Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

7.3 Testen van nieuwe stoffen

7.3.1 Overzicht van EU-regelgeving

Richtlijn 67/548/EEG (PbEG L196 16.08.67)

Ingetrokken door Verordening 1272/2008 m.i.v. 15 juni 2015

Richtlijn betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen

Rechtsgrondslag

Artikel 100 EG-verdrag (thans art. 115 VwEU)

Richtlijn 92/32/EEG (PbEG L154 5.6.92)

Ingetrokken door Verordening 1272/2008 m.i.v. 1 juni 2015

Zevende Wijziging*

Rechtsgrondslag

Artikel 100a EG-verdrag (thans art. 114 VwEU)

Bindende termijnen (92/32)

Omzetting in nationale regelgeving

31 oktober 1993

Lidstaten dienen verslag over de tenuitvoerlegging van de Richtlijn in

31 oktober 1996 en om de drie jaar

Samenvattend verslag van de Commissie

Iedere drie jaar

Verordening 1907/2006 (PbEU L 396, 30.12.2006)

Corrigendum PbEU L36, 5.2.2009; PbEU L141, 31.5.2008; PbEU L136, 29.5.2007

Verordening 1272/2008 (PbEU L 353, 31.12.2008)

Corrigendum: Verordening 790/2009 (PbEU L 235, 5.9.2009)

Verordening 134/2009 (PbEU L46, 17.2.2009)

Verordening 552/2009 (PbEU L 164 26.6.2009)

Rechtsgrondslag

Bindende termijnen

Omzetten in nationale regelgeving

Indeling, etikettering en verpakking gebaseerd op de Richtlijn en de Verordening

Verordening inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)

Verordening betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006

Wijziging

Wijziging

Artikel 95 EG-Verdrag (thans art. 114 VwEU)

20 januari 2010

10 december 2010

Richtlijn 2006/121/EG (PbEU L 396, 30.12.2006)

Ingetrokken door Verordening 1272/2008 m.i.v. 1 juni 2015

Corrigendum 2006/121/EG (PbEU L 136, 29.05.2007)

Richtlijn inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen teneinde deze aan te passen aan Verordening (EG) nr. 1907/2006

Wijziging richtlijn 2006/121/EG ter aanpassing aan REACH

Verordening 440/2008 (PbEU L 142/1-739, 31.05.2008)

Corrigendum PbEU L 143/55, 03.06.2008

Verordening 761/2009 (PbEU L 220/1, 24.08.2009)

Verordening houdende vaststelling van testmethoden uit hoofde van Verordening 1907/2006/EG inzake REACH

Wijziging

* Zie Tabel ??? voor een compleet overzicht van Richtlijnen ter wijziging en aanpassing van de oorspronkelijke Richtlijn 67/548. Zie Tabel ??? voor andere Richtlijnen die te maken hebben met het testen van chemicaliën.

7.3.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Bekendmaking tijdstip inwerkingtreding bijlagen bij Richtlijn 67/548/EG

Stcrt. 1994, 119

Besluit van 24 mei 2007 tot intrekking van het Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen en aanpassing van enkele op de Wet milieubeheer berustende besluiten in verband met het in werking treden van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH)

Stb. 2007, 183

Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten

Stb. 1987, 516; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2001, 217

Besluit testmethoden voor toxiciteit en ecotoxiciteit

Stcrt. 1988, 227

Instellingsbesluit Bureau REACH

Stcrt. 2007, 68

Invoeringsbesluit Uitvoeringswet REACH

Stb. 2007, 182

Regeling Bureau Milieugevaarlijke Stoffen

Stcrt. 1996, 230

Uitvoeringswet EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

Stb. 2009, 440

Uitvoeringswet EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH)

Stb. 2007, 181

Warenwetbesluit veilige verpakking huishoudchemicaliën

Stb. 1994, 106; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 177

Wijziging Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten

Stcrt. 2005, 199

Wijziging regels Bureau Milieugevaarlijke stoffen

Stcrt. 1994, 109

7.3.3 Doelstelling van de regelgeving

Richtlijn 67/548 bevat een regeling voor de indeling, verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen. Richtlijn 92/32 (“de zevende wijziging”) heeft echter, evenals de zesde wijzigingsrichtlijn (Richtlijn 79/831), een veel ruimere strekking. Zij bepaalt namelijk dat voordat een nieuwe chemische stof op de markt kan worden gebracht deze eerst dient te worden getest op eventuele schadelijke effecten voor mens en milieu. Tevens dient een kennisgeving te worden gedaan aan de bevoegde instantie van de lidstaat (art. 5, lid 1). De Richtlijn bevat een uniform stelsel dat in de gehele Gemeenschap gelding heeft. Het gevolg hiervan is dat de producent van een stof 60 dagen na de vereiste kennisgeving toegang heeft tot de gehele interne markt.

De REACH Verordening 1907/2006 heeft als doelstelling het verbeteren van de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu door betere en eerdere identificatie van de intrinsieke eigenschappen van chemische substanties. Tegelijkertijd moet de Verordening de concurrentiepositie van de Europese chemische industrie verbeteren. Naarmate er meer stoffen via REACH worden geregistreerd zullen de voordelen van de nieuwe regeling worden toenemen. Een groot deel van de verantwoordelijkheid voor de registratie van stoffen komt bij de industriële sector te liggen. Ook ECHA (European Chemicals Agency) speelt een grote rol onder REACH. De Verordening richt zich ook op het uitfaseren van de gevaarlijkste chemische stoffen waar een redelijk alternatief voor gevonden kan worden.[985]

Verordening 1272/2008 trad in werking op 20 januari 2009 en verklaart de criteria van de Verenigde Naties, vastgesteld in het ‘Globally Harmonised System of Classification’ (GHS), van toepassing. Tevens neemt de Verordening enkele bepalingen van REACH over en worden richtlijnen 67/548/EG; 92/32/EG per 15 juni 2015 buiten toepassing verklaard. Verordening 1272/2008 wordt ook wel de ‘CLP-verordening’ genoemd (Classification, Labelling and Packaging).

7.3.4 Samenvatting van de Richtlijnen en Verordeningen

De oorspronkelijke Richtlijn is in de loop der tijd meermalen gewijzigd op grond van Richtlijnen van zowel de Commissie als de Raad (zie tabel ???).De zevende wijzigingsrichtlijn bevat dezelfde structuur als de oorspronkelijke Richtlijn uit 1967. Zij heeft uitsluitend betrekking op het indelen, verpakken en kenmerken van gevaarlijke stoffen en bevat tevens (in enigszins gewijzigde vorm) de bepalingen die in de zesde wijzigingsrichtlijn uit 1979 werden geïntroduceerd met betrekking tot de kennisgeving van nieuwe stoffen en de daarmee gepaard gaande tests en beoordelingen.

