98/70/EG (PbEG L350 28.12.1998) voorgesteld 1996 – COM(96)248 | Richtlijn betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG |
2003/17/EG (PbEU L76, 22.3.2003) | Wijziging |
2009/30/EG (PbEU L140, 5.6.2009) | Wijziging |
Rechtsgrondslag | Artikel 100a EG-verdrag (thans art. 114 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Inwerkingtreding | 28 december 1998 (2003/17: 22 maart 2003; 2009/30: 25 juni 2009) |
Omzetting in nationale regelgeving | 1 juli 1999 (2003/17: 30 juni 2003; 2009/30: 31 december 2010) |
Verbod op gelode benzine | 1 januari 2000 |
Zorgen voor beschikbaarheid laagzwavelige benzine en diesel (S-gehalte max. 10 mg/kg) | 1 januari 2005 |
Voldoen aan milieutechnische specificaties | 1 januari 2000; 1 januari 2005; 1 januari 2009; 1 januari 2011 |
Eerste jaarlijkse rapportage door lidstaten | 30 juni 2002 |
Besluit kwaliteitseisen brandstoffen wegverkeer | Stb. 1999, 566 (en wijzigingen) |
Besluit zwavelgehalte brandstoffen | Stb. 2000, 261 (en wijzigingen) |
Richtlijn 98/70 stelt een reeks technische specificaties vast voor benzine en dieselbrandstof, ter bescherming van de gezondheid en het milieu. Deze specificaties leiden niet alleen op zichzelf tot lagere emissies, maar zijn ook nodig om het gebruik van geavanceerde technologie mogelijk te maken voor emissiereductie en een hogere brandstofefficiëntie van voertuigen (zie ook § ??? en § ???).
Richtlijn 2003/17 wijzigde 98/70 teneinde ‘zwavelvrije’ benzine en diesel vanaf 2005 op ruime schaal beschikbaar te maken en vanaf 2009 verplicht te stellen.
Richtlijn 2009/30 bevat een aantal verdere aanscherpingen van de kwaliteitseisen voor een aantal parameters en beoogt een ruimer gebruik van ethanol in benzine. Bovendien bevat deze richtlijn bepalingen om te zorgen dat de CO2-emissies van alle brandstoffen voor het wegverkeer over hun hele levenscyclus steeds verder afnemen.
De belangrijkste bepalingen van de Richtlijn bestaan uit het specificeren van een veel breder scala aan kwaliteitsparameters voor benzine en diesel dan in eerdere Richtlijnen. Een overzicht van de grenswaarden voor de belangrijkste brandstofparameters, zoals opgenomen in Bijlage I van de Richtlijn, staat in Tabel ???. De Richtlijn voorziet in enkele uitzonderingsmogelijkheden voor specifieke situaties en toepassingen (art. 3 en 4). Zo mag er bijvoorbeeld onder bepaalde voorwaarden nog tot eind 2011 gasolie met een zwavelgehalte tot 1000 mg/kg in de handel wordt gebracht voor railvoertuigen, landbouwtrekkers en bosbouwmachines.
De verkoop van gelode benzine is sinds 1 januari 2000 verboden (art. 3, lid 1). Alleen voor ‘oldtimers’ mogen nog kleine hoeveelheden gelode benzine met een loodgehalte van maximaal 0,15 g/l worden verkocht, tot een maximum van 0,03 % van de totale verkoop (art. 3, lid 6).
Lidstaten kunnen aan de Commissie verzoeken om in bepaalde gebieden strengere eisen aan de brandstofkwaliteit te mogen stellen als dat om volksgezondheids- of milieuredenen nodig is (art. 6). Verder kan de Commissie een tijdelijke versoepeling van de grenswaarden toestaan in het geval van een plotselinge verandering in het aanbod van ruwe olie of olieproducten (art. 7).
