Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

6.4 De ozonlaag

6.4.1 Overzicht van EU-regelgeving

1005/2009 (PbEU L286, 31.10.2009)

Voorgesteld 1.8.2008, COM(2008)505

Verordening betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen

744/2010 (PbEU L218, 19.8.2010)

Wijziging van Bijlage VI

Rechtsgrondslag

Artikel 175 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU)

Bindende termijnen

Inwerkingtreding

20 november 2009

Verbod op het gebruik van methylbromide

18 maart 2010

Verbod op het gebruik van gerecycleerde en geregenereerde HCFKs

31 december 2014

Verbod op de productie van HCFKs

31 december 2019

Opmerking: Per 1 januari 2010 is Verordening 2037/2000 (de voorgangster van 1005/2009) ingetrokken. Verwijzingen naar 2037/2000 gelden als verwijzing naar de nieuwe Verordening. Bijlage VIII van 1005/2009 bevat een concordantietabel.

6.4.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Besluit ozonlaagafbrekende stoffen milieubeheer

Stb. 2003, 360; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 308

Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur

Stb. 2004, 340; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2008, 160

Regeling lekdichtheidkoelinstallaties in de gebruiksfase 2006

Stcrt. 2006, 235

Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen

Stcrt. 1997, 122; citeertitel gewijzigd bij Stcrt. 2006, 235

Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties

Stcrt. 2009, 14412, gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19618

Inzamelingsregeling CFK en halonen

Stcrt. 2002, 167; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 14412

6.4.3 Doelstelling van de Verordening

Verordening 1005/2009 bevat verboden en beperkingen ten aanzien van CFKs en andere ozonlaag aantastende stoffen (ozone depleting substances, ODS). Daarmee wordt uitvoering gegeven aan (en in een aantal opzichten verdergegaan dan) de verplichtingen die de EU heeft als partij bij het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag en bij het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken (zie § ???.

Verordening 1005/2009 beoogt de herschikking en herziening van haar voorgangster, Verordening 2037/2000. Die herschikking en herziening waren noodzakelijk geworden omdat enerzijds de geleidelijke eliminatie van ODS bijna is voltooid, terwijl er anderzijds nog enkele onopgeloste problemen zijn. Het gaat daarbij met name om het mogelijke vrijkomen in de atmosfeer van ODS/broeikasgassen die zich momenteel in bepaalde ‘reservoirs’ bevinden, alsmede om vrijgestelde toepassingen van ODS en nieuwe ODS.

6.4.4 Samenvatting van de Verordening

De Verordening stelt regels vast voor (art. 1 en 2):

  • de productie, de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen, het gebruik, de terugwinning, de recycling, de regeneratie en de vernietiging van ODS;

  • de rapportage van gegevens in samenhang met die stoffen;

  • de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen en het gebruik van producten en apparaten die ODS bevatten of nodig hebben.

De onder de Verordening vallende ODS ( ‘gereguleerde stoffen’) staan in Bijlage I in negen groepen vermeld:

I. de CFKs 11, 12, 113, 114 en 115;

II. overige volledig gehalogeneerde CFKs;

III. halonen;

IV. tetrachloorkoolstof;

V. 1,1,1-trichloorethaan;

VI. methylbromide;

VII. broomfluorkoolwaterstoffen (HBFKs);

VIII. chloorfluorkoolwaterstoffen (HCFKs); en

IX. broomchloormethaan.

Verboden

Behoudens enkele uitzonderingen (zie hierna) zijn de productie en het op de markt brengen van deze stoffen verboden (art. 4 en 5). Ook het op de markt brengen van producten en apparaten die de stoffen bevatten of nodig hebben is (op enkele uitzonderingen na) verboden. Brandbeveiligingssystemen en blusapparaten die halonen bevatten zijn (afgezien van enkele toepassingen) verboden en moeten buiten gebruik worden gesteld (art. 6).

Vrijstellingen en afwijkingen

Gereguleerde stoffen mogen wel als grondstof of als technische hulpstof worden geproduceerd, op demarkt gebracht en gebruikt, mits ze als zodanig geëtiketteerd zijn (art. 7 en 8). Gebruik als technische hulpstof is alleen toegestaan in een beperkt aantal (in Bijlage III gespecificeerde) processen in installaties die al op 1 september 1997 bestonden en mits de emissie te verwaarlozen is. Er mag jaarlijks in de EU maximaal 1083 ton als technische hulpstof worden gebruikt en daarbij mag niet meer dan 17 ton vrijkomen.

