94/62/EG (PbEG L365 31.12.1994) | Richtlijn inzake verpakking en verpakkingsafval |
Richtlijn 2004/12/EG (PbEU L47 18.2.2004) | Wijziging |
Richtlijn 2005/20/EG (PbEU L70, 16.3.2005) | Wijziging |
Rechtsgrondslag | Artikel 100a EG-verdrag (thans art. 114 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Inwerkingtreding | 31 december 1994 |
Omzetting in nationale regelgeving | 30 juni 1996 |
Ontwikkeling van een systeem ter markering | 1 januari 1997 |
Voldoen aan essentiële eisen | 1 januari 1998 |
Voldoen aan de doelen voor de eerste resp. tweede periode van vijf jaar | 30 juni 2001; 31 december 2008 |
97/129/EG (PbEG L50 20.2.1997) | Beschikking tot vaststelling van een identificatie-systeem voor verpakkingsmaterialen |
1999/42/EG (PbEG L14 19.1.1999) | Beschikking ter bevestiging van de door Oostenrijk aangemelde maatregelen |
1999/177/EG (PbEG L56 4.3.1999) | Beschikking tot vaststelling van de voorwaarden voor afwijking van de vastgestelde concentraties van zware metalen in kunststofkratten en -paletten |
1999/652/EG (PbEG L257 2.10.1999) | Beschikking ter bevestiging van de door België aangemelde maatregelen |
1999/823/EG (PbEG L321 14.12.1999) | Beschikking ter bevestiging van de door Nederland aangemelde maatregelen |
2001/171/EG (PbEG L62 2.3.2001 | Beschikking tot vaststelling van de voorwaarden voor een afwijking voor glazen verpakkingen van de vastgestelde grenswaarden voor de concentratie van zware metalen |
2001/524/EG (PbEG L190 12.7.2001) | Beschikking met betrekking tot normen voor verpakkingen en verpakkingsafval |
2005/270/EG (PbEU L86, 5.4.2005) | Beschikking tot vaststelling van de tabellen voor het databanksysteem overeenkomstig Richtlijn 94/62/EG |
2006/340/EG (PbEU L125, 12.5.2006) | Wijziging van Beschikking 2001/171/EG tot verlenging van de geldigheidsduur van de voorwaarden voor een afwijking voor glazen verpakkingen |
2009/292/EG (PBEU L79, 25.3.2009) | Beschikking tot vaststelling van de voorwaarden voor een afwijking van de vastgestelde concentraties van zware metalen in kunststof kratten en kunststof paletten |
2009/C 107/01 (PbEU C107 9.5.2009) | Mededeling van de Commissie – Drankverpakkingen, statiegeldsystemen en het vrij verkeer van goederen |
Besluit beheer verpakkingen en papier en karton | Stb. 2005, 183 (zoals gewijzigd) |
Regeling formulieren verpakkingen | Stcrt. 2007, 126 |
Raamovereenkomst tussen VROM, bedrijfsleven en VNG over de aanpak van de dossiers verpakkingen en zwerfafval voor de jaren 2008 tot en met 2012 | TK 2006/07, 28 694, nr. 42 (addendum: nr. 72) |
De Richtlijn heeft tot doel de nationale maatregelen betreffende het beheer van verpakking en verpakkingsafval te harmoniseren, enerzijds om elk effect daarvan op het milieu van de lidstaten en derde landen te voorkomen of te beperken en aldus een hoog milieubeschermingsniveau te waarborgen, en anderzijds om de werking van de interne markt te garanderen en handelsbelemmeringen, concurrentieverstoring en concurrentiebeperking in de Gemeenschap te voorkomen (art. 1, lid 1). Wat betreft de milieudoelstelling gaat het om een vermindering van de hoeveelheid verpakkingsafval bestemd voor verwijdering door preventie, producthergebruik, materiaalhergebruik en andere vormen van nuttige toepassing. De Richtlijn beoogt haar doelstellingen te bereiken door a) de lidstaten op te dragen retour-, inzamelings- en terugwinningssystemen op te zetten, b) de lidstaten op te dragen preventieve maatregelen te nemen ter voorkoming van verpakkingsafval, c) de lidstaten voor te schrijven bepaalde gewichtspercentages te halen voor terugwinning en materiaalhergebruik en d) het vrije verkeer binnen de EU te garanderen van verpakkingen die voldoen aan bepaalde essentiële eisen.
In de Richtlijn wordt onder ‘verpakking’ elk product verstaan, vervaardigd van materiaal van welke aard ook, dat kan worden gebruikt voor het “insluiten, beschermen, verladen, afleveren en aanbieden van goederen”. De Richtlijn betreft de drie belangrijkste typen verpakkingen: verkoop- of primaire verpakking die normaliter bestemd is voor de eindgebruiker of de consument, verzamel- of secundaire verpakking die meestal door de distributeur of winkelier wordt verwijderd bij het verkooppunt en verzend- of tertiaire verpakking die zo is ontworpen dat het verladen en vervoeren wordt vergemakkelijkt.
De in de Richtlijn gekozen benadering komt er op neer dat van de lidstaten wordt verlangd om retour-, inzamel- en terugwinningssystemen op te zetten voor: a) de terugname en/of inzameling van gebruikte verpakkingen en/of verpakkingsafval van consumenten of andere eindgebruikers, of uit de afvalstroom, teneinde ze naar de meest geschikte beheersalternatieven toe te leiden en b) het hergebruik of de terugwinning, met inbegrip van materiaalhergebruik, van ingezamelde verpakkingen en/of verpakkingsafval (art. 7). Uitdrukkelijk is bepaald dat deze systemen ook gelden voor ingevoerde producten onder niet-discriminerende voorwaarden en dat zij zo worden opgezet dat “handelsbelemmeringen of concurrentieverstoringen” worden voorkomen. Verder dienen de lidstaten een speciaal hoofdstuk in de in art. 7 van de Kaderrichtlijn afval (2006/12/EG, zie § ???) bedoelde afvalbeheerplannen op te nemen over het beheer van verpakkingen en verpakkingsafval (art. 14 van Richtlijn 94/62).[565]
In de Richtlijn zijn doelstellingen vastgelegd die uiterlijk vijf jaar na de uiterste datum voor omzetting dienden te worden verwezenlijkt (d.w.z. per 30 juni 2001) (art. 6). De Richtlijn eiste dat ten minste 50 en ten hoogste 65 gewichtsprocent van het verpakkingsafval werd teruggewonnen, waarbij ‘terugwinning’ werd gedefinieerd als “alle toepasselijke handelingen, bedoeld in bijlage II.B bij Richtlijn 75/442/EEG, met inbegrip van materiaalhergebruik, energieterugwinning en het gebruik van afval als brandstof”. Van het teruggewonnen materiaal diende tussen de 25 en 45 procent te worden hergebruikt. Daarnaast was een minimum hergebruiksdoelstelling van 15 gewichtsprocent voor ieder afzonderlijk verpakkingsmateriaal gesteld.
De Richtlijn droeg aan de Commissie oorspronkelijk op om een nader pakket van doelstellingen voor de periode van vijf jaar tussen 2001 en 2006 voor te stellen op basis van een tussentijds verslag. Deze nieuwe doelstellingen moesten door de Raad worden goedgekeurd bij gekwalificeerde meerderheid. Dit proces dient vervolgens iedere vijf jaar te worden herhaald.
Richtlijn 2004/12 is bedoeld om voor de tweede periode van vijf jaar (2001-2006) doelstellingen te geven. Het voorstel voor deze richtlijn werd echter bijna twaalf maanden later dan voorzien uitgebracht. Vandaar dat deze doelstellingen voor 2008 gingen gelden. Deze waren voor 31 december 2008: ten minste 60 gewichtsprocent van het verpakkingsafval wordt teruggewonnen of verbrand in afvalverbrandingsinstallaties met terugwinning van energie; ten minste 55 en ten hoogste 80 gewichtsprocent van het verpakkingsafval wordt gerecycleerd; en de volgende minimumdoelstellingen voor recycling van in verpakkingsafval aanwezige materialen gelden: 60 gewichtsprocent voor glas; 60 gewichtsprocent voor papier en karton; 50 gewichtsprocent voor metalen; 22,5 gewichtsprocent voor kunststoffen; en 15 gewichtsprocent voor hout.
Uiterlijk op 31 december 2007 zouden de doelstellingen voor de volgende periode van vijf jaar tussen 2009 en 2014 moeten worden vastgesteld (art. 6, lid 5). De Commissie heeft echter nooit een voorstel voor een dergelijke aanpassing van de doelstellingen uitgebracht.
Met betrekking tot de vraag of verbranding met terugwinning van energie kan worden gezien als terugwinning, is de eis van de oorspronkelijke Richtlijn voor terugwinning zo aangepast dat deze vorm er inderdaad onder valt. Daarmee is de definitie van terugwinning in dit kader uitgebreid. Hiertoe werd besloten na een aantal uitspraken van het EHvJ. De drie Europese instellingen hebben echter gezamenlijk een verklaring uitgebracht, waarin staat dat de kwestie nogmaals bekeken zal worden en indien nodig de wetgeving zal worden aangepast.
De Richtlijn staat afwijking van de doelstellingen toe voor Griekenland, Portugal en Ierland om een aantal redenen, waaronder het “huidige lage consumptieniveau van verpakkingen” (art. 6, lid 7). Deze lidstaten hebben een minimum doelstelling voor terugwinning van 25%. Verder is het aan lidstaten toegestaan om hogere doelstellingen na te streven “in het belang van een hoog milieubeschermingsniveau op voorwaarde dat die maatregelen geen verstoringen van de interne markt veroorzaken en de naleving van de Richtlijn door andere lidstaten niet bemoeilijken” (art. 6, lid 10). Bij een beschikking van januari 1999 heeft de Commissie een verzoek van Oostenrijk ingewilligd tot een hogere hergebruiksdoelstelling dan 45%. Vergelijkbare inwilligingsbeschikkingen zijn gedaan op verzoeken ingediend door België en Nederland. Voor een zevental in 2004 nieuw toegetreden landen zijn eveneens uitzonderingen opgesteld, die hieronder worden besproken.
De Richtlijn liet het aan de Raad over om binnen twee jaar na de inwerkingtreding (d.w.z. per januari 1997) een besluit te nemen over een systeem ter markering en identificatie van verpakkingen, teneinde de inzameling, het hergebruik en de terugwinning, met inbegrip van materiaalhergebruik, te vergemakkelijken (art. 8). De Commissie, bijgestaan door het Comité voor de aanpassing aan wetenschappelijke en technische vooruitgang, diende binnen 12 maanden na de inwerkingtreding (d.w.z. voor het einde van 1995) daartoe een voorstel te doen. Daartoe moesten de Commissie en het Comité gevallen in beschouwing nemen waarbij zich technische problemen voordeden bij de toepassing van de Richtlijn en dienden zij te bepalen of er speciale regelingen of uitzonderingen nodig waren. De Commissie was echter nogal laat met het doen van een voorstel, waardoor de deadline van januari 1997 niet werd gehaald. Uiteindelijk werden bij Beschikking 97/129 van de Commissie de cijfercodes en afkortingen gepubliceerd waarop het identificatiesysteem is gebaseerd.
