Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

5.4 Storten van afvalstoffen

5.4.1 Overzicht van EU-regelgeving

1999/31/EG (PbEG L182, 16.7.1999)

Richtlijn betreffende het storten van afvalstoffen

2000/738/EG (PbEG L298, 25.11.2000)

Beschikking inzake een vragenlijst voorde verslagen van de lidstaten over de uitvoering van de Richtlijn

2003/33/EG (PbEG L11, 16.1.2003)

Beschikking tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van de Richtlijn

Rechtsgrondslag

Artikel 130s EG-verdrag (thans art. 192 VwEU)

Bindende termijnen

Inwerkingtreding

16 juli 1999

Omzetting in nationale regelgeving

16 juli 2001

5.4.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving en beleidsdocumenten

Wet milieubeheer (met name hoofdstuk 8 en 10)

Stb. 1994, 80 (en wijzigingen)

Wet bodembescherming

Stb. 1986, 374 (en wijzigingen)

Wet tot aanvulling van de Wm (gevolgen gesloten stortplaatsen voor het milieu)

Stb. 1997, 532

Stortbesluit bodembescherming

Stb. 1993, 55 (en wijzigingen)

Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer

Stb. 1993, 50 (en wijzigingen)

Wijzigingsbesluit Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, enz. (storten van afvalstoffen)

Stb. 2001, 336

Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen

Stb. 1997, 665 (en wijzigingen)

Wijzigingsbesluit Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, enz. (implementatie Beschikking aanvaarding afvalstoffen op stortplaatsen)

Stb. 2009, 250

Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen

Stb. 1997, 664 (en wijzigingen)

Regeling verklaring stortverbod afvalstoffen

Stcrt. 1998, 8 (en wijzigingen)

Uitvoeringsregeling stortbesluit bodembescherming

Stcrt. 1993, 37 (en wijzigingen)

Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land

Stcrt. 2001, 133 (en wijzigingen)

Regeling acceptatie afvalstoffen op stortplaatsen

Stcrt. 2009, 10808

Landelijk afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP-2)

TK 2009-2010, 30872, nr. 49 (gewijzigd bij Stcrt. 2010, 2730)

5.4.3 Doelstelling van de Richtlijn

De Richtlijn heeft tot doel te voorzien in maatregelen, procedures en richtsnoeren om negatieve gevolgen van het storten van afvalstoffen voor het milieu, alsmede risico’s voor de volksgezondheid, te voorkomen of zoveel mogelijk te verminderen (art. 1, lid 1).

5.4.4 Samenvatting van de Richtlijn

Beperking van de hoeveelheid afval die gestort wordt (artikel 5, lid 1 en 2)

Uiterlijk op 16 juli 2003 moesten de lidstaten een nationale strategie hebben ontwikkeld voor de vermindering van biologisch afbreekbaar afval dat naar stortplaatsen gaat. Die strategie diende met name hergebruik, compostering, productie van biogas of terugwinning van materialen en/of energie[516] te omvatten. De strategie diende te garanderen dat de hoeveelheid naar stortplaatsen over te brengen biologisch afbreekbaar stedelijk afval ten opzichte van de totale in 1995 geproduceerde hoeveelheid biologisch afbreekbaar stedelijk afval zou worden verminderd tot:

75% in 2006;

50% in 2009;

35% in 2016.

Lidstaten die in 1995 meer dan 80% van hun stedelijk afval naar stortplaatsen brachten, mochten vier jaar langer doen over het realiseren van deze doelstellingen. De Commissie moest van de nationale strategieën in kennis worden gesteld en zij moest op haar beurt uiterlijk in januari 2004 aan de Raad en het Europees Parlement een overzicht van de nationale strategieën voorleggen. In 2014 dient de Raad de doelstelling voor 2016 te toetsen en te bevestigen dan wel te wijzigen.

Afvalstoffen die niet gestort mogen worden (artikel 5, lid 3)

De lidstaten moeten zorgen dat de volgende afvalstoffen niet op een stortplaats worden aanvaard:

  • vloeibare afvalstoffen; hierop geldt een uitzondering voor de opslag van metallisch kwik conform Verordening 1102/2008;

  • ontplofbare, corrosieve, oxiderende of (licht) ontvlambare afvalstoffen;

  • infectueus ziekenhuisafval;

  • hele gebruikte banden (vanaf 2003) en versnipperde gebruikte banden (vanaf 2006), met uitzondering van fietsbanden en banden met een diameter van meer dan 1,40 m;

  • alle andere soorten afvalstoffen die niet voldoen aan de in bijlage II van de Richtlijn omschreven aanvaardingscriteria.

