Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

7.6 Beperking van het op de markt brengen en het gebruik

7.6.1 Overzicht van EU regelgeving

Verordening 1907/2006 (PbEU L 396, 30.12.2006)

Corrigendum PbEU L36, 5.2.2009; PbEU L141, 31.5.2008; PbEU L136, 29.5.2007

Verordening inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)

Verordening 552/2009 (PbEU L 164 26.6.2009)

Wijziging Vo. 1907/2006 (wijziging van REACH bijlage XVII)

Commissie Verordening 453/2010 (PbEU L133 31.05.2010)

Wijziging Vo. 1907/2006 (veiligheidsinformatiebladen)

Verordening 1272/2008 (PbEU L 353, 31.12.2008)

Verordening betreffende de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen van substanties en mengsels, wijziging en intrekking van Richtlijn 67/548/EG en 1999/45/EG en wijziging van Verordening 1907/2006/EG

Verordening 134/2009 (PbEU L46, 17.2.2009)

Wijziging Vo. 1272/2008

Verordening 782/2003 (PbEU L 115, 9.5.2003)

Verordening houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen

Verordening 536/2008 (PbEU L 156, 14.6.2008)

Wijziging

Verordening 219/2009 (PbEU L 87, 31.3.2009)

Wijziging

Rechtsgrondslag

Artikel 95 EG-Verdrag (thans art. 114 VwEU)

Bindende termijnen

Indeling, etikettering en verpakking gebaseerd op de Richtlijn en de Verordening

10 december 2010

Verordening 1137/2008 (PbEU L311, 21.11.2008)

Verordening tot aanpassing aan besluit 1999/45/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van toepassing is

7.6.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Uitvoeringswet EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen (REACH)

Stb. 2007, 181; laatstelijk gewijzigd Stb. 2008, 197

Uitvoeringswet EG-verordening indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels

Stb 2009, 440

Besluit instelling Bureau REACH

Stcrt. 2007, 68

Besluit met arseenverbindingen behandeld hout milieubeheer

Stb. 2004, 238; laatstelijk gewijzigd Stb. 2008, 160

Productenbesluit asbest

Stb. 2005, 6; laatstelijk gewijzigd Stb. 2008, 160

Warenwetbesluit Speelgoed

Stb. 1991, 269; laatstelijk gewijzigd Stb. 2010, 177

Warenwetbesluit algemene chemische produktveiligheid

Stb. 1994, 105; laatstelijk gewijzigd Stb. 2009, 533

7.6.3 Doelstelling van de Verordeningen

Verordening 1907/2006

Verordening 1907/2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) heeft als doelstelling het verbeteren van de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu door betere en eerdere identificatie van de intrinsieke eigenschappen van chemische substanties dan de voorheen geldende richtlijnen (zie hieronder). Tegelijkertijd moet de Verordening de internationale marktpositie van de Europese chemische industrie verbeteren. Naarmate er meer stoffen via REACH worden geregistreerd zullen de voordelen van de nieuwe regeling toenemen. Een groot deel van de verantwoordelijkheid voor de registratie van stoffen komt bij de industriële sector te liggen. Ook ECHA (European Chemicals Agency) speelt een grote rol onder REACH. De Verordening richt zich ook op het uitfaseren van de gevaarlijkste chemische stoffen waar een redelijk alternatief voor gevonden kan worden.

Vóór REACH voorzag Richtlijn 76/769 in een algemeen kader voor verboden of beperkingen op het op de markt brengen en gebruik van gevaarlijke stoffen en preparaten. De beperkingen waren opgenomen in een Bijlage, die door een groot aantal vervolg-Richtlijnen werd uitgebreid. Er bestond afzonderlijke wetgeving voor beperkingen op het op de markt brengen en gebruik van bestrijdingsmiddelen (zie § ???), voor invoer en uitvoer (zie § ???), voor ozonlaagaantastende stoffen (zie § ???) en voor gevaarlijke stoffen in speelgoed (Richtlijn 88/378[1017]).

Ondanks deze ‘stoffenrichtlijn’, bleek dat veel gevaarlijke stoffen zonder medeweten van de Gemeenschap op de markt terecht waren gekomen. Ook bleek dat er onvoldoende kennis bestond over de intrinsieke eigenschappen van deze stoffen. Daarom werd een nieuw systeem opgezet om in deze leemten te voorzien, REACH. De REACH Verordening omvat geen vereisten betreffende de indeling, verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen. Hierdoor blijven de bepalingen van de oude richtlijn met betrekking op deze onderdelen wel van toepassing.

Artikel 115 van Verordening 1907/2006 vereist dat vanaf 1 juni 2007 een geharmoniseerde indeling zal worden toegevoegd aan Bijlage I van de Richtlijn. In deze toevoeging moet worden opgenomen of een stof kankerverwekkend, mutageen, schadelijk voor de voortplanting (categorie 1,2, of 3), of schadelijk voor de luchtwegen is. Een geharmoniseerde indeling op basis van andere eigenschappen kan op een ad hoc basis worden toegevoegd. In deze bijlage zijn de onder Richtlijn 76/769/EG al geregistreerde stoffen opgenomen.

Verordening 782/2003

Om de aangroei van algen en andere organismen op scheepsrompen te voorkomen worden daarop aangroeiwerende biociden aangebracht. Sommige biociden, en met name de organische tinverbindingen, hebben zeer schadelijke effecten op het maritieme milieu. Schepen met dergelijke organische tinverbindingen zijn vanaf 1 januari 2008 niet langer welkom in Gemeenschapshavens krachtens deze verordening. De figuur van een verordening werd ingezet naast het op dat moment bestaande richtlijnen-systeem, om te verzekeren dat er rechtstreeks en op korte termijn aan reders en lidstaten nauwkeurige eisen konden worden opgelegd waaraan in de hele Gemeenschap op hetzelfde tijdstip en op dezelfde wijze moest worden voldaan. Zoals hierboven aangegeven is inmiddels ook voor chemische stoffen in het algemeen overgestapt op regulering middels verordeningen.