De onder de Verordening vallende stoffen, producten en apparaten mogen ook op de markt worden gebracht met het oog op vernietiging of regeneratie binnen de EU (art. 9).

Voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen mogen ODS worden geproduceerd, op de markt gebracht en gebruikt, mits aan zekere voorwaarden inzake registratie en vergunning is voldaan (art. 10 en Bijlage V). De Commissie is belast met de registratie, het verlenen van vergunningen en het toewijzen van quota aan producenten en importeurs.

De productie van HCFKs blijft ook voor andere toepassingen nog tot eind 2019 toegestaan, maar moet geleidelijk worden afgebouwd volgens het in Tabel 6.4.1 weergegeven schema (art. 11).

<!-- --> <!-- -->

Jaar

Maximale productie voor elke HCFK-producent, in % van diens productie in 1997

2010 t/m 2013

35%

2014 t/m 2016

14%

2017 t/m 2019

7%


Na 2019 mogen HCFKs alleen nog voor analytische en laboratoriumtoepassingen worden geproduceerd, op de markt gebracht en gebruikt, onder dezelfde voorwaarden als de overige ODS.

Tot eind 2014 mogen, onder voorwaarden, ook geregenereerde en gerecycleerde HCFKs nog worden gebruikt. Geregenereerde HCFKs mogen tot die tijd ook op de markt worden gebracht; gerecycleerde HCFKs mogen alleen worden gebruikt door de onderneming die ze heeft teruggewonnen.

Tot eind 2019 mogen HCFKs op de markt worden gebracht voor herverpakking en daaropvolgende uitvoer, mits geregistreerd bij de Commissie.

De Commissie kan tot eind 2019 op verzoek van een lidstaat een tijdelijke vrijstelling verlenen om het gebruik en het op demarkt brengen van HCFKs en producten/apparaten toe te staan wanneer er voor een specifiek gebruik geen technisch en economisch haalbare alternatieven zijn.

Methylbromide mocht onder voorwaarden nog tot 18 maart 2010 op de markt worden gebracht en gebruikt. Tegenwoordig kan de Commissie alleen nog in noodgevallen, wanneer een onverwachte uitbraak van bepaalde plagen of ziekten dat vereist, de productie, het op de markt brengen en het gebruik van methylbromide toestaan, maximaal voor de duur van 120 dagen en een hoeveelheid van 20 ton (art. 12).

Halonen mogen op de markt worden gebracht en gebruikt voor enkele ‘kritische toepassingen’, die in bijlage VI vermeld staan. Het gaat daarbij ondermeer om toepassingen in vliegtuigen en op schepen. Hiervoor is toestemming van debevoegde instantie van de betreffende lidstaat nodig. De Commissie kan een tijdslimiet aan deze toepassingen stellen[791] en daarvan ook weer vrijstelling verlenen bij gebrek aan alternatieven (art. 13).

Artikel 14 voorziet in de mogelijkheid om onder voorwaarden de rechten op het op de markt brengen en gebruiken van ODS over te dragen aan een andere producent of importeur in de EU, en om te ‘schuiven’ met productierechten tussen producenten en tussen lidstaten. Een van de voorwaarden is dat het totale toegestane productieniveau niet wordt overschreden.

Invoer en uitvoer

De invoer van gereguleerde stoffen en van producten en apparaten die dergelijke stoffen bevatten of nodig hebben, is verboden (art. 15). Op dit verbod gelden weer een aantal uitzonderingen, waarbij een vergunning van de Commissie vereist is. Deze uitzonderingen houden verband met de in het voorgaande besproken afwijkingen en vrijstellingen. Daarnaast mogen tot eind 2019 ook HCFKs worden ingevoerd die in de EU worden herverpakt en vervolgens wederuitgevoerd naar een land waar HCFKs niet verboden zijn.

De Commissie stelt jaarlijks de kwantitatieve beperkingen vast voor ingevoerde ODS en wijst quota toe, op basis van door de importeurs meegedeelde verwachtingen over de aard en hoeveelheid van de benodigde stoffen (art. 16).[792]

Ook voor de uitvoer van de onder de Verordening vallende stoffen, producten en apparaten geldt een algemeen verbod met uitzonderingen (art. 17). Naast de uitzonderingen die zijn gerelateerd aan toegestane vormen van gebruik, geldt het uitvoerverbod ook niet voor:

  • nieuw geproduceerde of geregenereerde HCFKs;

  • methylbromide dat wederuitgevoerd wordt voor quarantainedoeleinden of toepassingen voorafgaand aan het vervoer (tot eind 2014);

  • CFKs bevattende dosisinhalatoren waarvan het gebruik op grond van Verordening 2037/2000 toegestaan is.