Stortplaatsklassen (artikelen 4 en 6)

De Richtlijn onderscheidt drie klassen van stortplaatsen:

  • stortplaatsen voor gevaarlijke afvalstoffen (zoals gedefinieerd in de Kaderrichtlijn afvalstoffen);

  • stortplaatsen voor ongevaarlijke afvalstoffen (hier mogen, naast stedelijk afval en andere ongevaarlijke afvalstoffen onder bepaalde voorwaarden ook stabiele, niet-reactieve gevaarlijke afvalstoffen worden gestort);

  • stortplaatsen voor inerte afvalstoffen (hier mogen alleen afvalstoffen worden gestort die geen significante fysische, chemische of biologische veranderingen ondergaan).

Elke stortplaats moet in één van deze klassen worden ingedeeld.

Behandeling (artikel 6, sub a)

Alleen behandelde afvalstoffen mogen worden gestort. Onder ‘behandeling’ verstaat de Richtlijn processen (inclusief sorteren) die de eigenschappen van de afvalstoffen zodanig veranderen dat het volume of de gevaarlijke eigenschappen worden gereduceerd, de behandeling wordt vergemakkelijkt of de nuttige toepassing wordt bevorderd (art. 2, onder h). Deze eis geldt niet voor inerte afvalstoffen waarvan de behandeling niet technisch realiseerbaar is en ook niet als de behandeling niet leidt tot een vermindering van de hoeveelheid afvalstoffen of de gevaren voor gezondheid of milieu.

Vergunningen (artikelen 7-9)

De Richtlijn noemt verscheidene eisen die moeten worden gesteld aan de aanvraag om een stortplaatsvergunning (art. 7) en aan de inhoud van de vergunning (art. 9). Ook worden voorwaarden gesteld waaraan voldaan moet zijn voordat een vergunning mag worden afgegeven (art. 8). Zo moet de aanvrager bijvoorbeeld toereikende voorzieningen treffen om aan de vergunningsverplichtingen te kunnen voldoen (met inbegrip van de nazorg) en moet het project voldoen aan alle eisen van de Richtlijn. Daartoe behoren ook de in bijlage I opgenomen algemene voorschriften die voor alle stortplaatsklassen gelden (bijvoorbeeld met betrekking tot de opvang van percolaat en stortplaatsgas; dit laatste moet worden verbrand en/of gebruikt voor energieproductie).

Kosten (artikel 10)

De lidstaten moeten zorgen dat alle kosten voor inrichting, exploitatie, sluiting en nazorg (gedurende ten minste 30 jaar) van de stortplaats worden gedekt door de storttarieven. Deze regel is bedoeld om ervoor te zorgen dat de daadwerkelijke kosten van het storten weerspiegeld zijn in de prijs van de afvalproducent, zodat storten niet een goedkope optie van beheer is.

Procedures (artikelen 11-13)

De Richtlijn bevat procedures voor de aanvaarding van afvalstoffen op een stortplaats (art. 11 en bijlage II), voor controle en toezicht in de exploitatiefase (art. 12) en voor de sluitings- en nazorgfase (art. 13). Bijlage II bevat criteria en procedures voor de aanvaarding van afvalstoffen. Bijlage III geeft nadere specificaties van de controle- en toezichtprocedures in de exploitatie- en nazorgfase.

Bestaande stortplaatsen (artikel 14)

Exploitanten van bestaande stortplaatsen moesten vóór 16 juli 2002 aan de bevoegde autoriteiten een ‘aanpassingsplan’ voorleggen, waarin staat vermeld welke maatregelen nodig zijn om aan de Richtlijn te voldoen. Vervolgens moesten de bevoegde autoriteiten beslissen of de exploitatie al dan niet mag worden voortgezet. In het laatste geval moest de stortplaats zo spoedig mogelijk worden gesloten. Stortplaatsen die open mochten blijven, moesten uiterlijk in 2009 aan de voorschriften van de Richtlijn voldoen. AAn stortplaatsen voor gevaarlijk afval zijn strengere deadlines opgelegd.