De Richtlijn verbiedt het op de markt brengen van verpakkingen die niet voldoen aan bepaalde essentiële eisen betreffende de “samenstelling, het hergebruik en de terugwinning, met inbegrip van materiaalhergebruik” (art. 9 en bijlage II). Een verpakking die binnen drie jaar na de inwerkingtreding (d.w.z. per januari 1998) aan de essentiële eisen voldoet, wordt binnen de EU een vrij verkeer gegarandeerd (art. 18). De lidstaten dienen nationale normen te ontwikkelen ter implementatie van de essentiële eisen die zijn vastgelegd in bijlage II van de Richtlijn. Verder dient de Commissie de ontwikkeling van Europese normen te bevorderen voor een aantal parameters, zoals criteria en methodologieën voor de levenscyclusanalyse van verpakking, en methoden voor het meten en verifiëren van de aanwezigheid van zware metalen (art. 10). Deze taak wordt uitgevoerd door CEN (het Europees agentschap voor Standaardisering). Deze normen maken het bedrijven mogelijk na te gaan of hun verpakking voldoet aan de ‘essentiële eisen’ van de Richtlijn. De totstandkoming van Europese normen bleek een fikse uitdaging die veel tijd vergde. In een Beschikking van juni 2001[566] verwierp de Commissie drie van de vijf door CEN in eerste instantie voorgestelde verpakkingsnormen omdat ze niet volledig voldeden aan de essentiële eisen. Critici betoogden dat bijlage II van de Richtlijn aangepast zou moeten worden, zodat er ook drempelwaarden en minimumstandaarden in zouden komen te staan. De Commissie wees dit echter af en verzocht CEN om een nieuwe reeks normen te ontwerpen. Deze werden in 2005 door de Commissie gepubliceerd, waarmee werd aangegeven dat ze deze keer wel aan de essentiële eisen voldeden.[567]
Bij Beschikking 99/177 stond de Commissie, onder bepaalde omstandigheden, toe dat kunststof kratten en paletten hogere concentraties zware metalen bevatten dan verpakkingen in het algemeen. Deze uitzondering werd in stand gehouden in Beschikking 2009/292/EG.
Een andere Beschikking[568] stond hogere concentraties van zware metalen in glazen verpakkingen toe. Ook deze is verlengd, en wel middels Beschikking 2006/340/EG.
De lidstaten dienen monitoringsystemen met betrekking tot verpakking en verpakkingsafval op te zetten, teneinde de lidstaten en de Commissie in de gelegenheid te stellen toe te zien op de tenuitvoerlegging van de doelstellingen van de Richtlijn (art. 12). Deze monitoringsystemen dienen in het bijzonder informatie te bevatten over de “omvang, kenmerken en ontwikkeling van de verpakkings- en verpakkingsafvalstromen (onder meer informatie over giftige of gevaarlijke bestanddelen van verpakkingsmateriaal en over stoffen die bij de fabricage ervan worden gebruikt)”. Beschikking 2005/270/EG vervangt Beschikking 97/138/EG en betreft het verder verbeteren van de vergelijkbaarheid van de gegevens van de verschillende lidstaten. Hiertoe levert de Beschikking de te gebruiken tabellen om de identificatie van terugwinning van verpakkingen weer te geven.
Als de Gemeenschap er niet toe overgaat om economische instrumenten vast te stellen ter verwezenlijking van de doelstellingen van de Richtlijn, kunnen de lidstaten maatregelen nemen overeenkomstig het beginsel ‘de vervuiler betaalt’ (art. 15).
De Commissie en de lidstaten dienen iedere drie jaar te rapporteren over de tenuitvoerlegging van de Richtlijn (art. 17). Het eerste verslag bestreek de periode 1995 tot en met 1997 en werd in juli 1999 vastgesteld. Een tweede verslag hiervan is in juli 2003 uitgebracht en een derde verslag volgde eind 2006 (zie onder ‘Verdere ontwikkelingen’).
Richtlijn 2005/20/EG voorziet in een uitzondering van de werking van de Richtlijn voor zeven van de in 2004 toegetreden landen, te weten: de Tsjechische Republiek, Estland, Cyprus, Litouwen, Hongarije, Slovenië en Slowakije. Deze landen mogen de inwerkingstelling van de Richtlijn uitstellen tot een datum naar eigen keuze, die echter niet later mag vallen dan 31 december 2012.
Richtlijn 94/62 heeft Richtlijn 85/339 betreffende verpakkingen voor vloeibare levensmiddelen, die een vermindering van afval afkomstig van drankverpakkingen beoogde, vervangen. Eén van de belangrijkste aanleidingen voor de ontwikkeling van Richtlijn 85/339 was het besluit van de Deense regering om met wetgeving te komen die voor drankverpakkingen een terugbreng- en hervulsysteem verplicht stelde. Dergelijke systemen hadden handelsimplicaties voor de exporteurs van dranken naar Denemarken en als gevolg daarvan ontving de Commissie een aantal klachten. Dit bracht de Commissie ertoe om een Richtlijn betreffende verpakkingen voor vloeibare levensmiddelen op te stellen met de bedoeling lidstaten ervan te weerhouden om systemen te introduceren die de invoer belemmerden. De eerste ontwerpen van deze Richtlijn bevatten een verbod op blikjes en de introductie van verplichte hergebruiksmaatregelen. In zijn uiteindelijke vorm was Richtlijn 85/339 echter minder vergaand en was het aan lidstaten toch toegestaan om hun eigen nationale programma’s op te stellen.
Destijds is de zorg uitgesproken dat onder het regime van Richtlijn 85/339 nationale systemen zouden worden opgezet die handelsbelemmeringen zouden opwerpen. De praktijk liet ook inderdaad een breed scala aan reacties op de Richtlijn zien, waardoor er geen harmonisering van nationale systemen werd bereikt. De Richtlijn sloot het gebruik van verplichte maatregelen ter stimulering van hervullen of materiaalhergebruik niet uit. Dit leidde ertoe dat het Deense systeem in grote lijnen gehandhaafd bleef. In reactie daarop heeft de Commissie in 1986 een rechtszaak aangespannen tegen Denemarken voor het Europese Hof van Justitie op grond van het opwerpen van handelsbarrières.[569] Het Hof bepaalde echter dat de handelsbarrières voortkomend uit de Deense regelgeving, op grond waarvan de meeste bier en frisdranken in retourflessen moesten worden verkocht, niet disproportioneel waren gezien de beoogde milieudoelstellingen. Het Hof eiste wel van Denemarken dat het de regels met betrekking tot voorafgaande goedkeuring van flessen-ontwerpen zou laten vallen.[570]
Sinds 1988 is er een algemene trend waarneembaar in de lidstaten om verplichte of vrijwillige initiatieven te ontwikkelen op het gebied van verpakkingen. Een aantal factoren heeft deze ontwikkeling bevorderd, zoals het afnemende aantal geschikte stortplaatsen, het groeiende milieubewustzijn bij het publiek, en het toenemende aandeel van verpakkingen in huishoudelijke en industriële afvalstromen. De politieke ontwikkelingen in Centraal en Oost-Europa zijn tevens van invloed geweest op deze trend, aangezien sommige lidstaten grote hoeveelheden huishoudelijk afval in deze landen lieten storten. Het voormalige Oost-Duitsland was bijvoorbeeld een gewilde bestemming. Tegen deze achtergrond heeft de Commissie besloten om prioritaire afvalstromen te identificeren en een Richtlijn betreffende verpakkingen op te stellen.
De Duitse verordening ter voorkoming van verpakkingsafval (Verpackungsverordnung) was het meest vergaand van deze nationale initiatieven en heeft het totstandkomingsproces van de Richtlijn bespoedigd. De verordening verplichtte de producenten en importeurs van verpakkingsmaterialen, van producten die worden verpakt, de tussenhandel en detailhandel tot het terugnemen en als materiaal hergebruiken van gebruikte verpakkingen uit huishoudens. Uitvoering mocht collectief plaatsvinden, waarop de Duitse industrie besloot het bedrijf Duales System Deutschland (DSD) op te richten met als taak om een inzamelings- en verwerkingssysteem voor verpakkingsafval op te zetten. Aangesloten bedrijven mochten de zogenoemde ‘Grüner Punkt’ op hun verpakkingen aanbrengen, ten teken dat men meebetaalde aan het door DSD opgezette systeem. Het effect van het Duitse systeem op de handel in het algemeen en de markt voor secundaire materialen in het bijzonder, is daarmee een doorslaggevende reden geweest voor de ontwikkeling van Richtlijn 94/62. Het was duidelijk dat de Commissie opnieuw werd aangestuurd door de ontwikkelingen in een lidstaat.
Richtlijn 94/62 is tijdens haar totstandkoming het onderwerp geweest van menige discussie. Eén daarvan betrof de fundamentele vraag of de voorgestelde Richtlijn het reguleren van de handel dan wel milieubescherming beoogde. De Commissie had zelf gesuggereerd dat de Richtlijn een tweeledig doel had. Een aantal lidstaten, waaronder Duitsland, Denemarken en Nederland was van mening dat de rechtsgrondslag moest worden gewijzigd van artikel 100a EG-verdrag (interne markt; later: art. 95; thans: art. 114 VwEU) in artikel 130s (later: 175; thans: art. 192 VwEU) om te verzekeren dat voldoende nadruk zou worden gelegd op milieubescherming. Artikel 175 zou de lidstaten immers de vrijheid geven om strengere milieu-eisen aan verpakkingen te stellen. De Richtlijn bleek echter, met haar systeem van standaardisering door het stellen van essentiële eisen aan verpakkingen, mede bedoeld om het vrije verkeer van verpakte goederen binnen de Gemeenschap te waarborgen.
