk op 22 december 2021 |
Vaststelling technische opmaakvoorschriften door Commissie | Uiterlijk 22 december van: 2009 (voorlopige overstromingsrisicobeoordeling); 2011 (overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten); 2013 (overstromingsrisicobeheerplannen) |
Verslag van vaststellingen en toepassing Richtlijn door lidstaten | Uiterlijk 3 maanden na iedere vaststelling/toetsing/bijstelling |
Verslag van Commissie over toepassing van de Richtlijn | Iedere 6 jaar, voor het eerst uiterlijk op 22 december 2018 |
* Op grond van art. 13, lid 1, kunnen lidstaten onder bepaalde voorwaarden afzien van het maken van een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling. Nederland maakt van deze mogelijkheid gebruik.
Waterwet | Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146 |
Waterbesluit | Stb. 2009, 548, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 330 |
Regeling provinciale risicokaart | Stcrt. 2007, 75, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2010, 15135 |
De Richtlijn heeft tot doel een kader vast te stellen voor de beoordeling en het beheer van overstromingsrisico’s, ten einde de negatieve gevolgen te beperken die overstromingen in de EU voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid met zich brengen (art. 1). Daarbij wordt tevens rekening gehouden met milieudoelstellingen in bestaande EU-wetgeving. Hiermee vult Richtlijn 2007/60 de Kaderrichtlijn water 2000/60 (§ ???) aan, en sluit aan bij de stroomgebiedbenadering die daarin ontwikkeld is. Weliswaar voorziet ook de kaderrichtlijn in de ontwikkeling van beheerplannen voor de stroomgebiedendie bijdragen aan de afzwakking van de gevolgen van overstromingen, maar de Kaderrichtlijn is niet prioritair gericht op de vermindering van het specifieke overstromingsrisico. De Kaderrichtlijn water houdt evenmin rekening met eventuele toekomstige veranderingen in het overstromingsrisico als gevolg van de klimaatverandering (overweging 4, considerans Richtlijn 2007/60). In de toepassing en uitvoering van beide Richtlijnen dient dan ook zoveel mogelijk gecoördineerd gewerkt te worden, teneinde gebruik te maken van het potentieel voor gemeenschappelijke synergieën en voordelen tussen beide processen (o.m. art. 9 en overweging 17).
De richtlijn schrijft niet voor welke concrete doelstellingen en maatregelen voor het beheer van overstromingsrisico’s geformuleerd moeten worden, maar geeft een kader. De lidstaten kunnen nationaal bepalen welke doelen en welke maatregelen zij opstellen. De lidstaten behouden, met inachtneming van de principes[415] die de richtlijn stelt, de vrijheid om het nationaal beleid te vormen naar eigen actuele beleidsinzichten.
De richtlijn verstaat onder ‘overstroming’: het tijdelijk onder water staan van land dat normaliter niet onder water staat. De term bestrijkt in ieder geval overstromingen door rivieren, bergstromen, efemere waterlopen in het Middellandse-Zeegebied, en overstromingen door de zee in kustgebieden, met mogelijke uitsluiting van overstromingen door rioolstelsels (art. 2, lid 1). Onder ‘overstromingsrisico’ verstaat de Richtlijn: de kans dat zich een overstroming voordoet in combinatie met de mogelijke negatieve gevolgen van een overstroming voor de gezondheid van de mens, het milieu, het cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid (art. 2, lid 2).
De Richtlijn beoogt bovenstaande doelstellingen te verwezenlijken door middel van een gefaseerde aanpak. Er zijn drie fasen te onderscheiden, die in de Richtlijn zijn verdeeld over drie afzonderlijke hoofdstukken. In de eerste fase dienen de lidstaten een voorlopige overstromingsrisicobeoordeling uit te voeren voor elk stroomgebiedsdistrict of beheerseenheid, of voor delen van internationale stroomgebiedsdistricten die op hun grondgebied zijn gelegen (art. 4, lid 1). Op basis van deze voorlopige overstromingsrisicobeoordeling stellen zij vervolgens vast voor welke gebieden een potentieel significant overstromingsrisico bestaat, of kan worden verwacht; bij deze aanwijzingen coördineren de lidstaten onderling (art. 5, leden 1 en 2). De eerste voorlopige overstromingsrisicobeoordelingen en overstromingsrisicogebiedsaanwijzing dienen de lidstaten uiterlijk op 22 december 2011 afgerond te hebben (art. 14, lid 1).
Vervolgens dienen, in de tweede fase, voor deze overstromingsrisicogebieden overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten opgesteld te worden (art. 6, lid 1). Deze fase moet uiterlijk op 22 december 2013 voor het eerst afgerond zijn (art. 14, lid 2).
De derde fase bestaat uit het opstellen van overstromingsrisicobeheerplannen. Basis voor de plannen zijn de overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten (art. 7, lid 1). In de beheerplannen vermelden lidstaten adequate beheerdoelstellingen, gericht op vermindering van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van de mens, het milieu, het culturele erfgoed en de economische bedrijvigheid, en, indien nodig geacht, aan niet-structurele initiatieven en/of aan de vermindering van de kans op overstromingen (art. 7, lid 2). Daarnaast omvatten de overstromingsrisicobeheerplannen ook de maatregelen waarmee de lidstaten deze beheerdoelstellingen beogen te verwezenlijken, alsook de in deel A van de Bijlage bij de Hoogwaterrichtlijn vermelde specifieke onderdelen (art. 7, lid 3). Bij het vaststellen van beheerplannen dient het solidariteitsbeginsel in acht genomen te worden, met dien verstande dat ze geen maatregelen mogen omvatten die door hun omvang en gevolgen leiden tot een aanzienlijke toename van het overstromingsrisico in stroomopwaarts of stroomafwaarts gelegen andere landen in hetzelfde stroomgebied of deelstroomgebied, tenzij deze maatregelen werden gecoördineerd (art. 7, lid 4). Art. 8 geeft voor dit soort meerlanden situaties (ook met niet-EU derde-landen) afstemmings- en coordinatie-voorschriften. Art. 9 en 10geven voorschriften voor de coördinatie met de Kaderrichtlijn water en de publieke participatie.
In elk van deze drie fasen dienen de lidstaten hun werkzaamheden onderling te coördineren, met name ingeval van stroomgebieden die op het grondgebied van meerdere lidstaten en/of (niet-EU) derde-landen zijn gelegen (o.m. art. 4, lid 3, art. 5, lid 2, art. 6, lid 2, art. 7, lid 4, art. 8, art. 9). Coordinatie dient ook verzorgd te worden met de uitvoering van de Kaderrichtlijn water, waarbij gezocht moet worden naar mogelijkheden voor synergieën en voordelen, zoals verbetering van de efficiëntie en de informatie-uitwisseling, mede rekening houdende met de bestaande EU milieudoelstellingen (art. 9, lid 1). De eerste overstromingsrisicobeheerplannen in deze derde fase dienen uiterlijk op 22 december 2015 vastgesteld te zijn (art. 14, lid 3).