Comité (artikelen 16-17)

Via een Comitéprocedure kan de Commissie de Bijlagen van de Richtlijn aanpassen aan de vooruitgang van wetenschap en techniek. Verder diende zij vóór 16 juli 2003 voorstellen aan te nemen voor de standaardisering van controle-, bemonsterings- en analysemethoden. Het bevoegde Comité is het Comité dat onder de Kaderrichtlijn afvalstoffen (zie § ???) is ingesteld.

Uitzonderingen en vrijstellingen

Blijkens de definities in art. 2 vallen plaatsen waar afval tijdelijk wordt opgeslagen (maximaal een jaar of, in het geval van terugwinning of behandeling, drie jaar) niet onder het begrip stortplaats. Artikel 3 sluit van het toepassingsgebied van de Richtlijn uit:

  • de verspreiding op de bodem van slib en soortgelijke stoffen voor bemesting en grondverbetering;

  • het gebruik van inerte afvalstoffen die bruikbaar zijn voor terreinophoging en –verbetering en aanvaarding of voor bouwdoeleinden, op stortplaatsen;

  • het storten van ongevaarlijke baggerspecie langs kleine waterwegen of in oppervlaktewater;

  • het storten van onverontreinigde grond of ongevaarlijke inerte afvalstoffen afkomstig uit mineralenwinning of steengroeven. Lidstaten kunnen bovendien andere ongevaarlijke afvalstoffen die uit deze activiteiten afkomstig zijn vrijstellen van sommige bepalingen van de Richtlijn.

Verder kunnen lidstaten vrijstelling van sommige Richtlijnbepalingen geven voor kleine stortplaatsen voor ongevaarlijke of inerte afvalstoffen op eilanden en in afgelegen woongebieden. Ook voor diepe ondergrondse opslag (bijvoorbeeld in zoutmijnen) is vrijstelling van enkele bepalingen mogelijk.

Overige bepalingen

Bepaalde stortplaatsen vallen ook onder de ‘IPPC-richtlijn’ (zie § ???). Art. 1, lid 2 van Richtlijn 1999/31 bepaalt evenwel dat een stortplaats geacht wordt te voldoen aan de IPPC-richtlijn als voldaan is aan de eisen van Richtlijn 1999/31. Dit wijkt af van het gebruikelijke IPPC-uitgangspunt dat normen in andere wetgeving als een minimum gelden en geen afbreuk doen aan eventuele strengere eisen die gesteld kunnen worden op grond van het in de IPPC-richtlijn vervatte principe van ‘Best Available Techniques’. Bestaande stortplaatsen hebben tot 2009 de tijd om aan Richtlijn 1999/31 te voldoen.

Om de drie jaar moeten de lidstaten aan de Commissie verslag uitbrengen over de tenuitvoerlegging van de Richtlijn (art. 15). In Beschikking 2000/738[517] is de vorm van de vragenlijst vastgesteld. Aan de Commissie is opgedragen om vervolgens een gecombineerd verslag uit te brengen. Zij heeft aan deze verplichting voldaan in 2006 voor de periode 2001-2003[518] en in 2009 voor de periode 2004-2006.[519]

Criteria en procedures voor de aanvaarding van afvalstoffen op stortplaatsen

De Richtlijn schrijft voor dat stortplaatsexploitanten vóór 16 juli 2002 aan moesten geven dat de stortplaatsen zijn bedoeld voor gevaarlijke, niet-gevaarlijke of inerte afvalstoffen. De Commissie had tegen die datum echter de criteria voor aanvaarding, welke van belang zijn bij dit vereiste, nog niet vastgesteld. Deze zijn vervolgens wel gegeven in Beschikking 2003/33. Hierin worden naast de aanvaardingscriteria voor de verschillende stortplaatsklassen ook strikte grenswaarden voor uitloging in de EU en testmethoden beschreven. De criteria, zoals vermeld in deel 2 van de Bijlage bij de Beschikking, moesten vóór 16 juli 2005 in de lidstaten worden toegepast. Voor sommige parameters mogen lidstaten een maximaal driemaal zo hoge grenswaarde stellen. Met andere woorden, minder strenge normen zijn mogelijk, mits er een individuele risicoanalyse plaatsvindt die aantoont dat er geen sprake is van een extra risico voor het milieu. In overeenstemming met het EG-verdrag mogen lidstaten strengere maatregelen nemen dan die gegeven in de Beschikking (mits deze verenigbaar zijn met het EG-verdrag en de Commissie van deze maatregelen op de hoogte wordt gesteld) en mogen grenswaarden worden gesteld voor niet in deel 2 van de Bijlage vermelde componenten.