Denemarken was de eerste lidstaat die geconfronteerd werd met de consequenties van de tweeledige doelstelling van de Richtlijn. In juli 1997 besloot de Commissie een tweede rechtszaak tegen Denemarken te beginnen vanwege het Deense verbod op het gebruik van blikjes voor bier en frisdranken (zie hierboven voor de details van de eerste zaak). De Commissie stelde zich op het standpunt dat het verbod overduidelijk protectionistisch van aard was en daarmee indruiste tegen de artikelen 5, 7, 9 en 18 van de Richtlijn die er alle op zijn gericht om handelsbelemmeringen te voorkomen. In april 1999 is de zaak opnieuw aan het Europese Hof van Justitie voorgelegd. In zijn conclusie van september 2001 steunde de advocaat-generaal de Commissie in haar standpunten. Hierna heeft de Deense regering in januari 2002 ingebonden en is er een einde gekomen aan het langlopende verbod en daarmee ook de rechtszaak.[571]
Bij de eerste lezing van het voorstel voor de Richtlijn in 1993, zijn door de parlementaire commissie voor milieu, volksgezondheid en consumentenbeleid meer dan 300 amendementen ingediend, waarvan het Europese Parlement er 80 goedkeurde. De Commissie heeft deze echter lang niet allemaal overgenomen in haar gewijzigde voorstel. Eén van de belangrijkste aanbevelingen van het Parlement betrof de verplichting voor de lidstaten om binnen vijf jaar na inwerkingtreding van de Richtlijn, in plaats van op een door iedere lidstaat afzonderlijk te bepalen tijdstip, te voldoen aan de tussentijdse doelstellingen die voor terugwinning van verpakking 60% en voor materiaalhergebruik 40% bedroegen. Het Parlement had geen moeite met de gestelde doelstellingen voor de termijn van tien jaar van respectievelijk 90% voor terugwinning en 40% voor materiaalhergebruik.
Door het Britse Hogerhuis werd echter bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de voorgestelde doelstellingen voor de termijnen van vijf en tien jaar, omdat deze ertoe zouden kunnen leiden dat “afvalbergen” zouden ontstaan, nu het voorstel niet voorzag in maatregelen om de markt voor secundaire materialen te stimuleren. Het Parlement deed een aanbeveling om de markt te stimuleren door het gebruik van een minimum percentage van hergebruikt materiaal in nieuwe verpakkingen verplicht te stellen. Dit was daarvoor al op verzet gestuit bij diverse industriële sectoren, waarop de Commissie haar verwierp. De enige andere optie was om de doelstellingen te verlagen en daarmee de hoeveelheid materiaal die herwonnen zou moeten worden. Dit is ook uiteindelijk gebeurd; alleen de doelstellingen voor de termijn van vijf jaar zijn gehandhaafd en dan nog in gereduceerde vorm. De Richtlijn staat de individuele lidstaten echter wel toe om hogere doelstellingen vast te stellen, zolang die maatregelen de naleving van de Richtlijn door andere lidstaten niet bemoeilijken.
Bij de tweede lezing in het Parlement werden geen amendementen aangenomen die een werkelijke verscherping van de Richtlijn betekenden. Op de daarop volgende Milieuraad bleek echter plotseling, naast Duitsland, Denemarken en Nederland, ook België tegen het voorstel te zijn, waardoor de meerderheid die nodig was om de Richtlijn te kunnen aannemen ontbrak.[572] De daarop volgende bemiddelingsprocedure leidde ertoe dat de bezwaren van België werden ondervangen. Zodoende werd toch een meerderheid in de Raad bereikt en kon de Richtlijn op 20 december 1994, ondanks de tegenstemmen van Nederland, Duitsland en Denemarken, door het EP en de Raad worden aangenomen.
Implementatie van de Richtlijn in nationale regelgeving heeft in Nederland aanvankelijk plaatsgevonden door middel van de ministeriële Regeling verpakking en verpakkingsafval (hierna: de regeling)[573]. De regeling is op 4 juli 1997 gepubliceerd en op 1 augustus 1997 in werking getreden[574], ruim een jaar later dan op basis van de Richtlijn was vereist. Dit hing mede samen met bezwaren die de Commissie maakte tegen het niet-letterlijk overnemen van de definities uit de Richtlijn in de ontwerp-regeling. Nederland heeft er vervolgens op gewezen dat de gebruikte definities inhoudelijk overeenstemden met die in de Richtlijn en heeft de regeling vervolgens ongewijzigd vastgesteld. De Commissie is echter op een later tijdstip weer op de kwestie teruggekomen (zie hierna).
Volgens de regeling was een ieder die in Nederland een product in een verpakking op de markt brengt, dus ook een ieder die een product in een verpakking importeert, verplicht om verpakkingsafval te beperken, verpakkingsafval te hergebruiken en hierover te rapporteren. Andere schakels uit de verpakkingsketen hadden de plicht om hieraan mee te werken. De regeling bevatte, in overeenstemming met de Richtlijn, de verplichting om uiterlijk 30 juni 2001 van alle op de markt gebrachte verpakkingen 65% terug te winnen (dit is materiaalhergebruik en verbranding met energieterugwinning; na de wijziging van de regeling in 2002 is dit ‘nuttig toepassen’ geworden, zie hierna). De basisgedachte van de regeling was dat het behalen van de in de Richtlijn opgenomen taakstellingen inspanningen vraagt van alle partijen die betrokken zijn bij het op de markt brengen en verwijderen van verpakkingen: de ontdoeners van afval (scheiden), gemeenten (inzamelen), producenten en importeurs (preventie, materiaalhergebruik en terugwinning) en grondstofproducenten (materiaalhergebruik).
In juni 1999 werd de Regeling verpakking en verpakkingsafval gewijzigd naar aanleiding van een ingebrekestelling door de Commissie. Zij had bij brief van 9 juni 1998 laten weten dat de vereisten van de Richtlijn op onvoldoende wijze waren omgezet in het Nederlandse recht. Het commentaar van de Commissie betrof drie verschillende punten[575]. Het eerste bezwaar ging wederom over het feit dat Nederland niet letterlijk de definities met betrekking tot producthergebruik, materiaalhergebruik en terugwinning heeft overgenomen. Besloten werd om de definitie van terugwinnen aan te passen om tegemoet te komen aan deze bezwaren. Het tweede bezwaar betrof een hele reeks van artikelen die niet waren opgenomen in de regeling, maar die wel werden uitgevoerd in de praktijk. In een antwoordbrief aan de Commissie legde de minister van VROM uit hoe hiermee is omgegaan. Het derde bezwaar betrof de constructie van een wettelijke regeling in combinatie met het Convenant Verpakkingen II. Volgens de Commissie kon op deze wijze juridisch niet zeker worden gesteld dat te allen tijde de doelstellingen uit de Richtlijn ook werden gerealiseerd. Ook op dit punt werd de regeling aangepast, in die zin dat de minister van VROM de vrijstellingen van de regeling kon laten vervallen, indien zou blijken dat de percentages totaal hergebruik en terugwinning van verpakkingen lager waren dan 45% respectievelijk 50%. De gewijzigde regeling trad op 24 juni 1999 in werking.
Per 5 maart 2000 is de regeling wederom gewijzigd vanwege een Beschikking van de Commissie tot vaststelling van de voorwaarden voor afwijking van de vastgestelde concentraties van zware metalen in kunststofkratten en kunststofpaletten.[576] In deze beschikking wordt een uitzondering gemaakt op de grenswaarden voor lood, cadmium, kwik en zeswaardig chroom indien het kunststofkratten en kunststofpaletten betreft die in een gesloten kringloop als een product worden hergebruikt of worden ingezet bij de productie van nieuwe kratten en paletten. Deze versoepeling biedt perspectieven voor bierbrouwer Heineken die nog een voorraad van 12,1 miljoen cadmiumhoudende kratten in voorraad heeft. Die kratten konden als gevolg van de beschikking opnieuw worden ingezet of vermalen tot granulaat.
Een nieuwe wijziging vond plaats in februari 2001, naar aanleiding van een met redenen omkleed advies van 1 augustus 2000 van de Europese Commissie. Hierin stelde de Commissie dat zij de wijziging van juni 1999 onvoldoende vindt. Zo had de Commissie nog steeds bezwaar tegen het niet letterlijk overnemen van de definitie van ‘recycling’. Om aan dit bezwaar tegemoet te komen is de definitie van ‘als materiaal hergebruiken’ van de regeling gewijzigd.[577] Aan een ander bezwaar is in deze wijziging niet tegemoetgekomen. Zo is de Commissie van mening dat er in de Nederlandse regelgeving geen bepaling is, waaruit blijkt dat er systemen zijn voor de terugname of inzameling van verpakkingsafval (art. 7 Richtlijn), terwijl Nederland van mening is dat art. 10 van de regeling en het Convenant Verpakkingen voldoen.
Een volgende wijziging van de regeling in 2002 implementeerde de Beschikking van de Commissie uit 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor een afwijking voor glazen verpakkingen van de vastgestelde grenswaarden voor de concentratie van zware metalen.[578] In datzelfde jaar is de regeling aangepast aan de door de wetswijziging van de Wm (zie § ???) geïntroduceerde terminologie.[579] Daarbij is ‘terugwinnen’ vervangen door ‘nuttige toepassing’, aangezien de definities volgens de wetgever materieel overeenkomen. In 2002 is de regeling gewijzigd, waarbij de verplichting om 65% nuttig toe te passen is uitgebreid naar importeurs.[580] Ter implementatie van Wijzigingsrichtlijn 2004/12 werd een in 2005 af te ronden nadere wijziging voorbereid[581], maar uiteindelijk werd ervoor gekozen de regeling in zijn geheel te vervangen door het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton, waarop hieronder nader wordt ingegaan.
In de regeling werd de verpakkingsketen de mogelijkheid geboden een convenant te sluiten waarin de verschillende partijen, het bedrijfsleven en de overheid, afspraken maken over onder andere het behalen van de doelstellingen. Individuele bedrijven werden door zich bij het convenant aan te sluiten vrijgesteld van de ingewikkelde en kostbare uitvoering van een aantal verplichtingen uit de regeling. Het bedrijfsleven gaf aan van deze mogelijkheid gebruik te willen maken en toonde zich tevens bereid om zoveel mogelijk de hoge doelstellingen te handhaven, die in een eerder convenant waren afgesproken. Op 15 december 1997 werd het Convenant Verpakkingen II overeengekomen en tien dagen later trad het in werking.[582] Ondertekenaars van het convenant waren organisaties van het bedrijfsleven, (clusters van) individuele bedrijven, het ministerie van VROM en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). In het convenant werd aangegeven hoe de partijen de verplichtingen uit de ministeriële regeling zouden uitvoeren. Voor een aantal aspecten ging het convenant verder dan de regeling en daarmee ook de Richtlijn: zo werd bijvoorbeeld overeengekomen om voor hergebruik alleen al een doelstelling van 65% te realiseren.
Het convenant bevatte een integratieconvenant en zes deelconvenanten. In het integratieconvenant was als nationale doelstelling vastgelegd dat in het jaar 2001 niet meer dan 940.000 ton verpakkingsafval mocht worden gestort en verbrand. Deze doelstelling moest worden bereikt door een combinatie van preventie en hergebruik: door preventiemaatregelen moest de stijging van de hoeveelheid op de markt te brengen verpakkingen worden beperkt tot de stijging van het Bruto Binnenlands Product minus 10%. Het basisjaar was 1986; tenminste 65% van het verpakkingsafval moest worden hergebruikt als materiaal.