7.6.4 Samenvatting van de Richtlijnen en Verordeningen

Verordening 1907/2006 (REACH)

Op grond van de REACH Verordening 1907/2006mogen stoffen (als zodanig, in mengsels of in voorwerpen, gedefinieerd in Titel I) alleen in de Gemeenschap worden vervaardigd of in de handel worden gebracht als deze zijn geregistreerd (art. 2). Registratie (geregeld in Titel II) is verplicht vanaf 1 juni 2008 als de hoeveelheid vervaardigde of geïmporteerde ‘nieuwe’ stof per bedrijf meer is dan 1 ton per jaar (art. 6 lid 1). Met ‘nieuwe’ stof wordt een stof bedoeld die nog niet eerder in de EU werden verkocht of geproduceerd. Stoffen met een volume van minder dan 1 ton per jaar per fabrikant of importeur zijn vrijgesteld van de registratieplicht, maar dienen wel aan bepaalde eisen te voldoen, bijvoorbeeld inzake het kenmerken, en inzake maatregelen die het veilig gebruik van deze stoffen waarborgen. Voor stoffen die al in de EU op de markt zijn of worden geproduceerd is een proces van ‘geleidelijke integratie’ opgezet. Afhankelijk van de productievolume gelden er overgangstermijnen voor de registratie van drie en een half, zes of elf jaar. Tenslotte zijn er de stoffen waarvoor de registratie al bestaat ingevolge hun registratie onder de voormalige Stoffenrichtlijn 67/548. In een schema ziet e.e.a. er als volgt uit:

Registratiefase

Overgangstermijn

Uiterste termijn

> 1 ton per jaar: stoffen die nog niet eerder zijn geproduceerd of geïmporteerd

Geen overgangstermijn

Registratie vanaf 1 juni 2008 voor de introductie van deze stoffen

> 1000 ton per jaar geproduceerd of geïmporteerd

3,5 jaar

1 december 2010

> 1 ton per jaar CMR-stoffen (carcinogeen, mutageen, of toxisch voor de voortplanting zijn)

> 100 ton per jaar N; R50/53 stoffen (milieugevaarlijke stoffen die potentieel PBT (Persistent, Bioaccumulerend, Toxisch) of zeer PBT (zPBT) kunnen zijn)

> 100 ton per jaar geproduceerd of geïmporteerd

6 jaar

Tot 1 juni 2013

> 1 ton per jaar geproduceerd of geïmporteerd

11 jaar

Tot 1 juni 2018

Melding van zeer gevaarlijke stoffen in voorwerpen

4 jaar

Vanaf 1 juni 2011; binnen 6 maanden

Titel III stelt regels vast inzake het gezamenlijk gebruik van gegevens en voorkoming van onnodige proeven. Een chemische stof wordt in het kader van REACH in principe namelijk maar één keer geregistreerd. Daarom zijn fabrikanten en importeurs verplicht de gegevens die zij hebben over een chemische stof onderling uit te wisselen. Titel IV betreft de informatie die in de toeleveringsketen moet worden verstrekt, terwijl Titel V nadere bepaling bevat inzake de downstreamgebruikers. Titel VI betreft het beoordelingsproces van de chemische stoffen. Titel VII regelt het autorisatieproces, waarbij onder voorwaarden toestemming kan worden verleend voor productie of bepaald gebruik van specifieke chemische stoffen. Titel VIII stelt nadere regels inzake de vervaardiging, het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en mengsels. Titels IX t/m XV betreffen vergoedingen, het Europees Agentschap voor Chemische Stoffen (ECHA), informatie, bevoegde instanties, handhaving en overgangs/slotbepalingen. De Verordening wordt aangevuld met een zeventiental Bijlagen, waarin o.a. richtsnoeren, criteria en vrijstellingen worden geregeld. In Bijlage XVII zijn de beperkingen neergelegd op het vervaardigen, het in de handel brengen en het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen, mengsels en voorwerpen. Deze Bijlage vervangt de voorheen gebruikte vervolgrichtlijnen bij de Stoffenrichtlijn 76/769 (zie hierboven).In het navolgende wordt een beknopt overzicht gegeven van de bepalingen zoals die na de inwerkingtreding van REACH op 31 mei 2009 gelden.

Beperkende voorwaarden (nummering conform Bijlage XVII van Verordening 1907/2006)

1. Polychloorterfenylen (PCT’s) .PCBs, PCTs en preparaten met meer dan 0,005 gewichtsprocent PCB of PCT mogen niet worden gebruikt. Gebruik in bepaalde apparaten, installaties en media die op 30 juni 1986 in bedrijf waren blijft toegestaan tot hun afdanking dan wel tot het einde van hun levensduur: a) elektrische apparaten in een afgesloten systeem: transformatoren, weerstanden en smoorspoelen; b) grote condensatoren (totaalgewicht ≥ 1 kg); c) kleine condensatoren; d) warmtegeleidende media in warmteproducerende installaties in een gesloten systeem; e) hydraulische media voor ondergrondse uitrusting van mijnen. De lidstaten mogen evenwel ter wille van de bescherming van de gezondheid en het milieu het gebruik van de apparaten, installaties en media als bedoeld in lid 1 vóór hun afdanking dan wel vóór het einde van

hun levensduur verbieden.

2. Chloor-1-ethyleen (vinylchloride monomeer) .Deze stof mag niet worden gebruikt als drijfgas in spuitbussen voor welk gebruik dan ook.

3. Vloeibare stoffen of preparaten die als gevaarlijk worden beschouwd in de zin van de definities in Richtlijn 67/548/EEG van de Raad en in richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad.

Deze mogen niet worden gebruikt in siervoorwerpen bestemd om licht- of kleureffecten te verkrijgen door verschillende fasen, bijvoorbeeld in sfeerlampen en asbakken, – in scherts- en fopartikelen, – in spelen voor een of meer personen of in alle voorwerpen die bestemd zijn om als zodanig te worden

gebruikt, zelfs als deze fungeren als siervoorwerp.

4. Tri-(2,3-dibroompropyl)fosfaat .Mag niet worden gebruikt in textielartikelen die bestemd zijn om in contact te komen met de huid, bijvoorbeeld kleding, onderkleding en linnengoed.

5. Benzeen .

Is niet toegelaten in speelgoed of onderdelen van speelgoed zoals die in de handel worden gebracht, indien de concentratie aan vrij benzeen groter is dan 5 mg/kg gewicht van het stuk speelgoed of onderdeel van het speelgoed. Benzeen mag niet worden gebruikt in concentraties gelijk aan of hoger dan 0,1 gew. % in stoffen en preparaten die in de handel worden gebracht.

6. Asbestvezels (Crocidoliet, Amosiet, Anthofyliet) .

Het in de handel brengen en het gebruik van deze vezels en van voorwerpen waaraan deze vezels opzettelijk zijn toegevoegd, wordt verboden. De lidstaten kunnen echter een uitzondering maken voor het in de handel brengen en het gebruik van membranen die chrysotiel bevatten in bestaande elektrolyseinstallaties, tot zij aan vervanging toe zijn of tot geschikte asbestsubstituten beschikbaar komen, naargelang van wat het eerst gebeurt. De Commissie diende deze uitzonderingsregelingvóór 1 januari 2008 te evalueren.

7. Tris-(aziridinyl)fosfineoxide .

Mag niet worden gebruikt in textielartikelen die bestemd zijn om in contact te komen met de huid, bij voorbeeld kleding, onderkleding en linnengoed.

8. Polybroombifenylen (PBB).

Mag niet worden gebruikt in textielartikelen die bestemd zijn om in contact te komen met de huid, bij voorbeeld kleding, onderkleding en linnengoed.

