Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

5.1 Overzicht van EU-beleid

Beleidsmatige context voor de EU-regelgeving inzake afvalstoffen

In de jaren ’70 van de 20ste eeuw is de eerste Europese regelgeving met betrekking tot afvalstoffen geïntroduceerd. Toentertijd werd daarnaast beleidsmatig aandacht aan het onderwerp afval besteed in de Milieuactieprogramma’s die periodiek werden opgesteld. Het duurde echter tot eind jaren ’80 voor er een meer specifiek Europees afvalbeleid werd ontwikkeld. In september 1989 publiceerde de Commissie haar eerste Mededeling over afval, getiteld ‘Een communautaire strategie voor afvalbeheer’[429]. Deze bouwde voort op de afvalbeheerselementen die in het vierde Milieuactieprogramma (1987-1992) van de Commissie[430] (zie ook § ???) waren opgenomen. De strategie omvatte vijf hoofdlijnen: preventie, terugwinning, optimalisering van de definitieve verwijdering, regelgeving op het gebied van het vervoer, en sanering van door afval verontreinigde terreinen. Preventie werd gepresenteerd als de belangrijkste doelstelling, te bereiken door de ontwikkeling van schone technologieën en minimalisering van afval. De overige hoofdlijnen werden gezien als een hiërarchie van ‘tweede keus’ opties.

Het strategiedocument behandelde afvalbeheer in de context van de interne markt, met speciale aandacht voor het vervoer van afval en het risico dat in een Gemeenschap zonder binnengrenzen de omvang van de afvalstromen in de richting van verwijderingsinstallaties met lage kosten sterk zou kunnen toenemen. De harmonisatie van normen voor afvalverwijdering werd beschouwd als een prioriteit, maar de Commissie stelde ook dat de noodzaak om het milieu te beschermen kon leiden tot een beperking van het afvalverkeer. Daarom zouden afvalstoffen “zoveel mogelijk moeten worden verwijderd in de meest nabijgelegen daarvoor geschikte centra waarbij met inachtneming van een hoog beschermingsniveau voor het milieu en de volksgezondheid de meest geschikte technieken worden toegepast”. Dit is bekend geworden als het proximiteits- of nabijheidsbeginsel.

In mei 1990 nam de Raad een Resolutie betreffende het afvalstoffenbeleid[431] aan, waarin de strategie van de Commissie werd verwelkomd en gesteund. De Raad drong aan op de verdere ontwikkeling van schone technologieën en producten en nodigde de Commissie uit om te komen met voorstellen en tegen het einde van 1992 over de voortgang te rapporteren. De Resolutie versterkte ook de nadruk die het strategiedocument had gelegd op het minimaliseren van het vervoer van afval (het nabijheidsbeginsel), het beperken van de hoeveelheid en de toxiciteit van afval dat gestort wordt, en het ontwikkelen van een adequaat en geïntegreerd netwerk van verwijderingsinstallaties.

De prioriteiten van het strategiedocument en de Resolutie zijn terug te vinden in de versterkte Kaderrichtlijn 91/156 (zie § ???), waarin de lidstaten de verplichting opgelegd kregen om “een netwerk van verwijderingsinstallaties op te zetten, waarmee de Gemeenschap als geheel zelfverzorgend moest kunnen worden op het gebied van afvalverwijdering en de lidstaten afzonderlijk naar dit doel moesten kunnen streven, waarbij rekening zou worden gehouden met geografische omstandigheden of met de behoefte aan speciale installaties voor bepaalde soorten afval”. Ook in het vijfde Milieuactieprogramma (1992-2000) van de Commissie[432] werd gestreefd naar een versterking van de afvalstrategie. Hierin werden als doelstellingen voor 2000 geformuleerd: het stabiliseren van de per hoofd van de bevolking voortgebrachte hoeveelheid afval op 300 kg, het recyclen of hergebruiken van 50% van alle papier, glas en plastic, en het beëindigen van de uitvoer van afval voor eindverwijdering naar buiten de EG.

