7.1 Overzicht van EU-beleid
Meer dan bij andere onderdelen van het EU-milieubeleid wordt op het gebied van gevaarlijke stoffen het nationale beleid van alle lidstaten gedomineerd door het EU-beleid. Daarvoor zijn twee redenen:
• regels voor chemische stoffen kunnen het vrije verkeer van goederen beïnvloeden. Het handhaven van een gemeenschappelijke (of interne) markt is sinds haar oprichting het fundamentele doel van de EU geweest;
• het EU-beleid is ontwikkeld voordat de lidstaten een eigen samenhangend beleid tot stand hadden gebracht. In veel opzichten is het origineel en niet gebaseerd op al bestaande nationale systemen.
Europees Chemicaliën Bureau
Veel gedetailleerde informatie over het EU-beleid met betrekking tot chemische stoffen is te vinden op de website van het Europees Chemicaliën Bureau (ECB) (http://ecb.jrc.it). Dit bureau is opgericht in 1993 bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek in Ispra, Italië, om wetenschappelijk en technisch werk te doendat voortvloeit uit EU-wetgeving.[756] Het ECB heeft ondermeer als taak het beheren van de International Uniform Chemicals Information Database (IUCLID).
De eerste EU-wetgeving op het gebied van chemische stoffen is uitgevaardigd in 1967, ruim voordat het eerste Milieu-actieprogramma tot stand kwam. Deze Richtlijn (67/548; zie § 7.3) was bedoeld om handelsbarrières te voorkomen die opgeworpen werden door verschillende nationale normen voor de indeling, verpakking en kenmerking van gevaarlijke stoffen. In 1979 werd bij de ‘zesde wijziging’ van deze Richtlijn een systeem van voorafgaande kennisgeving voor nieuwe stoffen ingevoerd. De producent van een nieuwe stof moet aan een bevoegde autoriteit de resultaten overleggen van tests om de mogelijke schadelijke effecten van de stof te beoordelen. Deze resultaten worden vervolgens aan de Commissie en aan de andere lidstaten voorgelegd. Als er binnen een bepaalde periode geen bezwaar wordt gemaakt, is de producent verzekerd van toegang tot de gehele EU-markt. De Richtlijn is dus een voorbeeld van de ‘voorzorg’-benadering binnen het milieubeleid, terwijl ze tegelijkertijd de doelstellingen van de interne markt dient. Geen enkele lidstaat had destijds een vergelijkbaar systeem (al waren er verscheidene die zoiets overwogen). Een deel van het succes van de Richtlijn is dan ook te verklaren uit het feit dat ze werd aangenomen voordat conflicterende nationale regels waren ontwikkeld. Voor een succesvolle werking is het systeem afhankelijk van samenwerking en wederzijds vertrouwen tussen the autoriteiten in verschillende landen.
De ‘zesde wijziging’ van Richtlijn 67/548 leidde ook tot de oprichting van een European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances (EINECS). Deze vormt de basis voor EG-wetgeving die voorziet in een programma voor het beoordelen van deze oudere chemische stoffen (zie § 7.5).
Beperkingen van het op de markt brengen en gebruik
Nadat een risicobeoordeling heeft plaatsgevonden kunnen aan een stof de nodige beperkingen worden opgelegd of kan ze, in het uiterste geval, worden verboden. Een Richtlijn uit 1976 (zie § 7.6) schept hier een kader voor.
Met een hele reeks dochterrichtlijnen zijn restricties van kracht geworden voor bepaalde stoffen die tot dan toe veelal reeds lang in gebruik waren en die in een of meer lidstaten als schadelijk werden aangemerkt. De Richtlijn voorziet ook in de middelen om beperkingen op te leggen aan stoffen die beoordeeld zijn onder de regimes voor nieuwe en bestaande stoffen. Een afzonderlijke Richtlijn (zie § 7.9) maakt het mogelijk om het op de markt brengen en gebruik van bestrijdingsmiddelen aan banden te leggen. Ook is er een Richtlijn die voorziet in grenswaarden voor de residuen van bestrijdingsmiddelen in voedsel (zie § 7.10). Recentere Richtlijnen hebben EU-brede systemen ingevoerd voor de toelating van bestrijdingsmiddelen en biociden (niet-landbouw-bestrijdingsmiddelen) (zie resp. § 7.11 en § 7.12).
Verpakking en etikettering
De Richtlijn uit 1967 betreffende de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen (zie § 7.3) is sindsdien verscheidene keren geactualiseerd. In 1988 werd een aparte Richtlijn aangenomen die voorziet in een soortgelijk systeem voor preparaten, d.w.z. mengsels of oplossingen van twee of meer stoffen (zie § 7.4). In deze Richtlijn zijn ondermeer de regels voor verf en oplosmiddelen opgenomen, die tot 1988 onder aparte Richtlijnen vielen.