9. Panama-poeder en de derivaten daarvan die saponine bevatten; poeder van de Helleborus viridiswortel en de Helleborus niger-wortel; poeder van de witte en de zwarte nieswortel; benzidine en/of derivaten daarvan; o-nitrobenzaldehyde; houtstof .

10. Ammoniumsulfide, ammoniumdisulfide en ammoniumpolysulfide .

11. Vluchtige esters van broomazijnzuur: methyl-, ethyl-, propyl- en butylbroom­acetaat De onder 9 t/m 11 genoemde stoffen mogen niet worden gebruikt in fop- en schertsartikelen of in voorwerpen die zijn bestemd om als zodanig te worden gebruikt, bij voorbeeld als bestanddeel van niespoeder en stinkbommen (tenzij de stinkbommen niet meer dan 1,5 ml vloeistof bevatten).

12 t/m 15. 2-naftylamine, benzidine, 4-nitrobifenyl en 4-aminobifenyl, xenylamine .Deze stoffen worden niet toegelaten in concentraties gelijk aan of hoger dan 0,1 gewichtsprocent in stoffen en preparaten die op de markt worden gebracht (met uitzondering van afvalstoffen). In afwijking hiervan is deze bepaling niet van toepassing op afvalstoffen die een of meer van deze verbindingen bevatten en die vallen onder de Richtlijnen 91/689/EEG en 2006/12/EG. Deze stoffen en preparaten mogen niet aan het grote publiek worden verkocht. Op de verpakking moet worden vermeld: “Uitsluitend voor beroepsmatig gebruik”.

16 en 17. Loodcarbonaten en loodsulfaten .Mogen niet worden gebruikt als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om als verven te worden gebruikt, behalve voor de restauratie en het onderhoud van kunstwerken alsmede van historische gebouwen en hun interieurs, indien lidstaten op hun grondgebied het gebruik ervan

wensen toe te staan overeenkomstig de bepalingen van de IAO-conventie nr. 13 over het gebruik van loodwit en loodsulfaten in verven.

18. Kwikverbindingen. Mogen niet worden gebruikt als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt: a) ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op scheepsrompen, fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt; alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onderwater bevindt; b) ter bescherming van hout; c) voor de impregnatie van zware industriële textielproducten en garens bestemd voor de fabricage daarvan; d) bij de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan. Het in de handel brengen van batterijen en accu’s die meer dan 0,0005 gewichtsprocent kwik bevatten, met begrip van die gevallen waarin deze batterijen en accu’s in apparaten zijn geïntegreerd, is verboden. Knoopcellen en uit knoopcellen samengestelde batterijen, die niet meer dan 2 gewichtspercenten kwik bevatten, zijn van dit verbod uitgezonderd.

19.Arseenverbindingen. Mogen niet worden gebruikt als verbindingen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt: a) ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op scheepsrompen; fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaalen schelpdieren wordt gebruikt; alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt; b) voor de verduurzaming van hout. Evenmin mag aldus behandeld hout in de handel worden gebracht. Verder mogen arseenverbindingen niet worden gebruikt als stoffen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt bij de behandeling van industrieel water, ongeacht het gebruik daarvan.

20. Organische tinverbindingen . Mogen niet in de handel worden gebracht om te worden gebruikt als stoffen en bestanddelen van preparaten, wanneer zij fungeren als biocide in los gebonden aangroeiwerende verf. Bovendien mogen deze verbindingen niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stoffen en bestanddelen van preparaten die fungeren als biociden ter voorkoming van de aangroeiing van micro-organismen, planten of dieren op: a) alle vaartuigen, ongeacht hun lengte, bedoeld voor gebruik op volle zee, in kustgebieden, in estuaria, op binnenwateren of op meren; b) fuiken, drijvers, netten, alsmede alle overige apparatuur of uitrusting die bij de teelt van vissen en schaal- en schelpdieren wordt gebruikt; c) alle apparatuur of uitrusting die zich geheel of gedeeltelijk onder water bevindt. Verder mogen organische tinverbindingen niet worden gebruikt als stoffen en bestanddelen van preparaten die bestemd zijn om te worden gebruikt bij de behandeling van industrieel water.

21. Di-μ-oxo-di-n-butylstanniohydroxy-boraan (C8H19BO3Sn, DBB) .

DBB wordt niet toegelaten in concentraties van 0,1 % of meer in verbindingen en bestanddelen van op de markt gebrachte preparaten, behalve wanneer deze uitsluitend worden verwerkt tot eindproducten waarin DBB niet meer voorkomt in een concentratie van 0,1 % of hoger.

22. Pentachloorfenol (PCP) . PCP en de zouten en esters daarvan mogen niet worden gebruikt in concentraties van 0,1 massaprocent of meer in op de markt gebrachte stoffen en preparaten. Voor enkele toepassingen kunnen Frankrijk, Ierland, Portugal, Spanje en het Verenigd Koninkrijk tot eind 2008 een uitzondering maken. Op de verpakking van PCP-houdende preparaten moet worden vermeld: “Uitsluitend voor industrieel en beroepsmatig gebruik”.

23. Cadmium.

Mag niet gebruikt worden om eindproducten te kleuren in de hiernagenoemde stoffen en bereidingen: a) polyvinylchloride (PVC), polytirethaan (PUR), polyethyleen met lage dichtheid met uitzondering van polyethyleen met lage dichtheid dat wordt gebruikt voor de vervaardiging van gekleurde basispolymeren, celluloseacetaat (CA), celluloseacetobutyraat (CAB), epoxyharsen, melamineformaldehydeharsen(MF), ureumformaldehydeharsen(UF), – onverzadigde polyesters (UP), – polyethyleentereftalaat (PET), – polybutyleentereftalaat (PBT), – kristallijn/standaard, polystyreen, – acrylonitril, methylmethacrylaat (AMMA), – verknoopt polyethyleen (VPE), – slag/schokvast polystyreen, – polypropyleen (PP); b) verf. Indien de verf een hoog zinkgehalte heeft, moet de restconcentratie van cadmium echter zo laag mogelijk zijn en in ieder geval niet hoger zijn dan 0,1 massaprocent.

24 . Monomethyl–tetrachloordifenylmethaan (handelsnaam: Ugilec 141).

Het in de handel brengen en het gebruik van deze stof en van preparaten en voorwerpen die deze stof bevatten, is verboden. Bij wijze van uitzondering is dit verbod niet van toepassing op: a) installaties en apparatuur die op 18 juni 1994 reeds in dienst waren genomen, tot de afdanking van deze installaties en apparatuur. De lidstaten mogen evenwel ter wille van de gezondheid en het milieu het gebruik op hun grondgebied van deze installaties of apparatuur vóór hun afdanking verbieden; b) het onderhoud van installaties en apparatuur die op 18 juni 1994 reeds in een lidstaat in dienst waren genomen. Het op de tweedehandsmarkt brengen van deze stof, preparaten die deze stof bevatten en installaties/apparatuur die deze stof bevatten, is ook niet toegestaan.