In het zesde Milieuactieprogramma (2001-2010)[433] is een aantal thematische strategieën aangekondigd, waarvan twee betrekking hadden op afval, namelijk de strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling en de strategie inzake het duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Vervolgens heeft de Commissie op 27 mei 2003 de Mededeling Naar een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling’ uitgebracht.[434] Daarin heeft zij uitgelegd dat de strategie is bedoeld om tot een beter rendement van hulpbronnen en een beter beheer van hulpbronnen en afval te komen. De Mededeling vormde een eerste bijdrage tot de ontwikkeling van de uiteindelijke strategie, die de leidraad is voor de ontwikkeling van het afvalstoffenbeleid tot aan 2012. De Mededeling geeft een overzicht van het bestaande beleidskader voor afvalbeheer en noemt enkele onderwerpen waaraan aandacht dient te worden besteed, waaronder: huidige trends in de productie van afval en het afvalbeheer; slechte en onevenwichtige implementatie; beperkte vooruitgang op het gebied van afvalpreventie; een onsamenhangende aanpak van recycling; het ontbreken van geharmoniseerde normen voor recyclinghandelingen; en problemen met betrekking tot de definitie van afvalstoffen, met name het onderscheid tussen de definities van verwijderingshandelingen en handelingen voor nuttige toe­passing. De overkoepelende boodschap van de ontwerp-strategie is dat een mix van beleidsmaatregelen nodig is, inclusief juridische, economische en op vrijwilligheid gebaseerde instrumenten. Deze maatregelen dienen bovendien kosteneffectief te zijn. Voorgesteld is om de toekomstige thematische strategie te structureren door middel van de verdeling in ‘componenten’: centrale instrumenten ter bevordering van afvalpreventie; centrale instrumenten ter bevordering van afvalrecycling; maatregelen om hiaten in normen inzake afvalrecycling op te vullen; en begeleidende maatregelen ter bevordering van afvalpreventie en ‑recycling. Deze componenten zouden de prioriteiten voor het toekomstig beleid moeten aangeven en dienenter aanvulling op de uitvoering van bestaande wetgeving en benaderingen.

De strategie is op 21 december 2005 gepubliceerd, met als titel “ Werk maken van duurzaam hulpbronnengebruik: een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling”.[435] De strategie streeft naar een vermindering van de negatieve milieueffecten die afvalstoffen gedurende hun volledige levenscyclus - van de productie, via de recycling, tot de verwijdering - veroorzaken. Via een dergelijke benadering kan elke afvalstof worden beschouwd als een bron van verontreiniging die moet worden beperkt, maar ook als een bron die kan worden geëxploiteerd. De hoofdpunten van de strategie zijn gebaseerd op een wijziging van de wetgeving om de toepassing ervan te verbeteren, op afvalpreventie en op de stimulering van doeltreffende recycling. De beoogde wijziging van de wetgeving heeft betrekking op vereenvoudiging en stroomlijning van de bestaande richtlijnen en verduidelijk van definities. Ter stimulering van afvalpreventie biedt de strategie een kader voor specifieke nationale acties, waaronder verplichte afvalpreventieprogramma’s. De strategie wil de recyclingsector aanmoedigen om afval in de vorm van kwaliteitsproducten weer in de economische cyclus te brengen en om daarbij te streven naar zo weinig mogelijk negatieve milieueffecten.

Ter voorbereiding van de strategie over natuurlijke hulpbronnen heeft de Commissie op 1 oktober 2003 de Mededeling ‘Naar een thematische strategie voor het duurzame gebruik van natuurlijke hulpbronnen’ uitgebracht.[436] Daarin noemde zij als het belangrijkste doel van de strategie om de economische groei en de verslechtering van het milieu te ontkoppelen, door middel van drie kernelementen: kennisvergaring, beleidsevaluatie en beleidsintegratie. De ‘Thematische strategie inzake het duurzame gebruik van de natuurlijke hulpbronnen’ is net zoals de hierboven genoemde strategie gepubliceerd op 21 december 2010.[437] De strategie beoogt de belasting van het milieu te verminderen in elke fase van de levenscyclus van de hulpbronnen, met name de winning of oogst, het gebruik en de uiteindelijke verwijdering. De begrippen levenscyclus en hulpbronneneffect moeten derhalve in het beleid terzake worden geïntegreerd. In concreto stelt de strategie voor om een door de Commissie beheerd datacentrum voor hulpbronnen op te richten om de kennis over het gebruik van hulpbronnen en de effecten daarvan op het milieu te bundelen. Verder wil de Commissie indicatoren ontwikkelen die het mogelijk maken om regelmatig te controleren en te evalueren of er vooruitgang geboekt is inzake de verwezenlijking van het doel van de strategie.