De Commissie kan op verzoek van een lidstaat (en met voorafgaande kennisgeving aan het land van invoer) toestemming geven voor de uitvoer van producten en apparaten die HCFKs bevatten, indien het verbieden van de uitvoer voor de exporteur een onevenredig zware belasting zou betekenen.

Voor uitvoer van de uitgezonderde stoffen, producten en apparaten is een vergunning van de Commissie vereist.

De Commissie is belast met het opzetten en beheren van een elektronisch vergunningen­systeem. In artikel 18 van de Verordening staan de bij een vergunningaanvraag te volgen procedure en de door de aanvrager te verstrekken informatie beschreven. De Commissie kan de aanvraag afwijzen als die in strijd is met de eisen van de Verordening of van het Montreal-protocol. De Commissie kan ook extra maatregelen nemen voor de controle op illegale handel (art. 19).

De handel in onder de Verordening vallende stoffen, producten en apparaten met staten die geen partij zijn bij het Montreal-protocol is verboden (art. 20). De Commissie kan onder bepaalde voorwaarden een uitzondering op dit verbod maken.

De Commissie diende uiterlijk op 1 januari 2010 als richtsnoer voor de douanediensten een lijst beschikbaar te stellen met producten en apparaten die gereguleerde stoffen kunnen bevatten of nodig hebben (art. 21).[793]

Emissiebeheersing

Bij onderhoud of ontmanteling/verwijdering van apparaten met ODS moeten deze stoffen worden teruggewonnen voor vernietiging of voor recycling/regeneratie (art. 22). Dit is in elk geval verplicht voor koelapparatuur, klimaatregelingsapparatuur en warmtepomp­systemen, apparatuur die oplosmiddelen bevat en systemen voor brandbeveiliging en brandblusapparaten. Voor andere apparatuur is het alleen verplicht als het technisch en economisch haalbaar is (waarbij de haalbaarheid moet blijken uit een door de Commissie vast te stellen Bijlage met producten en apparaten). Bij vernietiging moet gebruik worden gemaakt van de technieken die in Bijlage VII vermeld staan, dan wel (bij stoffen uit de groepen VI, VII en IX) van de vanuit milieuoogpunt meest aanvaardbare techniek waarmee geen buitensporige kosten gemoeid zijn. De lidstaten moeten terugwinning, recycling, regeneratie en vernietiging bevorderen en minimumeisen voor de kwalificatie van het betrokken personeel vaststellen.

Ondernemingen dienen lekkage en emissies van ODS te voorkomen of tot een minimum te beperken (art. 23). Als ze gebruik maken van koel-, klimaatregelings- en warmtepomp­apparatuur of brandbeveiligingssystemen moet dat ondermeer gebeuren door middel van regelmatige controles door gekwalificeerd personeel. Deze ondernemingen moeten ook de relevante informatie over de stoffen, het onderhoud en eventuele lekkages registreren. De Commissie kan een lijst met technieken of praktijken vaststellen die gebruikt moeten worden ter voorkoming of minimalisatie van emissies.

Nieuwe stoffen

‘Nieuwe stoffen’, genoemd in deel A van bijlage II, mogen niet geproduceerd, verhandeld of gebruikt worden (art. 24). Het verbod (waarvan de Commissie eventueel vrijstelling kan verlenen) geldt momenteel alleen voor dibroomdifluormethaan (halon-1202), maar de Commissie kan daar zo nodig stoffen uit deel B van Bijlage II aan toevoegen. In deel B staan vier ‘nieuwe’ stoffen: 1-broompropaan , broomethaan, trifluorjood­methaan en chloormethaan. De Commissie kan zo nodig ook stoffen aan deel B toevoegen.

Overige bepalingen

De Verordening voorziet verder in het gebruikelijke Comité, dat de Commissie moet bijstaan bij de uitoefening van haar bevoegdheden (art. 25) en in jaarlijkse rapportages door zowel de lidstaten (art. 26) als door ondernemingen die ODS produceren, importeren, exporteren of vernietigen (art. 27). De lidstaten zijn belast met inspecties op de naleving van de Verordening, eventueel met ondersteuning van de Commissie (art. 28). Zij moeten ook zorgen voor ‘doeltreffende, evenredige en afschrikkende’ sancties (art. 29).

