Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

6.3 Luchtkwaliteit

6.3.1 Overzicht van EU-regelgeving

2008/50/EG (PbEU L152, 11.6.2008)

Voorgesteld 21.9.2005 COM(2005)447

Richtlijn betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa

Rechtsgrondslag

Artikel 175 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU)

Bindende termijnen

Inwerkingtreding

11 juni 2008

Omzetting in nationale regelgeving

11 juni 2010

Voldoen aan luchtkwaliteitsnormen

Zie Tabel 6.3.1

Indiening door lidstaten van gegevens over luchtkwaliteit bij de Commissie

Jaarlijks

2004/107/EG (PbEU L 23, 26.1.2005)

Richtlijn betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwater­stoffen in de lucht

Rechtsgrondslag

art. 175 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU)

Bindende termijnen

Inwerkingtreding

15 februari 2005

Omzetting in nationale regelgeving

15 februari 2007

Nemen van maatregelen om te voldoen aan streefwaarden

31 december 2012

Rapportage aan de Commissie over overschrijdingen en maatregelen

Jaarlijks (voor de eerste keer uiterlijk op 30 september 2008 over het jaar 2007)

Opm.: De luchtkwaliteitsrichtlijnen 96/62/EG, 1999/30/EG, 2000/69/EG en 2002/3/EG zijn met ingang van 11 juni 2010 ingetrokken.

6.3.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving en uitvoeringsdocumenten

Wet milieubeheer, titel 5.2

Stb. 2007, 414; Stb. 2009, 158 (wijziging)

Wet inzake de luchtverontreiniging

Stb. 1970, 580 (laatstelijk gewijzigd: Stb. 2010, 142)

Besluit derogatie (luchtkwaliteitseisen)

Stb. 2009, 366

Besluit maatregelen richtwaarden (luchtkwaliteitseisen)

Stb. 2009, 364

Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Stb. 2007, 440

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)

Stb. 2009, 14

Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007

Stcrt. 2007, 220, zoals gewijzigd bij Stcrt. 2009, 12182

Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)

Stcrt. 2007, 218

Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007

Stcrt. 2007, 218

Smogregeling 2010

Stcrt. 2010, 8386

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

Tweede Kamer 2007/2008, 30 175, nr. 56

6.3.3 Doelstelling van de Richtlijnen

Richtlijn 2008/50 biedt het juridisch instrumentarium voor het luchtkwaliteitsbeleid van de EU. Daarbinnen staan de vaststelling van luchtkwaliteitsnormen voor de bescherming van mens en milieu, de beoordeling van de luchtkwaliteit op basis van gemeenschappelijke methoden en criteria, het vergaren en aan de bevolking bekendmaken van informatie over de feitelijke luchtkwaliteit alsook de verbetering van de luchtkwaliteit en de instandhouding van een goede luchtkwaliteit centraal. De Richtlijn is de opvolger van de Kaderrichtlijn luchtkwaliteit (96/62/EG) alsmede van een drietal ‘dochterrichtlijnen’ (1999/30/EG, 2000/69/EG en 2002/3/EG) die betrekking hadden op specifieke lucht­verontreinigende stoffen. Een vierde dochterrichtlijn (2004/107/EG) betreffende arseen, cadmium, kwik, nikkel en PAKs blijft vooralsnog van kracht.

6.3.4 Samenvatting van de Richtlijnen

Richtlijn 2008/50

Beoordeling van de luchtkwaliteit

De beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit vinden plaats op het niveau van door de lidstaten aan te wijzen ‘zones’ en ‘agglomeraties’ (verstedelijkte zones) (art. 4). Met betrekking tot zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, benzeen en koolmonoxide geldt een lichter beoordelingsregime naarmate de luchtkwaliteit in een zone of agglomeratie beter is: onder bepaalde voorwaarden kan er dan worden volstaan met een combinatie van meting en modellering of met modellering of objectieve ramingen in plaats van vaste metingen van de luchtkwaliteit (art. 5 en 6). Voor het meten van achtergrondconcentraties van PM2,5 gelden daarnaast enkele afzonderlijke eisen (art. 6, lid 5). De Richtlijn bevat tevens voorschriften voor de bemonsteringspunten en de toe te passen meetmethoden voor de genoemde stoffen (art. 7 en 8).