25. Monomethyldichloordifenylmethaan (handelsnaam: Ugilec 121).Het in de handel brengen en het gebruik van deze stof en van preparaten en voorwerpen die deze stof bevatten, worden verboden.

26. Monomethyl dibroomdifenylmethaan broombenzylbroomtolueen, mengsel van isomeren (handelsnaam DBBT).

Het in de handel brengen en het gebruik van deze stof en van preparaten en voorwerpen die deze stof bevatten, worden verboden.

27. Nikkel (en de verbindingen daarvan). Mogen niet worden gebruikt: a) in alle staafjes die in gaatjes in de oren en in andere delen van het menselijk lichaam worden geplaatst, tenzij de hoeveelheid nikkel die uit dergelijke staafjes vrijkomt, niet groter is dan 0,2 μg/cm2/week (migratielimiet); b) in voorwerpen bestemd om in direct en langdurig contact met de huid te komen, zoals de volgende: – oorbellen, – halskettingen, armbanden en kettingen, enkelringen en vingerringen, – armbandhorlogekasten, horlogebanden en -sluitingen, – drukknopen, sluitingen, klinknagels, ritssluitingen en metalen merktekens, wanneer deze in kleding worden gebruikt, – indien de hoeveelheid nikkel die vrijkomt uit delen van deze voorwerpen die in direct en langdurig contact met de huid komen, groter is dan 0,5 μg/cm2/week; c) in voorwerpen zoals de in punt b), genoemde, wanneer deze een niet-nikkelen coating hebben, tenzij deze coating voldoende is om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid nikkel die vrijkomt uit de delen van dergelijke voorwerpen welke in direct en langdurig contact met de huid komen, niet groter is dan 0,5 μg/cm2/week gedurende een periode van ten minste twee jaar van normaal gebruik van het voorwerp. De genoemde voorwerpen mogen niet in de handel worden gebracht tenzij zij voldoen aan de in deze punten genoemde voorschriften.

28 en 29. Stoffen van bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG die zijn ingedeeld als “kankerverwekkende stof van categorie 1 of kankerverwekkende stof van categorie 2” en die ten minste als “giftig (T)” zijn gekenmerkt met waarschuwingszin R 45: “Kan kanker veroorzaken”, of met waarschuwingszin R 49: “Kan kanker veroorzaken bij inademing”, met de volgende vermeldingen: Kankerverwekkende stof van categorie 1: vermeld in aanhangsel 1; Kankerverwekkende stof van categorie 2: vermeld in aanhangsel 2. Stoffen van bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG die zijn ingedeeld als “mutagene stof van categorie 1 of mutagene stof van categorie 2” en die zijn gekenmerkt met waarschuwingszin R 46: “Kan erfelijke genetische schade veroorzaken”, met de volgende vermeldingen: Mutagene stof van categorie 1: vermeld in aanhangsel 3; Mutagene stof van categorie 2: vermeld in aanhangsel 4.

Mogen niet worden gebruikt in stoffen en preparaten die met het oog op verkoop aan het grote publiek in de handel worden gebracht, in afzonderlijke concentraties gelijk aan of groter dan: hetzij de in bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG van de Raad vastgestelde desbetreffende concentratiegrens; hetzij de in Richtlijn 1999/45/EG vastgestelde desbetreffende concentratiegrens. Onverminderd de toepassing van andere communautaire voorschriften inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en preparaten, dient op de verpakking van dergelijke stoffen en preparaten op leesbare en onuitwisbare wijze de volgende vermelding te worden aangebracht: "Uitsluitend bestemd voor gebruik door professionele gebruikers".

30. Stoffen van bijlage I bij Richtlijn 67/548/EEG die zijn ingedeeld als “voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 1 of voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 2” en die zijn gekenmerkt met waarschuwingszin R 60: “Kan de vruchtbaarheid schaden”en/of met waarschuwingszin R 61: “Kan het ongeboren kind schaden”, met de volgende vermeldingen: Voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 1: vermeld in aanhangsel 5; Voor de voortplanting giftige stoffen van categorie 2: vermeld in aanhangsel 6.

Bij wijze van uitzondering is lid 1 niet van toepassing op : a) geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG; b) cosmetische producten in de zin van Richtlijn 76/768/EEG van de Raad; c) brandstoffen als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG, derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties, brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas); d) kleurstoffen voor kunstenaars die onder Richtlijn 1999/45/EG vallen.

31. Creosoot; Benzol-wasolie, Creosootolie; Benzol-wasolie, Destillaten (koolteer), naftaleenoliën; naftaleenolie.

Mogen niet worden gebruikt als stoffen of in preparaten voor de behandeling van hout. Evenmin mag met deze stoffen behandeld hout in de handel worden gebracht.

32. Chloroform .33. Koolstoftetrachloride –tetrachloormethaan.

34. 1,1,2-Trichloorethaan.

35. 1,1,2,2-Tetrachloorethaan.

36. 1,1,1,2-Tetrachloorethaan.

37. Pentachloorethaan.

38. 1,1-Dichlooretheen.

39. 1,1,1-Trichloorethaan, methylchloroform.

De stoffen 32 t/m 39 mogen niet worden gebruikt in concentraties van 0,1 % in massa of meer in stoffen en preparaten die in de handel worden gebracht voor verkoop aan het grote publiek en/of voor toepassingen waarbij de betrokken stoffen vervluchtigen, zoals oppervlaktereiniging en het reinigen van textiel. Onverminderd de toepassing van andere communautaire voorschriften inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en preparaten, dient op de verpakking van dergelijke stoffen en preparaten die deze in concentraties van 0,1 % in massa of meer bevatten, op leesbare en onuitwisbare wijze de volgende vermelding te worden aangebracht: "Uitsluitend bestemd voor gebruik in industriële installaties". Bij wijze van uitzondering geldt dit voorschrift niet voor: a) geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG en Richtlijn 2001/83/EG ; b) cosmetische producten in de zin van Richtlijn 76/768/EEG .

40. Stoffen die aan de ontvlambaarheidscriteria van Richtlijn 67/548/EEG voldoen en in de categorieën ontvlambaar, licht ontvlambaar of zeer licht ontvlambaar zijn ingedeeld, ongeacht of zij al dan niet in bijlage I bij die richtlijn zijn opgenomen.

Mogen niet als zodanig of in de vorm van preparaten worden gebruikt in aërosols die in de handel worden gebracht voor het grote publiek voor amusements- of decoratiedoeleinden , zoals daar zijn: – metaalglitter (hoofdzakelijk als feestartikel); – kunstsneeuw en –rijp (decoratieartikel); – "scheetkussens" enz.

41. Hexachloorethaan.

Mag niet worden gebruikt bij de fabricage of bewerking van non-ferrometalen.

