Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

6.2 Overzicht van het Nederlandse beleid

In 1970 werd in Nederland de Wet inzake de luchtverontreiniging (Wlv) van kracht[758]. Voordien was de Hinderwet het belangrijkste instrument om luchtverontreinigings-problemen aan te pakken. De Wlv richtte zich vooral op grote (stationaire) bronnen van luchtverontreiniging, alsmede op brandstoffen en toestellen. Kleinere bedrijven bleven onder de Hinderwet vallen.

Sinds 1993 worden zaken als vergunningen en algemene regels, luchtkwaliteitseisen en financiële bepalingen niet langer geregeld in de Wlv, maar in de Wet milieubeheer (Wm) (alsmede, sinds 2010, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wabo) en daarop gebaseerde regelgeving. Hiermee wordt de samenhang tussen de verschillende milieucompartimenten benadrukt.[759] Deze meer geïntegreerde benadering is aan het eind van de jaren ’80 tot stand gekomen, toen het compartimentgerichte milieubeleid plaatsmaakte voor een themagericht beleid.

Thema’s

De voornaamste beleidsthema’s waarbij luchtverontreiniging een belangrijke rol speelt zijn:

Klimaatverandering: hiertoe worden zowel het broeikaseffect als de aantasting van de ozonlaag gerekend. Nederland dient op grond van het Kyoto-protocol (zie § ???) en de in EU-verband gemaakte afspraken zijn emissies van broeikasgassen in de periode 2008-2012 met 6% gereduceerd te hebben ten opzichte van 1990. De daartoe benodigde maatregelen zijn vastgelegd in de Uitvoeringsnota Klimaatbeleid. In 2020 wil Nederland de emissies verder verlaagd hebben: met 30% ten opzichte van 1990. Daartoe is het werkprogramma ‘Schoon en Zuinig’ opgesteld (zie verder § ???). In het kader van het Montreal-protocol (zie § ??? en ???) zijn de productie en het gebruik van de belangrijkste ozonlaagaantastende stoffen in Nederland vrijwel volledig beëindigd.

Verzuring: het verzuringsbeleid is gericht op de vermindering van de uitstoot van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3) en vluchtige organische stoffen (VOS). De emissies van deze stoffen zijn in de afgelopen jaren aanzienlijk gedaald. Voor SO2 en VOS zijn de ine EU-verband afgesproken emissiedoelstellingen voor 2010 waarschijnlijk gehaald; voor NOx en NH3 zal dat waarschijnlijk enkele jaren later het geval zijn[760].

Vermesting: atmosferische depositie van stikstofverbindingen (zoals NOx en NH3) speelt ook een rol bij het thema vermesting. De aanvoer van fosfaten en stikstofverbindingen uit mest en afvalwater is overigens de belangrijkste bron van vermesting.

Verspreiding: bij dit thema gaat het om een groot aantal uiteenlopende stoffen die zich in de atmosfeer (en de overige milieucompartimenten) kunnen verspreiden. De verspreiding van ‘prioritaire’ stoffen naar lucht is in de jaren ’90 sterk gedaald, vooral door de afname van loodemissies. De laatste jaren gaat de aandacht vooral uit naar luchtverontreiniging door ‘fijn stof’, met name de kleinste deeltjes met een diameter van minder dan 2,5 micrometer (PM2,5).

Verwijdering: onder dit thema vallen ondermeer de luchtemissies die ontstaan bij het verbranden van afval (zie § ???).

Verstoring: hierbij gaat het om milieu-aspecten die de directe leefomgeving van burgers beïnvloeden. Daartoe behoort, wat de luchtkwaliteit betreft, met name geurhinder.