Voor ozon gelden aparte regels aangaande de beoordelingscriteria, bemonsteringspunten en meetmethoden (art. 9 t/m 11). Daarbij moet ook aandacht worden besteed aan de ozonprecursoren (NOx en VOS).

Beheer van de luchtkwaliteit (art. 12 t/m 22; Bijlagen VII en XI t/m XIV)

Tabel 6.3.1 bevat de belangrijkste in de Richtlijn opgenomen luchtkwaliteitsnormen. Het betreft:

  • grenswaarden en blootstellingsconcentratieverplichtingen voor de bescherming van de menselijke gezondheid. De lidstaten moeten zorgen dat deze ­waarden binnen een bepaalde termijn worden bereikt en na het bereiken ervan niet meer worden overschreden;

  • kritieke niveaus voor de bescherming van de vegetatie, welke moeten worden ‘nageleefd’;

  • informatie- en alarmdrempels : overschrijding hiervan houdt gezondheidsrisico’s in voor bepaalde kwetsbare groepen resp. voor de gehele blootgestelde bevolking en noodzaakt tot informatievoorziening resp. het nemen van onmiddellijke maatregelen;

  • streefwaarden en langetermijndoelstellingen: de lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen die geen die geen buitensporige kosten meebrengen om ervoor te zorgen dat deze binnen een bepaalde periode worden bereikt.

<!-- --> <!-- -->

Soort norm

Middelingstijd

Concentratie

Opmerkingen

Zwaveldioxide (SO)

Grenswaarden (ter bescherming van de menselijke gezondheid)

1 uur

350 µg/m3

De grenswaarde mag maxi­maal 24 keer per kalenderjaar worden overschreden, met maximaal 150 µg/m3.

1 dag

125 µg/m3

De grenswaarde mag maxi­maal 3 keer per kalenderjaar worden overschreden.

Kritiek niveau (voor bescherming van de vegetatie)

kalenderjaar en winter­seizoen (1/10 t/m 31/3)

20 µg/m3

Alarmdrempel

3 opeenvolgende uren

500 µg/m3

Stikstofdioxide (NO2)

Grenswaarden (ter bescherming van de menselijke gezondheid)

1 uur

200 µg/m3

De grenswaarde mag maxi­maal 18 keer per kalenderjaar worden overschreden. Uitstel mogelijk tot uiterlijk 1 januari 2015, mits een adequaat lucht­kwaliteitsplan wordt opgesteld.

kalenderjaar

40 µg/m3

Uitstel mogelijk tot uiterlijk 1 januari 2015, mits een adequaat lucht­kwaliteitsplan wordt opgesteld.

Kritiek niveau (voor bescherming van de vegetatie)

kalenderjaar

30 µg/m3

Betreft NOx.

Alarmdrempel

3 opeenvolgende uren

400 µg/m3

Benzeen

kalenderjaar

5 µg/m3

Uitstel mogelijk tot uiterlijk 1 januari 2015, mits een adequaat lucht­kwaliteitsplan wordt opgesteld.

Koolmonoxide (CO)

Grenswaarde

hoogste 8-uur­gemiddelde van een dag

10 mg/m3

Lood

Grenswaarde

kalenderjaar

0,5 µg/m3

PM10

Grenswaarde

1 dag

50 µg/m3

De grenswaarde mag maxi­maal 35 keer per kalenderjaar worden overschreden. Vrijstelling mogelijk tot uiterlijk 11 juni 2011 wegens locatiespecifieke dispersie­karakteristieken, ongunstige klimaat­omstandigheden of grensoverschrijdende bijdragen.

Grenswaarde

kalenderjaar

40 µg/m3

Vrijstelling mogelijk tot uiterlijk 11 juni 2011 wegens locatiespecifieke dispersiekarakteristieken, ongunstige klimaat­omstandigheden of grensoverschrijdende bijdragen.

PM2,5

Grenswaarde

kalenderjaar

25 µg/m3

Geldt vanaf 1 januari 2015; tot die tijd verhoogd met een plandrempel van 20% die terugloopt tot 0% per 1 januari 2015.