Geïntegreerd productbeleid maakt deel uit van de Strategie voor Duurzame Ontwikkeling van de EU en het bewerkstelligen van de in het 6e MAP geformuleerde doelstellingen, met name in relatie tot de thematische strategieën over natuurlijke hulpbronnen en afvalpreventie en -recycling. Het doel van het beleid is om de milieu-effecten van producten te verminderen gedurende de levenscyclus, van het ontwerp en de productie tot aan het gebruik en de verwijdering. Daarnaast dient het beleid als een belangrijke bron voor de tienjarige kaderprogramma’s voor duurzame productie en consumptie, waarover op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling (WTDO) in Johannesburg in 2002 overeenstemming is bereikt.In 2001 bracht de Commissie een Groenboek geïntegreerd productbeleid uit.[438] In januari 2002 nam het Europees Parlement een Resolutie aan over het Groenboek.[439] Hierin werd gevraagd om een meer samenhangende en uitputtende benadering dan zoals deze gegeven was in het Groenboek. Tevens werd gevraagd om meer onderzoek op het gebied van bestaand geïntegreerd productbeleid, zoals onderzoek op het gebied van milieuaudit- en milieukeursystemen (zie resp. § ??? en ???). In vervolg daarop is in juni 2003 de MededelingGeïntegreerd productbeleid - Voortbouwen op een milieugericht levenscyclusconcept’ uitgebracht.[440] Ondanks dat de verwachtingen hooggespannen waren, bevatte dit beleidsdocument weinig concrete doelstellingen en werd de nadruk slechts in geringe mate gelegd op wetgevingsinstrumenten en verplichtingen voor bedrijven. Verzoeken om de mate van overheidsingrijpen in het geïntegreerd productbeleid te beperken kwamen al naar voren in de consultatieronde voor het Groenboek. Tevens werd hierin gevraagd om af te zien van plannen om belastingverlagingen voor milieuvriendelijke producten in te voeren, waaronder plannen vielen om de BTW te verminderen op producten die het ecolabel van de Gemeenschap toegekend hebben gekregen.

De Mededeling formuleerde vijf beginselen voor geïntegreerd productbeleid: (1) het levenscyclusperspectief; (2) de samenwerking met de markt; (3) een grote rol voor de belanghebbende partijen; (4) de voortdurende verbetering van producten; (5) het gecoördineerd gebruik van beleidsinstrumenten. Vanuit het beleid zou geen concrete actie inzake specifieke producten worden ondernomen. Het voorzag eerder in een conceptueel kader, richtsnoeren en instrumenten voor veel verschillende soorten beleid en actoren. In het Verslag inzake de tenuitvoerlegging van het geïntegreerd productbeleid uit 2009[441] constateert de Commissie dat de IPP-beginselen thans zijn geïntegreerd in allerlei initiatieven, zoals bijvoorbeeld het Europese levenscyclusanalyseplatform (LCA-platform) en het overkoepelend actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid (SCP/SIP-actieplan).[442] Dit actieplan vormt volgens de Commissie feitelijk zelfs de voortzetting van het door de IPP-mededeling geïnitieerde proces om het marktpotentieel van duurzamere producten te vergroten en slimmere consumptie te promoten. Consumenteninformatie, eco-ontwerpwetgeving, schone productie en "groene" overheidsopdrachten en aankopen vormen de kern van het SCP/SIP-actieplan. In 2012 is een toetsing van het actieplan voorzien.

