Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

6.5 Emissies afkomstig van voertuigen en mobiele machines

6.5.1 Overzicht van EU-regelgeving

Personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen

715/2007/EG (PbEU L171, 29.6.2007)

voorgesteld 21.12.2005, COM(2005) 683

Verordening betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfs­voertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie

692/2008/EG (PbEU L199, 28.7.2008)

Verordening van de Commissie tot uitvoering en wijziging van Verordening 715/2007

Rechtsgrondslag

Art. 95 EG-verdrag (thans art. 114 VwEU)

Bindende termijnen

Euro 5 normen (typegoedkeuring)

1 september 2009*

Euro 5 normen (alle nieuwe auto’s)

1 januari 2011**

Euro 6 normen (typegoedkeuring)

1 september 2014*

Euro 6 normen (alle nieuwe auto’s)

1 september 2015*

* Voor vrachtauto’s > 1305 kg 1 jaar later.

** Voor vrachtauto’s > 1305 kg en auto’s voor specifieke sociale behoeften 1 jaar later.

NB: Per 2 januari 2013 worden Richtlijn 70/220 (de voorganger van Verordening 715/2007) en de richtlijnen tot wijziging daarvan ingetrokken.

Zware bedrijfsvoertuigen

595/2009/EG (PB L 188, 18.7.2009)

Verordening betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie

Rechtsgrondslag

Art. 95 EG-verdrag (thans art. 114 VwEU)

Bindende termijnen

Euro VI normen (typegoedkeuring)

31 december 2012

Euro VI normen (alle nieuwe voertuigen)

31 december 2013

NB: Per 31 december 2013 worden Richtlijn 2005/55 (de voorganger van Verordening 595/2009) en de richtlijnen tot wijziging daarvan ingetrokken.

Motorvoertuigen op twee of drie wielen

97/24/EG (PbEG L226 18.8.1997)

Richtlijn betreffende bepaalde onderdelen of eigenschappen van motorvoertuigen op twee of drie wielen

Gewijzigd bij: 2002/51/EG (PbEG L252, 20.9.2002); 2003/77/EG (PbEU L211, 21.8.2003); 2005/30/EG (PbEU L106, 27.4.2005); 2006/27/EG (PbEU L66, 8.3.2006); 2006/72/EG (PbEU L227, 19.8.2006); 2009/108/EG (PbEU L213, 18.8.2009)

Landbouw- en bosbouwtrekkers

2000/25/EG (PbEG L173, 12.7.2000)

Richtlijn inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers

Gewijzigd bij: 2005/13/EG (PbEU L55, 1.3.2005)

Niet voor de weg bestemde mobiele machines

97/68/EG (PbEG L59 27.2.1998)

voorgesteld 7.12.1995 – COM(95)350

Richtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van veront­reinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines

Gewijzigd bij: Richtlijnen 2001/63/EG (PbEG L227 23.8.2001); 2002/88/EG (PbEU L35 11.2.2003); 2004/26/EG (PbEU L146, 30.4.2004; gerectificeerde versie in PbEU L225, 25.6.2004); 2006/105/EG (PbEU L363, 20.12.2006); en Verordening 596/2009/EG (PbEU L188, 18.7.2009)

Rechtsgrondslag

Artikel 95 EG-verdrag (thans art. 114 VwEU)

Technische controle (emissietests)

2009/40/EG (PbEU L141, 6.6.2009)

Richtlijn betreffende de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens

Rechtsgrondslag

Artikel 71 EG-verdrag (thans art. 91 VwEU)

6.5.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging

Stb. 1973, 356 (en wijzigingen)

Besluit vervangingskatalysatoren motorvoertuigen luchtverontreiniging

Stb. 2000, 163 (en wijzigingen)

Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging

Stb. 1984, 525 (en wijzigingen)

Besluit typekeuring luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines

Stb. 2001, 41 (en wijzigingen)

Uitvoeringsregeling Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging

Stcrt. 1999, 4; rectificatie: Stcrt. 1999, 26

Regeling uitvoering Besluit typekeuring luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines

Stcrt. 2001, 20 (en wijzigingen)

Regeling voertuigen

Stcrt. Suppl. 2009, 81; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19145

Regeling taken Dienst Wegverkeer

Stcrt, 1996, 125, zoals gewijzigd bij Stcrt. 2002, 170

6.5.3 Doelstelling van de regelgeving

Luchtverontreiniging door voertuigen kan zowel worden gereguleerd door het specificeren van de brandstofsamenstelling als door het specificeren van de kenmerken van het voertuig zelf. De eerstgenoemde benadering vinden we in Richtlijn 98/70, die grenswaarden vaststelt voor een breed scala aan brandstofkwaliteitsparameters (zie § ???). De regelgeving die in de bovenstaande tabel staat opgesomd richt zich direct op de emissies van het voertuig of de motor. In eerste instantie werden er Europese emissie-eisen ingevoerd teneinde te voorkomen dat lidstaten door middel van nationale eisen handelsbarrières opwierpen. Tegenwoordig wordt aan de milieudoelstellingen als zodanig een groter gewicht toegekend.

De motorvoertuigen waarop de regelgeving betrekking heeft zijn geklassificeerd volgens Bijlage II van Richtlijn 2007/46 (zie Tabel 6.5.1).

<!-- --> <!-- -->

Categorie

Aantal zitplaatsen (die van de bestuurder niet meegerekend)

Maximummassa

Categorie M: Voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen

M1

≤ 8

n.v.t.

M2

> 8

≤ 5 ton

M3

> 8

> 5 ton

Categorie N: Voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen

N1

n.v.t.

≤ 3,5 ton

N2

n.v.t.

> 3,5 ton; ≤12 ton

N3

n.v.t.