<!-- --> <!-- -->

Raad 67/548

PbEG L196 16.08.67

Raad 69/81

PbEG L68 19.03.69 1ste Wijziging

– Wijziging van bijlage 1

Raad 70/189

PbEG L59 14.03.70 2de Wijziging

– Wijziging van termijnen

Raad 71/144

PbEG L74 29.03.71 3de Wijziging

– Wijziging van termijnen

Raad 73/146

PbEG L167 25.06.73 4de Wijziging

– Wijziging van Bijlagen en Artikelen

Raad 75/409

PbEG L183 14.07.75 5de Wijziging

– Wijziging van Artikelen

Commissie 76/907

PbEG L360 30.12.76 1ste Aanpassing

– Vervanging van Bijlagen

Commissie 79/370

PbEG L88 07.04.79 2de Aanpassing

– Wijziging van Bijlagen

Raad 79/831

PbEG L259 15.10.79 6de Wijziging

– Wijziging van Artikelen, Bijlagen VI tot en met IX toegevoegd

Raad 80/1189

PbEG L366 31.12.80 Griekse Taal

– Bijlagen I tot en met IV

Commissie 81/957

PbEG L351 07.12.81 3de Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I

Commissie 82/232

PbEG L106 21.04.82 4de Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I

Commissie 83/467

PbEG L257 16.09.83 5de Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I t/m IV en VI

Commissie 84/449

PbEG L251 19.09.84 6de Aanpassing

– Vervanging van Bijlage V

Commissie 86/431

PbEG L247 01.09.86 7de Aanpassing

– Wijziging van Bijlagen

Raad 87/432

PbEG L239 21.08.87 8ste Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I

Commissie 88/302

PbEG L133 30.05.88 9de Aanpassing

– Wijziging van Bijlage V

Commissie 88/490

PbEG L259 19.09.88 10de Aanpassing

– Wijziging van Bijlagen

Raad 90/157

PbEG L287 19.10.90 11de Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I

Commissie 91/325

PbEG L180 08.07.91 12de Aanpassing

– Vervanging van Bijlagen

Commissie 91/326

PbEG L180 08.07.91 13de Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I

Commissie 91/410

PbEG L228 17.08.91 14de Aanpassing

– Vervanging van Bijlage IX

Commissie 91/632

PbEG L338 10.12.91 15de Aanpassing

– Vervanging van Bijlage I

Raad 92/32

PbEG L154 05.06.92 7de Wijziging

– Vervanging van de Artikelen

Commissie 92/37

PbEG L154 05.06.92 16de Aanpassing

– Vervanging van Bijlage I

Commissie 92/69

PbEG L383 19.12.92 17de Aanpassing

– Vervanging van Bijlage V

Commissie 93/21

PbEG L110 04.05.93 18de Aanpassing

– Wijziging van Bijlagen

Commissie 93/67

PbEG L227 08.09.93 beginselen voor de beoordeling van risico's

Commissie 93/72

PbEG L258 16.10.93 19de Aanpassing

– Vervanging van Bijlage I

Commissie 93/101

PbEG L13 15.01.94 20ste Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I

Commissie 93/105

PbEG L294 31.11.93 – Toevoeging

– Bijlage VII D

Commissie 94/69

PbEG L381 31.12.94 21ste Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I

Commissie 96/54

PbEG L248 30.09.96 22ste Aanpassing

– Wijziging van Bijlagen

Raad 96/56

PbEG L236 18.09.96 "EEG-nummer" vervangen door "EG-nummer"

Commissie 97/69

PbEG L343 13.12.97 23ste Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I

Commissie 98/73

PbEG L305 16.11.98 24ste Aanpassing

– Wijziging van Bijlage I en V

Commissie 98/98

PbEG L355 30.12.98 25ste Aanpassing

– Wijziging van Bijlagen

Commissie 99/33

PbEG L199 30.07.99 Wijziging voor wat betreft het kenmerken van bepaalde gevaarlijke stoffen in Oostenrijk en Zweden

Commissie 2000/21

PbEG L103 28.04.2000

- Lijst van wetgeving m.b.t. art. 13, lid 1

Commissie 2000/368

PbEG L136 08.06.2000

– Besluit ter rectificatie van Richtlijn 98/98


Commissie 2000/32

PbEG L136 08.06.2000 26ste Aanpassing

– Wijziging van Bijlagen I, III, IV-VI en IX

Commissie 2000/33

PbEG L136 08.06.2000 27ste Aanpassing

– Wijziging van Bijlage V

Commissie 2001/59

PbEG L225 21.08.2001 28ste aanpassing

– Wijziging van Bijlagen I t/m VIII

Commissie 2004/73

PbEU L 152 30.04.2004 29e Aanpassing

- Wijziging Bijlage I C

Raad 2006/102

PbEU L363 20.12.2006 – Wijziging

- Wijziging i.v.m. toetreding Roemenië en Bulgarije

Raad en Parlement 2006/121

PbEU L 396 30.12.2006 – Wijziging

- Wijziging i.v.m. REACH

Commissie 2008/58

PbEU L 246 15.09.2008 30e Aanpassing

- Wijziging Bijlage I

Commissie 2009/2

PbEU L 11 16.01.2009 31e Aanpassing

- Wijziging Bijlage I

De REACH Verordening is gebaseerd op het idee dat de industriële sector zelf in de beste positie verkeerd om te beoordelen of bepaalde chemicaliën die ze op de markt zetten een negatief effect hebben op de volksgezondheid of het milieu. Naar dit idee zou de publieke sector zich alleen moeten bezighouden met het toezien op de naleving van de verplichtingen van de industriële sector.

REACH introduceert dezelfde registratievereisten voor nieuwe chemicaliën als voor de al bestaande chemicaliën. Dit betekent dat de regels voor kennisgeving van nieuwe chemicaliën zullen worden vervangen door die van REACH. Verder worden enkele vereisten voor het testen en het beoordelen van data ingetrokken. REACH heeft geen vereisten betreffende de indeling, verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen. Hierdoor blijven de bepalingen van de oude richtlijn met betrekking op deze onderdelen wel van toepassing.

Hier volgen enkele belangrijke punten van REACH:

  • Alle stoffen vallen onder REACH, tenzij ze expliciet worden uitgesloten van de werking van REACH.

  • Producenten en importeurs van chemicaliën worden verplicht om relevante informatie te verzamelen en deze te gebruiken om veilig gebruik te bevorderen.

  • De verzamelde informatie wordt over de gehele productieketen verspreid.

  • Voorstellen vanuit de industriële sector van testmethodes worden door een Agentschap beoordeeld. Dit Agentschap coördineert de beoordeling van eventueel gevaarlijke stoffen door de verschillende autoriteiten in de lidstaten. Deze beoordeling kan worden gebruikt bij het eventueel beperken van het gebruik van de stof.

  • Stoffen met een extra verhoogd risico zullen worden onderworpen aan een systeem van voorafgaande goedkeuring. Aanvragers die de stof willen gebruiken moeten in dit geval aantonen dat het risico te controleren is of dat het sociaal-economisch voordeel van gebruik zwaarder weegt dan dit risico. Ook moeten aanvragers nagaan of er niet veiligere alternatieven zijn.

  • ECHA (European Chemicals Agency) zal de technische, wetenschappelijke en administratieve aspecten van REACH op EU-niveau voor haar rekening nemen.