42. Alkanen, C10-C13, chloor (gechloreerde paraffines met een korte keten) (SCCP).

Mogen niet in de handel worden gebracht om in een hogere concentratie dan 1% te worden gebruikt als stof of als bestanddeel van andere stoffen of preparaten – bij metaalbewerking; – voor het "vetten" van leer.

43. Azokleurstoffen.

Azokleurstoffen die door reductieve splitsing van één of meer azogroepen één of meer van de in aanhangsel 8 opgesomde amines kunnen afgeven in aantoonbare concentraties, d.w.z. concentraties hoger dan 30 ppm in het eindproduct of in de geverfde onderdelen daarvan, als bepaald volgens de in Bijlage 10 opgesomde beproevingsmethodes, mogen niet worden gebruikt in textiel- en lederproducten die langdurig rechtstreeks in aanraking kunnen komen met de menselijke huid of mondholte, zoals: kleding, beddengoed, handdoeken, haarstukjes, pruiken, hoeden, luiers en andere toiletartikelen, slaapzakken; schoeisel, handschoenen, horlogebandjes, handtassen, portemonnees en portefeuilles, aktetassen, stoelbekleding, nektasjes; speelgoed van textiel of leder en speelgoed met kledingstukken van textiel of leder; garen en weefsels bestemd voor de eindgebruiker. Voorts mogen de in lid 1 bedoelde textielen lederproducten enkel in de handel worden gebracht indien zij aan de in dat lid omschreven eisen voldoen.

44. Difenylether, pentabroomderivaat C12H5Br5O.

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of als bestanddeel van preparaten in hogere concentraties dan 0,1 massaprocent. Voorwerpen mogen niet in de handel worden gebracht indien zij, ofwel brandvertragende onderdelen daarvan, hogere concentraties dan 0,1 massaprocent van deze stof bevatten.

45. Difenylether, octabroomderivaat C12H2Br8O.

Mag niet in de handel worden gebracht of worden gebruikt als stof of als bestanddeel van preparaten in hogere concentraties dan 0,1 massaprocent. Voorwerpen mogen niet in de handel worden gebracht indien zij, ofwel brandvertragende onderdelen daarvan, hogere concentraties dan 0,1 massaprocent van deze stof bevatten.

46. Nonylfenol C6H4(OH)C9H19, Nonylfenolethoxylaat (C2H4O)nC15H24O.

Mogen niet als verbinding of bestanddeel van preparaten in de handel worden gebracht of worden gebruikt in concentraties van 0,1 % (g/g) of meer voor de volgende toepassingen: 1. industriële en institutionele reiniging, behalve: chemische reiniging in gecontroleerde gesloten systemen met recycling of verbranding van het wasmiddel; reiniging in systemen waarbij het wasmiddel in een speciale behandeling wordt gerecycled of verbrand; 2. huishoudelijke reiniging; 3. textiel- en leerbewerking, behalve: bewerking zonder lozing in afvalwater; bewerking in systemen waarbij de

organische fractie in een speciale behandeling volledig uit het proceswater wordt verwijderd vóór het afvalwater biologisch wordt behandeld (ontvetting van schapenvachten); 4. emulgatoren in speendippers voor landbouwgebruik; 5. metaalbewerking, behalve: in gecontroleerde gesloten systemen met recycling of verbranding van het wasmiddel; 6. vervaardiging van pulp en papier; 7. cosmetica; 8. andere persoonlijke verzorgingsproducten, behalve: spermiciden; 9. co-formulanten in gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

47. Cement

Cement en cementhoudende preparaten mogen niet worden gebruikt of niet in de handel worden gebracht indien het gehalte aan oplosbaar chroom (VI) bij de gehydrateerde vorm van het cement of het preparaat meer dan 0,0002% van het totale drooggewicht van het cement bedraagt. Als reductansen worden gebruikt, moet op de verpakking van cement en cementhoudende preparaten bovendien leesbaar en onuitwisbaar informatie worden vermeld over de verpakkingsdatum, de opslagomstandigheden en de opslagperiode binnen welke de activiteit van de reductans gehandhaafd blijft en waarbinnen het gehalte oplosbaar chroom (VI) onder de in lid 1 vermelde limiet blijft, onverminderd de toepassing van andere communautaire bepalingen inzake de indeling, verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen en preparaten. Bij wijze van uitzondering gelden de leden 1 en 2 niet voor het in de handel brengen voor en het gebruik in gecontroleerde, gesloten en volledig geautomatiseerde processen waarin cement en cementpreparaten alleen door machines worden behandeld en er geen enkele kans op huidcontact bestaat.

48. Tolueen.

Mag niet op de markt gebracht worden of worden gebruikt als stof of bestanddeel van preparaten in concentraties van 0,1 massaprocent of meer in kleefstoffen en spuitverf die bestemd zijn om aan het grote publiek te worden verkocht. De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 15 juni 2007.

49. Trichloorbenzeen.

Mag niet op de markt gebracht worden of worden gebruikt als stof of bestanddeel van preparaten in concentraties van 0,1 massaprocent of meer voor alle toepassingen behalve als tussenproduct van synthese, of als procesoplosmiddel in gesloten chemische toepassingen voor chloreerreacties, of bij de vervaardiging van 1,3,5- triamine-2,4,6-trinitrobenzeen (TATB). De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 15 juni 2007.

50. Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s).

Procesoliën voor rubberverwerking mogen niet op de markt gebracht en voor de productie van banden of delen van banden gebruikt worden als zij: eer dan 1 mg/kg BaP of meer dan 10 mg/kg van alle in deze bijlage vermelde PAK’s tezamen bevatten. Aan deze maximumgehalten wordt geacht te zijn voldaan als het PCA-extract minder dan 3 gewichtsprocenten bedraagt, gemeten volgens norm IP346: 1998 van het Institute of Petroleum (Bepaling van polycyclische aromaten (PCA) in ongebruikte smeeroliën en asfalteenvrije petroleumfracties — dimethylzwaveloxide-extractie met brekingsindexmeting), mits de naleving van de grenswaarden voor BaP en de in de lijst vermelde PAK’s alsmede de correlatie tussen de meetwaarden en het PCA-extract, om de zes maanden of, als dit eerder is, na elke belangrijke operationele verandering, door de fabrikant of importeur worden gecontroleerd. Banden en loopvlakken die na 1 januari 2010 worden vervaardigd en procesoliën bevatten die niet aan de in punt 1 genoemde maximumgehalten voldoen, mogen niet op de markt gebracht worden. Aan deze maximumgehalten wordt geacht te zijn voldaan als de gevulcaniseerde rubberverbindingen niet meer bevatten dan 0,35% Bay-protonen, zoals gemeten en berekend volgens ISO 21461 (Rubber gevulcaniseerd bepaling van de aromaticiteit van olie in gevulcaniseerde rubberverbindingen).