Alle drie fasen worden iedere zes jaar opnieuw doorlopen, ter toetsing en eventueel bijstelling aan actuele omstandigheden en veranderingen, inclusief de vermoedelijke effecten van klimaatveranderingen (art. 14, leden 1 t/m 4). In alle gevallen dienen de lidstaten de Commissie van alle relevante informatie te voorzien (art. 15).
Op grond van art. 13 bestaat echter een overgangsregime, ten aanzien van bovenstaande drie fasen-schema. De overgangsmaatregelen bieden de lidstaten de mogelijkheid om af te zien van het vaststellen van een voorlopige risicobeoordeling, mits zij vóór 22 december 2010 over een risicobeoordeling beschikken die voldoet aan de vereisten die door de richtlijn aan dergelijke documenten worden gesteld. De voorlopige risicobeoordeling kan eveneens worden overgeslagen wanneer voor de betreffende gebieden reeds is besloten overstromingsgevaar- en -risicokaarten op te stellen. Eveneens kunnen lidstaten overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten alsmede overstromingsrisicobeheerplannen gebruiken die zij vóór 22 december 2010 hebben vastgesteld, mits de kaarten en plannen voldoen aan de eisen die de richtlijn daarvoor stelt.
In beginsel wordt voor de toepassing van de richtlijn gebruik gemaakt van de indeling van stroomgebieden overeenkomstig de regelingen van art 3 van de Kaderrichtlijn water (art. 3, lid 1 Richtlijn 2007/60). Afwijkingen zijn echter mogelijk; zo kunnen lidstaten verkiezen om andere bevoegde autoriteiten aan te wijzen, of om bepaalde kustgebieden of afzonderlijke stroomgebieden vast te stellen en deze toe te wijzen aan een andere beheerseenheid dan onder de Kaderrrichtlijn zijn toegewezen (art. 3, lid 2, onder a en b). Ingeval van zulke afwijkingen dienen de lidstaten binnen drie maanden, maar uiterlijk 26 mei 2010, aan de Commissie de in Bijlage I bij de Kaderrichtlijn water bedoelde informatie te verstrekken (art. 3, lid 2, laatste alinea).
Art. 4, lid 2 noemt de elementen die de voorlopige overstromingsrisicobeoordelingen in elk geval moeten bevatten.
Overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten hebben, op grond van art. 6, lid 3, betrekking op de geografische gebieden die volgens de volgende scenario’s kunnen worden overstroomd:
a) kleine kans op overstromingen of scenario’s van buitengewone gebeurtenissen;
b) middelgrote kans op overstromingen (herhalingsperiode ≥ 100 jaar); of
c) grote kans op overstromingen, indien van toepassing.
Voor elk van deze scenario’s wordt vermeld:
a) de omvang van de overstroming;
b) de waterdiepte of, indien van toepassing, het waterniveau; en
c) de stroomsnelheid of het betrokken waterdebiet, indien van toepassing (art. 6, lid 4).
Overstromingsrisicokaarten moeten aan de hand van de volgende gegevens een beeld geven van de potentiële negatieve gevolgen van overstromingen in het kader van de drie bovengenoemde scenario’s (art. 6, lid 5):
het indicatieve aantal potentieel getroffen inwoners;
het type economische bedrijvigheid van het potentieel getroffen gebied;
de installaties als bedoeld in Bijlage I bij Richtlijn 96/61 inzake geïntegreerde preventie ter bestrijding van verontreiniging (IPPC: zie § ???) die in geval van overstroming voor incidentele verontreiniging kunnen zorgen en de uit hoofde van Bijlage IV, punt 1, onder i), iii) en v), bij de Kaderrichtlijn water 2000/60/EG aangewezen beschermde gebieden die potentieel getroffen kunnen zijn;
andere informatie die de lidstaat nuttig acht, zoals de vermelding van gebieden waar overstromingen met een groot gehalte aan vervoerde sedimenten alsook puinstromen kunnen voorkomen, alsmede informatie over andere belangrijke bronnen van vervuiling.
Ten aanzien van kustgebieden waar een passend beschermingsniveau wordt geboden, en ten aanzien van gebieden waar overstroming door grondwater wordt veroorzaakt, kunnen de lidstaten besluiten om de overstromingsgevaarkaarten uitsluitend op te stellen met betrekking tot het eerste scenario, van kleine kans op overstromingen of scenario’s van buitengewone gebeurtenissen (art. 6, leden 6 en 7).
Krachtens art. 9 dient de toepassing van de richtlijn zoveel mogelijk gecoördineerd te worden met die van de Kaderrichtlijn water, en moeten lidstaten zoeken naar de mogelijkheden voor verbetering van de efficiëntie en de informatie-uitwisseling en het verwezenlijken van gemeenschappelijke synergieën en voordelen, rekening houdend met de milieudoelstellingen als bedoeld in art. 4 van de Kaderrichtlijn water. Met name met betrekking tot de vaststelling van stroomgebiedsbeheersplannen op grond van de Kaderrichtlijn en de overstromingsrisicobeheerplannen onder de Richtlijn overstromingsrisico’s dient zoveel mogelijk gecoördineerd en geïntegreerd gewerkt te worden.
Krachtens art. 10 dient, overeenkomstig de toepasselijke EU regels inzake publieke informatie en participatie, de in de Richtlijn overstromingsrisico’s benoemde plannen en informatie ter beschikking gesteld te worden aan het publiek. Bovendien wordt door lidstaten de actieve participatie van de betrokken partijen gestimuleerd bij het opstellen, toetsen en bijstellen van de overstromingsrisicobeheerplannen.
De Commissie is krachtens art. 11 bevoegd om om technische opmaakvoorschriften vast te stellen ten behoeve van de verwerking van, onder meer, statistische en cartografische gegevens, en de transmissie van deze gegevens aan de Commissie. Dit dient uiterlijk twee jaar voor de in art. 4, lid 4; art. 6, lid 8; en art. 7, lid 5 genoemde termijnen (respectievelijk 22 december 2011, 2013, en 2015) te geschieden. Hierbij, en ook bij de aanpassing van overige (niet essentiële) onderdelen wordt de Commissie bijgestaan door het comité opgericht bij art. 21 van de Kaderrichtlijn water (art. 12, lid 1), en wordt in voorkomende gevallen de regelgevingsprocedure met toetsing toegepast (art. 12, lid 3).
Artt. 15 en 16 bevatten de rapportageverplichtingen van de lidstaten en de Commissie. De lidstaten dienen bij iedere vaststelling in ieder van de bovenbeschreven fasen, als ook bij toetsing en bijstelling, de Commissie steeds binnen 3 maanden van alle relevante informatie te voorzien (art. 15). De Commissie stelt, op haar beurt, op basis van deze informatie een verslag op over de toepassing van deze Richtlijn, waarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen van klimaatverandering. Het eerste Commissierapport dient uiterlijk 22 december 2018 aan het Europees Parlement en de Raad te worden toegezonden, en vervolgens iedere zes jaar opnieuw (art. 16).
De lidstaten dienen de Richtlijn uiterlijk op 26 november 2009 omgezet te hebben (art. 17, lid 1).