> 12 ton


De emissie-eisen voor de CO2-uitstoot van personenauto’s zijn vastgelegd in een afzonderlijke Verordening (443/2009; zie § ???).

6.5.4 Samenvatting van de regelgeving

Verordening 715/2007

Met Verordening 715/2007 is een nieuwe benadering geïntroduceerd in de Europese regelgeving voor de emissies van auto’s. Voorheen waren er Richtlijnen, die telkens weer moesten worden aangepast aan de technische ontwikkeling. De Verordening bevat alleen de fundamentele bepalingen, terwijl de technische specificaties worden vastgesteld bij volgens comitologieprocedures genomen uitvoeringsmaatregelen. Dankzij de keuze voor een Verordening als instrument zijn de eisen nu bovendien direct van kracht in iedere lidstaat.

De Verordening heeft betrekking op lichte personen- en bedrijfsauto’s uit de categorieën M1, M2, N1 en N2, met een referentiemassa van maximaal 2610 kg. Op verzoek van de fabrikant kan ook typegoedkeuring worden verleend voor iets zwaardere auto’s (tot 2840 kg) die aan de eisen voldoen (art. 2).

Typegoedkeuring

Alle nieuwe voertuigen in de EU moeten een typegoedkeuring hebben en aan de uitvoerings­­maatregelen van de Verordening voldoen. Dit geldt ook voor nieuwe vervangende emissiebeheersings­systemen. De emissiegrenswaarden waaraan moet worden voldaan staan in Bijlage I van de Verordening (zie Tabel 6.5.2a en 6.5.2b). Fabrikanten moeten er verder voor zorgen dat de auto (bij ‘normaal’ gebruik) na vijf jaar (of, als dat eerder is, na 100.000 km) nog steeds aan de emissie-eisen voldoet. Voor emissiebeheersingssystemen geldt dat ze na 160.000 km nog aan de eisen moeten voldoen. De hiertoe benodigde duurzaamheidstests kunnen worden gedaan op een proefbank (art. 4).

<!-- --> <!-- -->

Categorie

CO

koolwaterstoffen

NOx

deeltjes­massa (PM)*

Totaal

niet-methaan

M1 en M2 alsmede N1 (t/m 1305 kg)

1000

100

68

60

5

N1 (tussen 1305 en 1760 kg)

1810

130

90

75

5

N1 (zwaarder dan 1760 kg) en N2

2270

160

108

82

5


* Alleen van toepassing op voertuigen met directe-injectiemotoren.

NB: Alle in de tabel genoemde grenswaarden gelden vanaf 1 september 2009 voor het verlenen van typegoedkeuring van personenauto’s (M1 en M2) en lichte bedrijfsauto’s (N1 t/m 1305 kg). Vanaf 1 januari 2011 zijn certificaten van overeenstemming die niet aan de grenswaarden voldoen voor deze categorieën niet meer geldig. Voor de overige categorieën (N1 zwaarder dan 1305 kg en N2) zijn de overeenkomstige ingangsdata telkens 1 jaar later. Ook voertuigen voor specifieke sociale behoeften die niet aan de eisen voldoen mogen nog tot 1 januari 2012 worden verkocht. Tot de genoemde ingangsdata gelden nog de eisen van Richtlijn 70/220/EEG. De emissiegrens voor de deeltjesmassa wordt verlaagd tot 4,5 mg/km per 1 september 2011 voor de typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypen en per 1 januari 2013 voor alle nieuwe voertuigen. Een norm voor het deeltjesaantal zal vóór 1 september 2014 worden vastgesteld.

<!-- --> <!-- -->

Categorie

CO (mg/ km)

NOx (mg/km)

som van koolwater­stoffen en NOx (mg/km)

deeltjes-massa (mg/km)

deeltjes­aantal (P) (# /km)

Euro 5 en Euro 6

Euro 5

Euro 6

Euro 5

Euro 6

Euro 5 en Euro 6

Euro 5 en Euro 6

M1 en M2 alsmede N1 (t/m 1305 kg)

500

180

80

230

170

5

6 ∙ 1011

N1 (tussen 1305 en 1760 kg)

630

235

105

295

195

5

6 ∙ 1011

N1 (zwaarder dan 1760 kg) en N2

740

280

125

350

215

5

6 ∙ 1011


NB: De in de tabel genoemde Euro 5 grenswaarden (m.u.v. die voor het deeltjesaantal) gelden vanaf 1 september 2009 voor het verlenen van typegoedkeuring van personenauto’s (M1 en M2) en lichte bedrijfsauto’s (N1 t/m 1305 kg). Vanaf 1 januari 2011 zijn certificaten van overeenstemming die niet aan de grenswaarden voldoen voor deze categorieën niet meer geldig. Tot de genoemde ingangsdata gelden nog de eisen van Richtlijn 70/220/EEG. De ingangsdata voor de Euro 6 grenswaarden zijn voor deze categorieën respectievelijk 1 september 2014 (typegoedkeuring) en 1 september 2015 (geldigheid certificaten van overeenstemming). Voor de overige categorieën (N1 zwaarder dan 1305 kg en N2) zijn de overeenkomstige ingangsdata telkens 1 jaar later. De emissiegrens voor de deeltjesmassa wordt verlaagd tot 4,5 mg/km per 1 september 2011 voor de typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypen en per 1 januari 2013 voor alle nieuwe voertuigen.

Voertuigen moeten zo worden uitgerust dat het voertuig onder normale gebruiks­omstandigheden aan de verordening en de uitvoeringsmaatregelen ervan kan voldoen. Het gebruik van manipulatie-instrumenten die de doelmatigheid van de emissiecontrole­systemen verminderen is (op enkele uitzonderingen na) verboden. De specifieke procedures, tests en voorschriften voor de typegoedkeuring moeten via een comité­procedure worden aangenomen (art. 5).

Toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie

De fabrikanten moeten aan onafhankelijke marktdeelnemers toegang verlenen tot reparatie- en onderhouds­informatie van het voertuig. Daarbij moet in eerste instantie het OASIS-format SC2-D5[818] worden gebruikt . Ook moeten zij relevante informatie verstrekken voor de fabricage en het onderhoud van OBD[819]-compatibele vervangings- en onderhoudsonderdelen en diagnose- en testapparatuur, alsmede ten behoeve van het ontwerp en de fabricage van auto-onderdelen voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden, (art. 6). Zij mogen hiervoor een ‘redelijke en evenredige’ vergoeding vragen (art. 7). Uitvoeringsregels voor deze informatieverplichting (in de vorm van technische specificaties) worden vastgesteld via een comitéprocedure (art. 8). De Commissie dient uiterlijk op 2 juli 2011 verslag uit te brengen over de werking van deze regeling (art. 9).

Verplichtingen van de lidstaten

Op grond van art. 10 mogen de lidstaten de typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypen niet weigeren en de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen niet verbieden als deze aan de verordening voldoen (zie Tabel 6.5.2a en 6.5.2b voor de emissie-eisen en ingangsdata). Voor voertuigen die niet aan de eisen voldoen moet de typegoedkeuring worden geweigerd en de registratie (etc.) worden verboden. Ook moeten de lidstaten de verkoop of montage verbieden van vervangende emissiebehersingssystemen (zoals katalysatoren) zonder typegoedkeuring (art. 11).

Vooruitlopend op het van kracht worden van de nieuwe emissie-eisen mogen de lidstaten financiële stimulansen bieden voor voertuigen die er al aan voldoen, ter grootte van maximaal de meerkosten. Ook kunnen zij het aanpassen van reeds in gebruik zijnde voertuigen en het slopen van voertuigen die niet voldoen subsidiëren (art. 12).

De lidstaten moeten zorgen voor ‘doeltreffende, evenredige en afschrikkende’ sancties op overtreding van de verordening (art. 13).

Verordening 692/2008

Bij deze verordening zijn voorschriften vastgesteld voor de typegoedkeuring en de toegankelijkheid van OBD-, reparatie- en onderhouds informatie, ter uitvoering van Verordening 715/2007.

Verordening 595/2009

Deze Verordening vormt de tegenhanger van 715/2007 voor de zwaardere motor­voertuigen: van de categorieën M1, M2, N1 en N2 met een referentiemassa van meer dan 2610 kg, alsmede van de categorieën M3 en N3 (art. 2). Ook voor deze voertuigen geldt dat een typegoedkeuring vereist is (art. 4). Aan de duurzaamheid van de emissiebeperking worden strengere eisen gesteld: tot 700.000 km (of, indien dit eerder is, 7 jaar) voor de zwaarste voertuigen.

Tabel 6.5.3 toont de Euro VI emissiegrenswaarden, die vanaf 31 december 2012 gelden voor de typegoedkeuring en vanaf 31 december 2013 voor alle nieuwe voertuigen (art. 8). Tot die tijd zijn de normen van Richtlijn 2005/55/EG[820] nog van kracht.

<!-- --> <!-- -->

CO

4000 mg/kWh *

koolwaterstoffen

160 mg/kWh **

NOx

400 mg/kWh

NH3

10 ppm

Deeltjesmassa***

10 mg/kWh


* Bij testen volgens de Europese transiënte cyclus (ETC). Bij testen volgens de Europese stationaire cyclus (ESC) geldt een norm van 1500 mg/kWh.

** Bij testen volgens de Europese transiënte cyclus (ETC). Bij testen volgens de Europese stationaire cyclus (ESC) geldt voor voertuigen met compressieontsteking een norm van 130 mg/kWh. Voor voertuigen met elektrische ontsteking heeft de norm van 160 mg/kWh betrekking op niet-methaan-koolwaterstoffen en geldt geen aparte norm voor de ESC, maar wel een aparte (ETC) norm voor methaan: 500 mg/kWh.

*** Voor het deeltjesaantal zou vóór 1 april 2010 een norm worden vastgesteld.

De Verordening bevat verder met Verordening 715/2007 vergelijkbare bepalingen betreffende zaken als toegankelijkheid van onderhouds- en reparatie-informatie (art. 6), financiële stimulansen (art. 10), sancties (art. 11) en Comitéprocedure (art. 13).

Richtlijn 97/24

Deze richtlijn (zoals gewijzigd) heeft betrekking op motorvoertuigen op twee en drie wielen en bevat, naast een aantal niet-milieugerelateerde normen, test- en typegoedkeuringsprocedures alsmede emissiegrenswaarden voor CO, HC en NOx. Tabel ???4 geeft de thans geldende grenswaarden weer.

<!-- --> <!-- -->

Emissies (g/km)

CO

HC

NOx

HC + NOx

Bromfietsen

2 wielen

1,0

n.v.t.

n.v.t.

1,2

3 wielen + lichte 4-wielers

3,5

n.v.t.

n.v.t.

1,2

Motorfietsen

2 wielen

2,0

0,8*

0,15

n.v.t.

3- en 4-wielers (benzinemotor)

7,0

1,5

0,4

n.v.t.

3- en 4-wielers (dieselmotor)

2,0

1,0

0,65

n.v.t.


* Voor motoren ≥ 150 cc: 0,3.

Richtlijn 2000/25

Deze richtlijn (zoals gewijzigd) stelt grenswaarden vast voor de emissies van CO, HC, NOx en deeltjes van motoren die in landbouw- en bosbouwtrekkers worden gebruikt. De grenswaarden komen overeen met die voor niet voor de weg bestemde machines, zoals vastgelegd in de hierna genoemde Richtlijn 97/68 (zie Tabel ???5).