Richtlijn 67/548/EG wordt per 1 juni 2015 ingetrokken door de REACH Verordening en tot 1 december 2010 is het mogelijk om stoffen in te delen, te verpakken of te etiketteren op basis van deze Richtlijn. Na deze datum zullen stoffen worden ingedeeld op basis van dezelfde Richtlijn én Verordening 1272/2008. Het verpakken en etikettering mag dan alleen op basis van Verordening 1272/2008 gebeuren. Het is echter nu al toegestaan om enkel de Verordening te gebruiken als leidraad voor deze handelingen. In dit geval zijn de verpakking- en etiketteringvereisten van Richtlijn 67/548 niet van toepassing.

<!-- --> <!-- -->

86/609

PbEG L358 18.12.86

Bescherming van dieren

Doel van deze Richtlijn is te waarborgen dat dieren die worden gebruikt voor experimentele of andere wetenschappelijke doeleinden een passende verzorging krijgen, dat hen niet onnodig pijn, lijden, ongemak of blijvend letsel wordt berokkend en dat dit, als het onvermijdelijk is, tot een minimum beperkt blijft.

87/18

PbEG L15 17.01.87

Goede laboratoriumpraktijken

88/320

PbEG L145 11.06.88

Idem

89/569

PbEG L315 28.10.89 (Besluit)

Idem

90/18

PbEG L11 13.01.90

Idem

Laboratoria dienen te verklaren dat de proeven zijn verricht overeenkomstig de beginselen van goede laboratoriumpraktijken welke oorspronkelijk zijn vastgesteld door de OESO. De regelingen voorzien in een uniform inspectiesysteem van de laboratoria. De regelingen beogen het herhalen van proeven te voorkomen, wederzijdse erkenning van gegevens te verzekeren en het aantal proefdieren te verminderen.


<!-- --> <!-- -->

(De drie lijsten zijn gezamenlijk verkrijgbaar op de “EINECS plus-CD” van het EG bureau voor officiële publikaties in Luxemburg)

EINECS (European Inventory of Existing Commercial Chemical Substances). Deze lijst bevat alle (meer dan 100.000) op de markt gebrachte chemische handelsstoffen van vóór 18 september 1981.

PbEG C146, 15.6.1990

ELINCS (European List of Notified Chemical Substances). Deze lijst wordt periodiek geactualiseerd. De vijfde uitgave, die alle chemische stoffen bevat waarvan in de periode van 18 september 1981 tot en met 30 juni 1995 kennisgeving is gedaan, is gepubliceerd in maart 2000.

PbEG C72, 11.3.2000

Als gevaarlijk ingedeelde stoffen De Bijlage I bij de Richtlijn bevat 15 categorieën van gevaarlijke stoffen. De bijlage is voor het laatst geheel vervangen door Richtlijn 94/69 en ingrijpend gewijzigd bij Richtlijn 98/98 (zie Tabel 7.3.1)

PbEG L381, 31.12.1994

PbEG L355, 30.12.1998


EINECS, ELINCS en de lijst van ingedeelde stoffen

De Richtlijn vereist het opstellen van drie lijsten (zie tabel ???). De kennisgevingprocedures zijn uitsluitend van toepassing op nieuwe stoffen, d.w.z. stoffen die niet op de markt waren vóór 18 september 1981. EINECS bevat de definitieve lijst die is opgesteld in overeenstemming met Besluit 81/437[986]. Deze lijst bevat alle stoffen (meer dan 100.000) die op de markt waren vóór 18 september 1981. De ELINCS-lijst, welke in overeenstemming met Besluit 85/71[987] is opgesteld, bevat alle stoffen die zijn aangemeld sinds 18 september 1981. De lijst dient jaarlijks te worden herzien. Bijlage I van de Richtlijn bevat de stoffen die zijn ingedeeld als gevaarlijk en in 1 van de 15 “gevaar categorieën” uit de Richtlijn vallen (art. 2, lid 2 sub a t/m o). Nieuwe stoffen worden toegevoegd aan Bijlage I zodra ze zijn ingedeeld na de kennisgeving.

Kennisgeving

Nieuwe stoffen kunnen niet op de markt worden gebracht tenzij ze ter kennis zijn gesteld bij de bevoegde instantie (art. 5, lid 1). Tenminste 60 dagen voordat ze op de markt worden gebracht dient de kennisgever (de producent of importeur) aan de bevoegde instantie de volgende documenten te overleggen (art. 7, lid 1):

  • Een technisch dossier met alle beschikbare relevante informatie op grond waarvan de te voorziene gevaren die de stof voor mens en milieu kan opleveren, kunnen worden beoordeeld. Bijlage VII A bevat de minimum eisen wat betreft de te verschaffen informatie en onderzoeksresultaten, het zogenaamde basisdossier.

  • Een verklaring betreffende de nadelige gevolgen van de stof naar gelang van de verschillende voorzienbare toepassingen.

  • Het voorstel voor de indeling en het kenmerken van de stof.

  • Wanneer sprake is van gevaarlijke stoffen, een voorstel voor een veiligheidsinformatieblad.

  • Indien de fabrikant buiten de EU is gevestigd dient de kennisgever, in voorkomend geval, een verklaring van de fabrikant bij te voegen waaruit blijkt dat de kennisgever voor de indiening van de kennisgeving van de bewuste stof door de fabrikant als diens enige vertegenwoordiger is aangewezen.

  • Indien gewenst, een met redenen omkleed verzoek van de kennisgever om de kennisgeving uit te zonderen van de toepassing van artikel 15, lid 2, gedurende een periode die in ieder geval uiterlijk één jaar na de datum van kennisgeving verstrijkt.

De kennisgever kan de bevoegde instantie ook een door hemzelf opgemaakte eerste risicobeoordeling verschaffen in overeenstemming met Richtlijn 93/67 (zie hieronder).

Ten aanzien van polymeren (art. 12), stoffen die in kleinere hoeveelheden dan 1 ton per jaar per fabrikant in de handel worden gebracht (art. 8) en stoffen waarvan reeds kennisgeving is gedaan (art.10) zijn specifieke bepalingen opgenomen. Bepaalde stoffen (onder andere stoffen waarvoor al andere communautaire kennisgevings- of erkenningsprocedures bestaan) zijn vrijgesteld van de kennisgevingsbepalingen (art. 13, lid 1). Voorts bevat de Richtlijn regels ter voorkoming van herhaling van proeven met gewervelde dieren (art. 15).