Dit is echter niet van toepassing op banden die van een nieuw loopvlak zijn voorzien, als de procesoliën die dit loopvlak bevat, aan de in het begin genoemde maximumgehalten voldoen. De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 1 januari 2010.

51. De volgende ftalaten (of andere CAS- en Einecs-nummers die betrekking hebben op de stof):

bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) dibutylftalaat (DBP) benzylbutylftalaat (BBP).

Mogen niet worden gebruikt als stoffen of ls bestanddelen van preparaten in concentraties van meer dan 0,1% massaprocent van het week gemaakte materiaal in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen. Speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die deze ftalaten bevatten in een hogere concentratie dan de hierboven genoemde grens, worden niet op de markt gebracht. Uiterlijk op 16 januari 2010 zou de Commissie de maatregelen met betrekking tot dit punt moeten herevalueren in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie over dergelijke stoffen of vervangende stoffen en deze maatregelen zonodig aan de hand daarvan wijzigen.

52. De volgende phthalaten (of andere CAS- en Einecs-nummers die betrekking hebben op de stof): di-“isononyl” phthalate (DINP), di-“isodecyl” phthalate (DIDP), di-n-octyl phthalate (DNOP).

Mogen niet worden gebruikt als stoffen of als bestanddelen van preparaten in concentraties van meer dan 0,1% massaprocent van het week gemaakte materiaal in speelgoed- en kinderverzorgingsartikelen1 die door kinderen in de mond kunnen worden gestopt. Dergelijke speelgoed en kinderverzorgingsartikelen die deze ftalaten bevatten in een hogere concentratie dan de hierboven genoemde grens, worden niet op de markt gebracht. Uiterlijk op 16 januari 2010 zou de Commissie de maatregelen met betrekking tot dit punt moeten herevalueren in het licht van nieuwe wetenschappelijke informatie over dergelijke stoffen of vervangende stoffen en deze maatregelen zonodig aan de hand daarvan wijzigen.

Verordening 782/2003

Deze verordening betreft een verbod op organische tinverbindingen op schepen. Schepen met organische tinverbindingen die fungeren als biociden in het aangroeiwerende systeem zijn vanaf 1 januari 2008 niet langer welkom in Gemeenschapshavens. Alleen als een toplaag is aangebracht die voorkomt dat dergelijke verbindingen vrijkomen uit het onderliggende niet-conforme aangroeiwerende systeem kunnen schepen worden toegelaten. De Verordening implementeert de maatregelen overeengekomen op de AFS-Conventie (‘International Convention on the control of harmful anti-fouling systems on ships’). Ook wordt in de Verordening een beroep gedaan op de lidstaten om deze conventie te ratificeren. Als dit gebeurd zal meer dan 25% van het totale handelsvolume van de wereld onder de Conventie vallen. Op 17 september 2008 trad de Conventie in werking. Per 31 januari 2011 hadden 49 Staten de AFS-Conventie geratificeerd, waaronder 21 van de 27 EU lidstaten. In totaal vertegenwoordigen de toegetreden Staten ongeveer 75% van het totale bruto verhandelde tonnage van de wereldhandelsvloot.[1018]

7.6.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijnen

Verordening 1907/2006 (REACH)

Het oude systeem bevatte aparte regels voor bestaande (stoffen die opgenomen waren op de EINECS-lijst) en nieuwe chemische stoffen. Door dit onderscheid kwam onvoldoende informatie naar voren over de effecten van bestaande stoffen op de volksgezondheid en het milieu. Ook werd duidelijk dat veel gevaarlijke stoffen zonder wetenschap van de Gemeenschap op de markt terecht waren gekomen. Omdat bestaande stoffen niet opnieuw hoefden worden getest ontstond een grote leemte in de kennis van de intrinsieke eigenschappen van deze stoffen. Bijkomend nadeel van het oude systeem was dat de regeling onderzoek en innovatie vertraagde waardoor de Europese chemische sector een achterstand opliep op haar Japanse en Amerikaanse concurrenten.

De verdeling van verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het onderzoek bleek ook niet werkbaar. In plaats van het bedrijfsleven zelf waren overheidsinstellingen verantwoordelijk voor het testen van chemicaliën en het uitvoeren van risicoanalyses. De uiteindelijke beoordeling moest zeer uitgebreide informatie bevatten en werd niet gericht op specifieke toepassingen van de stof. Het aantal stoffen dat op deze manier getest werd is beperkt en slechts voor een paar stoffen konden uiteindelijk zinvolle aanbevelingen worden gedaan met betrekking tot risicoverkleining.

De verplichting die werd opgelegd aan producenten en importeurs van chemicaliën om informatie te verschaffen ten aanzien van de stof gold niet voor, bijvoorbeeld, industriële gebruikers. Naarmate een stof verder werd gebruikt in de productieketen bleek steeds minder informatie naar buiten te komen betreffende deze stof. Dit was alleen niet het geval als de stof verplicht moest worden ingedeeld en een veiligheidsinformatieblad moest worden bijgeleverd.

Voor nieuwe stoffen bestonden een meldingsplicht en verplicht uit te voeren tests zodra per jaar 10 kilo of meer zou worden geproduceerd. Hierdoor werd het ontwikkelen van nieuwe stoffen in de Europese chemiesector sterk ontmoedigd en gaf men de voorkeur aan het gebruik van al bestaande stoffen.

De Commissie, bedachtzaam op al deze problemen van het oude systeem, besloot tot een wijziging van het beleid. In februari 2001 publiceerde de Commissie een Witboek waarin de toekomstige strategie van de Gemeenschap betreffende chemische stoffen uiteen werd gezet. Hoofdzaak was het vervangen van de huidige, talrijke richtlijnen door één wetgevingskader ter ‘Registratie, Evaluatie, beperkende maatregelen en Autorisatie van Chemische stoffen’. Het originele wetsvoorstel van de Commissie (COM(03)644(1)) en (COM(03)644(02)) ter wijziging van Richtlijn 67/548/EG werd op 29 oktober 2003 aangenomen en doorgestuurd naar de Raad en het Parlement. Na een 1e lezing van het Parlement, een gemeenschappelijk standpunt van de Ministers van Milieu, en een 2e lezing van het Parlement kon het voorstel aangenomen worden door de Raad op 18 december 2006.

7.6.6 De omzetting in nationale regelgeving

De Europese Verordening REACH domineert sinds 2007 het Nederlandse stoffenbeleid, waarmee de Wet milieugevaarlijke stoffen verdwenen is per 1 juni 2008 en de beleidsvrijheid van Nederland is geminimaliseerd. Omdat het een Verordening betreft zijn de normen en regels direct van toepassing in het Nederlanse rechtsstelsel. Uitvoering en handhaving van REACH is in Nederland geregeld in het nieuwe hoofdstuk 9 - Stoffen en producten van de Wet milieubeheer (Wm). Onderwerpen die in de Wms geregeld waren, maar geen deel uitmaken van REACH, zijn eveneens in hoofdstuk 9 van de Wm ondergebracht.