<!-- --> <!-- -->

fase

CO

Koolwaterstoffen (HC)

NOx

HC + NOx

Deeltjes

Motoren met compressieontsteking

Voor binnenschepen

IIIA

5

7,2 – 11*

0,2 – 0,5*

Voor treinstellen

IIIA

3,5

4

0,2

IIIB

0,19

2

0,025

Voor locomotieven

IIIA

3,5

0,5; 0,4**

6; 7,4**

4***

0,2

IIIB

4

0,025

Overige motoren

IIIA

3,5 – 5,5*

4 – 7,5*

0,2 – 0,6*

IIIB en IV

0,19****

0,4****

4,7 – 7 *****

0,025

Motoren met elektrische ontsteking (netto vermogen ≤ 19 kW)

Voor handapparatuur

603 – 805******

10

50 – 72******

Voor niet-handapparatuur

610

10

12,1 – 50******


* Waarde varieert afhankelijk van cilinderinhoud en netto vermogen.

** De eerstgenoemde waarde geldt voor motoren met een netto vermogen van meer dan 560 kW; de laatstgenoemde voor motoren met een nettovermogen van meer dan 2000 kW en een slagvolume van meer dan 5 liter per cilinder.

***Voor motoren met een netto vermogen tussen 130 en 560 kW.

****Voor motoren met een netto vermogen van 56 kW of meer.

**** *Voor motoren met een netto vermogen van minder dan 56 kW; waarde varieert afhankelijk van vermogen.

****** Waarde varieert afhankelijk van slagvolume.

Richtlijn 97/68

Deze Richtlijn (zoals gewijzigd) stelt grenswaarden vast voor de emissies van CO, HC, NOx en deeltjes van (diesel)motoren in niet voor de weg bestemde mobiele machines, inclusief motoren die in binnenvaartschepen en locomotieven worden gebruikt. Deze normen worden gefaseerd ingevoerd; de uiteindelijk te bereiken waarden staan vermeld in Tabel ???5. De Richtlijn voorziet in een ‘flexibele regeling’, waarbij een motorenfabrikant in de periode tussen twee opeenvolgende stadia van grenswaarden een beperkt aantal motoren in de handel mag brengen die alleen voldoen aan de emissiegrenswaarden uit het vorige stadium.

Richtlijn 2009/40

Deze richtlijn bepaalt dat in elke lidstaat de in die staat geregistreerde motorvoertuigen, alsmede hun aanhangwagens en opleggers, een periodieke technische controle moeten ondergaan. Tot de verplichte controlepunten behoren ondermeer de uitlaatemissies. Naast deze richtlijn is er een aparte richtlijn (2000/30/EG[821]) die voorschriften bevat voor de uitvoering van technische controles langs de weg van bedrijfsvoertuigen.

6.5.5 Achtergrond en totstandkoming van de regelgeving

Personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen

De manier waarop de Gemeenschap de regulering van voertuigemissies benaderde is aan het begin van de jaren ’80 veranderd door de groeiende bezorgdheid over de effecten van ‘zure regen’ op de gezondheid van de Noordeuropese bossen, en vervolgens door veranderingen in het EU-besluitvormingsproces als gevolg van de Europese Akte (zie § ???). Tot 1983 was het EU-beleid op dit gebied gebaseerd op normen die ontwikkeld waren door een werkgroep van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (UNECE), en die in principe toegepast konden worden in alle Europese landen. Normen van de UNECE zijn niet bindend, maar wijzigingen kunnen alleen aangebracht worden als alle landen die de oorspronkelijke regels aangenomen hebben daarmee instemmen. De vroege EU-Richtlijnen volgden de UNECE-normen en waren bedoeld om ervoor te zorgen dat er geen lidstaten waren die strengere eisen stelden, zodat de ontwikkeling van handelsbarrières werd voorkomen. Lidstaten konden zelf bepalen of ze de normen al dan niet invoerden. De normen waren dezelfde voor alle auto’s, ongeacht hun cilinderinhoud.

Deze betrekkelijk oncontroversiële benadering kwam tot een einde in 1983, toen de Westduitse regering aankondigde eenzijdig te zullen eisen dat alle auto’s vanaf 1986 met driewegkatalysatoren moesten worden uitgerust en in de tussentijd belastingvoordelen voor schonere auto’s te bieden. Het Duitse standpunt, dat een bedreiging vormde voor de eenheid van de Europese automarkt, werd ondersteund door Denemarken en Nederland, maar krachtig bestreden door Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk. De auto-industrieën in laatstgenoemde landen produceerden relatief kleine auto’s, en zij verwachtten dat hun concurrentiepositie relatief sterk te lijden zou hebben als er dure katalysatoren aangebracht zouden moeten worden. In plaats daarvan pleitten zij voor de ontwikkeling van de ‘arme mengsel’ motor als een alternatieve methode van vervuilingsbestrijding.

In juni 1984 kwam de Commissie met een voorstel[822] voor verdere reducties van voertuigemissies, teneinde een eenzijdige Duitse actie te voorkomen. Het was gekoppeld aan een ander voorstel, dat betrekking had op de invoering van ongelode benzine, en dat naderhand is aangenomen als Richtlijn 85/210. Over de voorgestelde emissienormen werd heftig gestreden, maar in 1985 bereikten de Milieuministers een compromis. Daarin werden verschillende grenswaarden vastgesteld voor grote, middelgrote en kleine auto’s, waarbij alleen voor grote auto’s de toepassing van driewegkatalysatoren nodig was om aan de eisen te voldoen. Dit maakte het mogelijk om voor middelgrote en kleine auto’s door te gaan met de ontwikkeling van de ‘arme mengsel’ technologie.