Onderzoek en beoordeling

De proeven ter bepaling van de fysisch-chemische eigenschappen van de stoffen, toxiciteit en ecotoxiciteit dienen te worden uitgevoerd volgens de in bijlage V omschreven methodes en in overeenstemming met de beginselen van goede laboratoriumpraktijken (art. 3, lid 1 en tabel ???). Een beoordeling van de risico’s dient plaats te vinden in overeenstemming met de beginselen zoals neergelegd in Richtlijn 93/67 (art. 3, lid 2). Deze Richtlijn maakt een onderscheid tussen “gevaar” en “risico”. “Gevaar” heeft betrekking op de intrinsieke eigenschap van een stof, bijv. de toxiciteit ervan. ”Risico” heeft betrekking op de waarschijnlijkheid van schadelijke effecten en hangt dus af van blootstelling aan een stof (art. 2, lid 2). Richtlijn 93/67 hanteert de volgende definitie:

"omschrijving van de gevaren", het vaststellen van de aard van de schadelijke effecten op grond van de intrinsieke eigenschappen van de stof;

"karakterisering van het risico", de inschatting van de incidentie en ernst van de schadelijke effecten waarvan kan worden verwacht dat ze in menselijke populaties of milieucompartimenten zullen optreden als gevolg van een feitelijke of geschatte blootstelling aan een stof, eventueel met inbegrip van de "schatting van het risico", dat wil zeggen de kwantificering van de bedoelde kans.

De Commissie heeft een Technische Handleiding gepubliceerd ter ondersteuning van de uitvoering van Richtlijn 93/67 inzake risicobeoordeling voor nieuwe chemische stoffen en Verordening 1488/94 inzake risicobeoordeling voor bestaande stoffen. Deel I van de handleiding gaat over gezondheid, deel II over milieu en deel 3 en 4 over andere relevante onderwerpen.

De testmethoden zijn gebaseerd op de methoden die zijn erkend of aanbevolen door bevoegde internationale lichamen (de OESO in het bijzonder). Bijlage VII bevat de eisen voor het “basisdossier” van informatie dat bij elke kennisgeving is vereist (dit dossier is in feite identiek aan de “vereiste minimum gegevens voor het op de markt brengen“, zoals neergelegd in een Besluit van de OESO-Raad van december 1982). Bijlage VII bevat nog twee aanvullende niveaus boven op het basisdossier. Het eerste aanvullende niveau (Niveau 1) is van toepassing wanneer de in de handel gebrachte hoeveelheid van de stof 100 ton per jaar per fabrikant of de totale in de handel gebrachte hoeveelheid 500 ton per fabrikant bereikt (art. 7, lid 2). De bevoegde instanties hebben echter al de mogelijkheid om niveau 1 van toepassing te verklaren wanneer de in de handel gebrachte hoeveelheid 1/10 bedraagt van de hiervoor genoemde hoeveelheden. Niveau 2 is van toepassing zodra de in de handel gebrachte hoeveelheid van de stof 1 000 ton per jaar per fabrikant of de totale in de handel gebrachte hoeveelheid 5 000 ton per fabrikant bereikt. Wanneer dit het geval is dient de bevoegde instantie een programma op te stellen van proeven/onderzoeken die binnen een door haar te bepalen termijn door de kennisgever moeten worden uitgevoerd. Deze proeven hebben voornamelijk betrekking op gezondheids- en milieueffecten voor de lange termijn (bijv. toxiciteit ten aanzien van vissen).

De vereisten gesteld aan de tests en beoordelingen van eigenschappen van de stoffen in artikel 3 worden door de wijziging tot aanpassing van de Richtlijn aan REACH ingetrokken. In plaats daarvan is artikel 13 Verordening 1907/2006 van toepassing.

Verordening 1272/2008 stelt het opnieuw testen op gezondheids- of milieurisico’s niet verplicht. Het testen op eventuele lichamelijke gevaren is echter wel verplicht, tenzij adequate en betrouwbare informatie al beschikbaar is (bijvoorbeeld door toepassing van REACH). Ook als bepaalde data ontbreken kan de leverancier besluiten om nieuwe tests uit te voeren. In dit geval moet het testen op dieren zoveel mogelijk worden vermeden en alternatieve methoden moeten waar mogelijk toegepast worden.

De rol van de bevoegde instantie

De lidstaten dienen de bevoegde instantie aan te wijzen die tot taak heeft de kennisgevingen in ontvangst te nemen en te verifiëren of deze met de voorschriften in de Richtlijn in overeenstemming zijn (art. 16, lid 1). Deze controle richt zich met name op de indeling, het kenmerken, eventuele gevaren en aanbevolen voorzorgsmaatregelen. De bevoegde instantie kan voorts vragen om aanvullende informatie, de nodige monsters nemen voor controledoeleinden en passende maatregelen inzake veilig gebruik van een stof nemen in afwachting van communautaire voorschriften (dit is een verwijzing naar Richtlijn 76/769 –zie § ???).

Zodra de kennisgeving heeft plaatsgevonden dient zo spoedig mogelijk een kopie van het dossier of een samenvatting daarvan, vergezeld van relevant commentaar, aan de Commissie te worden gezonden (art. 17). In het geval dat uitsluitend een samenvatting wordt gestuurd hebben de bevoegde instanties van de lidstaat en de Commissie te allen tijde toegang tot het kennisgevingsdossier en tot de aanvullende gegevens (art. 20). De bevoegde instantie van elke lidstaat kan de bevoegde instantie die de kennisgeving als eerste heeft ontvangen of de Commissie raadplegen over bijzondere punten en/of aanvullende proeven voorstellen (art. 18, lid 2).

De verantwoordelijkheid van de bevoegde instantie voor het ontvangen van kennisgevingen en de hierop volgende onderzoeken zal worden beëindigd door de wijziging tot aanpassing van de Richtlijn aan REACH.

Indeling

Stoffen dienen op basis van hun intrinsieke eigenschappen te worden ingedeeld in één van de vijftien “gevaarcategorieën” (art. 2, lid 2, sub a t/m o). Eén van deze categorieën is de milieugevaarlijke categorie (sub o). De algemene beginselen voor de indeling zijn te vinden in Bijlage VII. Bijlage I bevat de lijst van gevaarlijke stoffen (zie tabel ???). De stoffen uit Bijlage I dienen te worden gekenmerkt door concentratiegrenzen of andere beoordelingscriteria die een beoordeling van het gevaar voor de gezondheid en het milieu van preparaten die de gevaarlijke stoffen bevatten mogelijk maken (zie § ???). Artikel 115 Verordening 1907/2006 (REACH) vereist dat vanaf 1 juni 2007 een geharmoniseerde indeling zal worden toegevoegd aan Bijlage I van de Richtlijn. In deze toevoeging moet worden opgenomen of een stof kankerverwekkend, mutageen, schadelijk voor de voortplanting (categorie 1,2, of 3), of schadelijk voor de luchtwegen is. Een geharmoniseerde indeling op basis van andere eigenschappen kan op een ad hoc basis worden toegevoegd.

De gevaarcategorieën en de categorieën genoemd in Verordening 1272/2008 zijn te vergelijken met die uit de Richtlijn. Echter, het aantal categorieën is onder de Verordening uitgebreid, voornamelijk op het gebied van lichamelijke risico’s (waar het aantal categorieën is toegenomen van 5 tot 16).

