De Europese Verordening REACH domineert sinds 2007 het Nederlandse stoffenbeleid, waarmee de Wet milieugevaarlijke stoffen verdwenen is en de beleidsvrijheid van Nederland is geminimaliseerd. Omdat het een Verordening betreft zijn de normen en regels direct van toepassing in het Nederlanse rechtsstelsel.
Echter niet alle gevaarlijke stoffen worden door REACH gereguleerd: biociden en gewasbeschermingsmiddelen, maar ook radioactieve stoffen worden in aparte Europese richtlijnen en verordeningen gereguleerd.
Rond 1990 is de Wet Milieugevaarlijke stoffen (Wms) geëvalueerd, waarbij werd geconcludeerd dat het ‘kennisgevingssysteem’ van de Wms had bijgedragen tot toename van het inzicht in potentiële risico’s van nieuwe stoffen. Het inzicht in de risico’s van bestaande stoffen was daarentegen nauwelijks toegenomen. Tevens werd vastgesteld dat er nog geen sprake was van een geïntegreerd stoffenbeleid[981]. Ook de toenmalige Centrale Raad voor de Milieuhygiëne wees op een aantal tekortkomingen van het Nederlandse stoffenbeleid[982]. Vooral het beleid ten aanzien van bestaande stoffen was volgens de Raad te onduidelijk en te versnipperd en vorderde te traag.
In 2003 verscheen het RIVM-rapport ‘Nuchter omgaan met risico’s’ (RIVM, 2003). Daarin wordt de mogelijkheid geopperd van een benadering waarin geen sprake meer is van uniforme risiconormen, maar waarbij in het risicobeleid rekening wordt gehouden met de kosten, de mate van maatschappelijke onrust en de complexiteit en wetenschappelijke onzekerheid.
Centraal in het Nederlandse stoffenbeleid stond het begrip ‘ketenbeheer’. Daarmee wordt bedoeld dat het beleid gericht moet zijn op een samenhangende benadering van alle levensfasen van een stof of product: van de wieg (de gebruikte grond- en hulpstoffen) tot aan het graf (de afvalfase).
Binnen het Nederlandse milieubeleid valt het stoffenbeleid voor het grootste deel onder het thema ‘Verspreiding’. Naast het milieubeleid (dat onder het Ministerie van Infrastructuur en Milieu valt) heeft het stoffenbeleid ook betrekking op andere beleidsterreinen, met name arbeidsomstandigheden (waarvoor het Minsterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verantwoordelijk is) en de veiligheid en gezondheid van consumenten (met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport als primair verantwoordelijke).
Ten aanzien van het veilig omgaan met gevaarlijke stoffen is per 1 juni 2004 de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen, een vast college van advies van het Rijk, ingesteld. Deze Adviesraad adviseert de regering en de beide kamers der Staten-Generaal over beleid en wetgeving en levert een bijdrage aan een veilig omgaan met gevaarlijke stoffen in de grootschalige procesindustrie, het transport en in het midden- en kleinbedrijf. Het werkterrein van de Adviesraad omvat de beleidsterreinen van verschillende departementen. De adviezen zijn primair van belang voor externe veiligheid, ruimtelijke ordening, transportveiligheid, arbeidsomstandigheden, rampenbeheersing en volksgezondheid.[983] Het plan bestaat om de Adviesraad op te heffen, waarbij de grote brand bij een chemiebedrijf in Moerdijk in januari 2011 tot discussie leidde over dit voornemen.
Het belangrijkste wettelijke kader voor het Nederlandse beleid ten aanzien van milieugevaarlijke stoffen wordt inmiddels gevormd door hoofdstuk 9 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit hoofdstuk in de Wm, dat met name dienst doet ter implementatie van de Verordening REACH, volgt met name de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) op.
Naast het algemene stoffenbeleid kent Nederland regels ten aanzien van diverse specifieke (groepen van) stoffen. Voor een groot deel sluiten die aan bij de Europese wetgeving, zoals besproken in de resterende paragrafen van dit hoofdstuk. In dit verband valt te denken aan de bestrijdingsmiddelenwetgeving die betrekking heeft op de toelating van gewasbeschermingsmiddelen die in de landbouw worden gebruikt (zie § ???) en op biociden (zie § ???). Er is echter een andere pijler van het Nederlandse bestrijdingsmiddelenbeleid die niet op EU-beleid is gebaseerd. Deze bestaat uit beleidsmaatregelen die gericht zijn op een vermindering van het gebruik van bestrijdingsmiddelen, hetgeen zijn weerslag heeft gevonden in de beleidsnota ‘Zicht op gezonde teelt’[984] (zie ook § ???). Inmiddels heeft de EU overigens Richtlijn 2009/128 aangenomen waarin het kader wordt neergelegd voor duurzamer gebruik van pesticiden. Nederland is van plan deze richtlijn door middel van aanpassingen van wet, besluit en regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden in de loop van 2011 te implementeren.
Wat betreft genetisch gemodificeerde organismen had Nederland al jarenlang regelgeving voordat de EU besloot met eigen wetgeving te komen. De Nederlandse regelgeving heeft vervolgens mede model gestaan voor de twee Europese richtlijnen (zie § ??? en ???).
Annys, E., REACH (Kluwer, 2005)
Eriksson, J., M. Gilek en C. Rudén (2010), Regulating Chemical Risks: European and Global Challenges, Dordrecht.
Lambers, C. (1992). Is een wet gelijk aan een beleid? Milieu en recht 4, pp. 223-230.
RIVM (2003), Nuchter omgaan met risico’s. RIVM-rapport 251701047. Bilthoven.
Senter-Novem, REACH. Een nieuwe manier van omgaan met chemische stoffen. Brochure 3REACH0701, Den Haag, maart 2007.
[981] Lambers (1992), p. 226.
[982] CRMH-adviezen 1990/12 en 1991/3.
[984] TK 2001-2002, 27 858, nr. 1.