Verder werd in het integratieconvenant een aantal algemene zaken geregeld, zoals monitoring, de Commissie Verpakkingen en geschillenbeslechting. Van de zes deelconvenanten bevatten er vijf regelingen voor materiaalhergebruik van respectievelijk papiervezel, glas, metaal, kunststof en hout. Overigens had het deelconvenant papiervezel betrekking op al het papier en karton, dus ook op niet-verpakkingen. Per materiaalsoort werd vastgelegd welk percentage hergebruik moet worden gerealiseerd: 85% papier/karton, 90% glas, 80% metaal, 27% kunststof (35% als inspanningsverplichting) en 15% hout.
Het zesde deelconvenant voor producenten/importeurs bevatte afspraken over onder meer preventie, producthergebruik en rapportage daarover. Aangaande preventie was vastgelegd dat bedrijven bij het ontwikkelen en op de markt brengen van verpakkingen preventie dienden te bevorderen door toepassing van het Alara-beginsel (as low as reasonably achievable). Voor producthergebruik was onder meer bepaald dat geen (nieuwe) eenmalige verpakkingen mochten worden geïntroduceerd. Alleen als de eenmalige verpakking tot minder milieubelasting zou leiden dan een meermalig systeem of tot hele kleine verschuivingen, was de betreffende eenmalige verpakking toegestaan. Het Convenant Verpakkingen II had een looptijd tot eind 2001 en werd verlengd tot eind 2002.
Op 4 december 2002 werd door de minister van VROM en het bedrijfsleven de opvolger, het Convenant Verpakkingen III, ondertekend.[583] Namens het bedrijfsleven is het ondertekend door SVM-Pact, een overkoepelende organisatie van allerlei bedrijven uit de verpakkingsketen, de werkgeversorganisatie VNO-NCW en de Koninklijke Vereniging MKB-Nederland (vertegenwoordiger van het midden- en kleinbedrijf). Ook het Convenant Verpakkingen III bestond uit een integratieconvenant en enkele (zeven) deelconvenanten.
In het integratieconvenant werd als doelstelling gegeven dat in 2005 de totale hoeveelheid te verwijderen verpakkingsafval van glas, papier of karton, metaal en kunststof, in de vorm van verwijdering, maximaal 850 kiloton moet bedragen, vermeerderd met de hoeveelheid verpakkingsafval van metaal, die na verbranding als materiaal (art. 3). Om dit te bereiken moest het bedrijfsleven een aantal verplichtingen op zich nemen:
de totale hoeveelheid verpakkingen mocht in het jaar 2005 niet meer stijgen dan 2/3 van de procentuele stijging van het Bruto Binnenlands Product in 2005 ten opzichte van 1999;
van de totale hoeveelheid op de Nederlandse markt gebrachte verpakkingen het jaar 2005 moest ten minste 73% nuttig toegepast worden en ten minste 70% als materiaal hergebruikt worden (voor houten verpakkingen gold een de verplichting van 25% voor materiaalhergebruik, voorzover het hiervoor benodigde verpakkingsafval in voldoende mate gescheiden werd aangeboden volgens de in de deelconvenanten overeengekomen voorwaarden).
Verder werd, evenals in het voorgaande convenant in het integratieconvenant een aantal algemene zaken geregeld, zoals monitoring, verslaglegging, de Commissie Verpakkingen en geschillenbeslechting.
De deelconvenanten waren de volgende: producenten/importeurs, zwerfafval, glazen verpakkingen, metalen verpakkingen, kunststofverpakkingen, houten verpakkingen en papier (het papiervezelconvenant). Voor de verschillende soorten verpakkingsafval waren de volgende doelstellingen voor nuttige toepassing opgenomen: 75% voor papier en karton, 90% voor glas, 30[584] en 15[585]% voor kunststoffen, 80% voor metalen en 25% voor hout. Nieuw was het deelconvenant zwerfafval, waarin doelstellingen waren opgenomen om het zwerfafval te beperken. Het aantal blikjes en flesjes moest in 2005 met 80% zijn verminderd. Daarvoor moest het bedrijfsleven voor 1 januari 2005 de hoeveelheid met 2/3 hebben gereduceerd (als uitgangspunt werd de situatie van 50 miljoen blikjes en flesjes genomen). Het deelconvenant voor producenten/importeurs bevatte wederom afspraken over onder meer preventie, producthergebruik en rapportage daarover.
Tegelijk met de voorbereidingen van het Convenant Verpakkingen III werd door de overheid een AMvB voorbereid. Het Besluit beheer verpakkingen papier en karton moest als vangnet gaan dienen, indien er door het bedrijfsleven geen uitvoering zou worden gegeven aan het convenant. De regering en het parlement stemden in met de invoering van het besluit per 1 januari 2006, indien het bedrijfsleven voor 1 januari 2005 de verplichting van de reductie van de hoeveelheid flesjes en blikjes in het zwerfafval niet zou halen.[586]
Met het besluit zouden zonodig verplichtingen voor statiegeld, meermaligheid of producentenverantwoordelijkheid kunnen worden opgelegd. Met meermaligheid werd bedoeld dat eenmalige verpakkingen slechts dan in Nederland op de markt zouden mogen worden gebracht, als aangetoond kon worden dat deze verpakkingen minder of dezelfde milieubelasting veroorzaken als meermalige verpakkingen.[587] Deze optie is echter onzeker geworden, in verband met bezwaren van de Commissie. Die waren gericht op de in het ontwerp-besluit voorgeschreven meermaligheid in het licht van het vrije verkeer van goederen (art. 18 Richtlijn/artt. 28 en 30 EG-verdrag). Bij het afsluiten van het Convenant Verpakkingen III is in zoverre rekening gehouden met de bezwaren van de Commissie[588] dat de partijen in een zogenaamde ‘side-letter’ hebben afgesproken om gedurende de looptijd van het convenant alternatieven voor het huidige systeem van hervulbare verpakkingen te ontwikkelen.[589]
Hoewel Nederland aanvankelijk nog het systeem verdedigde, is uiteindelijk gekozen voor een wijziging van het Nederlandse systeem. Dit is naar aanleiding van de aanhoudende druk van de Commissie, die medio 2004 een met redenen omkleed advies uitbracht, en gelet op opinies van de Advocaat-Generaal met betrekking tot twee procedures over meermaligheid en statiegeld, waarin deze in bepaalde gevallen in strijd met het vrije verkeer van goederen werden geoordeeld.[590] Aan de Commissie werd toegezegd dat per 1 januari 2006 het verplichte meermalige gebruik van de grote frisdrankflessen (PET-flessen) zou worden afgeschaft.[591] Omdat dit voor het milieu iets nadeliger is dan het oude systeem, werd besloten om dit nadeel te compenseren door het bedrijfsleven in 2006 te laten starten met het inzamelen van kleine flesjes.[592] De staatssecretaris gaf in september 2004 aan dat daarbij niet gelijk zou worden overgegaan op een statiegeldsysteem, ondanks dat bestaande studies daarvan de voordelen aangeven. Er zou dus eerst worden bekeken of ook zonder statiegeld voldoende flesjes en blikjes worden ingezameld.[593] In juni 2006 werd door de staatssecretaris aangegeven dat er geen statiegeld voor kleine flesjes en blikjes zou worden ingevoerd, met name vanwege de weerstand hiertegen bij het bedrijfsleven. Al eerder was besloten dat de nakoming van de afspraken rond de reductie van de hoeveelheden zwerfafval ook geen aanleiding gaven om tot het invoeren van statiegeldverplichtingen over te gaan. Hoewel volgens de meeste betrokkenen de sterke indruk bestond dat er niet voldoende werd bereikt, kon volgens de verantwoordelijke staatssecretaris uit de uitgevoerde onderzoeken niet worden bewezen dat de 80% reductie niet was gehaald.[594] Na druk van de Tweede Kamer werd er in het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton toch weer de mogelijkheid geopend om statiegeld verplicht te gaan stellen. Verder werd er een overeenkomst gesloten tussen het Ministerie van VROM, het bedrijfsleven en de VNG.
In het sinds 1 januari 2006 van toepassing zijnde Besluit beheer verpakkingen en papier en karton[595] (hierna: Verpakkingenbesluit) wordt de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van producenten (art. 2). De producent of importeur dient er zorg voor te dragen dat per kalenderjaar, van het totaal van de door hem in Nederland in het voorafgaande kalenderjaar aan een ander ter beschikking gestelde hoeveelheid verpakkingen en van de door hem ingevoerde verpakkingen waarvan hij zich in dat kalenderjaar heeft ontdaan,
- ten minste 75 gewichtsprocent nuttig wordt toegepast en
- 70 gewichtsprocent als materiaal wordt hergebruikt (art. 4 lid 1).
Verder glden de volgende verplichtingen (art. 4 lid 2):
a. van de kunststof verpakkingen wordt tenminste 45 gewichtsprocent nuttig toegepast en 38 gewichtsprocent als materiaal hergebruikt; [596]
b. van de overige materiaalsoorten, worden ten minste de volgende gewichtspercentages nuttig toegepast door deze als materiaal te hergebruiken:
1°. 90 gewichtsprocent van glazen verpakkingen,
2°. 75 gewichtsprocent van papieren en kartonnen verpakkingen,
3°. 85 gewichtsprocent van metalen verpakkingen,
4°. 25 gewichtsprocent van houten verpakkingen.
De producent of importeur draagt krachtens art. 2 zorg voor de gescheiden inname of de inname en nascheiding van door hem in Nederland aan een ander ter beschikking gestelde verpakkingen en papier en karton, en ingevoerde verpakkingen waarvan hij zich heeft ontdaan. De kosten daarvoor komen voor zijn rekening, m.u.v. de kosten van de gescheiden inname of de inname en nascheiding van als bedrijfsafval vrijkomende verpakkingen en papier en karton. Die komen voor rekening van degene die zich van de desbetreffende afvalstoffen ontdoet.
In art. 8 wordt bepaald dat een ieder die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een drank in een verpakking aan een ander ter beschikking stelt, op die verpakking statiegeld heft. Dit artikel zou in werking kunnen treden op een nader te bepalen tijdstip. Inmiddels is een vervangende tekst voor dit artikel in behandeling, waarop hierna onder ‘Ontwikkelingen’ nader wordt ingegaan.
Tot slot kan nog worden gewezen op de in art. 6 neergelegde mededelingsplicht voor producenten of importeurs over de wijze waarop uitvoering zal worden gegeven aan de op hen van toepassing zijnde verplichtingen, en de benodigde instemming van de zijde van de Minister van VROM. Aanvankelijk bestond deze meldplicht eens in de vijf jaar. Vanuit het oogpunt van efficiency en lastenvermindering is in 2007 gekozen voor de verlenging van de geldigheidstermijn van de mededelingsplicht tot onbepaalde duur.[597] Sinds 1 oktober 2010 is de meldingsplicht echter komen te vervallen (zie over de op die dag intredende veranderingen ook hierboven waar het om kunststof verpakkingen gaat en verder hieronder bij ‘Ontwikkelingen’).