Grenswaarde

kalenderjaar

20 µg/m3

Geldt vanaf 1 januari 2020. Waarde is indicatief en wordt in 2013 door de Commissie herzien (art. 32).

Nationale streefwaarde

Gemiddelde blootstellingsindex (GBI, voort­schrij­dend gemiddelde van 3 jaar­gemid­delden van de stedelijke achter­gronds-concentratie)

8,5 - 18 µg/m3, afhankelijk van uitgangssituatie

Als de GBI lager is dan 8,5 µg/m3 wordt de streefwaarde 0.

Blootstellings­concentratie­verplichting

20 µg/m3

Geldt vanaf 1 januari 2015.

Streefwaarde

kalenderjaar

25 µg/m3

Geldt vanaf 1 januari 2010.

Ozon

Streefwaarde (menselijke gezondheid)

Hoogste 8-uur­gemiddelde van een dag

120 μg/m3

De streefwaarde mag, gemiddeld over drie jaar, niet vaker dan 25 dagen per kalender­jaar worden overschreden.

Streefwaarde (bescherming vegetatie)

Mei tot en met juli

18.000 μg/m3 ∙ u als AOT40

AOT40 is het gesommeerde verschil tussen de (overdag gemeten) uurconcentraties boven 80 μg/m3 en 80 μg/m3 . De streefwaarde betreft het gemiddelde over een periode van 5 jaar.

Langetermijn­doelstelling (menselijke gezondheid)

Hoogste 8-uur­gemiddelde van een dag

120 μg/m3

Langetermijn­doelstelling (vegetatie)

Mei tot en met juli

6000 μg/m3 ∙ u als AOT40

AOT40 is het gesommeerde verschil tussen de (overdag gemeten) uurconcentraties boven 80 μg/m3 en 80 μg/m3

Informatiedrempel

1 uur

180 µg/m3

Alarmdrempel

1 uur (3 opeenvolgende uren)

240 µg/m3


De Bijlagen van de Richtlijn bevatten gedetailleerde voorschriften over de wijze waarop moet worden vastgesteld of aan de kwaliteitsnormen wordt voldaan.

Onder bepaalde voorwaarden worden overschrijdingen die het gevolg zijn van natuurlijke bronnen of van het strooien van zand en zout op wegen in de winter niet als overschrijding aangemerkt. [761]

Plannen (art. 23 t/m 25)

Bij overschrijding van grens- of streefwaarden moeten er binnen 2 jaar luchtkwaliteits­plannen worden vastgesteld (art. 23 en Bijlage XV). As het gaat om een grenswaarde waarvoor de termijn waarop deze bereikt moest worden al verstreken is, dan moet het luchtkwaliteitsplan ‘passende maatregelen’ bevatten om de periode van overschrijding zo kort mogelijk te houden.

Als er een risico bestaat dat alarmdrempels zullen worden overschreden, dan moeten de lidstaten kortetermijnactieplannen opstellen om dat risico of de duur van de overschrijding te beperken. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om maatregelen ten aanzien van het verkeer van motorvoertuigen, bouwwerkzaamheden, voor anker liggende schepen, het gebruik van industriële installaties of producten en de verwarming van woningen. In het geval van ozon zijn geen kortetermijnactieplannen nodig als er geen substantiële mogelijkheden zijn om de duur of de ernst van de overschrijding te beperken.

In geval van grensoverschrijdende luchtverontreiniging dienen de betrokken lidstaten samen te werken bij het opstellen en uitvoeren van bovengenoemde plannen en daar ook de Commissie bij te betrekken.

Overige bepalingen

De lidstaten moeten zorgen voor informatieverstrekking aan de bevolking en belang­hebbende organisaties (art. 26). Het gaat daarbij ondermeer om de actuele luchtkwaliteit en (dreigende) overschrijdingen van alarm- of informatiedrempels (Bijlage XVI) en om jaarverslagen. Ook aan de Commissie moet een jaarlijkse rapportage worden uitgebracht (art. 27).

Een ‘Comité voor de luchtkwaliteit’, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, kan niet-essentiële onderdelen en bepaalde Bijlagen van de Richtlijn wijzigen. Het Comité is echter niet bevoegd tot het wijzigen van de luchtkwaliteitsnormen en de termijnen waarop deze gerealiseerd moeten zijn (art. 28 en 29).