Stationaire bronnen

De belangrijkste regelgeving voor de beperking van de luchtverontreiniging door industriële installaties en andere stationaire bronnen vindt haar grondslag in Hoofdstuk 8 van de Wm (Inrichtingen) en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit (Ivb). Hierin worden ondermeer de inhoudelijke en procedurele aspecten van Wm-vergunningen geregeld. Een belangrijk element hierbij is het ‘bbt’-beginsel: bij de aan de vergunning te verbinden voorschriften moet ervan worden uitgegaan dat ten minste de voor de betreffende inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (bbt) worden toegepast (art. 8.11, lid 3 Wm). Daarnaast moeten de geldende milieukwaliteitseisen in acht worden genomen. Voor sommige categorieën inrichtingen gelden algemene regels, die al dan niet in de plaats kunnen komen van een Wm-vergunning. Voorbeelden daarvan zijn het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim, ook wel ‘Activiteitenbesluit’ genoemd; zie § ???), het Be­sluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (Bees A, zie § ???) en het Besluit verbranden afvalstoffen (Bva, zie § ???).

Naast regelgeving bestaat het op stationaire bronnen gerichte instrumentarium ondermeer uit:

  • convenants en meerjarenafspraken met bedrijfstakken;

  • stimulering van milieuzorg in bedrijven;

  • heffingen en belastingen (zoals de energiebelasting);

  • subsidies en fiscale faciliteiten (zoals de Vamil-regeling).

Voertuigen, brandstoffen en andere producten

Voor voertuigen, brandstoffen en andere producten die luchtverontreiniging kunnen ver­oorzaken gelden in veel gevallen geharmoniseerde EU-regels. Een groot deel van de Nederlandse regelgeving op dit terrein geeft uitvoering aan deze EU-eisen. Voor sommige categorieën producten waarvoor nog geen Europese normen bestaan heeft Nederland eigen regelgeving geïntroduceerd; het gaat hierbij bijvoorbeeld om verwarmingstoestellen (NOx).

Door middel van financiële instrumenten wordt het gebruik van relatief ‘schone’ voertuigen en brandstoffen gestimuleerd. Zo zijn er tal van fiscale voordelen voor auto’s met zeer lage emissies.

Informatie, bijvoorbeeld door middel van de milieukeur (zie § ???) is een ander instrument om het gebruik van relatief ‘schone’ producten te bevorderen.

Luchtkwaliteit

Titel 5.2 van de Wm vormt de basis voor het vaststellen van luchtkwaliteitseisen. In Nederland gelden landelijke luchtkwaliteitseisen voor zwaveldioxide (SO2), zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), stikstofdioxide (NO2), lood, koolmonoxide (CO), benzeen, ozon, arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen. Dit zijn dezelfde stoffen waarvoor EU-luchtkwaliteitseisen gelden (zie § ???).

De luchtkwaliteit in Nederland wordt vastgesteld door middel van metingen (het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit) en modelberekeningen. Hoewel over het algemeen de luchtkwaliteit in Nederland in de afgelopen jaren is verbeterd, komt overschrijding van sommige grenswaarden, met name die voor fijn stof en stikstofdioxide, nog regelmatig voor.

In 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Dit programma is erop gericht een verbetering van de luchtkwaliteit hand in hand te laten gaan met mogelijkheden voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Dankzij het NSL heeft Nederland van de Europese Commissie uitstel gekregen van de termijnen voor het voldoen aan de luchtkwaliteitsnorm voor NO2 en vrijstelling van de verplichting om aan de normen voor PM10 te voldoen (zie § ???).

Voor situaties van ernstige luchtverontreiniging (overschrijding van alarmdrempels) geldt een ‘smogregeling’. Deze voorziet in voorlichting aan het publiek (die geïntensiveerd wordt naarmate de situatie ernstiger is) en in de mogelijkheid tot het nemen van tijdelijke maat­regelen.

[758] Stb. 1970, 580.

[759] Deze samenhang is naderhand ook op EU-niveau tot uitdrukking gebracht in de IPPC-Richtlijn (zie § ???).

[760] Bron: Balans van de Leefomgeving 2010, p. 71.