De onderhandelingen over de ontwerp-Richtlijn werden beïnvloed door de ratificatie in juli 1987 van de Europese Akte. Deze maakte voor maatregelen die betrekking hadden op de voltooiing van de interne markt stemming bij gekwalificeerde meerderheid mogelijk (art. 100a, later art. 95 van het EG-verdrag en thans art. 114 VwEU)). In december 1987 werd deze mogelijkheid voor het eerst voor een milieu-Richtlijn gebruikt: de tegenstanders van het compromis dolven het onderspit in de Raad en Richtlijn 88/76 werd formeel aangenomen.

De voorstellen voor ‘tweede fase’ reducties voor kleine auto’s[823] bleken even omstreden te zijn. De uitkomst van de discussie werd in belangrijke mate beïnvloed door de manier waarop het Europees Parlement gebruik maakte van de ‘samenwerkingsprocedure’, die door de Europese Akte ingevoerd was. De Raad had in 1988 een Gemeenschappelijk Standpunt aangenomen, dat inhield dat er normen zouden komen waarmee het gebruik van katalysatoren niet verplicht zou worden. In april 1989 wijzigde het Parlement het voorstel in tweede lezing en op basis van deze wijziging herzag de Commissie het voorstel zodanig dat geregelde driewegkatalysatoren de facto verplicht zouden worden. Deze wijziging kon alleen teruggedraaid worden tot het hetgeen in het Gemeenschappelijk Standpunt was vastgelegd als er unanimiteit in de Raad zou zijn, maar die werd niet bereikt (Nederland behoorde tot de voorstanders van het herziene Commissievoorstel). Aangezien er anders helemaal geen Richtlijn zou komen, aanvaardde de Raad in juni de strengere normen (19 gram per test voor CO en 5 gram per test voor HC plus NOx) in Richtlijn 89/458. Hiermee werd geïllustreerd hoe, na de invoering van de Europse Akte, de Commissie en het Parlement gezamenlijk aanzienlijke druk op de Raad konden uitoefenen, doordat laatstgenoemde een herzien voorstel alleen bij unanimiteit nog kan veranderen. Bovendien hadden de lidstaten onder deze Richtlijn niet langer de keus of en zo ja wanneer zij de nieuwe normen zouden invoeren: ze waren vanaf 1992 verplicht. Tot het tijdstip waarop aan de normen voldaan moest zijn mochten de lidstaten financiële tegemoetkomingen geven aan kopers van auto’s die al aan de toekomstige eisen voldeden, mits de subsidies aanmerkelijk minder waren dan de totale kosten van de emissiebeperkende voorzieningen.

De met Richtlijn 89/458 bereikte overeenstemming over strenge normen voor kleine auto’s maakte de weg vrij voor een aanzienlijke aanscherping van de emissie­grenswaarden voor middelgrote en grote auto’s. In december 1991 ging de Raad akkoord met een Commissievoorstel[824], waarin per 31 juli 1992 voor alle nieuwe modellen auto’s emissie-eisen gesteld werden die ongeveer gelijkwaardig waren aan die in de VS. De Richtlijn (91/441) bevatte identieke emissie-eisen voor grote, middelgrote en kleine auto’s. In de testcyclus werden voor het eerst ook snelweg- en buitenwegverkeer tot uitdrukking gebracht. Opnieuw heeft het Europees Parlement zijn stempel op de Richtlijn gedrukt, ook al behaalden voorstellen van Parlementsleden voor nog strengere eisen geen absolute meerderheid.

Na de invoering van katalysatoren voor alle benzine-auto’s, voortvloeiend uit de Richtlijnen 91/441 en 94/12, betoogde de auto-industrie dat de kosten van deze maatregelen excessief begonnen te worden. Bovendien, zo stelde men, werd er vanuit het beleid meer gekeken naar het verbeteren van de voertuigtechnologie dan naar schonere brandstoffen. Ook zou de ‘beste beschikbare technologie’-benadering leiden tot kosten die de additionele baten te boven gingen en zouden andere maatregelen (zoals verbeterde inspecties en onderhoud) over het hoofd gezien worden. In reactie hierop kwam de Commissie, deels naar het voorbeeld van een eerder Amerikaans programma, met het zogenaamde Europese Auto/Olie-programma (zie § ???). Hiermee werd een belangrijke nieuwe benadering van normstelling geïntroduceerd. In 1996 leidde het Auto/Olie-programma tot nieuwe voorstellen betreffende auto’s en brandstofkwaliteit. Ondanks de verbeterde analytische benadering van het vaststellen van grenswaarden was de aanname van deze voorstellen toch nog een langdurig en controversieel proces. Dit wordt, inclusief de ontwikkeling van Richtlijn 98/69, beschreven in § ???.

Richtlijn 98/69 voorzag in de toepassing van OBD-systemen bij motoren met elektrische ontsteking. Bij de ontwikkeling van de Richtlijn was men ervan uitgegaan dat het daarbij alleen om benzine-auto’s zou gaan, maar feitelijk betreft dit ook auto’s die op LPG of aardgas lopen. Omdat de OBD-technologie voor laatstgenoemde brandstoffen nog niet ver genoeg ontwikkeld was, werd bij Richtlijn 2001/1 de toepassing van OBD-systemen bij LPG- en aardgasauto’s uitgesteld tot 2003.

Richtlijn 98/69 introduceerde niet alleen standaard operationele emissielimieten voor lichte voertuigen, maar ook grenswaarden voor de ‘koude start’, dat wil zeggen de toegestane emissis gedurende de beginfase van een rit, als de katalysator nog niet voldoende is opgewarmd om efficiënt te werken. In eerste instantie had deze test alleen betrekking op lichte voertuigen, maar door middel van Richtlijn 2001/100, die zonder veel controverses werd aangenomen, werden de eisen ook van toepassing op grotere auto’s (tot 2,5 ton) en bedrijfswagens (tot 3,5 ton).