Bijlage VII van Verordening 1272/2008 bevat een omzettingstabel voor leveranciers van chemicaliën om de bestaande indelingen aan te passen aan de nieuwe indelingen vereist door de nieuwe Verordening. Op deze manier hoeven de leveranciers niet van voren af aan te beginnen aan de hand van de criteria neergelegd in Bijlage I van de Verordening. Deze procedure is bedoeld voor leveranciers die al stoffen hebben ingedeeld aan de hand van Richtlijn 67/548 vóór 1 december 2010. Alleen daar waar voldoende correlatie bestaat tussen de genoemde gevaren in de Richtlijn en de Verordening is de omzettingstabel van toepassing.

Het kenmerken, de verpakking en het veiligheidsinformatieblad

Stoffen kunnen niet op de markt worden gebracht tenzij ze zijn verpakt en gekenmerkt in overeenstemming met de vrij specifieke regeling van de Richtlijn. De algemene beginselen ten aanzien van de indeling en het kenmerken dienen te worden toegepast in overeenstemming met de criteria uit Bijlage VI en conform de resultaten van de proeven zoals neergelegd in de Bijlagen VII en VIII. Om met name de professionele gebruikers in staat te stellen de nodige beschermingsmaatregelen te nemen dient elke fabrikant, importeur of handelaar vóór de eerste levering een veiligheidsinformatieblad te verstrekken (art. 27).

Gevaarlijke stoffen die nog niet zijn opgenomen in Bijlage I maar die wel in EINECS voorkomen dienen te worden onderworpen aan dezelfde verpakkings- en kenmerkingsmaatregelen (art. 6).

Verordening 1272/2008/EG vervangt risicozinnen, veiligheidszinnen en symbolen met voor het grootste deel vergelijkbare gevaren- en voorzichtigheidsverklaringen en pictogrammen. Ook de GHS symbolen voor ‘Gevaar’ en ‘Waarschuwing’ zijn opgenomen in de nieuwe EU-wetgeving.

Vertrouwelijkheid

De kennisgever heeft de mogelijkheid om aan te geven dat de informatie die hij “commercieel gevoelig acht en waarvan de verspreiding hem uit industrieel en commercieel oogpunt schade zou kunnen berokkenen” voor iedereen behalve de bevoegde instanties en de Commissie geheim moet worden gehouden. Een dergelijke aanduiding dient met redenen omkleed te zijn (art. 19, lid 1). De bevoegde instantie besluit uiteindelijk op eigen verantwoordelijkheid welke inlichtingen onder de industriële en commerciële geheimhouding vallen (art. 19, lid 2). Bepaalde gegevens, waaronder de handelsnaam van de stof en de beknopte resultaten van proeven, komen onder geen enkele omstandigheid in aanmerking voor geheimhouding (art. 19, lid 1). Deze bepalingen zijn ingetrokken door de wijziging tot aanpassing van de REACH Verordening 1907/2006.

Comité voor de aanpassing

Dit comité ziet toe op de aanpassing van de Bijlagen aan de vooruitgang van de techniek (art. 29).

Toegang tot de markt

Het is de lidstaten niet toegestaan het in de handel brengen van stoffen die aan de Richtlijn voldoen te verbieden, beperken of belemmeren om redenen in verband met de kennisgeving, de indeling, de verpakking of het kenmerken in de zin van de Richtlijn (art. 30). Indien een lidstaat echter gegronde redenen heeft om aan te nemen dat een stof toch gevaar oplevert voor mens of milieu, kan hij tijdelijke maatregelen nemen (art. 31).[988] Met andere woorden, kennisgeving in één lidstaat heeft in beginsel tot gevolg dat de toegang tot de gehele Gemeenschapsmarkt verzekerd is na 60 dagen.

Verslagen (art. 32)

Om de drie jaar, sinds 31 oktober 1996, dienden de lidstaten aan de Commissie een verslag voor te leggen over de tenuitvoerlegging van de Richtlijn. De Commissie diende vervolgens tevens om de drie jaar een samenvattend verslag op te stellen dat gebaseerd is op de verslagen van de lidstaten. Deze verplichtingen werden via Richtlijn 2006/121 vanaf 1 juni 2008 afgeschaft.

7.3.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijnen en Verordeningen

Richtlijn 67/548 werd aangenomen lang voordat er sprake was van een EU-milieubeleid. Ze vormde onderdeel van het beleid ter harmonisering van de regels voor de interne markt.

Het eerste milieu-actieprogramma van 1973 droeg de Commissie specifiek op om na te gaan welke maatregelen er nog nodig waren om het toezicht van de publieke autoriteiten op chemische stoffen voordat die op de markt gebracht worden te harmoniseren en te versterken. Dit naar aanleiding van ontwikkelingen op dit gebied in verscheidene lidstaten, alsmede in de Verenigde Staten en in OESO-verband. Er is toen enige discussie geweest binnen de Commissie over de vraag of de bestaande Richtlijn 67/548 moest worden gewijzigd dan wel een geheel nieuwe Richtlijn moest worden ontworpen.

In november 1974 nam de OESO een Aanbeveling aan betreffende de beoordeling van de potentiële milieu-effecten van chemicaliën. De voorbereiding van deze Aanbeveling en de daarop volgende werkzaamheden zorgden voor een forum voor discussie tussen vertegenwoordigers uit de Verenigde Staten, Canada en de EU-lidstaten.

In juni 1975 legde Frankrijk aan de Commissie een wetsontwerp voor betreffende het testen van nieuwe chemicaliën voordat deze op de markt zouden mogen worden gebracht. De Commissie stelde hierop een werkgroep in, zodat de discussies die in verscheidene lidstaten gaande waren (maar tot dan toe alleen in Frankrijk tot voorlopige conclusies hadden geleid) aan elkaar gekoppeld werden. De ontwikkeling van de ‘Zesde Wijziging’ kan dan ook worden gezien als de ‘ideale’ situatie waarin een kwestie die Gemeenschappelijke actie vereist op Gemeenschapsniveau ter hand kan worden genomen voordat er (soms conflicterende) wettelijke beperkingen in diverse lidstaten zijn geschapen. Het is duidelijk dat het ontbreken van enige bestaande wetgeving op het gebied van het testen van chemicaliën een belangrijke factor is geweest bij het bereiken van overeenstemming over een zeer ingewikkeld en potentieel tot verdeeldheid leidend onderwerp. Ook de in 1976 in de Verenigde Staten aangenomen Toxic Substances Control Act is een belangrijke factor geweest bij de onderhandelingen over de Zesde Wijziging, ondermeer als argument voor het versterken van de milieu-aspecten van de Richtlijn.

De ‘Zevende Wijziging’ (Richtlijn 92/32), die in de plaats kwam van de Zesde Wijziging, was bedoeld ter verduidelijking van de bestaande bepalingen en bevatte de volgende nieuwe elementen:

  • een verlenging van de periode tussen kennisgeving en op de markt brengen van 45 tot 60 dagen;

  • de verplichting tot samenwerking bij het uitwisselen van gegevens als er meer dan één aanbieder is die kennisgeving moet doen van dezelfde stof; dit met het oog op de beperking van het aantal dierproeven;

  • er wordt extra informatie verlangd over stoffen die in beperkte hoeveelheden worden geproduceerd;

  • er wordt minder informatie verlangd over stoffen die alleen voor onderzoek en ontwikkeling worden gebruikt;

  • een nieuwe definitie van ‘polymeren’;

  • veiligheidsinformatiebladen.