5.4.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijn

In 1990 nam de Raad een communautaire strategie betreffende het afvalstoffenbeleid aan, waarin benadrukt werd dat de eindverwerking van afval pas in laatste instantie als optie in aanmerking diende te komen. In 1991 volgde een ontwerp-Richtlijn betreffende het storten van afval. Na langdurige discussie werd de voorgestelde Richtlijn in 1996 door het Parlement verworpen omdat ze onvoldoende milieubescherming zou bieden. De Parlementsleden hadden met name bezwaar tegen de vrijstelling voor gebieden met een bevolkingsdichtheid van minder dan 35 inwoners per km2, waardoor de helft van het grondgebied van de EU buiten het bereik van de Richtlijn zou vallen. Aangezien in dat stadium de lidstaten nog niet unaniem waren over de te nemen maatregelen leidden de bezwaren van het Parlement tot de verwerping van de Richtlijn.

De Commissie bleef zich zorgen maken over het storten van afval in de Gemeenschap en ontving veel klachten over dit onderwerp. In september 1996 schoof bij het Spaanse La Coruña 100.000 ton afval van een stortplaats langs een helling naar beneden, waarbij de nabijgelegen stad werd bedreigd en het gevaar bestond dat het afval in zee terecht zou komen. Ook werd geschat dat 32 procent van alle emissies van methaan in de atmosfeer in de EU afkomstig was van de afbraak van afval op stortplaatsen. Hiervan wordt maar een heel klein deel gebruikt voor energie-opwekking of zelfs maar verbrand. Geconcludeerd werd dat het beperken van de hoeveelheid gestort afval in eerste instantie de meest effectieve benadering zou zijn. Een ander punt van zorg was de over het algemeen gebrekkige uitvoering van de bepalingen van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (destijds 75/442; zie § ???), vooral het niet opstellen van plannen voor het beheer van afvalstoffen en het ontbreken van effectieve vergunningverlening voor afvalstortplaatsen.

In oktober 1996 kwam een ontwerp-voorstel voor een nieuwe Richtlijn tot stand. Hierin werd een verbod binnen vijf jaar op het storten van afval met een ‘totaal organisch gehalte’ van meer dan 10 procent voorgesteld. Dit onderdeel van het voorstel bleek zeer omstreden en werd uiteindelijk door leden van de Commissie tegengehouden. Een nieuw voorstel voor een Richtlijn storten, zonder deze bepaling, werd door de Commissie in maart 1997 aangenomen. Dit voorstel bevatte doelstellingen voor een gefaseerde reductie van de totale hoeveelheid te storten biologisch afbreekbaar afval ten opzichte van het niveau van 1993, namelijk een reductie van 25% in 2002, van 50% in 2005 en van 75% in 2010. Deze voorgestelde doelstellingen waren dus strenger dan die uiteindelijk in de richtlijn zijn opgenomen.

Andere nieuwe ontwikkelingen in dit voorstel waren onder meer de eis van ‘voorafgaande behandeling’ van afval, een verbod op het storten van banden, de eis dat de storttarieven de werkelijke kosten van de nazorg zouden moeten dekken en een onmiddellijk verbod op het gezamenlijk storten van gevaarlijk en niet-gevaarlijk afval.

Eind 1997 zou het Europees Parlement de voorgestelde Richtlijn in eerste lezing behandelen. Dit werd echter uitgesteld tot na een speciale hoorzitting over afvalbeleid die voor november 1997 op het programma stond. In december werd in de Raad op een gemeenschappelijk standpunt over het voorstel aangestuurd, nog voordat het standpunt en de wijzigingsvoorstellen van het Parlement waren ontvangen. Deze gang van zaken was niet alleen een inbreuk op de procedures, maar werd door de Parlementsleden ook gezien als een belediging, aangezien de boodschap duidelijk was dat de Raad niet van plan was zich iets aan te trekken van wat het Parlement te zeggen had. Ook de Commissie was niet gelukkig met de werkwijze van de Raad, omdat de voorgestelde Richtlijn aanmerkelijk afgezwakt was. Met name had de Raad de doelstellingen voor de vermindering van het storten van afval versoepeld tot die welke nu in de Richtlijn staan. Andere wijzigingen van het Commissievoorstel waar de Raad het in december over eens werd, waren onder meer:

  • uitbreiding van het toepassingsgebied van de vrijstelling voor afgelegen woongebieden;

  • uitbreiding van de definitie van tijdelijke opslag (van 1 naar 3 jaar);

  • het toestaan van vrijstellingen voor niet-gevaarlijk afval van mijnbouwactiviteiten;

  • het creëren van de mogelijkheid om ondergrondse opslag, bijvoorbeeld in zoutmijnen, buiten de werking van de Richtlijn te laten;

  • het in beperkte mate toestaan van gezamenlijke stort van gevaarlijk en ongevaarlijk afval;

  • het verlengen van de termijn waarop bestaande afvalstortplaatsen aan de Richtlijn moeten voldoen van 5 naar 8 jaar;

  • het schrappen van een minimum-afstand tussen afvalstortplaatsen en woongebieden.

Het Parlement voltooide zijn eerste lezing in februari 1998, waarbij voor verscheidene wijzigingen in de voorgestelde Richtlijn werd gestemd en de doelstellingen van het oorspronkelijke voorstel gehandhaafd bleven. Tot de door het Parlement voorgestelde wijzigingen behoorden een oproep aan de Raad om in te stemmen met fiscale maatregelen, zoals een belasting op te storten afval, een verplichting voor de lidstaten om alle afvalstortplaatsen waarvoor geen vergunning op grond van de Kaderrichtlijn afvalstoffen was afgegeven te sluiten, en een specifieke aansprakelijkheid voor de exploitanten van afvalstortplaatsen gedurende tenminste 30 jaar na sluiting.

In maart 1998 bevestigde de Raad zijn gemeenschappelijk standpunt en verwierp de meeste door het Parlement voorgestelde wijzigingen. Met name werd vastgehouden aan de versoepelde doelstellingen. Slechts één suggestie van het Parlement werd overgenomen, namelijk dat lidstaten de Commissie moeten inlichten over de soorten en hoeveelheden afval die naar vrijgestelde stortplaatsen gaan.

De tweede lezing in het Parlement vond plaats in februari 1999. Het Parlement stelde een ‘compromis’ doelstelling voor, waarbij de hoeveelheid biologisch afbreekbaar afval die gestort wordt in 2016 zou moeten zijn verminderd tot 25% van het niveau van 1995, met een uitloop van twee jaar extra voor lidstaten die zeer afhankelijk zijn van het storten van afval. Het Parlement hield vast aan veel van zijn eerdere wijzigingen en werd daarin grotendeels gesteund door de Commissie, die veel ervan in haar herziene voorstel opnam. Onder de samenwerkingsprocedure was de Raad echter in staat om deze voorgestelde wijzigingen naast zich neer te leggen door unanimiteit te handhaven over zijn gemeenschappelijk standpunt. Zo werd de Richtlijn in april 1999 aangenomen. De Richtlijn storten is een van de laatste stukken EG-milieuwetgeving die onder de samenwerkingsprocedure is aangenomen.

5.4.6 De omzetting in nationale regelgeving

In Nederland wordt het storten van afvalstoffen al sinds lange tijd beschouwd als de minst wenselijke wijze van afvalverwijdering. Sinds de introductie van de ‘ladder van Lansink’[520] geldt de voorkeursvolgorde: preventie – hergebruik – verbranden – storten. Deze prioriteitsstelling is ook vastgelegd in de Wet milieubeheer (art. 10.4). De meeste wet- en regelgeving die nodig is om aan Richtlijn 1999/31 te voldoen, was in Nederland al van kracht vóór de totstandkoming van die Richtlijn.