Ingangsdatum | ||||
1/1/2000 | 1/1/2005 | 1/1/2009 | 1/1/2011 | |
Benzineparameters (maximumwaarden) | ||||
Olefinen | 18% | |||
aromatische verbindingen | 42% | 35% | ||
Benzeen | 1% | |||
Zuurstof | 2,7% | 3,7% | ||
Methanol | 3% | |||
Ethanol | 5% | 10% | ||
Isopropylalcohol | 10% | 12% | ||
Isobutylalcohol | 10% | 15% | ||
tert-butylalcohol | 7% | 15% | ||
ethers (≥ 5 C-atomen per molecuul) | 15% | 22% | ||
andere zuurstofhoudende verbindingen | 10% | 15% | ||
Zwavel | 150 mg/kg | 50 mg/kg | 10 mg/kg | |
Lood | 0,005 g/l | |||
Dieselparameters | ||||
PAK’s (max.) | 11% | 8% | ||
zwavel (max.) | 350 mg/kg | 50 mg/kg | 10 mg/kg | |
Methylvetzuurgehalte (FAME) | 7% | |||
Vanaf 2011 moeten brandstofleveranciers jaarlijks verslag uitbrengen over de broeikasgasintensiteit van de geleverde brandstof en energie (art. 7 bis, lid 1). Tot eind 2020 moeten de broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus per eenheid energie uit geleverde brandstof of energie met 10 % verminderen. Daarvan is 6% ‘hard’; de overige 4% bestaat uit ‘indicatieve aanvullende streefcijfers’, die eind 2012 herzien kunnen worden. Daarvan kan 2% worden gerealiseerd door technische maatregelen, zoals bijvoorbeeld koolstofafvang en –opslag, en 2% door de aankoop van rechten op grond van het ‘Clean Development Mechanism’ van het Kyoto-protocol (art. 7 bis, lid 2).
De Richtlijn bevat gedetailleerde voorschriften voor de duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen (art. 7 ter) en de wijze waarop de naleving daarvan gecontroleerd moet worden (art. 7 quater), alsmede voor de berekening van broeikasgasemissies gedurende de levenscyclus van biobrandstoffen (art. 7 quinquies). Bij de uitvoering van de Richtlijn moet rekening worden gehouden met Richtlijn 2009/28 (energie uit hernieuwbare bronnen; zie § ???) en rapportage door de Commissie moet in samenhang met die Richtlijn plaatsvinden (art. 7 sexies).
Lidstaten dienen toe te zien op de naleving van de Richtlijnvoorschriften, met behulp van analysemethoden van Europese normen (EN 228:2004 en EN 590:2004). De lidstaten moeten jaarlijks vóór 30 juni over de brandstofkwaliteit in het voorafgaande jaar rapporteren. Ook deze rapporten moeten aan de relevante Europese normen voldoen. De Commissie dient jaarlijks een verslag over de brandstofkwaliteit in de lidstaten te publiceren (art. 8).
Vooruitlopend op nader onderzoek naar de risico’s van metaalhoudende additieven mogen brandstoffen vanaf 1 januari 2011 per liter niet meer dan 6 mg mangaan van het metaalhoudende additief methylcyclopentadieen-mangaan-tricarbonyl (MMT) bevatten. Met ingang van 1 januari 2014 bedraagt het maximumgehalte 2 mg mangaan per liter (art. 8 bis).
Uiterlijk op 31 december 2012, en vervolgens om de drie jaar, moet de Commissie de verslag uitbrengen over de Richtlijn en zo nodig wijzigingen voorstellen (art. 9). In 2014 moet ze verslag uitbrengen over de verwezenlijking van de in artikel 7 bis genoemde doelstelling voor broeikasgasemissies in 2020.
De Richtlijn bevat verder bepalingen met betrekking tot sancties (art. 9 bis) en de aanpassing van de meetmethoden aan de vooruitgang van de techniek (via een comitéprocedure) (art. 10 en 11).
Vanaf het begin van het ‘Auto/Olie’-programma (zie § ??? en ???) was het duidelijk dat er behoefte was aan een breder spectrum van brandstofkwaliteitsparameters voor benzine en diesel, dat ontwikkeld moest worden parallel aan de emissienormen voor voertuigen voor het jaar 2000. Deze bredere specificaties zouden het gebruik van geavanceerde technologie voor emissiereductie en brandstofefficiëntie van motorvoertuigen mogelijk maken, maar zouden ook op korte termijn directe baten kunnen opleveren door vermindering van de emissies van het bestaande wagenpark. De voertuig- en brandstofnormen zijn dan ook steeds als één enkel pakket behandeld.