Het oude systeem, dat zich ontwikkelde tot een lappendeken van Richtlijnen, bevatte aparte regels voor bestaande (stoffen die opgenomen waren op de EINECS-lijst) en nieuwe chemische stoffen. Door dit onderscheid kwam onvoldoende informatie naar voren over de effecten van bestaande stoffen op de volksgezondheid en het milieu. Ook werd duidelijk dat veel gevaarlijke stoffen zonder wetenschap van de Gemeenschap op de markt terecht waren gekomen. Omdat bestaande stoffen niet opnieuw hoefden worden getest ontstond een grote leemte in de kennis van de intrinsieke eigenschappen van deze stoffen. Bijkomend nadeel van het oude systeem was dat de regeling onderzoek en innovatie vertraagde waardoor de Europese chemische sector een achterstand opliep op haar Japanse en Amerikaanse concurrenten.

De verdeling van verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het onderzoek bleek ook niet werkbaar. In plaats van het bedrijfsleven zelf waren overheidsinstellingen verantwoordelijk voor het testen van chemicaliën en het uitvoeren van risicoanalyses. De uiteindelijke beoordeling moest zeer uitgebreide informatie bevatten en werd niet gericht op specifieke toepassingen van de stof. Het aantal stoffen dat op deze manier getest werd is beperkt en slechts voor een paar stoffen konden uiteindelijk zinvolle aanbevelingen worden gedaan met betrekking tot risicoverkleining.

De verplichting die werd opgelegd aan producenten en importeurs van chemicaliën om informatie te verschaffen ten aanzien van de stof gold niet voor, bijvoorbeeld, industriële gebruikers. Naarmate een stof verder werd gebruikt in de productieketen bleek steeds minder informatie naar buiten te komen betreffende deze stof. Dit was alleen niet het geval als de stof verplicht moest worden ingedeeld en een veiligheidsinformatieblad moest worden bijgeleverd.

Voor nieuwe stoffen bestonden een meldingsplicht en verplicht uit te voeren tests zodra per jaar 10 kilo of meer zou worden geproduceerd. Hierdoor werd het ontwikkelen van nieuwe stoffen in de Europese chemiesector sterk ontmoedigd en gaf men de voorkeur aan het gebruik van al bestaande stoffen.

De Commissie, bedachtzaam op al deze problemen van het oude systeem, besloot tot een wijziging van het beleid. In februari 2001 publiceerde de Commissie een Witboek waarin de toekomstige strategie van de Gemeenschap betreffende chemische stoffen uiteen werd gezet. Hoofdzaak was het vervangen van de huidige, talrijke richtlijnen door één wetgevingskader ter ‘Registratie, Evaluatie, beperkende maatregelen en Autorisatie van Chemische stoffen’. Het originele wetsvoorstel van de Commissie (COM(03)644(1)) en (COM(03)644(02)) ter wijziging van Richtlijn 67/548/EG werd op 29 oktober 2003 aangenomen en doorgestuurd naar de Raad en het Parlement. Na een 1e lezing van het Parlement, een gemeenschappelijk standpunt van de Ministers van Milieu, en een 2e lezing van het Parlement kon het voorstel aangenomen worden door de Raad op 18 december 2006.

7.3.6 De omzetting in nationale regelgeving

De regels betreffende de verpakking en het kenmerken zijn terug te vinden in het Besluit verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten[989] en de Nadere regels verpakking en aanduiding milieugevaarlijke stoffen en preparaten[990]. In laatstgenoemde regeling wordt ‘dynamisch verwezen’ naar de bijlagen van Richtlijn 67/548, waardoor wijzigingen in deze bijlagen automatisch doorwerken in de Nederlandse regelgeving. Voorzover het om bestrijdingsmiddelen gaat, zijn de regels ondergebracht in de Regeling samenstelling bestrijdingsmiddelen[991].

De bepalingen van de 14e aanpassing (Richtlijn 91/410, betreffende kinderveilige sluitingen) zijn verwerkt in het Warenwetbesluit veilige verpakking huishoudchemicaliën[992].

Het kennisgevingssysteem van de ‘Zevende Wijziging’ (Richtlijn 92/32) is ondergebracht in Hoofdstuk 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms)[993]. De uitvoeringsregels hiervan staan in het Kennisgevingsbesluit Wms[994] en de Nadere regels indiening en bekendmaking van kennisgeving en overige gegevens van Hoofdstuk 2 Wms[995]. In de Regeling inhoud kennisgevingen en meldingen Wms[996] staat vermeld welke gegevens bij de diverse soorten kennisgeving moeten worden overgelegd, overeenkomstig Richtlijn 93/105. De regels met betrekking tot de risicobeoordeling zijn opgenomen in de Regeling risicobeoordeling nieuwe stoffen Wms[997]. Het Besluit testmethoden voor toxiciteit en ecotoxiciteit[998] bepaalt dat bij het testen van milieugevaarlijke stoffen de methoden moeten worden gehanteerd die zijn voorgeschreven door Richtlijn 88/302 (de 9e aanpassing).

De bepalingen ten aanzien van inlichtingenbladen inzake de veiligheid zijn in Nederlandse regelgeving omgezet door middel van het Veiligheids­informatie­bladen­besluit Wet milieugevaarlijke stoffen[999].

In de Regeling Bureau Milieugevaarlijke Stoffen[1000] zijn bepaalde taken in het kader van Richtlijn 67/548 toegewezen aan het Bureau Milieugevaarlijke Stoffen, dat is gevestigd bij het RIVM te Bilthoven.

Op grond van artikel 9.3.1 van de Wet Milieubeheer kunnen bij of krachtens amvb (zoals wetten) regels worden gesteld ter uitvoering van de REACH verordening. Zo werd EG-verordening nr. 1907/2006 betreffende de registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH) uitgevoerd bij Wet van 16 mei 2007 tot uitbreiding en wijziging van de Wet milieubeheer. Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH). De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. De Wet heeft ook de Wet van 5 december 1985 ter bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke stoffen en preparaten ingetrokken per 1 juni 2008.

Verordening nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels wordt uitgevoerd bij Wet van 24 september 2009 tot uitbreiding en wijziging van de Wet milieubeheer. Deze wet wordt aangehaald als: Uitvoeringswet EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels. Deze Wet zal in werking treden op 4 november 2011.