In een Raamovereenkomst tussen VROM, bedrijfsleven en VNG over de aanpak van de dossiers verpakkingen en zwerfafval voor de jaren 2008 tot en met 2012[598] werd op 27 juli 2007 vastgelegd dat in 2009 als doelstelling 32% of meer van het kunststof verpakkingsafval als materiaal hergebruikt zou moeten worden, en 42% in 2012. Het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) zal worden aangepast zodat gemeenten naast papier/karton en glas ook kunststof gescheiden gaan inzamelen. In de loop van 2008 zou in heel Nederland integrale kunststof inzameling gerealiseerd moeten worden, aldus de overeenkomst.
De kosten voor de gescheiden inzameling worden gefinancierd via een afvalfonds, waaruit de vergoedingen aan de gemeenten worden uitgekeerd. Jaarlijks wordt vanuit de begroting van VROM 115 miljoen Euro gestort in het afvalfonds. Deze 115 miljoen wordt verkregen door een extra belastingheffing bovenop de afgesproken verpakkingsbelasting van 250 miljoen Euro. Tevens wordt uit het afvalfonds de bijdrage betaald van het bedrijfsleven van 11 miljoen Euro per jaar voor de uitvoering van het Impulsprogramma Zwerfafval.
Er werd nog vastgelegd dat de gemiddelde kosten die jaarlijks door het Afvalfonds gemaakt worden voor het behalen van de in de raamovereenkomst opgenomen afspraken hoger of lager kunnen uitvallen dan begroot. Het bedrijfsleven stelt zich garant voor eventuele meerkosten boven genoemd bedrag. Dat betekent dat indien de werkelijke kosten in enig jaar hoger uitvallen dan genoemd gemiddeld bedrag, rekening houdend met eventuele overschotten van voorafgaande jaren, het bedrijfsleven het aanvullende bedrag aan VROM zal uitbetalen nadat de overschrijding is vastgesteld. In dat geval zal het verpakkende bedrijfsleven samen met de Minister van VROM in overleg treden met de Minister van Financiën over een mogelijke aanpassing van de verpakkingenbelasting. Indien mocht blijken dat de kosten van het Afvalfonds gemiddeld structureel lager uitvallen dan begroot, zal het bedrijfsleven samen met de Minister van VROM eveneens in overleg treden met de Minister van Financiën over een aanpassing van de verpakkingenbelasting.
In het addendum van 29 september 2007 werden naast de in de Raamovereenkomst geregelde voorscheiding van kunststofverpakkingsafval afspraken vastgelegd inzake nascheiding van kunststofverpakkingsafval uit huishoudens. Aangezien de materiaalstroom een ander verloop kent bij nascheiding en de inzet van de betrokken dienstverleners verschilt, waren deze aanvullingen noodzakelijk. Hierdoor komen gemeenten vanaf 1 januari 2009 in aanmerking voor een vergoeding uit het Afvalfonds voor via nascheiding verkregen kunststof verpakkingsmateriaal mits er aan bepaalde eisen (m.n. certificering van nascheidingsinstallaties en kwaliteitseisen t.a.v. sorteerfracties) wordt voldaan.
Op 14 juli 2009 werd een ontwerp-besluit tot wijziging van het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton gepresenteerd.[599] Hierin werd o.a. voorgesteld om van de kunststofverpakkingen ten minste 45 gewichtsprocent nuttig toe te passen en ten minste 38 gewichtsprocent als materiaal te hergebruiken, en om van eenieder die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf een drank in een verpakking aan een ander ter beschikking stelt, te eisen dat deze op die verpakking statiegeld heft en de verpakking na gebruik met terugbetaling van het statiegeld inneemt. In een brief van 7 oktober 2009 werd door de Minister van VROM een aantal vragen inzake dit ontwerp beantwoord.[600] Daarin werd duidelijk gemaakt dat een voorgenomen tariefdifferentiatie tussen eenmalig en meermalig bruikbare verpakkingen niet gerechtvaardigd kan worden door dwingende eisen van milieubescherming. Het gebruik van meermalige verpakkingen kan leiden tot extra en langere transportbewegingen voor retournering van de lege drankverpakkingen. Bij langere afstanden wegen de milieuvoordelen van meermaligheid niet meer op tegen de nadelige gevolgen van het transport. Verder zal met name voor buitenlandse bedrijven de transportafstand een doorslaggevende factor zijn. Vanuit kostenoogpunt is het voor deze bedrijven gunstiger te kiezen voor eenmalige drankverpakkingen. In het genotificeerde besluit, waartegen door Frankrijk, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk een uitvoerig gemotiveerde mening (UGM) werd ingediend, was een hoger statiegeldtarief verbonden aan eenmalige verpakkingen. Met name buitenlandse bedrijven zouden door dit hogere tarief benadeeld kunnen worden. Een dergelijke tariefdifferentiatie werd daarom in het uiteindelijke Ontwerpbesluit niet meer opgenomen, om te voorkomen dat Nederland uiteindelijk zou worden veroordeeld door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen vanwege het veroorzaken van handelsbelemmeringen. Het uiteindelijke Besluit houdende wijziging van het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton in verband met de verbetering van de regels inzake verpakkingen werd op 24 juli 2010 gepubliceerd.[601] Het trad gedeeltelijk in werking op 1 oktober 2010.[602]
In 2008 werd gestart met de uitvoering van de Raamovereenkomst en de daarin afgesproken gescheiden inzameling van kunststof verpakkingsafval. Zoals al vermeld zou in heel Nederland integrale kunststof inzameling gerealiseerd moeten worden in de loop van 2008. Begin oktober 2009 waren er nog maar 216 van de (toen) in totaal 441 Nederlandse gemeenten gestart met de gescheiden inzameling van kunststofverpakkingsafval. Op 8 maart 2010 waren inmiddels 414 gemeenten (van de in totaal 431 gemeenten die er in 2010 waren,[603] dus ruim 95% van de gemeenten) aan de slag met inzameling van kunststof verpakkingsafval. Het afval wordt door burgers verzameld in zakken of bakken, of komt terug via nascheiding. In 363 gemeenten gebeurt de inzameling door bronscheiding. Volgens Nedvang zamelen de gemeenten gemiddeld per jaar 13,5 kg per huishouden in aan kunststof verpakkingsafval.[604]
Op 29 september 2008 werd via een addendum op de Raamovereenkomst afgesproken om 32% of meer van het kunststof verpakkingsafval als materiaal te hergebruiken in 2009 en 38% in 2010, om uiteindelijk op 42% in 2012 uit te komen. In 2007 werd voor kunststof verpakkingsafval een materiaalhergebruikspercentage van 26% gerealiseerd. In 2008 steeg dit percentage naar 27%. De verwachting was dat de stijgende trend doorzet als gevolg van de vergroting van het aantal gemeenten waar kunststofverpakkingsafval gescheiden wordt ingezameld.[605] In 2010 is duidelijk geworden dat het via het addendum bij de raamovereenkomst afgesproken percentage van 32% in 2009 inderdaad is gehaald (het feitelijke percentage was zelfs 38%). [606]
Het kabinet Rutte-Verhagen heeft ervoor gekozen om de Rijksbijdrage van € 115 miljoen aan het Afvalfonds te gaan stopzetten.
Reeds in 1991 zijn er afspraken vastgelegd in convenantsvorm tussen het Nederlandse bedrijfsleven en de overheid op het gebied van verpakkingen. Deze afspraken dienden mede ter implementatie van de inmiddels ingetrokken Richtlijn betreffende verpakkingen voor vloeibare levensmiddelen (85/339). De belangrijkste doelstellingen in het convenant betroffen het beëindigen van het storten van verpakkingsafval met ingang van het jaar 2000 en het brengen van de hoeveelheid nieuw op de markt te brengen verpakkingen in het jaar 2000 onder het niveau van 1986.[607] Daarnaast waren maatregelen opgenomen voor kwalitatieve preventie. Wat betreft materiaalhergebruik was voor het jaar 2000 een minimum afgesproken van 60%. Dit eerste Convenant Verpakkingen was redelijk vooruitstrevend in vergelijking met de Richtlijn verpakking en verpakkingsafval uit 1994.[608] De totstandkoming van de Richtlijn maakte het dan ook noodzakelijk om op bepaalde punten de in het eerste convenant afgesproken doelstellingen af te zwakken.
Hiermee hangt samen dat vanuit het oogpunt van milieubescherming het Convenant Verpakkingen II op een aantal punten een lichte achteruitgang vormde ten opzichte van het eerste convenant.[609] Dit gold met name voor wat betreft de reductiedoelstellingen die met economische groeicijfers gecompenseerd mochten worden, de keuze tussen wegwerpverpakkingen en meermalige verpakkingen en de verlaagde doelstellingen voor kunststofverpakkingen. De afspraken over monitoringsystemen vormden echter een duidelijke verbetering in vergelijking met het eerste convenant.
Uit de monitoringresultaten ten behoeve van het eerste Convenant Verpakkingen bleek dat de hoeveelheid verpakkingsafval zich in 1995 stabiliseerde op het niveau van 1993 en 1994 en dat de inspanningsverplichting om in dat jaar 50% van het verpakkingsmateriaal te hergebruiken werd gerealiseerd. Per verpakkingsmateriaal werd het meeste hergebruik gerealiseerd bij glas en papier/karton, voor metalen en kunststof moesten nog de nodige inspanningen worden verricht.
Uit het jaarverslag over 1998 van de Commissie Verpakkingen bleek echter dat de situatie op een aantal punten was veranderd.[610] Deze commissie was belast met de toetsing van de naleving van het Convenant Verpakkingen II, een taak die ze ook voor het derde convenant vervult. In 1998 begon zij met een nieuwe meetsystematiek te werken, hetgeen ertoe leidde dat de cijfers in een aantal gevallen nogal ongunstig afweken van die in de jaren ervoor. Het kwam de commissie voor dat de inschatting van het hergebruik van met name verpakkingen van papier en karton bij de ‘nieuwe’ meting geen goed beeld gaf. Dit leidde er mede toe dat het totale hergebruikspercentage lager kwam te liggen dan bij meting volgens de ‘oude’ methode.