Richtlijn 2004/107

Deze richtlijn is de enig overgebleven ‘dochterrichtlijn’ van de voormalige Kaderrichtlijn luchtkwaliteit. Ze heeft betrekking op arseen, cadmium, kwik, nikkel en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAKs). In tegenstelling tot Richtlijn 2008/50 bevat Richtlijn 2004/107 geen grenswaarden, maar alleen streefwaarden.[762] De lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen die geen onevenredige kosten meebrengen om ervoor te zorgen dat, vanaf 31 december 2012, de concentraties van deze stoffen de in Tabel 6.3.2 genoemde streefwaarden niet overschrijden (art. 3, lid 1, en Bijlage I). De maatregelen moeten met name gericht zijn op de grootste emissiebronnen. In het geval van industriële installaties die onder de IPPC-richtlijn (zie § ???) vallen is dit de toepassing van de ‘beste beschikbare technieken’ (bbt) (art. 3, lid 3).

<!-- --> <!-- -->

Verontreinigende stof

Streefwaarde (1)

Arseen

6 ng/m3

Cadmium

5 ng/m3

Nikkel

20 ng/m3

Benzo(a)pyreen (2)

1 ng/m3


(1) Voor het totale gehalte in de PM10-fractie, gemiddeld over een kalenderjaar.

(2) Gebruikt als ‘marker’ voor het carcinogene risico van PAKs in de lucht.

De richtlijn bevat gedetailleerde voorschriften voor de wijze waarop meting van de desbetreffende stoffen moet plaatsvinden (art. 4 en Bijlagen II t/m V). De lidstaten moeten jaarlijks rapporteren aan de Commissie over overschrijdingen van de streefwaarden en over de genomen maatregelen (art. 5). Ook het publiek moet worden geïnformeerd over de stand van zaken betreffende de luchtverontreiniging door arseen, cadmium, nikkel en PAKs (art. 7).

Voor het einde van 2010 moest de Commissie verslag uitbrengen over de toepassing van de richtlijn, mede in het licht van nieuwe wetenschappelijke en technische ontwikkelingen. Daarbij kon zij ook voorstellen tot wijziging van de richtlijn doen (art. 8).

6.3.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijnen

Begin jaren '70 drong binnen Europa het besef door dat moest worden opgetreden tegen de negatieve gevolgen van de economische groei op de milieukwaliteit. In het EU-actieprogramma inzake het milieu van 1973[763] werd in dat verband aangedrongen op het op gemeenschappelijk niveau vaststellen van ‘bevredigende minimumkwaliteitseisen’, waaraan de milieukwaliteit van de lidstaten moet voldoen. De bestrijding van luchtverontreiniging, met name ten gevolge van de uitstoot van zwaveldioxide (SO2), kreeg binnen het internationale en EU-milieukwaliteitsbeleid aanvankelijk een hoge prioriteit. De strategie die daarbij werd gehanteerd, was, conform het EU-actieprogramma, gericht op het vaststellen van gemeenschappelijke luchtkwaliteitsnormen.[764]

Daarnaast kwam een beperkt aantal richtlijnen tot stand waarin niet de luchtkwaliteit, maar de uitstoot (emissies) van luchtverontreinigende stoffen centraal stond. Omdat de implementatie en toepassing van de EU-luchtkwaliteitsnormen in de praktijk tot nogal wat problemen leidde, vond binnen het EU-luchtkwaliteitsbeleid in de loop van de jaren ’80 geleidelijk een accentverschuiving plaats van het vaststellen van luchtkwaliteitsnormen naar het emissiegerichte beleid. Bijgevolg werd aan het actualiseren van de EU-luchtkwaliteitsnormen een geringe prioriteit toegekend. [765]