Al in de jaren ’70 bestond er aandacht voor de verkoop aan de Derde Wereld van chemische stoffen (met name bestrijdingsmiddelen) die in de ontwikkelde landen verboden waren. Er werd gepleit voor een systeem van ‘voorafgaande geïnformeerde toestemming’ (prior informed consent, PIC). Toch heeft het nog tot 1988 geduurd voordat de EU maatregelen ten aanzien van deze uitvoer vaststelde. Een Verordening vereist dat importerende landen worden geïnformeerd voordat export plaatsvindt van een aantal stoffen die in de EU verboden of aan strenge beperkingen onderworpen zijn (zie § 7.7). Naar landen die deelnemen aan de door UNEP en FAO ingestelde ‘PIC-procedure’ mag geen uitvoer van zulke stoffen plaatsvinden als het importerende land daar niet expliciet toestemming voor gegeven heeft. In 2002 heeft de EU het PIC-Verdrag geratificeerd (zie § 13.5.8).
Bij grote ongelukken, zoals branden en ontploffingen, kunnen chemische stoffen in het milieu terecht komen. Na een ongeluk in 1976 nam de EU in 1982 de zogeheten ‘Seveso-Richtlijn’ aan, genoemd naar de voorstad van Milaan waar het ongeluk plaatsvond (zie § 7.18). Deze Richtlijn is bedoeld om zulke ongelukken te voorkomen en de gevolgen van ongelukken die zich toch voordoen te beperken. Daartoe vereist ze veiligheidsrapporten, noodplannen en informatie aan het publiek. In Ispra is het Major Accidents Hazard Bureau gevestigd.
Vervoer van gevaarlijke goederen
Het vervoer van gevaarlijke goederen (over zee, over de weg en per spoor) is onderworpen aan een aantal internationaal overeengekomen regels. Enkele EU-Richtlijnen zijn bedoeld om de juiste toepassing en naleving van deze regels in de EU te verzekeren (zie § 7.8 en 7.8A).
Bescherming van werknemers
Hoewel de bescherming van werknemers strikt genomen buiten het bereik van dit Handboek valt, is een aantal Richtlijnen ter beperking van de blootstelling van werknemers aan bepaalde stoffen beschreven in § 7.19, gezien het verband met stoffen die in het milieu terecht komen.
Strategieën voor chemische stoffen en producten
Een ander aspect van het EU-beleid ten aanzien van chemische stoffen zou men kunnen betitelen als strategieën gericht op individuele stoffen. Deze strategieën kunnen bestaan uit interventies op diverse punten langs het traject dat een bepaalde stof gedurende haar commerciële of milieu-levenscyclus aflegt. In sommige gevallen is de strategie opgebouwd uit een of meer Richtlijnen, zoals bij lood (zie hoofdstuk 3), asbest (zie § 7.14) of CFKs (zie § 6.9). Een andere benadering is die van een Resolutie van de Raad waarin een actieprogramma voor de bestrijding van milieuverontreiniging door een bepaalde stof wordt ontvouwd, zoals in het geval van cadmium.[757] Ook kan het gehalte van bepaalde stoffen in producten worden gelimiteerd, hetgeen is gebeurd in het geval van batterijen (zie § 5.11), teneinde de risico’s op afvalstortplaatsen te beperken. Gevaarlijke stoffen in producten behoren ook tot de aspecten die in aanmerking worden genomen bij de toekenning van ecolabels (zie § 11.7).
Genetisch gemodificeerde organismen
Een verwant onderwerp is de regulering van genetisch gemodificeerde organismen. Twee Richtlijnen uit 1990 hebben betrekking op respectievelijk het ingeperkt gebruik en de doelbewuste introductie ervan (zie resp. § 7.15 en § 7.16).
In december 1999 heeft de Commissie een Mededeling uitgebracht met een Communautaire strategie voor hormoonontregelaars.[758] Deze strategie volgde op een advies van het Wetenschappelijk Comité voor de toxiciteit, de ecotoxiciteit en het milieu, waarin werd geconcludeerd dat er voldoende bewijsmateriaal is voor een causaal verband tussen een verstoorde voortplanting en ontwikkeling en hormoonontregelaars bij een aantal in het wild levende diersoorten. De strategie behelst een gefaseerde aanpak:
• op korte termijn moet nader bewijsmateriaal worden vergaard en een prioriteitenlijst worden samengesteld;
• op middellange termijn moeten (in OESO-verband) testmethoden worden ontwikkeld en moet het onderzoek worden geïntensiveerd;
• op lange termijn zal de Commissie wellicht wetgeving voorstellen.