Uit het jaarverslag van 2001 blijkt dat de doelstelling om in 2001 niet meer dan 940 kiloton verpakkingsafval te verbranden en te storten gehaald is. De hoeveelheid verbrand en gestort verpakkingsafval betrof 924 kiloton. Dit vormde een toename t.o.v. 2000, maar was wel weer gelijk aan het niveau van 1999.[611] Aan de preventieverplichting van 10% heeft het bedrijfsleven ruimschoots voldaan (het percentage in 2001 lag op 27%). Aan de materiaalhergebruiksverplichting (65%) is echter niet voldaan, aangezien er in 2001 maar 61% werd hergebruikt.[612] Dit komt met name doordat er minder papier en karton is hergebruikt dan vereist. Zoals echter hiervoor beschreven heeft het gebruik van nieuwe meetmethoden ertoe geleidt dat de hergebruikspercentages voor papier en karton lager zijn komen te liggen. Daarnaast geeft de commissie aan dat het werkelijke hergebruikspercentage wellicht hoger kan zijn, omdat:
een onbekend deel van het gescheiden ingezamelde papier/karton uit huishoudens buiten de monitoring om wordt hergebruikt;
er sprake is van onwaarschijnlijk sterke fluctuaties in het aandeel verpakkingen in het gescheiden ingezamelde oud papier/karton uit huishoudens in de afgelopen jaren;
bij kunststofverpakkingen het vastgestelde hergebruik een ondergrens is, waarbij ook niet bekend is welk deel niet door de meting gedekt wordt.
Tabel ??? geeft de verplichtingen voor 2001 van het Convenant Verpakkingen II en de behaalde resultaten aan.
Verpakkingsmateriaal | Hergebruiksverplichting in 2001 (%) van het Convenant | Behaalde hergebruikspercentage in 2001 (%) |
Papier/karton | 85 | 61 |
Glas | 90 | 78 |
Metaal | 80 | 78 |
Kunststof | 27 | 24 |
Totaal | 65 | 61 |
Hout 1) | 15 | 27 |
(1) Hout wordt niet meegenomen in de berekening van het totaal en staat daarom apart vermeld.
Uit het cijfermateriaal in de tabel kan worden geconcludeerd, dat Nederland wat betreft het totale hergebruikspercentage behoorlijk uitkomt boven de maximumdoelstelling van 45% van de Richtlijn. Voor ieder afzonderlijk verpakkingsmateriaal wordt de minimale hergebruiksdoelstelling van 15% ruim gehaald. Het overschrijden van deze doelstellingen is door de Commissie goedgekeurd in Beschikking 99/823.
Zoals hierboven al aangegeven verliep de overgang naar het nieuwe monitoringsysteem niet vlekkeloos. Voor het Convenant Verpakkingen III werden de monitoringbepalingen aangescherpt.[613]
Het jaarverslag over 2003 van de Commissie Verpakkingen bood de Commissie een eerste mogelijkheid om de voortgang van het Convenant Verpakking III te beoordelen.[614] Met betrekking tot de doelstelling van het integratieconvenant voor verwijderen wordt geconstateerd dat in 2003 898 kiloton verpakkingsafval is verwijderd, een afname van 50 kiloton ten opzichte van 2002. Deze afname moet wederom in 2004 plaatsvinden om de doelstelling van 850 kiloton te halen. Verwacht wordt dat dit haalbaar is indien er meer gescheiden inzameling en nascheiding plaatsvindt. De doelstelling dat de totale hoeveelheid verpakkingen in 2005 niet meer stijgt dan 2/3 van de procentuele stijging van het Bruto Binnenlands Product (BBP) is in 2003 ook nog niet gehaald. De commissie geeft dan ook aan dat hiervoor extra inspanningen nodig zijn. In 2003 was de stijging van het BBP 8,4%, maar de toename meer dan 2/3 hiervan, namelijk 6,1% in plaats van 5,6%. Voor de voortgang op het gebied van nuttige toepassing wordt verwezen naar ???. Hieruit kan gezien worden dat, hoewel de situatie verbetert, er nog flinke progressie nodig zal zijn om de doelstelling van 73% te halen. Van deze 73% dient 70% te geschieden door middel van materiaalhergebruik. Dit was in 2003 nog 63%. Tabel ??? geeft eveneens een overzicht van de voortgang bij het behalen van de hergebruiksdoelstellingen van de deelconvenanten.
Verpakkingsmateriaal | Hergebruikt (%) 2003 1) | Hergebruikt (%) 2002 | Verplichting CV III voor 2005 |
Papier/karton | 69 | 69 | 75 |
Glas | 81 | 79 | 90 |
Metaal | 82 | 80 | 80 |
Kunststoffen | 21 | 16 | 27+3 2) |
Kunststoffen 3) | 18 | 18 | 10+5 2) |
Totaal 4) | 67 | 65 | 73 |
Hout 5) | 58 | 30 | 25 |
Het gaat hier om materiaalhergebruik en niet om producthergebruik.
Het eerste cijfer betreft de resultaatsverplichting, het tweede cijfer de inspanningsverplichting.
Kunststofverpakkingafval dat als vervangende brandstof (‘subcoal’) in cementovens en elektriciteitcentrales nuttig is toegepast.
Inclusief de toepassing van kunststofverpakkingsafval als vervangende brandstof (‘subcoal’).
Houten verpakkingen vallen buiten de totaalberekeningen.
Met betrekking tot de doelstelling voor zwerfafval (vermindering van 80% van blikjes en flesjes) gaf de commissie aan dat er nog geen uitspraken gedaan konden worden, omdat er nog onvoldoende gegevens waren, in verband met onbetrouwbare meetmethodes. De commissie beval aan deze aan te passen.
De Inspectie Milieuhygiëne van het ministerie van VROM is in 1998 begonnen met handhaving van de Regeling verpakking en verpakkingsafval.[615] Uit een eerste evaluatie is gebleken dat een aantal kleinere bedrijven niet de vereiste mededeling in het kader van de regeling heeft gedaan en niet bij het convenant is aangesloten. In de eerste helft van 2002 heeft een nieuwe groep handhavers, in verband met de reorganisatie van de VROM Inspecties, de handhaving overgenomen.[616] In 2003 zijn bij 142 bedrijven controles uitgevoerd op onder meer naleving van de mededelingsplicht. Dit leidde tot het sturen van enkele handhavingsbrieven, waarna de meeste bedrijven zich aansloten bij het convenant.[617]
In 2005 stelde de Commissie Verpakkingen het jaarverslag inzake 2004 op, gevolgd door het in 2006 vastgestelde laatste jaarverslag over 2005.[618] Met de vaststelling van laatstgenoemd verslag over het laatste jaar waarin het Convenant Verpakkingen III het kader van het verpakkingenbeleid vormde, kwam er een eind aan de werkzaamheden van de Commissie. Bedrijven die vallen onder het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton, dat vanaf 1 januari 2006 het wettelijk kader vormt van het verpakkingsbeleid, zijn volgens dit besluit verplicht aan VROM verslag te doen over de uitvoering van de diverse verplichtingen van het besluit.
Het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton (hierna: het Besluit) werd op 1 januari 2006 van kracht. Slechts 10% van de producenten gaf aanvankelijk uitvoering aan de hierin neergelegde mededelingsplicht. Als gevolg van een brede handhavingactie tussen april en juli 2007 kon per 1 augustus 2007 het naleefgedrag worden verhoogd naar 75% van de totale doelgroep van 400 000 bedrijven.[619]
De stichting Nedvang (Nederland van Afval naar Grondstof) werd opgericht door producenten en importeurs om uitvoering te geven aan het Besluit. Een van de taken die Nedvang waarneemt is het jaarlijks rapporteren over de in Nederland op de markt gebrachte verpakkingen en wat daarmee vervolgens gebeurt. De eerste rapportages van Nedvang besloegen de situatie in 2006, 2007 en 2008.
Bij de rapportage door Nedvang over 2009 werd gebruik gemaakt van een in 2008 geïntroduceerde nieuwe methodiek waarbij Nedvang samenwerkt met de Belastingdienst. Bij de laatstgenoemde instantie moet het verpakkende bedrijfsleven sinds de invoering van de verpakkingenbelasting aangifte doen van de op de markt gebrachte verpakkingen.[620] Omdat er echter bepaalde verpakkingen zijn vrijgesteld, waaronder de verpakkingen van ‘onderdrempelige’ bedrijven die minder dan 15.000 kg verpakkingen per jaar op de markt brengen (sinds 2010 verhoogd naar 50.000 kg per jaar), wordt er daarnaast gewerkt met extrapolaties op basis van eerdere rapporten.[621] Uit de rapportage blijkt allereerst hoeveel verpakkingen op de Nederlandse markt werden gebracht.
Materiaal | Totaal op de markt gebracht (kton) |
Glas | 500 |
Papier/karton | 1.026,5 |
Kunststof | 427,5 |
Metaal | 172 |
Hout | 393,5 |
Overige materialen | 9 |
Totaal | 2.528,5 |
Verder blijkt dat de meeste doelstellingen van de Raamovereenkomst verpakkingen en het Besluit verpakkingen gehaald. Alleen voor glas werd een iets lager percentage materiaalhergebruik bereikt in 2008 dan de Nederlandse doelstelling was (87% ipv 90%). In 2009 werd de Nederlandse doelstelling inzake glas wel bereikt.
Tabel 5.7.4 Gerapporteerde hoeveelheden verpakkingen en materiaalhergebruikspercentages[a] | |||||
|---|---|---|---|---|---|
|
| 2008 | 2009 | ||
Materiaal | Doelstelling materiaal hergebruik % | % materiaal hergebruik | Gewicht op de markt gebracht (in kton) | Gewicht materiaal hergebruik (in kton) | % materiaal hergebruik |
Glas | 90 | 87 | 500 | 459 | 92 |
Papier | 75 | 96 | 1027 | 973 | 95 |
Kunststof | 32 | 36 | 428 | 164 | 38 |
Metaal | 85 | 86 | 172 | 149 | 87 |
Hout | 25 | 36 | 394 | 148 | 38 |
Overige |
|
| 9 |
|
|
Totaal materiaal hergebruik | 65 | 72 | 2 529 | 1 894 | 75 |
[a] TK 2010-2011, 28 694, nr. 87, p. 3. | |||||
In alle gevallen werd ruimschoots aan de Europese minimum-eisen voldaan.
De VROM-Inspectie voert een aantal quickscans uit ten aanzien van bepaalde materialen, met name om een indicatie te krijgen van de mate waarin het door het bedrijfsleven gerapporteerde hergebruikspercentage een reëel beeld geeft. Het onderzoek inzake kunststof dat tussen juni en oktober 2010 werd uitgevoerd liet zien dat de helft van het door huishoudens ingezamelde kunststof verpakkingsmateriaal wordt hergebruikt, en de andere helft vooral nuttig wordt toegepast als brandstof voor energieopwekking.[622] Over het algemeen lijken de rapportages redelijk accuraat, maar op een aantal punten zijn verbeteringen nodig om een beter beeld te kunnen krijgen van de betrouwbaarheid van opgegeven cijfers. [623]
De discussies over kunststof flessen duren voort. De oorspronkelijk in art. 4 lid 2 sub b Verpakkingenbesluit neergelegde verplichting om vanaf 1 januari 2006 ten minste 55% van de kunststofflesjes tot en met een halve liter in te zamelen werd in 2010 nog steeds niet gerealiseerd. Deze verplichting voor het inzamelen van deze specifieke deelstroom van het plastic verpakkingsafval is overigens per 1 oktober 2010 komen te vervallen.[624] In plaats daarvan geldt sinds dat moment alleen de algemene doelstelling die voor 2010 een doelstellingspercentage van 38% materiaalhergebruik van kunststof voorschrijft, en oploopt naar 42% in 2012.