Overzicht van EU-regelgeving op het gebied van afvalstoffen

Tot het midden van de jaren ’70 werd afvalverwerking in alle lidstaten vooral als een lokale aangelegenheid beschouwd. De Gemeenschap had geen wetgeving die op de verwerking van afval betrekking had. De aanneming van de Kaderrichtlijn afvalstoffen in 1975) was deels een reactie op de invoering door sommige lidstaten van wetgeving die bedoeld was om te voorzien in een nationaal kader voor afvalbeleid. Deze Richtlijn was bedoeld als een samenhangend pakket van maatregelen die in alle lidstaten van toepassing zouden zijn. Later in de jaren ’70 volgden Richtlijnen betreffende gevaarlijk afval, de verwijdering van PCB’s en afgewerkte olie. In 1984 werd een Richtlijn aangenomen die het grensoverschrijdend transport van gevaarlijk afval regelde. Sindsdien heeft het EU-afvalbeleid zich verder ontwikkeld in de richting van ‘tweede generatie’ wetgeving en is de regelgeving herzien of vervangen.

In 1997 heeft de Raad bij de Resolutie betreffende een communautaire strategie voor het afvalbeheer[443] de beleidsvoornemens van de Commissie ondersteund en daarbij onder meer opgeroepen om een voorstel te doen voor een Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen. De Commissie heeft aan deze oproep onmiddellijk gehoor gegeven. De betreffende Richtlijn[444] is in 1999 in werking getreden (zie § ???).

Het meer omvattende voorstel over wettelijke aansprakelijkheid is, nadat het enige tijd onbesproken bleef, ingetrokken. Intussen is er echter toch wetgeving op dit gebied aangenomen, maar het gaat hierbij om een algemene Richtlijn inzake milieuaansprakelijkheid in plaats van één die specifiek op afval gericht is (zie § ???).

In 1994 is een Richtlijn inzake verpakking en verpakkingsafval (94/62) totstandgekomen (zie § ???). Deze Richtlijn beoogt de mate van hergebruik te vergroten en de hoeveelheid verpakkingsafval te beperken. De Richtlijn heeft een eerdere Richtlijn over afval afkomstig van drankverpakkingen vervangen. In februari 2004 werd Richtlijn 2004/12 aangenomen, waarin de mate van hergebruik en nuttige toepassing vooor 2001 en 2008 vastgesteld werd.

In 2002 werd een Verordening over afvalstoffenstatistieken aangenomen. Deze geeft een kader voor het opstellen van communautaire statistieken inzake het vrijkomen, de terugwinning en de verwijdering van afvalstoffen en dient ter aanvulling op de bepalingen over verslaglegging in de afzonderlijke richtlijnenDe Verordening geeft een raamwerk voor de harmonisatie van gegevensverzameling, door middel van verplichte verslaglegging, om zo te zorgen voor vergelijkbare gegevens op Gemeenschapsniveau.

In overeenstemming met de hiërarchie van principes zoals uiteengezet in de Afvalbeheerstrategie is de Commissie ook begonnen aan een programma voor ‘prioritaire afvalstromen’. De in dit programma gehanteerde methode beoogt het bijeenbrengen van overheid, milieu- en industriële belangengroepen, met het doel consensus te bereiken voordat de Commissie wetgeving voorstelt. Een belangrijk deel van het huidig afvalstoffenbeleid komt voort uit dit programma:

  • De Richtlijn batterijen en accu’s (zie § ???);

  • De Richtlijn autowrakken (zie § ???);

  • De Richtlijn betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (zie § ???);

  • Het opnemen van gebruikte banden in de Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen (zie § ???).

Andere prioritaire afvalstromen die nog behandeld dienen te worden zijn onder andere gevaarlijk huishoudelijk afval, biologisch afval en PVC.

In juni 2003 heeft de Commissie een voorstel gedaan voor een Richtlijn met betrekking tot het afval van de winningsindustrieën.[445] Daar was de Mededeling ‘Veilig uitoefenen van mijnbouwactiviteiten: follow-up van recente mijnongevallen’ van de Commissie aan vooraf gegaan.[446] In deze Mededeling is de noodzaak vastgesteld van een herziening van het communautaire milieubeleid met betrekking tot het beheer van afval van mijnen en groeven. Richtlijn 2006/21[447] verschaft een juridisch kader bestaande uit minimumvoorschriften ter verbetering van het beheer van winningsafval (zie §???).

Op 19 november 2008 is de nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98/EG) gepubliceerd (zie § ???). Als gevolg van de nieuwe Richtlijn 2008/98 is Richtlijn 2006/12 ingetrokken, evenals de Richtlijn gevaarlijk afval (91/689) en de Richtlijn afgewerkte olie (75/439).