6.4.5 Achtergrond en totstandkoming van de Verordening

In 1974 werd voor het eerst de hypothese naar voren gebracht dat het vrijkomen van CFKs kon leiden tot afbraak van de ozonlaag[794]. In 1979 verboden de Verenigde Staten ieder gebruik van CFKs als drijfgassen in spuitbussen. De reactie van de EU was anders. In 1980 werd bij Beschikking 80/372[795] een bovengrens vastgesteld voor de productiecapaciteit van CFKs en een vermindering met 30 procent van het gebruik van drijfgassen opgelegd. De productiecapaciteit was echter groter dan de productie, aangezien de spuitbusproducenten al bezig waren het gebruik van CFKs op vrijwillige basis te verminderen. De Beschikking had dus vooral symbolische waarde.

In 1985 tekende een groot aantal landen, waaronder verscheidene EU-lidstaten en de Europese Commissie, het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag (zie § ???). Dit is een ‘kaderverdrag’, dat zaken regelt zoals samenwerking op het gebied van monitoring en onderzoek, maar zelf geen verplichtingen oplegt aan de partijen om specifieke maatregelen ter bescherming van de ozonlaag te nemen. Deze zouden moeten worden opgenomen in aparte protocollen.

In de opeenvolgende onderhandelingsronden stemde de EU toe in een reductie van de CFK-productie met 50 procent tegen het einde van de eeuw. Dit werd in september 1987 vastgelegd in het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken. Het Protocol werd geïmplementeerd in de EU door middel van Verordening 3322/88[796].

Kort hierna werd duidelijk dat de reducties in het Protocol niet voldoende waren[797]. In juni 1990 tekenden meer dan 60 landen in Londen een gewijzigd Protocol, waarin stond dat CFKs in het jaar 2000 uitgebannen moesten zijn. In december 1990 bereikte de EU overeenstemming over Verordening 594/91[798], die nog verder ging dan het Protocol.

In maart 1992 werd de Raad het in principe eens over een complete uitbanning van CFKs en andere ozonlaag-aantastende stoffen in de EU tegen het eind van 1995. Dit was een reactie op nieuwe wetenschappelijke aanwijzingen voor een versnelde afbraak van de ozonlaag, vooral op het Noordelijk Halfrond. Deze aanwijzingen leidden er ook toe dat het Protocol voor de tweede keer werd gewijzigd tijdens een vergadering in Kopenhagen in november 1992. De data voor de uitbanning van sommige stoffen werden vervroegd en er werden beperkingen toegevoegd voor HCFKs en methylbromide. In december 1992 nam de Raad Verordening 3952/92[799] aan, die verder ging dan de in Kopenhagen aangebrachte wijzigingen. De data voor de uitbanning in de EU van de stoffen die al onder Verordening 594/91 vielen werden vervroegd. Vervolgens voegde Verordening 3093/94[800] bepalingen toe betreffende methylbromide, HCFKs en HBFKs.

Ter implementatie van de verplichtingen die de Gemeenschap als partij bij het Montreal Protocol is aangegaan op de vergaderingen in 1995 en 1997 is Verordening 2037/2000 tot stand gekomen. Deze Verordening was gebaseerd op de ervaringen met Verordening 3093/94 en de vooruitgang in de beschikbaarheid van alternatieve stoffen en ging verder dan de aangegane verplichtingen.

Eind 2006 is begonnen met de voorbereiding van een herziening van Verordening 2037/2000, die inmiddels al enkele malen was gewijzigd in verband met nieuwe ontwikkelingen. Naast het vereenvoudigen en stroomlijnen van de Verordening was de naleving van het in 2007 aangepaste Montreal-protocol (waarbij HCFKs versneld zouden worden uitgefaseerd) een belangrijke doelstelling van de herziening.