De Gemeenschappelijke normen werden vroeger nogal ad hoc ontwikkeld voor verschillende soorten voertuigen en luchtverontreinigende stoffen, maar in het kader van de ‘Auto/Olie’-programma’s is een meer samenhangend systeem tot stand gekomen. De Thematische Strategie Luchtverontreiniging uit 2005 kwam tot de conclusie dat verdergaande emissiereducties nodig waren, ondermeer op het gebied van voertuigemissies. Dit heeft geleid tot de ‘Euro 5’ en ‘Euro 6’ normen voor personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen, zoals vastgelegd in Verordening 715/2007, en tot de ‘Euro V’ en ‘Euro VI’ normen voor zware bedrijfsvoertuigen (zie hierna).

Zware bedrijfsvoertuigen

Richtlijn 1999/96, het laatste stuk wetgeving dat voortvloeide uit ‘Auto/Olie I’, legde aangescherpte emissienormen vast voor zware bedrijfsvoertuigen. Net als in Richtlijn 98/69 werden emissiegrenswaarden vastgesteld voor 2000 en 2005. De Commissie had in haar voorstel[825] alleen grenswaarden voor 2000 opgenomen, omdat ze wilde wachten op de uitkomsten van nader onderzoek (onder ‘Auto/Olie II’) alvorens normen voor 2005 voor te stellen. Ondanks bezwaren van de Commissie maakte het Parlement zich sterk voor het vaststellen van bindende normen voor 2005, zodat het erop leek dat het voorstel in een conciliatieprocedure terecht zou komen. De Milieuraad van december 1998 bereikte echter onverwachts politieke overeenstemming over het voorstel, waarin (zoals het Parlement wenste) bindende grenswaarden voor 2005 waren opgenomen. De Raad ging zelfs verder door de grenswaarde voor deeltjes voor 2005 aan te scherpen en een strengere norm voor NOx voor 2008 toe te voegen. De Commissie aanvaardde het Gemeenschappelijk Standpunt, maar in tweede lezing wilde de Milieucommissie van het Parlement het voorstel nog strenger maken door de laatstgenoemde eis te vervroegen naar 2006. Het Parlement verwierp dit voorstel echter, om een conciliatieprocedure te vermijden.

Richtlijn 2005/55 consolideerde de verschillende Richtlijnen voor zware bedrijfsvoertuigen en is inmiddels zelf alweer vervangen door Verordening 595/2009, waarin de ‘Euro V’ en ‘Euro VI’ normen zijn vastgelegd.

Motorvoertuigen op twee of drie wielen

Richtlijn 97/24 was het eerste stuk EU-wetgeving dat emissie-eisen voor motor­voertuigen op twee en drie wielen vastlegde. In de eerste fase van het Auto/Olie-programma was er geen aandacht aan motorfietsen besteed. Dat was een duidelijke omissie. Dit werd onderstreept toen tijdens de tweede fase uit modellen bleek dat het aandeel van motorfietsen in de emissies van het wegvervoer (met name van CO en koolwaterstoffen) snel steeg en in 2010 meer dan 10 procent zou bedragen, hoewel het aandeel van deze voertuigen in de vervoersprestatie slechts 2 à 3 procent zou zijn. Dit had te maken met het feit dat er aanzienlijke verbeteringen van de emissienormen voor andere voertuigen in de pijplijn zaten (zie boven).

In juni 2000 publiceerde de Commissie daarom een voorstel tot wijziging van de emissiegrenswaarden van Richtlijn 97/24.[826] Het ging daarbij om verplichte normen voor 2003 en facultatieve normen voor 2006. De Commissie koos ervoor om laatstgenoemde normen niet verplicht te maken, omdat ze deze pas in een later stadium definitief wilde vaststellen, gebaseerd op een (in UNECE-verband te ontwikkelen) wereldwijd geharmo­ni­seerde testcyclus. Niettemin wilde de Commissie de fabrikanten alvast een idee geven welke kant haar beleid op ging. In zijn eerste lezing van het voorstel verwierp het Europees Parlement deze benadering en pleitte ervoor ook de grenswaarden voor de tweede fase verplicht te maken. Ook moest volgens het Parlement de emissie-eis voor koolwaterstoffen voor fase 1 iets strenger worden (1,0 g/km in plaats van 1,2 g/km), moesten er meer mogelijkheden voor financiële stimulansen voor ‘schone’ motorfietsen komen en zouden vanaf 2006 op grote motorfietsen OBD-systemen verplicht moeten worden. Verder vond het Parlement dat de Commissie diende bij te dragen aan de ontwikkeling van een geharmoniseerde maatregel voor CO2-emissies van motorfietsen.

In mei 2001 publiceerde de Commissie een gewijzigd voorstel[827]. Daarin waren de door het Parlement voorgestelde wijzigingen betreffende verplichte grenswaarden voor 2006 en verplichte OBD-systemen niet overgenomen. Wel erkende de Commissie het nut van het ontwikkelen van een gemeenschappelijke meetmethode voor CO2-emissies en aanvaardde de desbetreffende amendementen. Ook de Raad verwierp in zijn Gemeenschappelijk Standpunt in juli 2001 de voorstellen voor verplichte eisen voor 2006, maar nam wel de door het Parlement voorgestelde strengere emissie-eis voor grote motorfietsen in fase 1 over. Ook ondersteunde hij de wens van het Parlement om te komen tot een geharmoniseerde wijze van CO2-meting en riep de Commissie op om daartoe een methodologie te ontwikkelen. Het Parlement maakte zich in tweede lezing in december 2001 opnieuw sterk voor verplichte eisen voor 2006, waardoor conciliatie-onderhandelingen onvermijdelijk werden. Deze begonnen in gebruari 2002 en eindigden de maand daarop met een akkoord over bindende eisen voor 2006, waarbij gedurende een overgangsperiode twee testcycli parallel gebruikt zouden kunnen worden. Ook kwamen Parlement en Raad overeen dat motorfietsen zo snel mogelijk opgenomen zouden moeten worden in de strategie van de Commissie ter beperking van de CO2-emissies van auto’s. In september 2002 werd Richtlijn 2002/51 van kracht.