Evaluatie van het EU afvalstoffenbeleid

Eind 1995 gaf de Commissie een voorzet voor een mogelijke koersverandering inzake het afvalbeheer. Dat gebeurde in een verslag[448] waarin zij haar benadering uiteenzette om een geïntegreerd beleid tot stand te brengen dat al het afval in de Gemeenschap zou moeten omvatten. In zijn Resolutie van mei 1990 had de Raad aan de Commissie gevraagd om eind 1992 met zo’n verslag te komen (zie hierboven).

In het verslag werd gewezen op de moeilijkheden die ontstonden door het gebrek aan een standaard-afvalnomenclatuur in de lidstaten. Om aan dit probleem tegemoet te komen heeft de Commissie een voorstel voor een Verordening betreffende de statistiek van het afvalbeheer ingediend[449], waarmee gestreefd wordt naar consistente gegevens van de lidstaten. Dit voorstel heeft uiteindelijk tot Verordening 2150/2002 over afvalstoffenstatistieken geleid (zie § ???).

In het verslag van de Commissie werd ook aandacht besteed aan een aantal andere problemen bij de uitvoering van het Gemeenschappelijk afvalbeleid. Daartoe behoorde het niet implementeren van de bepalingen van de afval-Richtlijnen door de lidstaten, het ontbreken van betrouwbare gegevens waarmee voorstellen op basis van kosten-baten-afwegingen onderbouwd zouden kunnen worden, alsmede onnauwkeurige wetgeving en niet-eenduidige begrippen in het afvalbeleid van de EU zelf. Het verslag concludeerde tevens dat het overleg over afvalzaken niet leidde tot de gewenste resultaten, omdat de comités door middel waarvan dit overleg werd nagestreefd er niet in slaagden de juiste mensen bijeen te brengen.

In de conclusies van het verslag van de Commissie werd een voorstel gedaan om een Mededeling uit te brengen over het toekomstige afvalbeleid, waarbij niet alleen naar de wetgeving gekeken zou worden. In juli 1996 bracht de Commissie vervolgens de ‘Mededeling betreffende de actualisering van de communautaire strategie voor het afvalbeheer’ naar buiten[450]. Evenals in de voorgaande strategie werd hierin een hiërarchie van prioriteiten voor het afvalbeheer vastgesteld, met preventie als de geprefereerde optie, gevolgd door terugwinning van materialen, terugwinning als energiebron en definitieve verwijdering. Laatstgenoemde optie dient zonder gevaar te geschieden en moet beperkt worden tot afvalstoffen die op geen enkele andere wijze kunnen worden teruggewonnen. Bij het implementeren van deze hiërarchie zal de oplossing die het beste voor het milieu is als leidraad dienen, rekening houdend met economische en sociale kosten. Als te gebruiken instrumenten werden genoemd: regelgevende en economische instrumenten, verbeterde statistieken, afvalbeheerplannen en milieubalansen.

Bij de presentatie van de Mededeling legde Commissaris Bjerregaard de nadruk op de belangrijke rol die de verantwoordelijkheid van de producent voor zijn producten zal moeten spelen in een toekomstige EU-afvalbeheerstrategie. Al bij het ontwerpen van het product moet rekening worden gehouden met afvalaspecten. Om dit te bevorderen zou de Commissie actie ondernemen teneinde:

  • schone technologieën en producten te bevorderen en minder grondstoffen in processen en producten te gebruiken;

  • het ontstaan van gevaarlijk afval te verminderen door het beperken of verbieden van bepaalde zware metalen of gevaarlijke stoffen in producten en processen;

  • het gebruik van economische instrumenten aan te moedigen, waarmee het voorkomen van afval kan worden beïnvloed zonder concurrentieverstoringen;

  • de milieu-audit- en milieukeursystemen verder te ontwikkelen (zie resp. § ??? en ???).

In de Mededeling werd ook aandacht besteed aan de kwestie van afvaltransporten. In het kader van het Verdrag van Bazel verklaarde de Commissie dat met ingang van 1998 de uitvoer van gevaarlijk afval voor nuttige toepassing naar niet-OESO-landen beëindigd zou worden. Dit is inmiddels geëffectueerd in het kader van Verordening 259/93 (zie § ???).