Vergunningen voor stortplaatsen vallen onder het regime van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer en onder het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Ivb)[521], nu het Besluit omgevingsrecht. Bij de wetswijziging van de Wm in 2001 (zie § ???) is een nieuw artikel 8.36f ingevoegd. Op grond van dit artikel dient de exploitant van de stortplaats een kostendekkend tarief te berekenen. Hiermee is uitvoering gegeven aan de kostenbepaling (art. 10) van de Richtlijn. Het Ivb is ook gewijzigd in 2001.[522] Ter implementatie van de Richtlijn is aan de vergunninghouder van een stortplaats de verplichting opgelegd om voor 16 juli 2002 een plan in te dienen waarin hij aangeeft op welke wijze hij voornemens is te voldoen aan de verplichtingen met betrekking tot vakbekwaamheid en financiële zekerheid, zoals nader is gespecificeerd in het Stortbesluit bodembescherming. Het bevoegd gezag diende vervolgens voor 1 januari 2004 de vergunning zo nodig aan te passen dat zo spoedig mogelijk doch voor 16 juli 2009 aan de vereisten zou zijn voldaan.

In het Stortbesluit bodembescherming[523] staan de (voornamelijk technische) voorschriften die het bevoegde gezag aan de vergunning van een stortplaats moet verbinden. Daartoe behoren onder meer voorschriften ter bescherming van bodem en grondwater, alsmede de verplichting tot het benutten of affakkelen van stortgas. De Uitvoeringsregeling stortbesluit bodembescherming[524] geeft nadere voorschriften. Voor baggerspecie zijn specifieke regels vastgelegd in de Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land[525].

Het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa)[526] bevat voor diverse categorieën afvalstoffen een stortverbod, alsmede bepalingen waaraan stortplaatsen moeten voldoen.

De ‘nazorg’ van gesloten stortplaatsen (inclusief de financiering daarvan) is geregeld in een aanvulling van de Wet milieubeheer (artt. 8.47 t/m 8.51 en artt. 15.42 t/m 15.49) en een wijziging van de Wet bodembescherming[527], alsmede een wijziging van het Stortbesluit bodembescherming en het Ivb.

De door de Richtlijn vereiste reductie van de hoeveelheid gestorte afvalstoffen is niet rechtstreeks afdwingbaar, maar wordt gestimuleerd door middel van op preventie, hergebruik, recycling en verbranding gerichte maatregelen. Daartoe behoort onder meer de afvalstoffenbelasting, die geheven wordt op het storten van afval.

De Beschikking aanvaarding afvalstoffen op stortplaatsen (2003/33) geeft een nadere invulling aan de criteria en de procedures voor de acceptatie van afvalstoffen. Ter implementatie van deze beschikking is het Besluit implementatie Beschikking aanvaarding afvalstoffen op stortplaatsen tot stand gebracht[528], hetgeen op 21 juli 2009 in werking is getreden. Dit besluit voorziet in een wijziging van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen), het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen, het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en het Stortbesluit bodembescherming. Tevens is de Regeling acceptatie afvalstoffen op stortplaatsen[529] opgesteld die de eerdere Regeling acceptatie geconditioneerde gevaarlijke afvalstoffen op stortplaatsen heeft vervangen. De belangrijkste wijzigingen die in de nationale regelgeving zijn ingevoerd hebben betrekking op de wijze waarop uitvoering moet worden gegeven aan de verplichting om bij de afgifte van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen aan een stortplaatsexploitant een omschrijving van aard, eigenschappen en samenstelling van de betrokken afvalstoffen te verstrekken en met name het uitlooggedrag van de afvalstoffen en testresultaten hieromtrent.

In LAP-2 is aangekondigd dat gedurende de planperiode zowel het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa) als het Stortbesluit bodembescherming worden herzien.[530] De herziening van het Bssa is gericht op het verbeteren van de structuur van dit besluit, betere aansluiting bij Europese regelgeving, het schrappen van overbodige regelingen en het herformuleren van de stortverboden en vrijstellingen. De herziening van het Stortbesluit richt zich op het actualiseren van de technische richtlijnen naar de huidige stand der techniek en het creëren van ruimte voor nieuwe inzichten en innovaties. Dit alles zal plaatsvinden binnen de kaders van de Europese Richtlijn storten. Bij herziening van het Stortbesluit wordt ook de nazorgregeling stortplaatsen uit de Wet milieubeheer meegenomen.

5.4.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Het Nederlandse milieubeleid is al jaren gericht op het terugdringen van het storten van afval. Als gevolg daarvan is het aantal stortplaatsen en de hoeveelheid gestort afval sterk afgenomen. In de periode 1990-2009 is het aantal stortplaatsen gereduceerd van 90 naar 22 en is de hoeveelheid gestort afval afgenomen van bijna 14 miljard kg naar 2,3 miljard kg.[531] Het is daarmee aannemelijk dat de doelstelling uit LAP-1 van een afname van de hoeveelheid gestort afval tot 2 miljard kg in 2012 wordt gehaald.