Overstromingen zijn al lang een serieus probleem in vele lidstaten, variërend van incidentele overstromingen van kleine regionale rivieren, tot grote watersnoodrampen op Europese grensoverschrijdende waterwegen en kustgebieden. Zo zijn er bijvoorbeeld in de periode 1998-2004 als gevolg van overstromingen zo’n 700 dodelijke slachtoffers gevallen, werden een half miljoen mensen uit hun huis en leefomgeving verdreven, en was er tenminste €25 miljard aan economische schade als gevolg van overstromingen. Tot voor kort stond overstromingsrisicobeheer echter niet op de EU wetgevingsagenda. De in 2000 vastgestelde Kaderrichtlijn water (§???) refereerde wel naar overstromingsrisicobeheer (zie o.m. artt. 1 en 11) als een onderwerp waarmee rekening gehouden dient te worden in de stroomgebiedbeheersplannen, echter zonder daarbij specifieke doelstellingen of maatregelen te formuleren.
Derhalve bestond er een aanzienlijke lacune in het Europese waterbeleid ten aanzien van overstromingsrisicobeheer. Wel bestaat er op internationaal vlak ruime ervaring met samenwerking ten aanzien van grensoverschrijdende overstromingsrisicobeheer in Europa, zoals bijvoorbeeld onder de auspiciën van de Internationale Rijn Commissie (ICBR). In januari 1998 werd het Actieplan Hoogwater Rijn vastgesteld tijdens de Rijnministersconferentie te Rotterdam. In dat kader zijn concrete doelstellingen geformuleerd die in het jaar 2020 bereikt moeten worden. De bescherming tegen overstroming is vervolgens als doelstelling vastgelegd in het nieuwe Rijnverdrag 1999. Daarbij dienen ecologische randvoorwaarden in acht te worden genomen.
Nederland heeft in het informele overleg van EU Waterdirecteuren in november 2002 te Kopenhagen voorgesteld om tot een Europese aanpak van de hoogwaterbescherming te komen. Dit initiatief werd door Frankrijk en een aantal andere lidstaten ondersteund. Mede naar aanleiding van deze aansporingen publiceerde de Commissie op 12 juli 2004 een Mededeling getiteld “Overstromingsrisicobeheer: Preventie van, bescherming tegen, en verzachting van de gevolgen van overstromingen”.[416] In deze (korte) mededeling zette de Commissie een analyse en een benadering van het overstromingsrisicobeheer op Gemeenschapsniveau uiteen, en stelde zij dat gecoördineerde en geïntegreerde actie op Gemeenschapsniveau een aanzienlijke toegevoegde waarde zou opleveren en de algehele doeltreffendheid van de bescherming tegen watersnood ten goede zou komen. Van een voorstel tot wetgeving was echter nog geen sprake, maar de mededeling gaf wel aanleiding tot verdere informele gesprekken binnen de Raad en expertbijeenkomsten in het kader van de Kaderrichtlijn water. Onder Nederlands EU-voorzitterschap werden in het najaar van 2004 de gewenste hoofdlijnen voor het EU-beleid ten aanzien van overstromingsrisico’s in Raadsconclusies neergelegd. Dit hield onder meer in dat de lidstaten zich zullen inzetten om de bewustwording van burgers ten aanzien van overstromingsrisico’s te vergroten en om het potentiële overstromingsrisico voor onder meer de burger, de economie en het milieu te verminderen. Tevens werd de Commissie uitgenodigd om met een gepast (wetgevings)voorstel te komen.
Daarnaast stelde de Commissie een informeel EU-actieprogramma vast, waarin verschillende aspecten aan de orde gesteld werden, zoals het inzetten van EU-fondsen en informatieuitwisseling, maar ook de mogelijkheid van een wetgevend voorstel. Bovendien startte de Commissie in juli 2005 een (besloten) publieke stakeholder-consultatie via internet over de mogelijke onderdelen voor EU overstromingsrisicobeheer regelgeving, in voorbereiding op haar voorstellen voor een Richtlijn overstromingsrisico’s.
Op basis van deze voorbereidingen publiceerde de Commissie uiteindelijk op 18 januari 2006 haar voorstel[417] voor een Richtlijn over overstromingsbeoordeling en -beheer. In eerste lezing, in juni 2006, stelde het Europees Parlement een aantal amendementen voor, waaronder de wijziging van de titel en art. 1 om het risico-beheersingsaspect van de doelstelling te benadrukken. Wijzigingen hadden verder onder meer betrekking op het solidariteitsbeginsel, opdat overstromingsrisicobeheersmaatregelen in één lidstaat niet tot andere of toegenomen risico’s in stroomop- of -afwaarts gelegen landen zouden leiden; een sterkere benadrukking van het subsidiariteitsbeginsel, d.m.v. grotere decentrale flexibilitieit; versterking van de publieke participatie en informatieverplichtingen; en een explicietere rol voor een inschatting van veranderingen als gevolg van klimaatverandering.
De Raad kwam vervolgens in november 2006 met unanieme stemming tot een gemeenschappelijk standpunt over het voorstel en de EP-amendementen. Enkele wijzigingen van de Raad hadden onder meer betrekking op een beperking van de soorten overstroming in de definities van de Richtlijn; een stroomlijning van het proces van voorlopige overstromingsrisicobeoordeling, en de rol daarbij voor de gevolgen van klimaatverandering; en de samenwerking en coördinatie van landen in grensoverschrijdende stroomgebieden.
De Commissie maakte bezwaar tegen de beperking van de Richtlijn tot een specifieke lijst overstromingsscenario’s, vanwege praktische en juridische beperkingen. Ook betreurde de Commissie dat geen eenduidig akkoord bereikt had kunnen worden, in de Raad, over hoe rekening te houden met de gevolgen van klimaatverandering in het kader van de Richtlijn. In tweede lezing, in april 2007, introduceerde het EP opnieuw enkele amendementen, waarvan 27 gericht op een inter-institutioneel compromis. Zo werd voor de veranderingen als gevolg van klimaatverandering voorgesteld dit op te nemen in het Commissie evalutierapport in 2018, en werd de termijn voor het vaststellen van de eerste voorlopige overstromingsrisicobeoordelingen met een jaar aangescherpt naar 22 december 2011.
Op deze basis kon op 18 september 2007 de Richtlijn overstromingsrisico’s worden vastgesteld, en trad deze op 26 november 2007 in werking.