Daarmee samenhangend blijft de ergernis over de hoeveelheid zwerfafval in Nederland bestaan. Dit leidde er o.a. toe dat op 14 december 2010 de motie Samsom en Haverkamp werd aangenomen waarin werd geconstateerd dat de aanpak van het zwerfafval nog lang niet het gewenste effect heeft bereikt en dat er dus extra inspanningen op het terrein van preventie en handhaving nodig zijn. De regering werd daarom opgeroepen voorstellen te doen voor een effectievere benutting van de middelen voor de aanpak van zwerfafval, meer verantwoordelijkheid voor verkooppunten en hogere maximumboetes.[625]
De Tweede Kamer kreeg overigens later in december 2010 de Evaluatie Impulsprogramma Zwerfafval 2007-2009 toegezonden,[626] waaruit bleek dat Nederland in 2009 minder zwerfafval kende dan in 2008, maar dat deze effecten niet van blijvende aard zullen zijn zonder verdere ondersteuning en beleidsprikkels.
Voor de zomer van 2011 zal er duidelijkheid worden verschaft over het Nederlandse verpakkingenbeleid, inclusief het nauw daarmee samenhangende beleid inzake zwerfafval, voor na 2012. Begin 2011 is overleg gaande tussen de bij de Raamovereenkomst Verpakkingen betrokken partijen, omdat de daarin neergelegde afspraken tot en met 2012 lopen en voor alle betrokkenen duidelijkheid noodzakelijk is over het vervolg. In dat overleg wordt meegenomen dat in het Regeerakkoord van het kabinet Rutte is aangekondigd dat de bijdrage van € 115 miljoen via de begroting van het Ministerie van I&M aan het Afvalfonds na 2012 zal wegvallen.[627]
De gemiddelde hoeveelheid verpakkingsafval per persoon in Nederland is overigens tussen 1997 en 2007 gestegen van 176 naar 212 kilo, zo blijkt uit de hierna nader te bespreken Eurostat cijfers. Daaruit komt ook naar voren dat we flink boven het EU gemiddelde liggen, dat voor de EU27 op 164 kilo ligt en voor de EU15 op 186 kilo. Nederlanders produceerden na de Ieren (245 kilo) en Luxemburgers (214 kilo) het meeste verpakkingsafval per persoon in 2007.
De essentiële eisen die in Bijlage II geformuleerd zijn werden middels CEN standaarden nader geconcretiseerd.[628] De industrie is er door in staat vast te stellen of hun verpakkingen voldoen aan de essentiële eisen. De organisatie EUROPEN bracht in 2006 een korte brochure uit in het Nederlands over de CEN normen,[629] en een uitgebreidere Engelstalige gids.[630] Een uitgebreid rapport[631] dat in opdracht van de Commissie werd opgesteld in 2009 laat zien dat er grote verschillen bestaan tussen de lidstaten en de industrie. De industrie is over het algemeen een voorstander van de eisen, die niet dwingend voorschrijven welke stappen ondernomen moeten worden. Volgens de organisatie EUROPEN zou 65% van de industrie de CEN standaarden volgen en 12% andere, eigen standaarden hanteren. De lidstaten zijn weinig bezig met het handhaven van de eisen, en laten dit veelal aan de industrie over. Als redenen daarvoor wordt gewezen op prioriteitsstellingen, gebrek aan middelen, en gebrek aan inzicht in de manier waarop het voldoen aan essentiële eisen getoetst kan worden. Minder dan een handvol lidstaten (waar Nederland niet toe behoort) heeft implementatie en handhavingsmaatregelen ten aanzien van de essentiële eisen aangenomen.
Uit de statistieken die door Eurostat worden gepubliceerd blijkt dat de hoeveelheid verpakkingsafval die de lidstaten gemiddeld per inwoner produceren nog steeds gestaag stijgt. Dat geldt ook voor Nederland. Daarmee wordt niet voldaan aan de doelstelling van de Richtlijn verpakkingen om de hoeveelheid verpakkingsafval te verminderen. Op een korte periode na waarin het BNP harder groeide dan de hoeveelheden verpakkingsafval is de EU er niet in geslaagd om een ontkoppeling tussen de groei van het BNP en verpakkingsafval te bewerkstelligen.Wel worden de voorgeschreven hergebruikspercentages voor 2008 (van 55%) in 2007 gemiddeld al ruim gehaald (59%).
De Commissie en de lidstaten dienen iedere drie jaar verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van de Richtlijn. Het eerste verslag had betrekking op de periode van 1995 tot 1997.[633] De Commissie bracht in november 1999 een tussentijds verslag uit over de voortgang met betrekking tot de Richtlijn. Hierin werd geoordeeld dat alle lidstaten die het op zich hadden genomen om de hergebruiksdoelstelling van 25% te behalen, dit ook hadden behaald. Oostenrijk, België en Nederland, evenals Zweden en Duitsland behaalden zelfs een percentage van meer dan 45%. De minimumdoelstelling van 15% voor ieder afzonderlijk verpakkingsmateriaal werd grotendeels gehaald, met uitzondering van plastic.
In mei 2003 bracht de Commissie een tweede verslag uit, voor de periode 1998-2000.[634] Hierin wordt aangegeven dat de Richtlijn het terugwinnen en hergebruiken van verpakkingsafval heeft bevorderd. Op Griekenland, Ierland en Spanje na behaalden alle landen een percentage voor hergebruik van meer dan 25%. Tevens werd door alle landen, behalve Spanje, Italië en het Verenigd Koninkrijk meer dan de helft van het afval teruggewonnen. Hoewel de totale hoeveelheid verpakkingsafval in de meeste lidstaten wel is toegenomen is er wel sprake geweest van een ontkoppeling van de afvalproductie en de economische groei. Het Verenigd Koninkrijk (9 miljoen ton), Duitsland (15 miljoen ton), Frankrijk (12 miljoen ton), Italië (11 miljoen ton) en Spanje (6 miljoen ton) waren in 1999 verantwoordelijk voor het grootste deel hiervan. De Commissie schat dat de verhoogde mate van terugwinning en hergebruik goed was voor zo’n €200 miljoen in totaal vermeden externe kosten. Daarbij is echter niet vastgesteld dat dit alleen te danken is aan de Richtlijn. Het verslag verwijst tevens naar een kosten-batenanalyse met betrekking tot mogelijke taakstellingen. Volgens de Commissie ondersteunt deze de haalbaarheid en het nut van een aanzienlijke toename van het aantal taakstellingen voor recycling en terugwinning in de voorgestelde herziening van de Richtlijn.
Eind 2006 kwam de Commissie met een Verslag betreffende de implementatie van Richtlijn 94/62/EG en de invloed van de Richtlijn op het milieu en op het functioneren van de interne markt.[635] De belangrijkste conclusies waren de volgende:
De ex-post beoordeling van de effecten van de Verpakkingsrichtlijn op het milieu laat een toename zien van 9 % in de periode van 1997 tot 2002 m.b.t. terugwinning en verbranding van verpakkingen in afvalverbrandingsinstallaties met energieterugwinning en een toename van 8 % voor de recycling van verpakkingen. Tegelijkertijd werden alle in de richtlijn vastgestelde doelstellingen behaald in 2002. De recycling van verpakkingen had positieve milieueffecten, waaronder de reductie van de broeikasgasemissie en besparing op natuurlijke bronnen.
De Commissie was van mening dat de doelstellingen voor recycling en terugwinning van de Verpakkingsrichtlijn optimaal zijn en ongewijzigd moeten blijven om alle lidstaten de mogelijkheid te bieden hun achterstand met betrekking tot deze doelstellingen weg te werken. Een wezenlijke vooruitgang op het gebied van preventie kan alleen worden bereikt door toepassing van maatregelen die zijn toegesneden op de specifieke omstandigheden waaronder verpakte goederen op de markt worden gebracht.
Op langere termijn moet de recycling van verpakkingsafval worden gezien binnen het algemene raamwerk van het EU-beleid op het gebied van afvalrecycling zoals dit is gedefinieerd in de thematische strategie voor preventie en recycling van afvalstoffen. De Commissie heeft het voornemen om een beoordeling van de vooruitgang die is geboekt door de lidstaten op het gebied van preventie, recycling en terugwinning van afval, op te nemen in de evaluatie van de thematische strategie inzake preventie en recycling van afval in 2010.
Er waren aanwijzingen (met name in de drankensector) dat de richtlijn haar doelstelling van de interne markt nog niet volledig had bereikt. Dit is gedeeltelijk te wijten aan een onjuiste implementatie van de bepalingen van de Verpakkingsrichtlijn, maar tevens aan het groeiende aantal unilaterale maatregelen dat leidt tot een verdeelde markt. Nader onderzoek van de Commissie zou hier meer zicht op moeten brengen, en waar nodig zouden verduidelijkingen moeten worden gecommuniceerd.
Als niet-regelgevende stap in de richting van nadere verduidelijkingen deed de Commissie in mei 2009 een Mededeling inzake drankverpakkingen, statiegeldsystemen en het vrije verkeer van goederen uitgaan.[636] In die Mededeling behandelt de Commissie onder meer quota-systemen, de eisen die in acht moeten worden genomen bij het verplicht stellen van statiegeld- en retoursystemen voor al dan niet hervulbare drankverpakkingen, het verbod op het verbieden van verpakkingen die aan de essentiële eisen van de Richtlijn voldoen, en systemen op basis van belastingen en kennisgevingsverplichtingen. De Commissie hoopt dat via deze Mededeling verdere problemen voor de interne markt te voorkomen worden, en dat het aantal juridische discussies met lidstaten zal verminderen.
Eveneens in 2009 werd een verslag van de Commissie gepresenteerd inzake de implementatie van de Communautaire wetgeving inzake afval, waaronder de Richtlijn verpakkingen. [637] Het korte deel inzake deze richtlijn omvat slechts een pagina, waarop met name gemeld wordt dat de praktische tenuitvoerlegging en handhaving van de essentiële eisen door een aantal stakeholders ter discussie zijn gesteld, wat tot een nauwkeuriger onderzoek van de situatie door de Commissie leidde.[638] Verder werd verwezen naar de hierboven behandelde Mededeling.