Hoewel het voorzorgsbeginsel van belang is voor alle gebieden waarop milieubeleid ontwikkeld wordt, is de Mededeling van de Europese Commissie over het voorzorgsbeginsel[759] in het bijzonder relevant voor het stoffenbeleid. De Mededeling bevat een uiteenzetting van de wijze waarop de Commissie het voorzorgbeginsel benadert of wil benaderen en van het gebruik ervan bij de besluitvorming. Er worden richtsnoeren in vastgesteld voor de toepassing van het principe. Verder heeft de Mededeling tot doel bij te dragen aan een beter begrip van de manier waarop het beginsel kan en moet worden toegepast. Er wordt een reeks criteria in geformuleerd voor het gebruik van het voorzorgsbeginsel. Maatregelen op grond van het beginsel dienen ondermeer:
• in verhouding te staan tot het gekozen beschermingsniveau;
• bij toepassing niet tot discriminatie te leiden;
• samen te hangen met eerdere soortgelijke maatregelen;
• te berusten op een onderzoek naar de mogelijke voordelen en kosten van wel of niet handelen;
• in het licht van nieuwe wetenschappelijke gegevens opnieuw te worden bekeken; en
• aan te geven wie de taak heeft om het wetenschappelijk bewijs te verstrekken dat voor een volledigere risico-evaluatie nodig is.
De Mededeling beschrijft ook het gebruik van risicobeoordelingstechnieken en stelt dat het beoordelen van het voor de maatschappij ‘aanvaardbare’ risico bij uitstek een politieke taak is.
De mogelijkheid voor lidstaten om strengere eisen te stellen
Een onderwerp dat meer aandacht getrokken heeft met de toetreding van Zweden, Oostenrijk en Finland is de vrijheid voor lidstaten om normen te stellen die strenger zijn dan de EU-normen. Deze vrijheid is vastgelegd in artikel 176 (voorheen art. 130t) voor Richtlijnen die zijn aangenomen onder artikel 175 (voorheen art. 130s). Richtlijnen die zijn aangenomen onder artikel 95 (voorheen art. 100a) (bijvoorbeeld die welke betrekking hebben op productnormen) zijn echter bedoeld om handelsbelemmeringen te voorkomen. Dit artikel biedt de lidstaten dan ook in principe geen mogelijkheid om strengere eisen te stellen. Niettemin bestaan er enkele uitzonderingsmogelijkheden en sommige lidstaten hebben daarvan gebruik gemaakt, bijvoorbeeld Duitsland in het geval van pentachloorfenol (zie § 7.6). Bij het Verdrag van Amsterdam zijn deze uitzonderingsmogelijkheden vergroot (lid 4 en 5 van art. 95).
In 1998 heeft de Commissie besloten tot een herziening van de wetgeving voor chemische stoffen, naar aanleiding van kritiek dat het programma voor de beoordeling van bestaande stoffen buitengewoon traag verliep. In november 1998 presenteerde de Commissie een evaluatie[760] van het functioneren van de vier belangrijkste wettelijke instrumenten (67/548, 88/379, 793/93 en 76/769). In februari 2001 heeft de Commissie een Witboek ingediend getiteld ‘Strategie voor een toekomstig beleid voor chemische stoffen’[761]. Daarin wordt voorgesteld, op termijn te komen tot één systeem voor zowel bestaande als nieuwe stoffen (aangeduid met de afkorting REACH: Registration, Evaluation, Authorisation of Chemicals). Bestaande stoffen die tot een hoge blootstelling leiden of aanleiding tot zorg geven vanwege hun bekende of vermoedelijke gevaarlijke eigenschappen moeten binnen vijf jaar worden getest. Alle bestaande stoffen die in hoeveelheden van meer dan 1 ton per jaar worden geproduceerd zouden vóór 2012 moeten worden ‘geregistreerd’, waarbij de producenten de zelfde soort informatie zouden moeten verschaffen als bij nieuwe stoffen. Ook zouden ze voorlopige risicobeoordelingen moeten maken. Vervolgens moeten de autoriteiten deze informatie evalueren voor alle stoffen die in hoeveelheden van meer dan 100 ton per jaar worden geproduceerd en tevens voor stoffen die aanleiding geven tot bezorgdheid. Voor stoffen waarover zeer ernstige zorg bestaat zou een vergunning voor specifieke toepassingen vereist moeten zijn.