Bij de omzetting van de Richtlijn overschreed Nederland nèt de termijn van 26 november 2009. Dit is mede vanwege het feit dat de uitvoering van Richtlijn 2007/60 werd ingebed in het planstelsel van de nieuwe Waterwet,[418] welke op 22 december 2009 in werking trad. Naast de Waterwet is de richtlijn in Nederland omgezet middels het op de Waterwet gebaseerde Waterbesluit.[419]
Aangezien overstromingsrisicobeheer voor Nederland een verre van nieuw fenomeen is, zullen de overstromingsrisicobeheerplannen voor het Nederlands deel van het stroomgebieddistrict voor een groot deel bestaand beleid beschrijven. Nieuw is de integratie van overstromingsrisicobeheer vanuit preventie met de beleidsterreinen van ruimtelijke ordening en rampenbeheersing in een gezamenlijk plan. De huidige algemene doelstellingen voor het nationaal overstromingsrisicobeheer, welke ook weer een plaats zullen krijgen in het overstromingsrisicobeheerplan, kunnen worden gevonden in art. 21 van de Grondwet en art. 2.1 van de Waterwet. Deze worden in nationale regelgeving op verschillende wijzen geconcretiseerd, met als belangrijkste invulling het stelsel van primaire waterkeringen. De normering van deze keringen maakt de algemene doelstellingen in zekere zin kwantitatief. In perioden van zes jaar wordt de kering door waterkeringbeheerders getoetst aan die norm, en zo wordt getoetst of nog aan de norm wordt voldaan en of maatregelen (zoals dijkversterking) getroffen moeten worden om weer aan de norm te voldoen. De norm zelf hoeft in de plancyclus niet telkens te worden herzien. De doeltreffendheid en effecten van de norm zelf worden elke 12 jaar geëvalueerd. Het opstellen van het overstromingsrisicobeheerplan en het neerleggen van de doelstellingen en maatregelen daarin geschiedt met inachtneming van de bestaande taken en bevoegdheden van de verschillende overheden die betrokken zijn bij het overstromingsrisicobeheer.
Hoofdstuk 4 van de Waterwet voorziet in de verplichting tot het vaststellen van plannen op verschillende bestuurlijke niveaus, waarmee de voornemens voor het waterbeheer telkens voor een periode van zes jaar worden vastgelegd. Het in de Richtlijn voorgeschreven overstromingsrisicobeheerplan zal net als de krachtens de Kaderrichtlijn water op te stellen stroomgebiedbeheerplannen onderdeel vormen van het nationale waterplan.
Naast het planstelsel van de Waterwet en het Waterbesluit is ook de Regeling provinciale risicokaart [420] voor de voorbereiding op overstroming en crisisbeheersing van belang, in het stelsel van de Wet rampen en zware ongevallen (Wrzo)[421] (welke met ingang van 1 oktober 2010 is vervangen door de Wet veiligheidsregio’s[422]). De Regeling provinciale risicokaart is de uitwerking van art. 6a van de Wrzo, waarin aan de provinciebesturen de taak is gegeven om een voor iedereen toegankelijke risicokaart te maken. Op deze kaart zijn de plaatsgebonden en geografisch te onderscheiden risico’s in de provincie weergegeven, zoals risico’s met betrekking tot ongevallen met gevaarlijke stoffen, natuurbrand of overstroming. Gelet op de reeds aanwezige expertise bij de provincies in het maken van risicokaarten (waarin overstroming al als ramptype was opgenomen) is de uitvoering van deze richtlijnverplichting in art. 4.9 van het Waterbesluit eveneens aan de provincies toebedeeld. De artt. 3.10, lid 2, en 3.11, lid 2, van de Waterwet bieden hiervoor de grondslag.
Nederland heeft besloten om dezelfde stroomgebiedsindeling voor de Richtlijn overstromingsrisico’s te gebruiken als voor de Kaderrichtlijn water.
Nederland maakt gebruik van artikel 13, lid 1, onder b van de richtlijn en slaat de in art. 4 voorgeschreven voorlopige overstromingsrisicobeoordeling over. Gezien de overstromingsgevoeligheid van Nederland wordt het niet zinvol geacht om via een voorlopige risicobeoordeling na te gaan waar de potentiële overstromingsgevoelige gebieden in Nederland liggen. Er wordt dus direct overgegaan naar de volgende fasen, namelijk het maken van de kaarten en de plannen.
Informatie over de overstromingsrisico’s in Nederland is (tezamen met andere risico’s) te vinden op www.risicokaart.nl.
Nederland voert het internationale afstemmingsoverleg over de implementatie van de richtlijn voor de grote rivieren via de Riviercommissies van de Rijn, Maas en Schelde en via de samenwerking tussen Duitsland en Nederland in het Eemsgebied. Het overleg voor de kleine grensoverschrijdende wateren wordt gevoerd door regionale of lokale waterbeheerders.
Op EU-niveau wordt In het kader van de ‘Common Implementation Strategy’ voor de Kaderrichtlijn Water ook aandacht besteed aan samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van overstromingsrisico’s. In dat verband zijn ondermeer documenten uitgebracht met ‘goede praktijken’ voor het informeren van het publiek bij overstromingsgevaar (Martini en De Roo, 2007) en voor het maken van overstromingsgevaar- en –risicokaarten (EXCIMAP, 2007).
EXCIMAP (2007), Handbook on good practices for flood mapping in Europe. European exchange circle on flood mapping, november 2007.
Martini, F., en A. de Roo (2007), Good Practice for Delivering Flood-Related Information to the General Public. European Commission, Joint Research Centre, Ispra.
2008/56/EG (PbEU L 164, 25.6.2008) voorgesteld 24.10.2005 – COM(2005)505 | Richtlijn tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) |
Rechtsgrondslag | Artikel 175 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Datum van inwerkingtreding | 15 juli 2008 |
Omzetting in nationale regelgeving | 15 juli 2010 |
Aanwijzing bevoegde instanties | 15 juli 2010 |
Afronding initiële beoordeling | 15 juli 2012 |
Vastlegging omschrijving goede milieutoestand | 15 juli 2012 |
Vaststelling milieudoelen en daarmee samenhangende indicatoren | 15 juli 2012 |
vaststelling en uitvoering monitoringprogramma | 15 juli 2014 |
Commissie voortgangsverslag invoering beschermde gebieden | 2014 |
Ontwikkeling programma van maatregelen goede milieutoestand | 2015 |
Toepassing programma van maatregelen goede milieutoestand | 2016 |
Commissie beoordelingsverslag uitvoering Richtlijn | 2019, vervolgens iedere 6 jaar opnieuw. (binnen 2 jaar na ontvangst van alle programma’s van maatregelen, en in ieder geval uiterlijk in 2019). |
Bereiken of behouden goede milieutoestand van het mariene milieu | Uiterlijk 2020 |
Evaluatie Richtlijn door de Commissie | 15 juli 2023 |
Waterwet | Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146 |
Waterbesluit | Stb. 2009, 548, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 330 |
Doel van de Kaderrichtlijn is een kader te stellen waarbinnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand van het mariene milieu te bereiken of te behouden (art. 1, lid 1). Hiertoe worden gemeenschappelijke beginselen en doelstellingen vastgelegd op basis waarvan de lidstaten in samenwerking met de andere lidstaten en derde staten hun eigen strategieën en beheersplannen moeten uitwerken teneinde in het zeewater waarvoor ze verantwoordelijk zijn een goede milieutoestand te bereiken. Deze strategieën hebben tot doel de Europese mariene ecosystemen te beschermen en te herstellen en te waarborgen dat de economische activiteiten met betrekking tot het mariene milieu een duurzaam karakter hebben. De Richtlijn vormt derhalve de zogenoemde ‘milieupijler’ van het integrale EU maritiem beleid.