Met betrekking tot de luchtkwaliteit binnen de EU vonden evenwel in de jaren ’80 en ’90 aanzienlijke verbeteringen plaats. Nieuwe milieutechnische en humaan-toxicologische inzichten maakten daarnaast duidelijk dat voor meer luchtverontreinigende stoffen luchtkwaliteitsnormen wenselijk zouden zijn. Om concurrentie op milieugrondslag te voorkomen, lag het voor de hand dat deze normen op EU-niveau gesteld zouden worden. In het begin van de jaren ’90 ontstond dan ook hernieuwde aandacht voor het gebruik van luchtkwaliteitsnormen. Omwille van de overzichtelijkheid en met het oog op het voorkomen van problemen zoals die zich bij de toepassing van de ‘oude’ luchtkwaliteitsnormen hadden voorgedaan, werd er voor gekozen niet alleen de bestaande luchtkwaliteitsnormen te actualiseren en het aantal luchtkwaliteitsnormen uit te breiden, maar ook om een meer integrale aanpak van het luchtkwaliteitsbeleid te bewerkstelligen door middel van het vaststellen van een Kaderrichtlijn.

In 1996 werd deze Kaderrichtlijn (96/62/EG) van kracht en in de daaropvolgende jaren volgden vier ‘dochterrichtlijnen’ voor de belangrijkste luchtverontreinigende stoffen (1999/30/EG, 2000/69/EG, 2002/3/EG en 2004/107/EG).

In 2005 presenteerde de Commissie haar ‘Thematische strategie inzake luchtverontreiniging’.[766] Daarin stelde zij ondermeer voor, de bestaande richtlijnen[767] te integreren in één enkele richtlijn voor luchtkwaliteit en bovendien luchtkwaliteitsnormen voor fijne zwevende deeltjes (PM2,5) in te voeren. Dit laatste wegens de toenemende wetenschappelijke aanwijzingen dat het vooral deze kleinste deeltjes zijn die aanzienlijke schade voor de gezondheid kunnen opleveren. Het richtlijnvoorstel[768] voorzag ook in de mogelijkheid van uitstel en vrijstelling (‘derogatie’) voor het bereiken van de grenswaarden voor NO2, benzeen en PM10, mits adequate plannen en maatregelen zouden worden opgesteld om alsnog binnen 5 jaar aan de grenswaarden te voldoen.

Een van de hoofdpunten in de discussie over het richtlijnvoorstel was de te stellen grenswaarde voor PM2,5. De ministers kozen voor een waarde van 25 µg/m3, te bereiken in 2015, terwijl het Parlement 20 µg/m3 wenste. In december 2007 werd uiteindelijk een compromis bereikt, met een grenswaarde van 25 µg/m3 voor 2015 en een ‘indicatieve’ grenswaarde van 20 µg/m3 voor 2020 (opnieuw te bezien in 2013).Nederland heeft zich in de onderhandelingen, mede op verzoek van de Tweede Kamer, gericht op ‘ambitieuze, maar haalbare’ doelstellingen. Dat betekende ondermeer: geen scherpere norm voor PM2,5 dan 25 µg/m3, meer ruimte voor uitstel c.q. vrijstelling, en een koppeling met het communautaire bronbeleid.[769]

6.3.6 De omzetting in nationale regelgeving

Richtlijn 2008/50 is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd door middel van de wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet milieubeheer (implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen)[770], welke per 1 augustus 2009 in werking is getreden[771]. Door middel van deze wet zijn de eisen van de Richtlijn overgenomen in hoofdstuk 5, Titel 5.2 (Luchtkwaliteits­eisen) en in Bijlage 2 van de Wm. Eerder hadden de voorgangers van Richtlijn 2008/50 (de kaderrichtlijn 96/62 en de vier dochterrichtlijnen, waaronder 2004/107) ook al hun weerslag gevonden in hoofdstuk 5 van de Wm en daarop gebaseerde amvb’s.

De genoemde wijziging van de Wm in 2009 had niet alleen de implementatie van Richtlijn 2008/50 zelf tot doel, maar ook de implementatie van het uit die richtlijn volgende uitstel en vrijstelling van de verplichting om aan bepaalde grenswaarden te voldoen (derogatie). Daarbij ging het met name om het creëren van een oplossing voor de problemen die Nederland had om onder de grenswaarden voor fijn stof (PM10) en NO2 te blijven. Al eerder (in 2007) was in verband daarmee de Wm aangepast.[772] Naast toetsing van een project aan de luchtkwaliteitseisen en saldering is programmatoetsing mogelijk. Is een project opgenomen in het NSL (een programma van maatregelen en projecten, gericht op het voldoen aan de grenswaarden; zie § ???) dan volstaat verwijzing daarnaar als onderbouwing van een project. Daarnaast is er een categorie projecten die van individuele toetsing is vrijgesteld omdat ze ‘niet in betekenende mate’ (d.w.z. voor minder dan 3% van de grenswaarde) bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde geldt.