In augustus 2008 presenteerde de Commissie het voorstel voor een nieuwe Verordening. Dat voorzag ondermeer in een vrijwel volledig verbod op het gebruik van methylbromide en een ‘uitfasering’ van HCFKs vóór 2020. Het Europees Parlement (met als rapporteur de Nederlander Blokland) wilde die termijn verkorten en al in 2015 korte metten maken met de HCFKs, maar de lidstaten (onder Tsjechisch voorzitterschap) weigerden daarmee akkoord te gaan. [801]Wel werd ingestemd met een sneller verbod (2010 i.p.v. 2015) op het gebruik van methylbromide voor ‘quarantainedoeleinden of toepassingen voorafgaand aan het vervoer’. In maart 2009 werd een akkoord bereikt over de nieuwe Verordening.

6.4.6 De omzetting in nationale regelgeving

Een Verordening is rechtstreeks bindend en behoeft derhalve geen omzetting in nationale regelgeving. Niettemin gelden er in Nederland, naast de bepalingen van Verordening 1005/2009, een aantal nationale regelingen met betrekking tot ozonlaagaantastende stoffen, voornamelijk met het oog op de uitvoering, het toezicht op de naleving en de handhaving van de bepalingen van de Verordening. De belangrijkste daarvan zijn:.

  • het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen milieubeheer[802];

  • de Regeling lekdichtheid koelinstallaties in de gebruiksfase 2006[803], waarin regels staan voor controle, onderhoud en registratie;

  • de Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties op schepen[804];

  • de Regeling gefluoreerde broeikasgassen en gereguleerde stoffen koelinstallaties[805], waarin eisen worden gesteld aan de examinering en diplomering van personen en de certificering van bedrijven die werkzaamheden verrichten aan koelinstallaties waarbij gefluoreerde broeikasgassen of ODS vrij kunnen komen; deze Regeling dient mede ter implementatie van Verordening 842/2006 (zie § ???);

  • het Besluit beheer elektrische en elektronische apparatuur[806], dat ondermeer een handelsverbod voor (H)CFK-houdende koel- en vriesapparatuur bevat;

  • de Inzamelingsregeling CFK en halonen[807], waarmee werd beoogd de Nederlandse voorraden CFK en halonen op zo kort mogelijke termijn op een voor het milieu aanvaardbare wijze te doen verwerken en die met het oog daarop voorzag in een (tot eind 2003 geldende) subsidieregeling.

6.4.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Nederland heeft al spoedig na de totstandkoming van het Protocol van Montreal stappen genomen om de productie en het gebruik van ozonlaagaantastende stoffen drastisch te beperken. In juni 1990 ging het CFK-Aktieprogramma[808] van start, een samenwerkings­project van overheid en bedrijfsleven voor het reduceren van het gebruik van CFKs en halonen tot (vrijwel) nihil in 1995. De totstandkoming van dit programma was mede te danken aan het feit dat de industrie (waaronder in Nederland gevestigde CFK-producenten) inmiddels diverse alternatieven voor CFKs had ontwikkeld. In 1996 bleek de doelstelling van het CFK-Aktieprogramma inderdaad gerealiseerd te zijn.[809] Sinds 1995 worden er in Nederland geen (nieuw geproduceerde) CFKs en halonen meer verkocht[810] en sinds 2006 is ook de productie van CFKs in ons land beëindigd.[811] In 2008 werd in Nederland nog ruim 800 ton (uitgedrukt in ‘ozone depleting potential’, ODP) HCFKs geproduceerd; dat is ruim 13% minder dan in 1997 (het referentiejaar voor de productievermindering; zie tabel 6.4.1).[812]

Ook op het gebied van andere ozonlaagaantastende stoffen heeft Nederland al maatregelen getroffen voordat EU-regelgeving van kracht werd. Zo is het gebruik van methylbromide als grondontsmettingsmiddel in Nederland al sinds 1992 verboden.

De VROM-Inspectie heeft van 2003 tot 2006 landelijk gecontroleerd of de regels van het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen en van de inzamelingsregeling CFK en halonen correct zijn nageleefd. Het naleefgedrag bij de zogenoemde stationaire blusgasinstallaties met halonen (in gebouwen, bedrijven en kantoren e.d.) lag nagenoeg op 100%. In de scheepvaart, bij de baggersector en de koopvaardij was het naleefgedrag ook nagenoeg 100%. Wel waren er nog 80 schepen met een halon blusgasinstallatie aan boord.[813]

Toezicht op de invoer en uitvoer van ozonlaagaantastende stoffen is met name een taak van de douane. Illegale handel in CFKs komt regelmatig voor, ook in (of via) Nederland. In april 2002 werden bijvoorbeeld in de havens van Amsterdam en Delfzijl ondermeer CFK-houdende koelkasten, bestemd voor illegale export aangetroffen.[814] In januari 2006 werden bij controles in het kader van het internationale ‘Seaports’-project opnieuw CFK-houdende koelkasten met bestemming Afrika onderschept.[815]

Een ander probleem dat zich in de praktijk voordoet zijn de lekverliezen van (H)CFKs. Zo bleek bij zeeschepen in de jaren 2002 t/m 2004 jaarlijks gemiddeld 35% van de ozonlaagaantastende koudemiddelen weg te lekken.[816] Geen enkele gecontroleerde rederij voldeed volledig aan de wettelijke voorschriften aangaande het beheer en de emissie van koudemiddelen.