De Kaderrichtlijn is van toepassing op alle mariene wateren en houdt rekening met grensoverschrijdende effecten op de kwaliteit van het mariene milieu van derde landen in eenzelfde mariene regio of subregio (art. 2, lid 1). Uitgesloten van toepassing zijn activiteiten die uitsluitend de landsverdediging of de nationale veiligheid dienen, hoewel de lidstaten er wel naar zullen striven dat dergelijke activiteiten verricht worden op een wijze die verenigbaar is met de doelstellingen van deze richtlijn, voor zover zulks redelijk en uitvoerbaar is (art. 2, lid 2). Mariene wateren worden in art. 3, lid 1, gedefinieerd als de wateren, de zeebodem en ondergrond daarvan zeewaarts van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, en reikend tot de uiterste grens van het gebied waarover een lidstaat jurisdictie heeft en/of uitoefent overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, met uitsluiting van de wateren die grenzen aan de in bijlage II bij het Verdrag genoemde landen en gebieden en de Franse overzeese departementen en collectiviteiten; en kustwateren als gedefinieerd in de Kaderrichtlijn water 2000/60 (zie § ???), hun zeebodem en hun ondergrond.
Voor de uitvoering van de Richtlijn worden al deze Europese mariene wateren ingedeeld in vier regio’s (met mogelijke subregio’s, vast te stellen op grond van art. 4, lid 2): de Oostzee, het noordwestelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee (art. 4, lid 1). Voor Nederland betreft dit het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de subregio de Noordzee.
Elke lidstaat ontwikkelt ten aanzien van elk voor hem betreffende mariene regio’s of subregio’s een mariene strategie voor zijn mariene wateren overeenkomstig onderstaand actieplan (art. 5):
initiële beoordeling van de huidige milieutoestand van de betrokken wateren en de milieueffecten van menselijke activiteiten daarop (uiterlijk 15 juli 2012);
omschrijving van de goede milieutoestand van de betrokken wateren (uiterlijk 15 juli 2012);
vaststelling van een reeks milieudoelen en daarmee samenhangende indicatoren (uiterlijk 15 juli 2012);
vaststelling en uitvoering van een monitoringprogramma voor voortgaande beoordeling en periodieke actualisering van de doelen (uiterlijk 15 juli 2014, tenzij in de desbetreffende Gemeenschapswetgeving anders is bepaald);
programma’s van maatregelen gericht op het bereiken of behouden van een goede milieutoestand (ontwikkeling uiterlijk in 2015; toepassing uiterlijk in 2016).
In iedere regio en eventueel in de subregio’s waarvan ze deel uitmaken, moeten de betrokken lidstaten hun activiteiten onderling en met de betrokken derde staten coördineren. Hierdoor kunnen ze, voor zover passend en uitvoerbaar, profiteren van de ervaring en bekwaamheid van de bestaande regionale organisaties, waaronder de uit hoofde van de regionale zeeverdragen opgerichte structuren die deze mariene regio of subregio bestrijken (art. 6). De lidstaten wijzen uiterlijk op 15 juli 2010 voor elke voor hen relevante mariene regio of subregio de bevoegde instantie(s) aan voor de uitvoering van de Richtlijn, en verwittigen de Commissie hiervan op uiterlijk 15 januari 2011 (art. 7).
Ter voorbereiding op de uitvoering van de mariene strategieën voeren de lidstaten als eerste onderdeel van het actieplan een initiële beoordeling uit van de ecologische staat van hun wateren en de invloed van menselijke activiteiten (art. 8). Deze beoordeling omvat:
een analyse van de essentiële kenmerken van deze wateren (fysische en chemische kenmerken, habitattypes, dieren- en plantenpopulaties, enzovoort);
een analyse van de belangrijkste gevolgen en belastende factoren, met name ten gevolge van menselijke activiteiten die de eigenschappen van de wateren beïnvloeden (aantasting door giftige producten, eutrofiëring, verstikking of verslibbing van de habitat door bouwwerken, introductie van uitheemse soorten, verwondingen door scheepsankers, enzovoort);
een economische en sociale analyse van het gebruik van deze wateren en van de kosten van de verslechtering van de toestand van het mariene milieu.
Vervolgens dienen de lidstaten de "goede milieutoestand" van de wateren te bepalen en te omschrijven op basis van in bijlage I opgesomde kwalitatief beschrijvende elementen (art. 9). Kenmerken waarmee zij rekening dienen te houden zijn bijvoorbeeld de biologische diversiteit, de aanwezigheid van niet-inheemse soorten, de gezondheidstoestand van de visbestanden, de voedselketens, eutrofiëring, verandering van de hydrografische omstandigheden en de concentratie van verontreinigingen, de hoeveelheid afval of geluidshinder (Bijlage I, juncto art. 2, lid 5).
Op basis van de initiële beoordeling van de wateren stellen de lidstaten doelstellingen en indicatoren vast om deze goede milieutoestand te bereiken. Deze doelstellingen moeten met name meetbaar zijn, met elkaar samenhangen binnen dezelfde maritieme regio of subregio en aan een realisatietermijn verbonden zijn (art. 10). Bij het opstellen van die streefdoelen en indicatoren houden de lidstaten rekening met de ononderbroken toepassing van bestaande milieustreefdoelen die op nationaal, communautair of internationaal niveau met betrekking tot dezelfde wateren zijn vastgesteld. De lidstaten brengen de milieudoelen uiterlijk drie maanden na de vaststelling ervan ter kennis van de Commissie (art. 10, lid 2).
De lidstaten zorgen voor de vaststelling en uitvoering van gecoördineerde monitoringprogramma’s voor de continue evaluatie van de milieutoestand, op basis van de initiële beoordeling (art. 11). Deze programma’s moeten binnen elke mariene regio en subregio consistent zijn en moeten de bepalingen inzake evaluatie en monitoring welke gelden krachtens het Gemeenschapsrecht (bijvoorbeeld de Habitat- en Vogelrichtlijn) of internationale overeenkomsten als vertrekpunt nemen en daarmee verenigbaar zijn. De lidstaten brengen de monitoringprogramma’s uiterlijk drie maanden na de vaststelling ervan ter kennis van de Commissie (art. 11, lid 3).