7.6.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Het onderstaande heeft slechts betrekking op die onderdelen van Richtlijn 76/769 (de voorloper van REACH) en haar wijzigingen die (mede) betrekking hebben op milieu-aspecten. De uitvoering van regelgeving die gebaseerd is op de Warenwet blijft derhalve buiten beschouwing.

1. PCB’s en PCT’s (76/769; 85/467; 89/677)

In de periode 1977-1982 is de aanschaf van PCB-houdende apparatuur in Nederland vrijwel beëindigd, zo is gebleken uit in opdracht van het Ministerie van VROM uitgevoerd onderzoek.[1019] PCT’s werden in Nederland al geruime tijd vóór het van kracht worden van de regelgeving niet meer toegepast.[1020] Raad et al. (1993, p. 23) stelden vast dat het verbod in Nederland op het gebruik van PCB’s goed bekend was en dat volgens branche-verenigingen en producenten PCB’s hier niet toegepast zouden worden.

De emissies van PCB’s in Nederland naar water, bodem en lucht zijn in de periode 1980-1990 sterk gedaald. Aan het begin van de jaren ’90 was het buitenland de belangrijkste bron voor de aanvoer van PCB’s in Nederland.[1021]

2. Chloor-1-ethyleen (vinylchloride monomeer) (76/769)

Voorzover bekend wordt vinylchloride in Nederland niet (meer) gebruikt als drijfgas in spuitbussen.

5. Benzeen (82/806; 89/677)

De emissies van benzeen naar water zijn in Nederland verminderd van 268 ton in 1990 tot 151 ton in 2000 en die naar lucht van 10.000 ton in 1990 tot 6500 ton in 1998 (RIVM, 2001b). Welke bijdrage het verbod op benzeen op grond van Richtlijn 89/677 hieraan geleverd heeft is niet bekend, maar vermoedelijk is deze gering. Waarschijnlijk worden de emissiecijfers gedomineerd door de emissies van het verkeer. De reductie van deze emissies moet worden verklaard uit andere oorzaken, want benzeen in brandstoffen valt buiten het verbod van de Richtlijn.

6. Asbestvezels (83/478; 85/610; 91/659; 1999/77)

Over eventuele overtredingen van de regels voor het gebruik van asbest zijn geen gegevens bekend. Handhavingsacties zijn vooral gericht op de verwijdering van asbest.

Jaarlijks overlijden in Nederland naar schatting 600 mensen aan de gevolgen van (vooral beroepsmatige) blootstelling aan asbest in het verleden.[1022] Gezien het feit dat er nog veel asbest aanwezig is in gebouwen en andere objecten, en gezien de lange tijd die kan verstrijken tussen de blootstelling en het gezondheidseffect, zal het nog geruime tijd kunnen duren voordat het effect van het asbestverbod in zijn volle omvang zichtbaar wordt.

13 t/m 16. 2-naftylamine, benzidine, 4-nitrobifenyl en 4-aminobifenyl (89/677)

In 1993 werden deze stoffen in concentraties van meer dan 0,1 gewichtsprocent alleen nog in geringe mate gebruikt als analytisch reagens in laboratoria[1023]. In hoeverre deze toepassingen sindsdien zijn beëindigd is niet bekend.

Kwik in batterijen en accu’s (91/157; 98/101)

Zie § ???.

19 en 20. Kwik- en arseenverbindingen (89/677; 2003/2)

De emissies van kwik naar water zijn in Nederland verminderd van 3400 kg in 1990 tot 800 kg in 2000. De emissies van arseen naar water verminderden in de zelfde periode van 8100 tot 6500 kg (RIVM, 2001b). Welke bijdrage het verbod op kwik- en arseenverbindingen op grond van Richtlijn 89/677 hieraan geleverd heeft is niet bekend.

21. Organische tinverbindingen (89/677; 1999/51; 2002/62)

De concentraties tributyltin (TBT) in water in jachthavens zijn in de periode 1990-1999 sterk afgenomen, maar het maximaal toelaatbaar risico (MTR) (1 ng/l) wordt op alle meetlocaties in Nederland nog steeds drie- tot zestigmaal overschreden (RIVM, 2001b).

22. Di-μ-oxo-di-n-butylstanniohydroxy-boraan (C8H19BO3Sn, DBB) (89/677)

Het verbod op DBB is in Nederland van kracht geworden vóórdat deze stof hier op de markt werd gebracht. Het lijkt daarom aannemelijk dat er in ons land geen belasting van het milieu is opgetreden als gevolg van het gebruik van DBB.

23. Pentachloorfenol (PCP) (91/173; 1999/51)

PCP werd in Nederland in het verleden vooral als houtverduurzamingsmiddel gebruikt. Voordat deze toepassing in 1989 werd verboden was het gebruik van PCP in de periode 1984-1987 al verminderd van 300 tot 0,2 ton per jaar[1024].

24. Cadmium (91/338; 1999/51)

Van de Peppel (1995) concludeerde dat het Cadmiumbesluit door de Nederlandse verfindustrie goed werd nageleefd. Het gebruik van cadmium in verf liep trouwens al sinds de jaren zestig terug. Het Cadmiumbesluit heeft deze ontwikkeling gecodificeerd en waarschijnlijk versneld.

Producten die op de Nederlandse markt worden aangeboden bevatten soms nog steeds cadmiumconcentraties die niet voldoen aan de eisen van Richtlijn 91/338 en het Cadmiumbesluit. Het gaat daarbij veelal om producten die uit het Verre Oosten geïmporteerd worden. In november 2001 werd bijvoorbeeld een partij van 1,3 miljoen spelcomputers en 800.000 accessoires daarvan door de Inspectie Milieuhygiëne voor verkoop geblokkeerd omdat de kabels van de bijbehorende randapparatuur cadmium bevatten in concentraties variërend van 3 tot ruim 20 keer de norm[1025].

De mogelijkheid om in verband met veiligheidsredenen ontheffing van de regels voor cadmium te verkrijgen blijkt soms oneigenlijk te worden gebruikt. Zo werd een reflecterende folie, nodig voor waarschuwingen in het kader van de verkeers- en bedrijfsveiligheid, aangeboden voor woningdecoratieve doeleinden[1026].

De emissies van cadmium naar water zijn in Nederland verminderd van 4900 kg in 1990 tot 1200 kg in 2000 en die naar lucht van 1900 kg in 1990 tot 1200 kg in 1998 (RIVM, 2001b). Welke bijdrage het verbod op cadmium(-verbindingen) op grond van Richtlijn 91/338 hieraan geleverd heeft is niet bekend.