Wat betreft het storten van biologisch afbreekbaar afval is Nederland één van de vier EU-landen die in 1995 al voldeden aan de eis voor 2016 dat maximaal 35 gewichtsprocent van de in 1995 totale hoeveelheid geproduceerd biologisch afbreekbaar stedelijk afval mag worden gestort.

Net als in LAP-1 geldt in LAP-2 dat Nederland voor storten zelfvoorzienend moet zijn. Dit houdt in dat onbrandbaar restafval dat in Nederland ontstaat en niet nuttig kan worden toegepast, in Nederland moet worden gestort. Gedurende de planperiode van LAP-2 blijven de landsgrenzen voor te storten afvalstoffen dan ook gesloten en wordt zowel in- als uitvoer voor storten in beginsel niet toegestaan. Uitzonderingen worden alleen gemaakt als blijkt dat storten buiten Nederland de enige verwerkingsmogelijkheid voor die afvalstof is. Dit geldt bijvoorbeeld voor afvalstoffen die voorheen gestort werden in de in 2005 gesloten C2-deponie.

Vanwege de inwerkingtreding van het Besluit implementatie Beschikking aanvaarding afvalstoffen op stortplaatsen in 2009 is het niet langer toegestaan om zoute afvalstoffen, zoals sproeidroogzouten en het zeer zoute deel van AVI-vliegassen (reststoffen met een zoutgehalte groter dan 20% als som van Cl, SO4 en Br), onbehandeld te storten.[532] Zij voldoen namelijk niet aan de uitloogcriteria voor storten op stortplaatsen voor gevaarlijk afvalstoffen. Dit betreft tussen de 30.000 en 50.000 ton reststoffen op jaarbasis. De praktijk in Nederland was dat een deel van deze zoute afvalstoffen, al dan niet vermengd met potentieel conditioneerbare stromen, in waterdichte big bags werd gestort. De rest van deze afvalstoffen werd nuttig toegepast in zoutmijnen in Duitsland. Het storten in big bags leidde er echter niet toe dat de uitloging van de afvalstof voldeed aan de grenswaarden van de nieuwe bijlage, waardoor deze wijze van storten voor deze afvalstoffen nu niet meer is toegestaan. Binnen de stortbranche wordt momenteel gezocht naar alternatieven zodat men niet afhankelijk wordt van uitvoer voor nuttige toepassing.

Referenties

PBL (2010). Compendium voor de Leefomgeving. Hoofdstuk Afval. Beschikbaar via: http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/onderwerpen/nl0001-Afval.html?i=1.

SenterNovem Uitvoering Afvalbeheer (2009). Nederlands afval in cijfers, gegevens 2000-2007. Beschikbaar via: http://www.senternovem.nl/mmfiles/UA_2009-03_NAIC_2000-2007_tcm24-306751.pdf.

VROM, Ministerie van (2004a). Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012. Gewijzigde versie van april 2004. Den Haag.

VROM, Ministerie van (2004b).Voortgangsrapportage Landelijk afvalbeheerplan (LAP). Den Haag.

[516] De Nederlandstalige versie van de Richtlijn gebruikt de term ‘materialenenergie’. In de Engelse versie staat ‘materials/energy’, waarschijnlijk wordt dus bedoeld ‘materialen en/of energie’.

[517] PbEG L298 25.11.2000.

[518] COM(2006) 406 def.

[519] COM(2009) 633 def.

[520] TK 1979-1980, 15 800 XVII, nr. 21.

[521] Stb. 1993, 50 (en wijzigingen).

[522] Stb. 2001, 336.

[523] Stb. 1993, 55 (en wijzigingen).

[524] Stcrt. 1993, 37 (en wijzigingen).

[525] Stcrt. 2001, 133 (en wijzigingen).

[526] Stb. 1997, 665 (en wijzigingen).

[527] Stb. 1986, 374 (en wijzigingen).

[528] Stb. 2009, 250.

[529] Stcrt. 2009, 10808.

[530] LAP-2. p. 184.

[531] SenterNovem (2009) en PBL (2010).

[532] LAP-2, p. 183.