Teneinde de doelstellingen voor een goede milieutoestand te verwezenlijken stellen de lidstaten een operationeel programma op (art. 13). Die maatregelen worden uitgewerkt op basis van de initiële evaluatie en de vastgestelde milieustreefdoelen, waarbij de in bijlage VI opgesomde types maatregelen in aanmerking worden genomen. De maatregelen dienen te worden uitgewerkt met inachtneming van duurzame ontwikkeling en met name de economische en sociale gevolgen (art. 13, lid 3). De lidstaten zien erop toe dat de maatregelen kosteneffectief en technisch haalbaar zijn en zij zorgen ervoor dat maatregel vóór hun tenuitvoerlegging aan effectbeoordelingen en kosten-batenanalyses worden onderworpen. In hun programma’s van maatregelen geven de lidstaten aan hoe de maatregelen zullen worden uitgevoerd en hoe zij gaan bijdragen tot het bereiken van de vastgestelde milieudoelen. Uiterlijk in 2013 maken de lidstaten voor elke mariene regio of subregio de relevante informatie openbaar met betrekking tot de in de leden 4 en 5 genoemde gebieden. De lidstaten brengen hun programma’s van maatregelen uiterlijk drie maanden na de vaststelling ervan ter kennis van de Commissie en elke andere betrokken lidstaat (art. 13, lid 9). Op basis van deze kennisgevingen beoordeelt de Commissie of de door iedere lidstaat afzonderlijk meegedeelde programma’s een passend raamwerk vormen om aan de eisen van de Richtlijn te voldoen, en kan zij de betrokken lidstaat verzoeken om alle beschikbare en noodzakelijke aanvullende informatie te verstrekken. Bij het opstellen van deze beoordelingen houdt de Commissie rekening met de samenhang van de programma’s van maatregelen in de verschillende mariene regio’s en subregio’s en in de Gemeenschap als geheel (art. 16).
De bovengenoemde elementen van alle mariene strategieën worden om de zes jaar geactualiseerd en herzien (art. 17). Elke drie jaar stellen de lidstaten tussentijdse voortgangsverslagen op (art. 18).
Op grond van art. 14 bestaat een aantal belangrijke uitzonderingsmogelijkheden op bovenstaande verplichtingen. Lidstaten kunnen binnen hun mariene wateren een specifiek gebied aanwijzen waar de milieustreefdoelen niet (of niet op tijd) kunnen worden gerealiseerd, vanwege het optreden of niet-optreden van een andere staat; natuurlijke oorzaken; overmacht; wijzigingen of veranderingen in de fysische kenmerken van mariene wateren veroorzaakt door maatregelen die werden genomen om redenen van dwingend openbaar belang die zwaarder wegen dan de negatieve milieueffecten, inclusief grensoverschrijdende effecten; of natuurlijke omstandigheden die niet toelaten dat de toestand van de betrokken mariene wateren tijdig verbetert. Evenwel dient de betrokken lidstaat passende ad-hoc maatregelen te nemen om het nastreven van de milieudoelen voort te zetten, een verdere verslechtering van de toestand van de getroffen mariene wateren te voorkomen en de negatieve gevolgen op het niveau van de betrokken mariene regio, subregio of mariene wateren van de overige lidstaten te verlichten. Deze ad-hoc maatregelen worden voor zover dit haalbaar is, geïntegreerd in de programma’s van maatregelen. In alle gevallen moeten uitzonderingsgebieden duidelijk omschreven worden in de programmas van maatregelen en moet aan de Commissie het nodige bewijsmateriaal ter staving verschaft worden (art. 14, lid 4).
Aangezien de Kaderrichtlijn mariene strategie deel uitmaakt van het EU gemeenschappelijke maritiem beleid voorziet het naast (en binnen) de hierboven besproken nationale aanpak ook in een gemeenschappelijke EU dimensie voor mariene strategieën. Allereerst is dit weerspiegeld in de verplichting voor staten die in eenzelfde mariene regio liggen om hun activiteiten te coördineren, zo mogelijk door gebruik te maken van samenwerkingsmechanismen die door de bestaande internationale verdragen zijn ingevoerd. Bovendien ziet, zoals hierboven uiteengezet, de Commissie toe op een samenhangend optreden van de lidstaten, bijvoorbeeld door evaluatie en advisering op basis van nationale kennisgevingen. Daarnaast is de gemeenschappelijke dimensie geborgd door art. 15 van de Richtlijn, in feite als weerspiegeling van het subsidiariteitsbeginsel.
Wanneer een lidstaat een probleem constateert dat gevolgen heeft voor de milieutoestand van zijn mariene wateren en dat niet door middel van op nationaal niveau getroffen maatregelen kan worden aangepakt of verband houdt met ander communautair beleid of met een internationale overeenkomst, informeert hij de Commissie daaromtrent en verschaft hij de redenen voor zijn standpunt. De Commissie dient hierop binnen 6 maanden te reageren. Indien de omstandigheden aanleiding geven tot gemeenschappelijke actie, doen de lidstaten de Commissie en de Raad hiertoe passende aanbevelingen voor maatregelen, waarop de Commissie opnieuw binnen 6 maanden zal reageren en zonodig voorstellen zal doen aan het Europees Parlement en de Raad waarin deze aanbevelingen zijn weergegeven (art. 15, lid 2).
De Richtlijn voorziet in voorschriften voor het door de lidstaten (tijdig en daadwerkelijk) informeren en raadplegen van het publiek (art. 19). De lidstaten dienen hiertoe een samenvatting van de belangrijkste elementen van hun mariene strategieën c.q. de actualiseringen daarvan, aan het publiek bekend te maken en burgers de gelegenheid te bieden om hierop commentaar te geven (art. 19, lid 2). Wat betreft de toegang tot milieu-informatie is Richtlijn 2003/4 (zie § ???) van toepassing (art. 19, lid 3). De gegevens en informatie van de initiële beoordelingen en de monitoringprogramma’s moeten niet alleen aan de Commissie verstrekt worden maar ook, uiterlijk binnen 6 maanden, aan het Europees Milieuagentschap ter uitvoering van zijn taken (art. 19, lid 3).
De Commissie is op haar beurt verantwoordelijk voor het uitbrengen van een eerste beoordelingsverslag over de uitvoering van de Richtlijn, voor het eerst binnen twee jaar na de ontvangst van alle programma’s van maatregelen, en in ieder geval uiterlijk in 2019, en vervolgens om de 6 jaar (art. 20, lid 1). Uiterlijk 15 juli 2012 publiceert de Commissie een verslag waarin de bijdrage van deze richtlijn wordt beoordeeld aan de uitvoering van de bestaande communautaire of internationale verplichtingen, afspraken en initiatieven van de lidstaten of de Gemeenschap op het gebied van de bescherming van het milieu in de mariene wateren (art. 20, lid 2). Op grond van de informatie die de lidstaten tegen 2013 verstrekken, brengt de Commissie tegen 2014 verslag uit over de vorderingen betreffende de invoering van beschermde mariene gebieden, waarbij rekening wordt gehouden met bestaande verplichtingen krachtens het toepasselijke Gemeenschapsrecht en met internationale verplichtingen van de Gemeenschap en de lidstaten (art. 21).
Uiterlijk op 15 juli 2023 zal de Commissie de Kaderrichtlijn opnieuw evalueren (art. 23).
De Commissie wordt bijgestaan door een regelgevend comité (art. 25), en hiermee zal het onder meer criteria en methodologische standaarden ontwikkelen (art. 24).
Met betrekking tot de financiering van het mariene beleid stelt art. 22 dat, gezien het prioritaire karakter dat inherent is aan de mariene strategieën, de uitvoering van deze richtlijn moet worden gesteund door de bestaande communautaire financieringsinstrumenten overeenkomstig de toepasselijke regels en voorwaarden. De door de lidstaten opgestelde programma’s worden door de EU medegefinancierd overeenkomstig de bestaande financieringsinstrumenten.