De nieuwe strategie van de Commissie noemde verder nog de noodzaak om de effectieve uitvoering en handhaving van de bestaande afvalwetgeving te verzekeren, hetgeen tot dan toe nogal wat problemen had opgeleverd. De Commissie kwam in 1999 terug op dit onderwerp. Zij publiceerde toen een verslag over de tenuitvoerlegging van verscheidene afval-Richtlijnen in de Gemeenschap[451] en stelde vast dat de situatie niet veel verbeterd was. Dit verslag was opgesteld met inachtneming van Richtlijn 91/692 tot standaardisering en rationalisering van verslagen. Het had betrekking op de periode 1995-1997 en was gebaseerd op verslagen van de individuele lidstaten.

De verslagen van de lidstaten moesten gebaseerd zijn op door de Commissie voorbereidde enquêtes en moesten voor 30 september 1998 ingeleverd zijn. Griekenland, Italië en Spanje leverden echter in het geheel geen verslag in. Hoewel de andere lidstaten wel verslag hadden uitgebracht over de implementatie van de Richtlijnen, was de Commissie verre van tevreden. In het geconsolideerde verslag werd opgemerkt dat de Commissie 26 schriftelijke aanmaningen en 15 met redenen omklede adviezen had doen uitgaan en 11 gerechtelijke procedures was gestart. Deze hielden verband met zowel waargenomen gebreken zoals niet-volledige omzetting en non-conformiteit in de uitvoering als met het in het geheel niet indienen van de verslagen. Alleen tegen Oostenrijk en Finland werd geen inbreukprocedure gestart.

Bij het opstellen van de verslagen werkte de Commissie voor het eerst samen met het Europees Thematisch Centrum Afvalstoffen (ETC/A) van het Europees Milieu­agentschap. In het verslag vestigde de Commissie de aandacht op de beperkingen van een rapportagemechanisme dat afhankelijk is van verslagen die door de lidstaten zelf worden gemaakt, waarbij enigszins sceptisch werd opgemerkt dat deze methode de mogelijkheden beperkt om gevallen van verzuim van uitvoering of onvolkomenheden en lacunes in bestaande communautaire afvalstoffenwetgeving vast te stellen.

Ondanks de toepassing van Richtlijn 91/692 constateerde de Commissie dat het ontbrak aan een gezamenlijke benadering en gestandaardiseerde methodologieën en dat dit een belemmering vormde voor een Gemeenschapsbrede voortgangsevaluatie. De lidstaten vertoonden grote verschillen in hun interpretaties van de afvalhiërarchie, de wijze waarop afvalstatistieken worden verzameld, de uitvoering van afvalbeheersplannen en de definities van ‘afval’ en ‘gevaarlijk afval’.

Het verslag kondigde een aantal hervormingen aan om de tenuitvoerlegging van de afval-Richtlijnen te verbeteren. Daartoe behoorden enkele aanpassingen van de EU-regelgeving zelf, alsmede de ontwikkeling van richtsnoeren voor de bevoegde autoriteiten om de kwaliteit van de afvalbeheerplanning te verbeteren. Bovendien zou het ETC/A streven naar uniforme gegevensbestanden, die voor toekomstige verslagen kunnen worden gebruikt.

In juli 2003 heeft de Commissie een tweede verslag ingediend met betrekking tot de implementatie van de afval-Richtlijnen in de periode 1998-2000.[452] Dit betrof de Kaderrichtlijn afvalstoffen, de Richtlijn gevaarlijke afvalstoffen, de Richtlijn afgewerkte olie, de Richtlijn betreffende zuiveringsslib en de Richtlijn verpakking en verpakkingsafval. Het verslag is gebaseerd op antwoorden van de lidstaten op een enquête (vastgesteld op basis van Beschikking 94/741). De algemene boodschap was dat, hoewel er enige vooruitgang was geboekt ten opzichte van het vorige verslag, er nog steeds veel problemen waren bij de tenuitvoerlegging in alle 15 toenmalige lidstaten. De Commissie heeft, om dit kracht bij te zetten, enkele procedures gestart vanwege onvolledige implementatie van de vijf Richtlijnen. Als belangrijkste obstakels bij de implementatie werden gezien: de verschillende afvalstoffendefinities, slechte toepassing van de hiërarchie van principes, onvoldoende planning en niet-geharmoniseerde gegevens.