Richtlijn 98/70 was een moeizaam bereikt compromis, bij de totstandkoming waarvan met name het maximale zwavelgehalte veel meningsverschillen opleverde. Niet alleen het Parlement en de Raad stonden daarbij tegenover elkaar, maar het was ook een kwestie van noordelijke versus zuidelijke lidstaten èn olie-industrie versus auto-industrie.
Eind 1999 heeft de Duitse regering een poging gedaan om de introductie van brandstoffen met een zwavelgehalte van niet meer dan 10 mg/kg te bevorderen, maar dit werd door de Commissie verworpen. Duitsland had toestemming gevraagd om van af 2003 belastingvermindering voor zulke ‘zwavelvrije’ brandstoffen te mogen doorvoeren met als argument dat het een stimulans zou zijn voor de olieconcerns om deze te ontwikkelen. Hoewel ze het voorstel niet ten principale verwierp, zei de Commissie dat er meer tijd nodig was om de technische aspecten en milieuvoordelen te bestuderen. Ze verzekerde de Duitse autoriteiten echter dat ze zo spoedig mogelijk met een ontwerp-Richtlijn dan wel een Mededeling over deze zaak zou komen.
Intussen gingen de autofabrikanten door met het uitoefenen van druk op de Commissie om actie te ondernemen teneinde de maximaal toegestane zwavelgehaltes in brandstoffen te verlagen. In reactie daarop is de Commissie een overlegronde gestart om te bezien of aanpassing van Richtlijn 98/70 wenselijk was.
Terwijl de autofabrikanten en hun Europese organisatie ACEA opriepen tot een verdere verlaging van zwavelgehaltes was de reactie van de olie-industrie gemengd. EUROPIA, de organisatie van de Europese olie-industrie, bleef tegenstander van verdere reducties, maar Shell en BP Amoco begonnen met de verkoop van zwavelvrije diesel in Duitsland en wekten aldus de indruk van verdeeldheid onder de olieproducenten.
De reacties van ACEA en EUROPIA op de consultatieronde van de Commissie waren voorspelbaar: eerstgenoemde wilde lagere zwavelgehaltes, laatstgenoemde niet. EUROPIA stelde dat het verder verlagen van zwavelgehaltes geen significant milieuvoordeel zou opleveren en dat de CO2-emissies onder de huidige omstandigheden per saldo zouden toenemen, omdat de toename van de emissies van de raffinaderijen groter zou zijn dan de afname van CO2-emissies van voertuigen. Verscheidene lidstaten bleken deze zorg te delen. De Britten zeiden dat het effect op de CO2-emissies kon variëren van neutraal tot een kleine toename. De Nederlandse regering was van mening dat er op korte termijn weliswaar een groei van de emissies zou zijn, maar dat dat kon veranderen als de nieuwe technologieën voldoende benut werden. Alleen de Duitse regering was een andere opvatting toegedaan, hetgeen niet verrassend is aangezien zij de Commissie al opgeroepen had om de zwavelgehaltes te reduceren.
In mei 2001 publiceerde de Commissie haar voorstel tot wijziging van Richtlijn 98/70, waarbij de maximaal toegestane zwavelgehaltes van zowel benzine als diesel zouden worden verlaagd tot 10 ppm in 2011[947]. Het voorstel behelsde ook bovengrenzen voor het zwavelgehalte van diesel voor gebruik in niet voor de weg bestemde mobiele machines en landbouwtrekkers.
Het Europees Parlement stemde in november 2001 voor vervroeging van de termijn waarop de norm van 10 ppm zou gaan gelden naar 2008. Ook wilde het Parlement dat de brandstofeisen van Richtlijn 98/70 met ingang van 2005 ook voor niet voor de weg bestemde mobiele machines zouden gaan gelden. Dit laatste werd in december 2001 door de Raad verworpen. De milieuministers waren wel voorstanders van het vervroegen van de ingangsdatum voor de 10 ppm-limiet, zij het niet naar 2008 maar naar 2009. Bij de behandeling in tweede lezing in september 2002 accepteerde het Parlement dit compromis. Het hield echter wel vast aan toepassing van de kwaliteitseisen op brandstoffen voor mobiele machines. In de conciliatieprocedure, die in december 2002 werd afgerond, kreeg het Parlement op dit punt niet zijn zin. De Commissie diende in 2005 met voorstellen te komen voor deze categorie brandstoffen.