De oorsprong van de Richtlijn 2008/56 ligt in het 6e Milieuactieprogramma (MAP6) van de EU, dat werd vastgesteld in 2002.[423] De bescherming van het mariene milieu werd in MAP6 voorzien als één van de zeven terreinen waarvoor met prioriteit thematische strategieën ontwikkeld moesten worden, met het algemene doel het duurzaam gebruik van de zeeën te stimuleren en de mariene ecosystemen in stand te houden. Nadere uitwerking hieraan werd gegeven door de Commissiemededeling ‘Naar een strategie voor de bescherming en de instandhouding van het mariene milieu’.[424] Hierin gaf de Commissie een overzicht van de bedreigingen waaraan het mariene milieu is blootgesteld, zoals verlies of aantasting van de biologische diversiteit en veranderingen in de structuur ervan, verlies van habitats, verontreiniging door gevaarlijke stoffen en nutriënten en de mogelijke toekomstige effecten van klimaatverandering, met name veroorzaakt door de commerciële visserij, olie- en gaswinning, scheepvaart, baggeren en het onttrekken van zand en grind. Hoewel op onderdelen voor deze problemen een lappendeken aan beleid bestond, op nationaal, regionaal, Communautair en internationaal niveau, werd een gebrek geconstateerd aan een algemeen, geïntegreerd beleid inzake mariene bescherming op EU-niveau. Een van de bijzondere kenmerken van het mariene milieu is het aantal organisaties, regionale overeenkomsten en internationale instanties die zich met de bescherming ervan bezighouden. De hierdoor ontstane institutionele en juridische complexiteit vormt een belangrijke uitdaging voor het ontwikkelen van een gemeenschappelijk beleid op EU-niveau. Dit geïntegreerde mariene beleid zou volgens de Commissiemededeling de milieupijler moeten vormen van de EU Strategie voor Duurzame Ontwikkeling (SDO). Aldus werd erkend dat op langere termijn economische groei, sociale cohesie en milieubescherming hand in hand moeten gaan. Het stimuleren van de gezondheid en het correct functioneren van mariene ecosystemen zal de specifieke waarde ervan verhogen en in niet geringe mate bijdragen tot duurzame ontwikkeling. In deze fase werd echter in de beleidsdocumenten nog niet het wetgevende instrument van een Kaderrichtlijn voorzien.
Ter voorbereiding op het ontwikkelen van de Thematische mariene strategie organiseerde de Commissie een breed opgezette verkenning van de kritieke aspecten van de bescherming van het mariene milieu, en de voorziene aanpak en onderdelen voor de thematische strategie en uiteindelijk een wetgevend instrument op EU-niveau. Zo werden grote bijeenkomsten voor belanghebbenden en marktpartijen georganiseerd in Nederland en in Denemarken, als ook een publieke online consultatieronde, en werden ook de EU instellingen en internationale samenwerkingsverbanden en instituties betrokken in consultaties, onder meer gefaciliteerd door een forum opgericht door de Commissie.
Uiteindelijk publiceerde de Commissie in oktober 2005 de Thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu,[425] met daarin een voorstel voor een Kaderrichtlijn mariene strategie. De reacties op het voorstel waren gemengd, maar met name vanuit de milieu-NGO hoek, waar eerder juist met enthousiasme gereageerd was op het voornemen om tot een geïntegreerde aanpak van de bescherming van het mariene milieu te komen, kwam kritiek dat het voorstel teveel aan de eerdere ambities had ingeboet om effectieve bescherming te kunnen bieden. Onderwerp van kritiek was ook het ontbreken van de concrete invulling van sleutelbegrippen als ‘goede milieutoestand’. Ook het Comité van de Regio’s sprak zich uit voor een sterker instrument, bijvoorbeeld door de termijn voor het bewerkstelligen van een ‘goede milieutoestand’ te vervroegen van het voorgestelde 2021 tot 2018. Enkele lidstaten zoals Duitsland lieten zich ook zeer kritisch uit over de uitwerking van het voorstel.
Het Europees Parlement nam in eerste lezing, in december 2005, een flink aantal amendementen aan om de Richtlijn aan te scherpen. Zo werd 2017 als bindende termijn opgevoerd voor de bewerkstelliging van een ‘goede milieutoestand’ van mariene wateren, en werd meer concrete, meetbare invulling gegeven aan dit sleutelbegrip als doelstelling voor de mariene strategieën. Ook werd meer nadruk gelegd op samenwerking en coördinatie van maatregelen en strategieën, en de afstemming en integratie met andere EU beleidsmaatregelen.
De Raad bereikte een jaar later, op 18 december 2006, politieke overeenstemming over de aangepaste tekst, maar het formele gemeenschappelijk standpunt werd pas op 23 juli 2007 vastgesteld. Hoewel de Raad akkoord ging met nadere invulling van ‘goede milieutoestand’, onder meer door het toevoegen van een bijlage met generieke kwalitatief beschrijvende elementen voor de omschrijving van de goede milieutoestand, was hij in tegenstelling tot het EP niet voor een aanscherping van de uitvoeringstermijnen, althans niet in bindende vorm. Hij wees hierbij mede op de parallelle relatie tussen de termijn van 2021 onder de Kaderrichtlijn mariene strategie en dezelfde termijn voor de tweede fase van stroomgebiedbeheerplannen onder de Kaderrichtlijn water 2000/60 (zie § ???). De Raad wilde de doelstelling van ‘goede milieutoestand’ bovendien geen bindende resultaatverplichting maken, maar een inspanningsverplichting waarbij evenwel specifieke maatregelen verplicht konden worden om deze te bereiken. Ook wilde hij uitzonderingen van de verplichtingen voor lidstaten in gevallen waar geen significante bedreiging voor het mariene milieu bestaat, of waar het nemen van maatregelen disproportionele kosten met zich mee zou brengen.
Hoewel de milieucommissie van het Europees Parlement op 9 oktober 2007 na beoordeling van het gemeenschappelijk standpunt van de Raad nog aan het EP adviseerde om vast te houden aan de amendementen in eerste lezing, kon alvorens de tweede lezing begon al een inter-institutioneel compromis bereikt worden over de tekst, waarbij met name de standpunten van de Raad onderschreven werden. Het bereiken van de ‘goede milieutoestand’ is uiteindelijk een inspanningsverplichting (met als compromis termijn 2020), terwijl daarnaast wel specifieke resultaatsverplichtingen op de lidstaten rusten wat betreft het treffen van maatregelen.
Hiermee kon de Kaderrichtlijn 2008/56 uiteindelijk op 17 juni 2008 vastgesteld worden.
De omzettingstermijn van 15 juli 2010 is door Nederland nèt niet gehaald. Op 4 september 2010 trad de wijziging van het Waterbesluit (met name hs. 4 daarvan) in werking,[426] waarmee de omzetting gerealiseerd is, naast enkele bepalingen in de Waterwet.