Niet voor de weg bestemde mobiele machines en trekkers

Terwijl de emissiegrenswaarden voor wegvoertuigen steeds verder werden aangescherpt wezen studies erop dat andere soorten motoren een aanzienlijke en groeiende bijdrage aan de totale emissies leverden. Met het oog hierop werd Richtlijnen 97/68 in het leven geroepen. Deze Richtlijn betrof in eerste instantie alleen motoren in machines en werktuigen die te land gebruikt worden, met een vermogen tussen 18 en 560 kW. Richtlijn 2000/25 zorgde ervoor dat de eisen van 97/68 ook van toepassing werden op landbouw- en bosbouwtrekkers (waarvoor de eisen sinds 77/537 niet meer gewijzigd waren).

Richtlijn 97/68 is in nauwe samenwerking met het Amerikaanse Environmental Protection Agency tot stand gekomen, teneinde een wereldwijde afstemming van emissiegrenswaarden tot stand te brengen. In december 2000 publiceerde de Commissie een voorstel om 97/68 uit te breiden tot kleine benzinemotoren in niet voor de weg bestemde mobiele werktuigen, zoals pompen, compressoren, sneeuwblazers, kettingzagen en allerlei tuingereedschap. De emissies van zulke apparatuur waren nog niet aan regels onderworpen en droegen onevenredig veel bij aan de totale emissies van koolwaterstoffen en deeltjes. Hoewel er geen kosten-effectiviteitsanalyse voor de Europese situatie was uitgevoerd, stelde de Commissie dat de kosten in de EU lager zouden zijn dan ze in de VS waren geweest, omdat voor de fabrikanten dezelfde normen zouden gaan gelden op beide markten. Na de nodige discussies in Parlement en Raad werd het voorstel aangenomen als Richtlijn 2002/88, die in februari 2003 van kracht werd.

Intussen werkte de Commissie al aan een voorstel voor scherpere emissie-eisen. Dit voorstel werd in december 2002 gepubliceerd en behelsde aanpassing van de EU-normen aan die in de VS, in twee fasen. Daarbij werd ook de ondergrens van het motorvermogen verlaagd naar 19 kW , en kwamen ook kleine motoren (< 560 kW) in locomotieven en binnenvaartschepen onder de Richtlijn te vallen. Het voorstel was weinig controversieel en mondde uit in Richtlijn 2004/26. Met Richtlijn 2005/13 werden de emissie-eisen voor trekkers op één lijn gebracht met die van 2004/26.

6.5.6 De omzetting in nationale regelgeving

Tot voor kort waren de Europese regels betreffende voertuigemissies vooral in richtlijnen vastgelegd, welke in nationale regelgeving moesten worden omgezet. De Verordeningen 715/2007, 692/2008 en 595/2009 zijn in Nederland rechtstreeks van toepassing en behoeven derhalve geen omzetting meer. Wel zijn aanvullende regels nodig, gericht op de uitvoering ervan.

Het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging[828] verbiedt het bedrijfsmatig invoeren of vervaardigen van motorrijtuigen zonder typegoedkeuring. Ook bepaalt het dat de onderdelen van een motorrijtuig die van invloed zijn op de uitworp van verontreinigende stoffen zodanig moeten zijn ontworpen, geconstrueerd en gemonteerd, dat zij onder normale gebruiksomstandigheden gedurende de normale levensduur van het motorrijtuig hun goede werking zullen behouden. Bij ministeriële regeling[829] is de Rijksdienst voor het Wegverkeer aangewezen als nationale keuringsinstantie. In de Regeling keuringsvoorschriften typekeuring motorvoertuigen luchtverontreiniging[830] en de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging[831] zijn de voorschriften nader uitgewerkt. Het Besluit vervangings­katalysatoren motorvoertuigen luchtverontreiniging[832] bevat een verbod op niet-goedgekeurde vervangingskatalysatoren .

Het Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging[833] en het daarop gebaseerde Keuringsreglement typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging[834] alsmede een ministeriële regeling[835] bevatten de vergelijkbare regelgeving voor bromfietsen.

De richtlijnen voor trekkers (2000/25) en mobiele machines (97/68) zijn geïmplementeerd in het Besluit typekeuring luchtverontreiniging trekkers en motoren voor mobiele machines[836] en de bijbehorende uitvoeringsregeling[837]. Wijzigingen van de richtlijnen werken d.m.v. ‘dynamische verwijzing’ automatisch door in het genoemde Besluit.

De bepalingen ten aanzien van de periodieke keuringen (Richtlijn 2009/40 en haar voorganger, 96/96) zijn geïmplementeerd in hoofdstuk 5 en Bijlage VIII van de Regeling voertuigen[838]. Het verrichten van inspecties van de uitlaatemissies bij technische controles langs de weg van bedrijfsvoertuigen, ter uitvoering van Richtlijn 2000/30, is opgedragen aan de Dienst Wegverkeer.[839]

6.5.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

De voortschrijdende Europese normstelling voor motorvoertuigen en mobiele machines heeft ertoe bijgedragen dat de emissies van deze bronnen sinds 1990 aanzienlijk zijn gedaald[840], ondanks een forse toename in de omvang van het wegverkeer (zie Tabel 6.5.8). Naast deze normstelling hebben ook verschillende subsidieregelingen en fiscale prikkels de verkoop van ‘schonere’ voertuigen en het ‘schoner’ maken van bestaande voertuigen (bijvoorbeeld door het aanbrengen van een roetfilter) bevorderd.

Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de feitelijke emissies aanzienlijk hoger kunnen liggen dan de berekende. Zo lieten metingen door TNO in 2009 zien dat de NOx-emissies van ‘Euro V’-vrachtauto’s op stadswegen ongeveer een factor 3 hoger liggen dan de emissienormen.[841]

<!-- --> <!-- -->

CO

VOS*

NOx

fijn stof (PM10)

Wegverkeer totaal

-51%

-73%

-52%

-49%

Personenauto’s

-56%

-78%

-73%

-42%

Vrachtvoertuigen

-64%

-78%

-25%

-51%

Overig wegverkeer

+22%

-37%

-30%

-69%

Treinen

-33%

-13%

0%

-17%

Binnenvaart

+24%

-21%

-7%

-20%

Mobiele werktuigen**

+46%

-33%

-19%

-58%


* Alleen door verbranding (dus excl. verdamping).

** Incl. landbouwwerktuigen.

Bron: berekend op basis van CBS-gegevens.

Ondanks de daling van de meeste emissies doen zich langs drukke wegen nog steeds knelpunten voor met betrekking tot de luchtkwaliteit, met name wat betreft NO2 (zie § ???).

6.5.8 Verdere ontwikkelingen

Gezien de bovengenoemde grote verschillen tussen de Euro VI-norm en de in de praktijk gemeten emissies heeft Nederland er bij de Europese Commissie voor gepleit de typekeuring voor nieuwe vrachtauto’s onder Euro VI aan te passen.

In juli 2008 heeft de Commissie een Mededeling uitgebracht waarin ze uiteenzet welke aanpassingen aan Verordening 715/2007 er volgens haar in de toekomst nog nodig zijn met betrekking tot de emissies van personenauto’s en lichte bedrijfsvoertuigen.[842] Dit betreft ondermeer het vaststellen van een emissiegrenswaarde voor het deeltjesaantal bij benzinevoertuigen, bepalingen ten aanzien van testprocedures, en drempelwaarden voor de boorddiagnose (OBD) onder Euro 6.

In oktober 2010 heeft de Commissie een voorstel gepubliceerd voor een Verordening betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers.[843] Daarin worden ondermeer gefaseerd aangescherpte emissie-eisen gesteld, welke in de plaats zullen komen van de eisen van Richtlijn 97/24 (zoals gewijzigd).

In juli 2010 heeft de Commissie een voorstel gepubliceerd tot wijziging van Richtlijn 97/68.[844] Het voorstel voorziet in verhoging van het aantal motoren dat in het kader van de ‘flexibele regeling’ in de handel mag worden gebracht terwijl ze nog niet voldoen aan de eisen van ‘Fase IIIB’ (zoals vermeld in Tabel 6.5.5). Ook wordt de werkingssfeer van de ‘flexibele regeling’ uitgebreid tot treinstellen en locomotieven. De maatregelen hebben te maken met de zware economische omstandigheden waarmee de industrie kampt en moeten uiterlijk eind 2013 aflopen.

In januari 2011 heeft de Commissie een voorstel gepubliceerd tot wijziging van Richtlijn 2000/25 (landbouw- en bosbouwtrekkers). [845] Dit voorstel voorziet in uitstel (met 3 jaar) van de in Tabel 6.5.5 genoemde emissiegrenswaarden voor bepaalde categorieën trekkers (‘smalspoortrekkers’).

[818] Beschikbaar via www.oasis-open.org.

[819] On Board Diagnostics: een emissiebeperkingssysteem dat bij een storing door middel van in een computergeheugen opgeslagen foutcodes kan aangeven in welk gebied de storing waarschijnlijk is opgetreden.

[820] PbEU L 275, 20.10.2005; gewijzigd bij Richtlijnen 2005/78/EG (PbEU L 313, 29.11.2005), 2006/51/EG (PbEU L 152, 7.6.2006) en 2008/74/EG (PbEU L 192, 19.7.2008).

[821] PbEG L203, 10.8.2000.

[822] COM(84)226, PbEG C178, 6.7.1984.

[823] COM(87)706, PbEG C56, 27.2.1988.

[824] COM(89)662, PbEG C81, 30.3.1990.

[825] COM(97)627, PbEG C173, 8.6.1998.

[826] COM(2000) 314.

[827] COM(2001) 145.

[828] Stb. 1974, 632; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 144.

[829] Stcrt. 1973, 184; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. Suppl. 2001, 214.

[830] Stcrt, 1988, 203; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt, 1993, 209.

[831] Stcrt. 1994, 199; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 109.

[832] Stb. 2000, 163; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 144.

[833] Stb. 1984, 525; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 144.

[834] Stcrt. 1985, 189; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. Suppl. 2001, 214.

[835] Stcrt. 1999, 4; rectificatie in Stcrt. 1999, 26.

[836] Stb. 2001, 41; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2008, 347.

[837] Stcrt. 2001, 20; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2005, 249.

[838] Stcrt. Suppl. 2009, 81; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 19145.

[839] Regeling taken Dienst Wegverkeer, Stcrt. 1996, 125; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2008, 124.

[840] Met uitzondering van CO bij ‘overig wegverkeer’ (i.e. motorfietsen, bromfietsen e.d.), in de binnenvaart en bij mobiele werktuigen.

[841] PBL (2010), Balans van de Leefomgeving 2010, p. 73.

[842] Mededeling over de toepassing en de toekomstige ontwikkeling van de Gemeenschapswetgeving met betrekking tot emissies van lichte bedrijfsvoertuigen en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (Euro 5 en Euro 6). PbEU C182, 19.7.2008. De Nederlandse titel van deze Mededeling suggereert dat het alleen gaat om bedrijfsvoertuigen, maar uit de Engelse versie (‘light-duty vehicles’) kan worden opgemaakt dat het ook om personenauto’s gaat. De Mededeling heeft dus betrekking op alle voertuigen die onder Verordening 715/2007 vallen.

[843] COM(2010) 542 definitief.

[844] COM(2010) 362 definitief.

[845] COM(2011) 1 definitief.