7.3.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Richtlijn 67/548 (inclusief de wijzigingen ervan) kan worden gerekend tot de belangrijkste Europese milieurichtlijnen. Tot de effecten van de Richtlijn behoort de totstandkoming van nieuwe relaties tussen de bevoegde autoriteiten in de lidstaten. Bovendien is de Richtlijn een belangrijke poging om een beginsel te concretiseren dat al in het eerste Milieu-actieprogramma werd genoemd, namelijk dat voorkomen beter is dan genezen (ofwel het preventiebeginsel en, waar het om risico’s gaat waarover nog geen wetenschappelijke zekerheid bestaat, het voorzorgsbeginsel). Een ander aspect van de Richtlijn is dat ze het de EU mogelijk gemaakt heeft met één stem te spreken in discussies binnen de OECD en met de Verenigde Staten en andere landen. Dat heeft de positie van de Gemeenschap versterkt met het oog op het voorkomen van barrières voor de Europese chemische industrie als gevolg van de Amerikaanse Toxic Substances Control Act (TSCA). De Zesde en Zevende Wijziging en de TSCA hebben dezelfde doelstellingen, zodat het uiteindelijk mogelijk zou kunnen zijn dat overeenstemming wordt bereikt om ervoor te zorgen dat stoffen waarover in de VS kennisgeving is gedaan in Europa op de markt kunnen worden gebracht, en vice versa. De discussies daarover zijn overigens nog steeds gaande.[1001]

In de loop der jaren is het aantal stoffen waarover kennisgeving is gedaan aanzienlijk toegenomen. In 1988 waren het er 550 en in 1997 meer dan 3800. De verdeling van de kennisgevingen over de lidstaten was tot 1997 als volgt:

Verenigd Koninkrijk

26%

Duitsland

24%

Frankrijk

12%

Nederland

10%

Italië

8%

Overige

20%

Cijfers en verdere informatie staan in het Verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de Richtlijn[1002] en waren ook te vinden op de website van het European Chemicals Bureau[1003].

Tegenwoordig is dergelijke informatie verzameld op de ECHA website.[1004] Uit de begin 2011 gegenereerde gegevens inzake notificaties[1005] blijkt dat de top 10 tegenwoordig als volgt is:

Duitsland 26 %

Verenigd Koninkrijk 16 %

Frankrijk 9 %

België 6 %

Italië 6 %

Spanje 4 %

Polen 4 %

Nederland 4 %

Hongarije 3 %

Tsjechië 3 %

Hoewel de bij de kennisgeving overgelegde gegevens over het algemeen als niet toereikend werden beschouwd voor een volledige beoordeling van de risico’s, wordt ze in de praktijk toch als een waardevol instrument gezien. Zo geeft de kennisgeving in ieder geval een betrouwbaar inzicht in de wel goed onderzochte eigenschappen van de stof.[1006]

In de periode van januari 1995 tot juni 1996 zijn in het kader van het NONS-project (Notification of New Substances) ongeveer 4000 stoffen gecontroleerd bij 96 bedrijven in de EU-landen plus Noorwegen. Van 37 procent van de nieuwe stoffen bleek geen kennisgeving te zijn gedaan. Bij een vervolgproject, genaamd SENSE (Solid Enforcement of Substances in Europe) bleek dat percentage te zijn gedaald tot 5 procent. Er werden ook talrijke niet-geïdentificeerde stoffen aangetroffen. Verder kwamen onjuiste classificatie en etikettering op uitgebreide schaal voor[1007].

De handhaving van REACH is een verantwoordelijkheid van de nationale instanties. ECHA faciliteert een “Forum for Exchange of Information on Enforcement”. Dit Forum bestaat uit vertegenwoordigers van nationale handhavingsinstanties die de coördinatie van de handhaving van REACH in de EU lidstaten, Noorwegen, IJsland and Liechtenstein bevorderen.[1008] Uit een gecoördineerde inspectie die tussen mei en december 2009 in 25 landen werd gehouden bleek dat van de 1600 onderzochte bedrijven (producenten en importeurs) er in 378 gevallen (24%) sprake was van overtreding van de REACH bepalingen. Het merendeel betrof gevallen (namelijk 293) waarin de Veiligheidsinformatiebladen (Vib) niet in orde waren. In Nederland werden 34 bedrijven onderzocht.[1009]

In Nederland heeft de Inspectie Milieuhygiëne in het verleden van november 1999 tot april 2000 zestien chemicaliënproducenten en –groothandelaren gecontroleerd op de naleving van de Wms-regels, waaronder het Kennisgevingsbesluit en het Veiligheidsinformatiebladenbesluit. Meer dan 1/3 van de bedrijven bleek ten aanzien van het Kennisgevingsbesluit in overtreding te zijn. Ook met de kwaliteit van de Veiligheidsinformatiebladen (VIB’s) is het niet altijd even goed gesteld. In 16% van de gevallen was een VIB niet, zoals verplicht, in het Nederlands, maar in het Engels opgesteld. Bovendien vinden gebruikers dat de VIB’s in het algemeen te lang en te ingewikkeld zijn. Verder dienen ze niet het doel waar ze eigenlijk voor zijn gemaakt: namelijk de risico’s op de werkplek en eventuele beschermings­maatregelen op een heldere en duidelijke manier overbrengen (NCI, 2001).

Ook bij een eerder onderzoek van de Inspectie, onder 72 bedrijven, waren al tekortkomingen bij de VIB’s geconstateerd. Tevens bleek de helft van de bijna 300 gecontroleerde etiketten van milieugevaarlijke stoffen en preparaten niet te voldoen aan de eisen[1010].

De meest recente jaarrapportage 2009 laat zien dat bij vrijwel alle bedrijven in Nederland de verplichte veiligheidsinformatiebladen (VIB’s) beschikbaar waren. Wel ontbrak bij een derde van de gecontroleerde bedrijven een deel van de wettelijk verplichte informatie in deze VIB’s, en werden bij een kwart van de bedrijven onvolledige etiketten ontdekt. Bij vrijwel alle bedrijven hebben werknemers toegang tot de informatie over stoffen waarmee zij werken. Bedrijven geven de informatie over stoffen ook door aan handelaren en eindgebruikers.[1011]

Uit een onderzoek betreffende de gevolgen van de CLP- verordening voor het Nederlandse bedrijfsleven, uitgevoerd door Sira Consulting met eindrapportage maart 2008, blijkt dat de indirecte kosten van deze verordening kunnen oplopen. Het gaat bij de indirecte kosten vooral om de consequenties die volgen uit de classificatie van stoffen en mengsels. Concreet kan dit betekenen dat mengsels die in de huidige situatie als niet of beperkt gevaarlijk zijn geclassificeerd, als gevolg van de CLP-verordening wel als gevaarlijk of als gevaarlijker worden geclassificeerd. Dit kan de volgende consequenties hebben:

  • Andere eisen aan de inrichting door wijzigingen in hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Een verschuiving naar gevaarlijkere classificaties kan een melding betekenen aan het bevoegde gezag of in andere gevallen een aanpassing van de Wm-vergunning.

  • Andere eisen aan opslagvoorzieningen. De opslag van gevaarlijke stoffen is gerelateerd aan opslaghoeveelheden. Een zwaardere classificatie betekent zwaardere eisen aan opslag conform de richtlijnen van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS).

  • Andere eisen aan verpakkingen. Een zwaardere classificatie kan betekenen dat andere eisen worden gesteld aan verpakkingen. Een mogelijk voorbeeld hiervan is de zeepbranche. Een andere classificatie als gevolg van de CLP-verordening kan betekenen dat middelen die oppervlakteactieve stoffen bevatten, moeten worden voorzien van kinderveilige sluitingen.