Qua terminologie wijkt de Nederlandse regelgeving hier en daar af van de Richtlijn. Zo hanteert de Wm de (in Nederland al langere tijd gebruikelijke) term ‘richtwaarde’ in plaats van ‘streefwaarde’. Verder wordt bij ons niet de term ‘buitensporige kosten’ gebruikt (waar het gaat om de te nemen maatregelen voor het voldoen aan de streef-/richtwaarde), maar ‘onevenredige kosten’, aangezien dit wordt beschouwd als de correcte vertaling van ‘disproportionate costs’ in de Engelse versie van de richtlijn.[773]Het Besluit derogatie (luchtkwaliteitseisen)[774] wijst de zones en agglomeraties aan waar, en de tijdstippen tot welke, de derogatie van toepassing is.

Het Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)[775] en de Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007[776] bevatten bepalingen ter uitwerking van de toepassing van artikel 5.16 Wm. Projecten die tot een beperkte mate van achteruitgang van de luchtkwaliteit leiden, zijn onder bepaalde voorwaarden mogelijk.

Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)[777] geeft uitvoering aan artikel 5.16a Wm. Daarmee wordt beoogd te voorkomen dat er een toename plaatsvindt van het aantal gevoelige personen (zoals kinderen, zieken en ouderen) dat wordt blootgesteld aan overschrijdingen van grenswaarden (bijvoorbeeld doordat er een school of ziekenhuis pal naast een snelweg wordt gebouwd).In het Besluit maatregelen richtwaarden (luchtkwaliteitseisen)[778] is geregeld welke bestuursorganen belast zijn met het vaststellen van maatregelen voor het zoveel mogelijk bereiken van de streefwaarden (richtwaarden) voor de verschillende stoffen.

De wijze waarop de luchtkwaliteit gemeten of berekend moet worden is vastgelegd in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007[779]. Wat er moet gebeuren in geval van smog (tijdelijke overschrijding van de grenswaarden, informatie- en/of alarmdrempels voor SO2, NO2, ozon en/of PM10) staat beschreven in de Smogregeling 2010.[780] Hierbij is, naast overheden, een belangrijke rol weggelegd voor het RIVM.

6.3.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Ter onderbouwing van het Nederlandse derogatieverzoek en ter uitvoering van art. 5.12 Wm is een ‘Nationaal Samenwerkings­programma Luchtkwaliteit’ (NSL) opgesteld. Dit programma is per 1 augustus 2009 in werking getreden en heeft een looptijd van 5 jaar.[781] Met het NSL, dat in samenwerking met provinciale en lokale overheden tot stand is gekomen, is een bedrag van bijna € 2 miljard gemoeid. Het derogatieverzoek is in april 2009 door de Commissie gehonoreerd.[782]

Monitoring van de luchtkwaliteit in Nederland vindt plaats door middel van metingen (in het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML)) en modelberekeningen. Actuele gegevens over de luchtkwaliteits­toestand zijn te vinden op de website van het LML (http://www.lml.rivm.nl/) en (in beknoptere vorm) op NOS Teletekst pagina 711.

Overschrijdingen van de verschillende luchtkwaliteitsnormen voor SO2 zijn in Nederland sinds 1998 niet meer voorgekomen.[783]

Op meetstations in het landelijk gebied wordt tegenwoordig overal voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van 40 μg/m3 voor NO2. Op meetstations langs drukke binnenstedelijke straten is dat echter niet het geval: daar komen nog overschrijdingen met meer dan 25% voor.[784] In 2008 werd de grenswaarde voor NO2 overschreden langs ongeveer 1000 km weglengte en de grenswaarde voor fijn stof (PM10) langs circa 150 km weglengte. Uitvoering van het vastgestelde en voorgenomen Europese en nationale generieke beleid, aangevuld met de maatregelen uit het NSL, zal ertoe leiden dat de concentraties PM10 (in 2011) en NO2 (in 2015) ook op de meest belaste locaties dicht bij de grenswaarden komen te liggen. Maar in de buurt van circa 150 intensieve veehouderijbedrijven is het voldoen aan de PM10-grenswaarde in 2011 nog onzeker.[785] De in november 2010 gepresenteerde Monitoringsrapportage NSL[786] komt tot gelijksoortige bevindingen:

  • vooral nabij veehouderijen is op een aantal plekken nog sprake van grote overschrijdingen van de PM10-grenswaarden die lastig voor medio 2011 op te lossen zijn;

  • tegenvallende verkeersemissies hebben geleid tot een aantal nieuwe overschrijdingen van de NO2-grenswaarden.