In januari 2007 werd een voorstel voor herziening van Richtlijn 98/70 gepubliceerd (COM(2007)18). Dit voorstel behelsde, naast een verdere aanscherping van enkele brandstofkwaliteitsparameters, met name de introductie van reductiepercentages voor broeikasgasemissies over de hele levenscyclus van brandstoffen. Het duurde tot eind 2008 voordat er over dit voorstel overeenstemming kon worden bereikt. Dat had vooral te maken met overlappingen met de Richtlijn biobrandstoffen (zie § ??? en de nieuwe Richtlijn energie uit hernieuwbare bronnen (zie § ???), en met de berekening en monitoring van broeikasgasemissies over de hele levenscyclus van brandstoffen (winning, raffinage, distributie en verbranding).
De Richtlijnen 98/70 en 2003/17 zijn in Nederlandse regelgeving omgezet door middel van het Besluit kwaliteitseisen brandstoffen wegverkeer[948] en, wat betreft het zwavelgehalte in niet voor het wegverkeer bestemde brandstoffen, in het Besluit zwavelgehalte brandstoffen.[949]
In het Besluit kwaliteitseisen brandstoffen wegverkeer wordt dynamisch verwezen naar de Bijlagen van de Richtlijn. Veranderingen en aanvullingen van de in die Bijlagen gespecificeerde eisen werken daardoor automatisch door in het Besluit.
Implementatie van Richtlijn 2009/30 zal gebeuren in de vorm van wijziging van de twee genoemde Besluiten en van het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007[950].
De introductie van ‘zwavelvrije’ dieselolie (met maximaal 10 mg/kg zwavel) is, vooruitlopend op de verplichte invoering per 1 januari 2009, in Nederland al vanaf 2005 gestimuleerd door middel van een verlaagd accijnstarief. Het gemiddelde zwavelgehalte van in Nederland verkochte diesel is gedaald van 42 mg/kg in 2001 naar 8,1 mg/kg in 2007.[951] Bij benzine is het zwavelgehalte gedaald van 51 mg/kg in 2001 naar 24,9 mg/kg in 2007.
Als gevolg van het gebruik van laagzwavelige dieselolie is de uitstoot van SO2 door het wegverkeer in Nederland in de periode 1990-2008 gedaald met 98% (van 12.670 ton naar 280 ton)[952]. Dankzij de overgang naar loodvrije benzine is de emissie van loodverbindingen door voertuigen verwaarloosbaar geworden. [953]
Conform artikel 8 van de Richtlijn brengt de Commissie jaarlijks verslag uit over de brandstofkwaliteit in de EU, op basis van rapportages door de lidstaten. Het meest recente gepubliceerde verslag betreft het jaar 2006.[954] In dat jaar bleken acht lidstaten, waaronder Nederland, voor alle monsters van zowel benzine als diesel volledig aan de grenswaarden van Richtlijn 98/70/EG te voldoen.
De Commissie is nog bezig met een nadere uitwerking van de Richtlijnbepalingen met betrekking tot de broeikasgasintensiteit van brandstoffen en energie (art. 7 bis) en het indirect landgebruik door biobrandstoffen (art. 7 quater).[955]
[947] COM(2001)241, PbEG C213E, 31.7.2001.
[948] Stb. 1999, 566 (en wijzigingen).
[949] Stb. 2000, 261 (en wijzigingen).
[950] Stb. 2006, 542 (en wijzigingen).
[951] EU Fuel Quality Monitoring– 2007 Summary Report. AEA, October 2009.
[952] Bron: CBS.
[953] www.compendiumvoordeleefomgeving.nl (Emissies naar lucht door verkeer en vervoer, 1990-2009). De verplichte vervanging van gelode door ongelode benzine is overigens al begonnen aan het eind van de jaren ’80 en werd in eerste instantie geregeld in Richtlijn 85/210/EEG, welke door Richtlijn 98/70/EG is ingetrokken.
[954] COM(2008) 799 definitief.