Er is voor gekozen om de Kaderrichtlijn mariene strategie in Nederland ‘slank’ te implementeren, door slechts de kernelementen van de Richtlijn wettelijk vast te leggen, en de verplichtingen vooral door feitelijk handelen na te komen.
In het licht van art. 1 van de Richtlijn in samenhang met art. 2.1, lid 1, onder b, van de Waterwet moeten de doelen en maatregelen van de mariene strategie daadwerkelijk bijdragen aan het bevorderen van een goede milieutoestand in de mariene regio. De kernelementen van de mariene strategie worden opgenomen in het nationale waterplan (NWP) en het beheerplan voor de rijkswateren (BPRW) op grond van de Waterwet en het Waterbesluit. Momenteel bestaan deze plannen mede uit beleid voor ruimtelijke ordening, gebruiksfuncties en milieu op de Noordzee, alsmede de financiering en realisatie daarvan. De mariene strategie wordt geïncorporeerd in het integrale Noordzeebeleid dat is gevat in het NWP en het BPRW. De bevoegde instanties die krachtens art. 7 van de Richtlijn dienen te worden aangewezen, blijken voor de Nederlandse uitvoering uit artt. 4.1 en 4.6 van de Waterwet; het Ministerie van IenM zal, mede in samenwerking met andere departementen en onderzoeksinstellingen, de Richtlijn uitvoeren.
Het NWP bevat op grond van het nieuwe art. 4.6, lid 2, van het Waterbesluit de omschrijving van de ‘goede milieutoestand’ en de verdere milieudoelen en indicatoren van de Richtlijn. Met elk nieuw NWP zal de goede milieutoestand in Nederlandse wateren worden herzien. Het programma van maatregelen ter realisatie van de ‘goede milieutoestand’ wordt opgenomen in het NWP, op grond van het nieuwe art. 4.6, lid 2, van het Waterbesluit. Die maatregelen die Rijkswaterstaat zal uitvoeren worden in het BPRW geplaatst ingevolge art. 4.16 Waterbesluit. De Waterwet schrijft voor dat door middel van plannen waterbeleid wordt geformuleerd. Op grond van artt. 4.3 en 4.7 Waterwet kunnen in het Waterbesluit regels worden gesteld met betrekking tot voorbereiding, vormgeving, inrichting en inhoud van het NWP en het BPRW. Het NWP schetst de hoofdlijnen van het waterbeleid en de ruimtelijke ordeningsaspecten daarvan. In het BPRW worden maatregelen vastgesteld om het beleid in rijkswateren – waaronder het Nederlandse gedeelte van de Noordzee – uit te voeren. De Kaderrichtlijn zal hoofdzakelijk via deze plannen worden uitgevoerd. Het Waterbesluit regelt de opname van de kernelementen van de KRM in de waterplannen. De waterplannen worden ingevolge art. 4.8 van de Waterwet zesjaarlijks herzien mede in overeenstemming met art. 17, lid 2 van de kaderrichtlijn.
Art. 4.3 van het Waterbesluit voorziet in een goede informatievoorziening en het tijdig betrekken van het publiek bij de uitvoering van de Richtlijn. De onderdelen van de mariene strategie worden ter inzage gelegd en staan open voor het inbrengen van zienswijzen door een ieder. Zo worden samenvattingen vastgesteld van de belangrijkste elementen van de mariene strategie. Deze samenvattingen dienen ter bevordering van de toegankelijkheid van de inspraakprocedure op het NWP. Daarnaast regelen de artikelen 4.1, 4.4 en 4.15 van het Waterbesluit, ter voorbereiding van het NWP en het BPRW, de mogelijkheid tot publieksparticipatie door middel van de terinzagelegging van samenvattingen van de EU Richtlijn-elementen en het raadplegen van organisaties (beheers)structuren en andere (deskundige) betrokken partijen. Hieronder kunnen bijvoorbeeld regionale adviesraden of wetenschappelijke kennisinstituten vallen, zoals de North Sea Regional Advisory Council en de International Council for the Exploration of the Sea. In het licht van art. 4 van de Richtlijn moet ‘regionale’ worden geïnterpreteerd op het niveau van de in dat artikel vermelde mariene regio’s. Tevens kunnen ook bedrijfslichamen geraadpleegd worden die activiteiten hebben op de Noordzee, zoals het Productschap vis. Voor Nederland is in het kader van regionale coördinatie in het bijzonder de samenwerking binnen het regionale OSPAR-verdrag[427] van belang. Derde landen, zoals IJsland en Noorwegen, die geen lid zijn van de EU, hebben al aangegeven dat zij Richtlijn 2008/56 willen uitvoeren met de andere OSPAR-lidstaten. Nederland heeft net als de overige EU lidstaten onder de Richtlijn een inspanningsverplichting om zijn mariene strategie met derde landen te coördineren.
In het kader van de monitoringsverplichtingen onder de Richtlijn vervullen meerdere organisaties een rol, zoals de Dienst der Hydrografie van de Koninklijke Marine, Rijkswaterstaat en het Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. Deze organisaties hebben zich verenigd in het Nationaal Oceanografisch Data Comité (NODC) met het doel de kwaliteit, de beschikbaarheid en uitwisseling van mariene gegevens te bevorderen. Het monitoringsprogramma en de initiële beoordeling zijn ondersteunend in het maken van de doelen en maatregelen. Zij zullen niet in de plannen worden opgenomen.
Op 15 juli 2012 dient een drietal producten gereed te zijn: de initiële beoordeling van de toestand van de Noordzee, de beschrijving van de goede milieutoestand, en de formulering van de milieudoelen en bijbehorende indicatoren. Aan de voorbereiding van deze producten wordt momenteel gewerkt. Over de voortgang en stand van zaken wordt gerapporteerd op www.noordzeeloket.nl.
4.15.8 Verdere ontwikkelingen
Op 1 september 2010 heeft de Commissie bij Besluit 2010/477/EU[428] criteria en methodologische standaarden vastgesteld die door de lidstaten moeten worden gebruikt voor de beoordeling van de mate waarin de goede milieutoestand is bereikt.
[415] De leidende principes van de Richtlijn Overstromingsrisico’s zijn: niet-afwentelen, stroomgebiedaanpak, risicobenadering, duurzaamheid en publieke participatie.
[416] COM(2004)472.
[417] COM(2006)15.
[418] Stb. 2009, 107, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146.
[419] Stb. 2009, 548, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 144.
[420] Stcrt. 2007, 75, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2010, 15135.
[421] Stb. 1985, 88, laatstelijk gewijzigd (ingetrokken) bij Stb. 2010, 145.
[422] Stb. 2010, 145, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 146.
[423] PbEG L242, 10.9.2002.
[424] COM(2002)539 def., 2.10.2002.
[425] COM(2005)504 def., 24.10.2005.
[426] Stb. 2010, 330.
[427] Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, met bijlagen en aanhangsels (Trb. 1993, 16 en Trb. 1993, 141).
[428] PbEU L232, 2.9.2010.