Italië nam eind 2010 een verbod aan op het verstrekken van draagtassen aan consumenten die gemaakt zijn van niet afbreekbaar plastic. Het verbod omvat zowel tassen die gratis ter beschikking worden gesteld als tassen waarvoor betaald moet worden. Een producentenorganisatie tekende hier meteen protest tegen aan, waarbij o.a. werd gewezen op de vermeende strijdigheid met de vrij verkeersclausule neergelegd in art. 18 Richtlijn verpakkingen en op het niet kennisgeven van deze nieuwe norm.[639] In de Milieuraad van 14 maart 2011 werd een door Oostenrijk ingebrachte notitie over maatregelen inzake het gebruik van plastic draagtassen besproken.[640] Volgens deze notitie worden er in de EU ieder jaar zo’n 800.000 ton plastic tassen in omloop gebracht, die als ze aan de Richtlijn verpakkingen voldoen niet verboden kunnen worden. Wel kan het gebruik ontmoedigd worden door middel van belastingen of heffingen, en via labelling, bv. van tassen gemaakt van afbreekbaar plastic. Oostenrijk verzoekt de Commissie om deze maatregelen en eventuele aanvullende maatregelen te onderzoeken (zonder daarbij Italië met name te noemen). Daarbij wordt o.a. gedacht aan een verbod op het gratis verstrekken van plastic tassen en het verplicht stellen van labelling van tassen gemaakt van afbreekbaar plastic. Milieucommissaris Potočnik gaf aan een dergelijk verbod niet uit te sluiten, maar wil eerst een brede discussie over de verschillende opties.[641]
Arcadis (2006), Survey on Compliance with the Essential Requirements in the Member States, Brussel.
Commissie Verpakkingen (1999). Jaarverslag 1998. Commissie Verpakkingen, Utrecht.
Commissie Verpakkingen (2002). Jaarverslag 2001. Commissie Verpakkingen, Utrecht.
Commissie Verpakkingen (2004). Jaarverslag 2003. Commissie Verpakkingen, Utrecht.
Commissie Verpakkingen (2005). Jaarverslag 2004. Commissie Verpakkingen, Utrecht.
Commissie Verpakkingen (2006). Jaarverslag 2005. Commissie Verpakkingen, Utrecht.
Douma, W.Th. (1995). De EG-Richtlijn Verpakking en verpakkingsafval. Het Nederlandse Convenant Verpakkingen toe aan recycling? Milieu en Recht, juni 1995, nr. 6, pp. 108-112.
Douma, W.Th. (1998). Het Nederlands verpakkingenbeleid gerecycled. Milieu & Recht, september 1998, nr. 9, pp. 208-214.
Dresden, M.J. en R.Uylenburg (red.) (2003). Afvalstoffen: Actuele thema’s rond afval en stoffen. Kluwer. Alphen aan den Rijn.
EUROPEN (2005), Essential Requirements for Packaging in Europe: A Practical Guide to Using the CEN Standards, Brussel.
EUROPEN (2006), Voor een beter begrip van de CEN-normen inzake verpakking en milieu, Brussel.
Kromarek, P. (1990). Environmental protection and free movement of goods: the Danish Bottles Case: Commission of the European Communities (supported by the United Kingdom) v Kingdom of Denmark. Journal of Environmental Law 2 (1), pp. 124-134.
Nedvang (2008), Monitoring verpakkingen, Resultaten 2007, versie 30 augustus 2008.
Nedvang (2009), Monitoring verpakkingen, Resultaten 2008, versie 30 september 2009.
Nedvang (2010), Monitoring verpakkingen, Resultaten 2009, versie 28 oktober 2010.
VROM Inspectie (2010), Kunststof verpakkingsafval uit huishoudens in beeld – inzameling, sorteringen en toepassing van plastic, Den Haag.
VROM, Ministerie van (2004). Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012. Gewijzigde versie van april 2004. Den Haag.
VROM, Ministerie van (2010), Landelijk afvalbeheerplan 2009-2021. Gewijzigde versie van maart 2010. Den Haag
[565] Richtlijn 2006/12/EG wordt m.i.v. 11 december 2010 opgeheven door de nieuwe Kaderrichtlijn afval 2008/98/EG.
[566] 2001/524/EG, PbEG L190 12.7.2001.
[567] PbEG C44 19.2.2005.
[568] PbEG L62 2.3.2001.
[569] EHvJ C-302/86.
[570] Voor een bespreking van deze zaak, zie Kromarek (1990).
[571] ENDS Environment Daily, 14 januari 2002.
[572] Douma (1995), p. 110.
[573] Stcrt. 1997, 125 (zoals gewijzigd).
[574] Met uitzondering van enkele artikelen, die pas later in werking zijn getreden (art. 15).
[575] Toelichting bij het wijzigingsbesluit van de Regeling verpakking en verpakkingsafval (Stcrt. 1999, 116).
[576] Stcrt. 2000, 57.
[577] Stcrt. 2001, 37.
[578] Stcrt. 2002, 72.
[579] Stcrt. 2002, 85.
[580] Stcrt. 2002, 233.
[581] TK 2004-2005, 21 109, nr. 143.
[582] Stcrt. 1997, 247.
[583] Stcrt. 2002, 241.
[584] Deze doelstelling geldt voor materiaalhergebruik. Hiervan is 27% een resultaatsverplichting en 3% een inspanningsverplichting.
[585] Deze doelstelling geldt voor nuttige toepassing op andere wijze dan materiaalhergebruik. Hiervan is 10% een resultaatsverplichting en 5% een inspanningsverplichting.
[586] VROM (2004), p. 131.
[587] Dresden & Uylenburg (2003), p. 5.
[588] De bezwaren van de Commissie vormden niet de enige reden, aangezien autonome ontwikkelingen er ook al op wezen dat een systeem van meermaligheid op termijn niet houdbaar is. Zie Commissie Verpakkingen (2004), p. 63.
[589] Deze ‘side-letter’ ontving forse kritiek in zowel media als het Parlement, omdat deze niet naar de Tweede Kamer was gestuurd en de tekst volgens sommigen een ‘ontsnappingsclausule’ bevat voor het bedrijfsleven om onder de gevolgen van het niet behalen van de convenantsdoelstellingen uit te komen (TK 2003-2004, 28 694, nr. 7).
[590] TK 2003-2004, 28 694, nr. 6.
[591] Ondanks deze toezegging besloot de Commissie de inbreukprocedure door te laten gaan, aangezien de toezegging pas begin 2006 zou ingaan en daarmee de inbreuk nog niet was opgeheven. Persbericht Europese Commissie, IP/05/33, Brussel, 13 januari 2005.
[592] TK 2003-2004, 28 694, nr. 8.
[593] TK 2003-2004, 28 694, nr. 9.
[594] Brief staatssecretaris Van Geel d.d. 15 december 2005. TK 2005-2006, 28694, nr. 21, p. 4.
[595] Stb. 2005, 183.
[596] Tot 1 oktober 2010 golden er meer speficieke eisen inzake kunststof verpakkingen, die met zich meebrachten dat van de kunststof drankenverpakkingen met een inhoud van meer dan 5 deciliterten minste 95% gescheiden werd ingenomen en als materiaal hergebruikt;van de kunststof drankenverpakkingen van 5 deciliter of minder, ten minste 55% gescheiden werd ingenomen en als materiaal hergebruikt en van de overige kunststofverpakkingen ten minste 45% nuttig werd toegepast en ten minste 27 gewichtsprocent als materiaal werd hergebruikt.
[597] Stcrt. 2007, 521.
[598] TK 2006-2007, 28 694, nr. 42 en addendum TK 2006-2007, 28 694, nr. 72.
[599] Stcrt. 2009 nr. 10474.
[600] TK 2009–2010, 28 694, nr. 81.
[601] Stb. 2010, 324.
[602] Stb. 2010, 697.
[603] http://www.vng.nl/Documenten/Extranet/Vereniging/VNG_pres_26_jan_2011_aantal_gem_2000-2011.pdf
[604] TK 2009-2010, 28694, nr. 85, p. 2.
[605] TK 2009-2010, 28694, nr. 85.
[606] Brief Staatssecretaris IenM aan de Tweede Kamer dd. 23 december 2010 en Nedvang, Monitoring verpakkingen. Resultaten 2009, versie 28 oktober 2010.
[607] Toelichting bij de Regeling verpakking en verpakkingsafval (Stcrt. 1997, 125).
[608] Douma (1998), p. 208.
[609] Douma (1998), p. 214.
[610] Commissie Verpakkingen (1999).
[611] Commissie Verpakkingen (2002), p. 31.
[612] Commissie Verpakkingen (2002), p. 7.
[613] Commissie Verpakkingen (2003), p. 46.
[614] Commissie Verpakkingen (2004).
[615] Commissie Verpakkingen (1999).
[616] Commissie Verpakkingen (2003), p. 47.
[617] Commissie Verpakkingen (2004), p. 61.
[618] Aangeboden aan de Tweede Kamer op 18 oktober 2006, zie TK 2006-2007, 28 694, nr. 36.
[619] TK 2007-2008, 28 694, nr. 43 en het daarbij aangeboden rapport “Handhaving van producentenverantwoordelijkheid voor verpakkingsmaterialen”.
[620] Sinds 2008 betaalt de consument bij aankoop van een product in Nederlands verpakkingenbelasting. De hoogte van deze verpakkingsbelasting is afhankelijk van het verpakkingsmateriaal (hoe meer belastend voor het milieu, hoe duurder) en het gewicht van de verpakking.
[621] Nedvang (2010), p. 8.
[622] VROM Inspectie (2010).
[623] Quick scan recycling papier en karton, 22 januari 2010, p. 21.
[624] Besluit van 14 juli 2010 houdende wijziging van het Besluit beheer verpakkingen en papier en karton in verband met de verbetering van de regels inzake verpakkingen, Staatsblad 2010, 324 jo. het inwerkingtredingsbesluit Staatsblad 2010, 697,
[625] Motie nr. 59 (32 500-XII), Handelingen TK 2010-2011, nr 34-43.
[626] TK 2010-2011, 28 694, nr. 87.
[627] TK 2010-2011, 30 872, nr. 67.
[628] PbEG C44 19.2.2005.
[629] EUROPEN, Voor een beter begrip van de CEN-Normen inzake verpakking en milieu: enkele vragen en antwoorden, Brussel, 2006.
[630] EUROPEN, Essential Requirements for Packaging in Europe: A Practical Guide to Using the CEN Standards, Brussels, 2005.
[631] Arcadis Survey on Compliance with the Essential Requirements in the Member States, beschikbaar op http://ec.europa.eu/environment/waste/packaging/pdf/report_essential_requirements.pdf .
[632] Bron: Eurostat.
[633] COM(1999)752.
[634] COM(2003)250.
[635] COM(2006)767
[636] PbEU C107 9.5.2009.
[637] COM(2009)633.
[638] Zie voor de resultaten van de Survey on Compliance with the Essential Requirements in the Member States hierboven (§ ???).
[639] PlasticsEurope, Views on the Italian ban on non-biodegradable bags applicable as from 1 January 2011.
[641] Trouw 14 maart 2011.