De belangrijkste kosten van de CLP-verordening worden veroorzaakt tijdens de transitieperiode. In deze periode dienen bedrijven de classificatie en etikettering van de stoffen en mengsels aan te passen. Grotere bedrijven zullen deze veranderingen centraal kunnen doorvoeren, waardoor de kosten ten opzichte van de totale bedrijfsvoering, beperkt blijven. MKB bedrijven zullen echter tijdens de transitieperiode meer afhankelijk zijn van leveranciers. Bovendien hebben MKB bedrijven minder capaciteit om op de veranderingen als gevolg van de CLP-verordening te anticiperen. Dit betekent dat de kosten ten opzichte van de totale kosten voor de bedrijfsvoering, aanzienlijk zouden kunnen oplopen.

De baten van de CLP-verordening zijn vooral voor internationaal opererende bedrijven. Primair is de CLP-verordening gericht op het wereldwijd harmoniseren van de voorschriften voor het classificeren en etiketteren van gevaarlijke stoffen en mengsels. De belangrijkste baten van de CLP-verordening zijn dan ook gericht op de internationale handelende bedrijven. Concreet betekent dit dat:

  • Nederlandse bedrijven die alleen binnen de EU handelen als gevolg van de CLP-verordening met eenduidigere voorschriften te maken krijgen.

  • Nederlandse bedrijven die buiten de EU handelen als gevolg van de CLP-verordening met minder verschillende voorschriften te maken krijgen (kleine verschillen blijven bestaan tussen de EU en landen die daarbuiten GHS invoeren).

  • Bedrijven die uitsluitend in Nederland handelen of werkzaam zijn zullen geen voordelen ondervinden als gevolg van de CLP-verordening.

Het Nederlandse onderzoek onderschrijft dat de structurele gevolgen van de CLP-verordening beperkt zullen blijven. Voor de berekende initiële directe kosten geldt echter dat deze wel significant afwijken van de EC-Impact Assessment. Hierin is berekend dat de kosten voor het Europese bedrijfsleven, afhankelijk van een transitieperiode tot 2013 of tot 2015, respectievelijk € 544 miljoen of € 526 miljoen bedragen. In dit onderzoek wordt aangetoond dat de kosten minimaal € 145 miljoen bedragen voor alleen het Nederlandse bedrijfsleven.

7.3.8 Verdere ontwikkelingen

Europese Unie

In juni 2007 publiceerde ECHA een handleiding voor de voorbereidingen voor Bijlage XV betreffende de geharmoniseerde indeling en etiketteren. De handleiding is geschreven op basis van de vereisten van de REACH Verordening en Bijlage I van Richtlijn 67/548/EG.

Diezelfde maand kwam de Commissie met voorstel COM(2007)355. Hierin werd vereniging van Richtlijn 67/548/EG en het GHS systeem bepleit. Beide systemen zijn conceptueel gezien vergelijkbaar en behandelen structureel dezelfde elementen: indeling, verpakking, en gevarencommunicatie zoals etikettering en veiligheidsinformatiebladen. De voorgestelde Verordening werd op 31 december 2008 gepubliceerd in het publicatieblad van de EU. Een begeleidend document aangaande de toepassing van Verordening 1272/2008 werd in augustus 2009 gepubliceerd. Deze handleiding is opgedeeld in een gids voor leveranciers, en een gids met gedetailleerde technische en wetenschappelijke toepassingen.

Nederland

Op de website www.stoffen-info.nl zijn het laatste nieuws over het Nederlandse stoffenbeleid en links naar andere websites met informatie over specifieke onderwerpen verzameld. Wat betreft de handhaving van REACH en EU-GHS wordt er uitgelegd dat deze door een samenwerkingsverband van de inspectiediensten wordt uitgevoerd: Arbeidsinspectie, Voedsel en Waren Autoriteit en VROM-Inspectie. Het doel hiervan is een effectieve handhaving met zo min mogelijk last voor het bedrijfsleven. De uitgangspunten voor de handhaving zijn: éénduidig, selectief en risicogericht toezicht. Afgesproken is dat elke doelgroep te maken krijgt met één inspectiedienst als aanspreekpunt voor de handhaving. De verdeling op hoofdlijnen is als volgt:

  • De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de professionele gebruikers van stoffen en mengsels (preparaten);

  • De Voedsel en Waren Autoriteit houdt toezicht op producenten, importeurs en handelaren van mengsels (preparaten) en voorwerpen voor consumenten;

  • De VROM-Inspectie houdt toezicht op fabrikanten, importeurs en handelaren van stoffen, mengsels (preparaten) en voorwerpen voor professioneel gebruik.

Referenties

Breejen, A. den (1999). Het stoffenbeleid: integraal, wetenschappelijk en Europees. Milieu & Recht 1, pp. 2-9.

NCI (2001). Inspectie Milieuhygiëne gaat strenger controleren op kennisgevingsbesluit. NCI 7, 18 april 2001, pp. 12-13.

[986] PbEG L167, 24.8.1981.

[987] PbEG L30, 2.2.1985.

[988] De bepalingen betreffende beperkingen van Gemeenschapswege zijn neergelegd in Richtlijn 76/769, zie § ???.

[989] Stb. 1987, 516; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2001, 217.

[990] Stcrt. 1988, 30; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 1997, 16.

[991] Stcrt. 1980, 43; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2004, 139.

[992] Stb. 1994, 106; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1997, 429.

[993] Stb. 1985, 639; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1997, 510.

[994] Stb. 1986, 592; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 1997, 376.

[995] Stcrt. 1986, 248; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 1994, 133.

[996] Stcrt. 1994, 109.

[997] Stcrt. 1994, 133; gewijzigd bij Stcrt. 2001, 87.

[998] Stcrt. 1988, 227.

[999] Stb. 1993, 252.

[1000] Stcrt. 1996, 230.

[1001] Zie over de ontwikkelingen in het chemicaliënrecht in de EU en de Verenigde Staten o.a. J. Zander, The application of the precautionary principle in practice, Cambridge, 2010, Eriksson, Johan, Michael Gilek and Christina Rudén (eds.), Regulating Chemical Risks: European and Global Challenges, Dordrecht, Springer, (2010) en N. de Sadeleer (ed.), Implementing the precautionary principle. Approaches from the Nordic countries, EU and USA, London, 2007.

[1002] COM(1999) 178. Alhoewel de driejaarlijke rapportage-verplichting pas per 1 juni 2008 werd afgeschaft (via Richtlijn 2006/121) lijken er ná 1999 geen vervolg-rapportages door de Commissie te zijn uitgebracht.

[1006] Den Breejen (1999), p. 3, op basis van de evaluatie van de Wms.

[1007] Bron: COM(1999) 178 en ENDS Report 279, april 1998.

[1010] TK 1999-2000, 22 343, nr. 47, p. 25-26.

[1011] VROM-Inspectie, Jaarrapportage 2009 Handhaving REACH en EU-GHS 2009.