In het derde verslag over de periode 2001-2003[453] constateerde de Commissie dat er globaal genomen wel verdere vooruitgang is geboekt, maar dat de tenuitvoerlegging van de afvalwetgeving nog niet echt bevredigend is, zoals uit het grote aantal inbreukprocedures op dit gebied moge blijken. Er zullen daarom grote inspanningen moeten worden gedaan om tot een volledige tenuitvoerlegging te komen, vooral wat de bevordering van afvalpreventie en recycling betreft.

In het vierde verslag over de periode 2004-2006[454] concludeerde de Commissie dat de tenuitvoerlegging en toepassing van de afvalstoffenwetgeving in de verslagperiode op veel gebieden onbevredigend is gebleven, hetgeen wordt bevestigd door het grote aantal inbreukzaken. In concreto signaleerde zij dat er actie moet worden ondernomen om belangrijke tekortkomingen in de afvalbeheerstructuur te verhelpen en het grote aantal illegale stortplaatsen in een belangrijk aantal lidstaten en de talrijke illegale transporten van afvalstoffen, vooral AEEA en autowrakken, aan te pakken. Voorts zijn volgens de Commissie in verschillende lidstaten de resultaten van de AEEA-, verpakkings- en autowrakkenrichtlijnen onder de overeengekomen bindende streefcijfers gebleven.

Leeswijzer

De indeling van het hoofdstuk Afval ziet er als volgt uit. In § ??? wordt het Nederlandse beleid inzake afvalstoffen in grote lijnen beschreven. In de daarop volgende paragrafen wordt de EU-regelgeving die betrekking heeft op afval uitgebreid behandeld. Het betreft:

  • Kaderrichtlijn afvalstoffen (2008/98) (ter vervanging van 2006/12, 91/689 en 75/439) (§ ???);

  • Richtlijn 1999/31 betreffende het storten van afvalstoffen (§ ???);

  • Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (1013/2006, ter vervanging van 259/93; EVOA) (§ ???);

  • Richtlijn 96/59 betreffende de verwijdering van PCB’s/PCT’s (§ ???);

  • Richtlijn 94/62 inzake verpakking en verpakkingsafval (§ ???);

  • Richtlijn 86/278 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (§ ???);

  • Richtlijn 2006/66 inzake batterijen en accu‘s (ter vervanging van 91/157)(§ ???);

  • Richtlijn 2000/53 betreffende autowrakken (§ ???);

  • Richtlijn 2000/59 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen (§ ???);

  • Richtlijn 2002/96 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (§ ???);

  • Verordening 2150/2002 betreffende afvalstoffenstatistieken (§ ???);

  • Richtlijn 2006/21 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën (§ ???).

Daarnaast komen enkele andere relevante Richtlijnen in andere hoofdstukken aan de orde. Het gaat om:

  • Richtlijn 78/176 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxide-industrie (§ ???);

  • Richtlijn 2000/76 betreffende de verbranding van afval (§ ???);

  • Richtlijn 2006/117 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap (§ ???).

[429] SEC(89) 934.

[430] PbEG C328 7.12.1987.

[431] PbEG C122 18.5.1990.

[432] PbEG C138 17.5.1993.

[433] COM(2001) 31.

[434] COM(2003) 301.

[435] COM(2005) 666.

[436] COM(2003) 572.

[437] COM(2005) 670.

[438] COM(2001) 68.

[439] A5-0419/2001.

[440] COM(2003) 302.

[441] COM(2009) 693.

[442] COM(2008) 397.

[443] PbEG C076 11.3.1997.

[444] PbEG L182 16.7.1999.

[445] COM(2003) 319.

[446] COM(2000) 664.

[447] PbEU L102, 11.4.2006.

[448] COM(95) 522.

[449] COM(1999) 31.

[450] COM(96) 399.

[451] COM(1999) 752.

[452] COM(2003)250.

[453] COM(2006) 406.

[454] COM(2009) 633.