De concentratie van ozonlaagaantastende stoffen in de atmosfeer neemt de laatste jaren langzaam af. Waarschijnlijk is ook de concentratie in de stratosfeer van stoffen die de ozonlaag aantasten over het maximum heen. Een volledig herstel van de ozonlaag zal meer dan 50 jaar duren..[817]

6.4.8 Verdere ontwikkelingen

N.v.t.

Referenties

Alfenaar, K. (2004), Vooral vistrawlers lekken koudemiddelen. Handhaving 20 (1), januari 2004, p. 32-33.

Benedick, R.E. (1991). Ozone diplomacy. Harvard University Press.

CBS/RIVM (1999). Milieucompendium: het milieu in cijfers. Samsom, Alphen aan den Rijn.

Molina, M.J., and F.S. Rowland (1974). Stratospheric sink for chlorofluoromethanes, chlorine atom-catalysed destruction of ozone. Nature 249, pp. 810-812.

Stratospheric Ozone Review Group (1988). 2nd Report: Stratospheric ozone 1988. HMSO, Londen.

[791] Bij de wijziging van Bijlage VI (d.m.v. Verordening 744/2010/EU) heeft de Commissie voor elke toepassing een ‘afsluitingsdatum’ (de datum waarna halonen niet meer in nieuwe apparatuur en nieuwe installaties mogen worden gebruikt) en een ‘einddatum’ (de datum waarna halonen niet meer gebruikt mogen worden en waarna brandblusapparatuur en brandbeveiligingssystemen die halonen bevatten buiten gebruik moeten zijn gesteld) vastgesteld. De meeste ‘afsluitingsdata’ zijn eind 2010 of eind 2011 (voor enkele toepassingen in vliegtuigen: 2014 of 2018). De ‘einddata’ lopen tot uiterlijk 2040.

[792] De invoerquota voor 2010 zijn door de Commissie vastgesteld bij Besluit 2010/209/EU (PbEU L89, 9.4.2010).

[793] De Commissie heeft deze lijst gepubliceerd op http://ec.europa.eu/environment/ozone/pdf/list_cn_codes.pdf.

[794] Molina and Rowland (1974).

[795] PbEG L90, 3.4.1980.

[796] PbEG L297, 31.10.1988.

[797] Stratospheric Ozone Review Group (1988).

[798] PbEG L67 14.3.1991.

[799] PbEG L405 31.12.1992.

[800] PbEG L333 22.12.1994.

[801] ENDS Europe 09.03.2009.

[802] Stb. 2003, 360; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 308.

[803] Stcrt. 2006, 235.

[804] Stcrt. 1997, 122; citeertitel gewijzigd bij Stcrt. 2006, 235.

[805] Stcrt. 2009, 14412, gewijzigd bij Stcrt, 2009, 19618.

[806] Stb. 2004, 340, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2008, 160.

[807] Stcrt. 2002, 167; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 14412.

[808] TK 21 137, nr. 25.

[809] Brief van de minister van VROM aan de Tweede Kamer, TK 21 137, nr. 116.

[810] CBS/RIVM (1999), p. 99.

[813] ‘Uitfasering CFK’s en halonen’. Informatieblad VROM-Inspectie, maart 2006.

[814] Persbericht Ministerie van VROM, 30 mei 2002.

[815] IMPEL (2006), IMPEL-TFS Seaport project II: International Cooperation in Enforcement Hitting Illegal Waste Shipments' project report, September 2004 – May 2006. European Union Network for the Implementation and Enforcement of Environmental Law (IMPEL), June 2006.

[816] VROM-Inspectie (2006), Lekkages van ozonlaagafbrekende en broeikasgassen uit koelinstallaties in zeeschepen.VROM-Inspectie Regio Zuid-West, Rotterdam.