De ozonconcentraties in Nederland blijven tegenwoordig ruim onder de streefwaarde voor de bescherming van de gezondheid en de vegetatie. Sinds 2000 treedt echter geen verdere daling in de ozonconcentraties op.[787] Overschrijding van de informatiedrempel van 180 µg/m3 komt nog wel regelmatig voor, met name in warme en zonnige zomers (bijvoorbeeld in 2006: 21 keer; dat was ook de meest recente zomer waarin de alarmdrempel van 240 µg/m3 werd overschreden, en wel op 2 dagen[788]).

Overschrijding van de (huidige) grenswaarde voor CO is in Nederland sinds 1994 niet meer voorgekomen. Ook de grenswaarde van 5 µg/m3 voor de jaargemiddelde benzeenconcentratie wordt in Nederland al bijna 15 jaar niet meer overschreden. De loodconcentraties bedragen de laatste jaren minder dan 0,01 µg/m3en liggen daarmee eveneens ruimschoots onder de grenswaarde.[789]

Aan de in Richtlijn 2004/107 vastgelegde streefwaarden voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen wordt in Nederland (nagenoeg) overal voldaan en er worden ook geen overschrijdingen verwacht.[790]

6.3.8 Verdere ontwikkelingen

N.v.t.

[761] In februari 2011 heeft de Commissie richtsnoeren gepubliceerd voor de wijze waarop de bijdragen van deze bronnen bepaald moeten worden (SEC(2011) 207 en SEC(2011) 208).

[762] Voor kwik is geen streefwaarde opgenomen.

[763] PbEG 1973, C 112.

[764] Spaans en Michiels (2000), p. 19.

[765] Hanf (1997), p. 127.

[766] COM(2005) 446 definitief.

[767] Met uitzondering van de destijds nog maar sinds kort van kracht zijnde Richtlijn 2004/107/EG, waarmee men eerst meer ervaring wilde opdoen.

[768] COM(2005) 447 definitief.

[769] Memorie van Toelichting bij het voorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer (implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen). Tweede Kamer 2007-2008, 31 589, nr. 3.

[770] Stb. 2009, 158.

[771] Stb. 2009, 291.

[772] Wet tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). Stb. 2007, 414.

[773] Toelichting op de derde nota van wijziging bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer (implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen) Tweede Kamer 2008-2009, 31 589, nr. 9. Overigens is dit door Nederland niet ingebracht in het ‘juristen-linguïsten overleg’, waarin voor publicatie dit soort vertaalproblemen aan de orde wordt gesteld. Dit omdat de vorige richtlijnen in het Nederlands al spraken van ‘buitensporige kosten’.

[774] Stb. 2009, 366.

[775] Resp. Stb. 2007, 440 en Stcrt. 2007, 218.

[776] Stcrt. 2007, 218.

[777] Stb. 2009, 14

[778] Stb. 2009, 364.

[779] Stcrt. 2007, 220, zoals gewijzigd bij Stcrt. 2009, 12182.

[780] Stcrt. 2010, 8386.

[781] Stcrt. 2009, 11559.

[782] C(2009)2560.

[783] Bron: http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl.

[784] Bron: PBL, Milieubalans 2009.

[785] Bron: PBL, Balans van de Leefomgeving 2010.

[786] RIVM (2010), Monitoringsrapportage NSL. Stand van zaken 2010 Nationaal Samenwerkingsprogamma Luchtkwaliteit. RIVM Rapport 680712002, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, Bilthoven.

[790] Toelichting bij het Besluit maatregelen richtwaarden (luchtkwaliteitseisen). Stb. 2009, 364.