In sommige delen van Nederland worden de streefwaarden voor de cadmiumconcentratie in de bodem overschreden (RIVM, 2001a). Dit is overigens vooral het gevolg van de aanwezigheid van cadmium in dierlijke mest en kunstmest, die niet onder Richtlijn 91/338 vallen.

25 t/m 27. Ugilec 141, (1)21 en DBBT (91/339)

De vroegtijdige regelgeving ten aanzien van deze stoffen heeft voorkomen dat installaties en apparatuur met Ugilec 141 in Nederland aanwezig zijn[1027]. In het begin van de jaren ’90 werden incidenteel wel partijen met Ugilec 141 verontreinigde afvalolie aangetroffen[1028].

32. Koolteerdestillaten (94/60, 2001/90)

De emissies van benzo(a)pyreen (BaP) naar water zijn in Nederland verminderd van 2800 kg in 1990 tot 540 kg in 2000. De emissies naar lucht zijn verminderd van 4900 kg in 1990 tot 1800 kg in 1998 (RIVM, 2001b). Welke bijdrage het verbod op koolteerdestillaten met meer dan 50 ppm BaP hieraan geleverd heeft is niet bekend.

33 t/m 40. Gechloreerde koolwaterstoffen (94/60; 96/55)

De productie van en de handel in tetrachloorkoolstof en 1,1,1-trichloorethaan waren reeds vóór het van kracht worden van deze Richtlijnen grotendeels verboden ingevolge EG-verordening 3093/94 (zie § ???). In Nederland worden alleen nog chloroform en tetrachloor-koolstof geproduceerd. Het betreft hier toepassingen die op grond van de Richtlijnen zijn toegestaan, zoals voor de farmaceutische industrie. Ook wordt chloroform geproduceerd als tussenstof. De stoffen tetrachloorkoolstof, 1,1,2-trichloorethaan, 1,1,2,2-tetrachloorethaan, 1,1,1,2-tetrachloorethaan, pentachloorethaan en 1,1-dichlooretheen worden al geruime tijd niet meer in consumentenproducten aangetroffen.[1029]

De emissies van 1,1,1-trichloorethaan naar water zijn in Nederland verminderd van 122 kg in 1990 tot 29 kg in 2000 (RIVM, 2001b). Welke bijdrage het verbod op gechloreerde koolwaterstoffen op grond van de Richtlijnen 94/60 en 96/55 hieraan geleverd heeft is niet bekend.

41. Hexachloorethaan (97/16, 2001/91)

Al vóór het van kracht worden van de bepalingen van Richtlijn 97/16 werd hexachloor­ethaan in Nederland niet meer gebruikt, althans niet in bij de FME aangesloten bedrijven.[1030]

42. Gechloreerde paraffines met een korte keten (Alkanen, C10-13, chloor) (2002/45)

In 1996 werd vastgesteld dat gechloreerde paraffines in zeven bedrijven in Nederland in elf producten werden toegepast. Al deze stoffen werden of zouden worden vervangen door andere stoffen.[1031]

7.6.8 Verdere ontwikkelingen

In februari 2011 werd bekend dat onder REACH per 21 augustus 2014 zes zeer risicovolle stoffen zullen worden verboden door opname in Annex XIV REACH. Het betreft hier o.a. Xyleen, MDA, en de phthalaten DBP, BBP en DEHP. Vanaf die datum moeten bedrijven ontheffing aanvragen voor specifieke toepassingen van deze stoffen. [1032]

Verder publiceerde de Commissie in januari 2011 een leidraad voor het indienen van een autorisatieverzoek. Bedrijven moeten hierin aantonen dat de vereiste veiligheidsmaatregelen zijn genomen, of dat de voordelen van gebruik de economische of mileutechnische nadelen voor de samenleving overvleugelen. In geval van een dergelijke derogatie moet een tijdschema opgesteld worden waarin uiteindelijk uitfasering van de stoffen wordt bewerktstelligd.

Tenslotte heeft ECHA een leidraad opgesteld ter assistering bij het uitvoeren van een analyse bij bedrijven waarvan de activiteiten eventueel sociaal-economische voordelen met zich mee brengen.

In Nederland houdt de Douane toezicht op de naleving van de beperkingen zoals die zijn vastgesteld in Annex XVII van REACH. Deze verbiedt dat producten die hieronder vallen in het vrije verkeer van de Gemeenschap worden gebracht. In REACH betekent ‘invoer’: "het binnen het douanegebied van de Gemeenschap brengen" en wordt beschouwd als het in de handel brengen. Met de VROM-Inspectie is afgesproken dat de controle door de Douane plaatsvindt wanneer goederen worden aangegeven voor de douaneregeling “brengen in het vrije verkeer”. Onder de REACH-Verordening vallen een groot aantal chemische stoffen waarvoor beperkingen gelden bij het in het vrije verkeer brengen. Om het overgangsproces zo soepel mogelijk te laten verlopen is met de VROM-Inspectie afgesproken dat de Douane het toezicht uitvoert op een aantal chemische stoffen van Annex XVII. Dat toezicht zal gefaseerd worden ingevoerd. Vooralsnog beperkt de Douane haar toezicht tot cadmiumhoudende producten. Voor andere chemische stoffen (bijvoorbeeld asbest en kwik) is nog geen taak overeengekomen.[1033]

Referenties

Annema, J.A., J.E.M. Beurskens JEM, en C.W.M. Bodar (eds., 1995). Evaluation of PCB fluxes in the environment. RIVM rapport 601014011. Bilthoven.

Infomil (1997). 242 vragen over asbest. Den Haag, december 1997.

Peppel, R.A. van de (1995). Naleving van milieurecht. Toepassing van beleidsinstrumenten op de Nederlandse verfindustrie. Proefschrift, Rijksuniversiteit Groningen. Kluwer, Deventer.

Raad. J.S., J.F. Feenstra en B. van Hattum (1993). Stofstromen van PCB’s. Rapport E-93/13, Instituut voor Milieuvraagstukken, Vrije Universiteit, Amsterdam.

RIVM (2001a). Milieubalans 2001. Het Nederlandse milieu verklaard. Kluwer, Alphen aan den Rijn.

RIVM (2001b). Milieucompendium 2001. http://www.rivm.nl/milieucompendium.

Velde, E.G. van der, S.H.M.A. Linders, J.I.J. Wammes, H.D. Meiring, en A.K.D. Liem (1994). Onderzoek naar de analyse en het voorkomen van Ugilec 141 (dichloorbenzyldichloortoluenen) in afvalolie. Methodiekontwikkeling en onderzoek van Nederlandse afvalolie. RIVM rapport 692210001. Bilthoven.

[1017] PbEG L181, 16.7.1988.

[1019] Nota van toelichting bij het PCB-, PCT- en chlooretheen-besluit Wms (Stb. 1991,232).

[1020] Nota van toelichting bij de wijziging van het PCB-Besluit (Stb.1985, 254).

[1021] Annema et al. (1995).

[1022] Infomil (1997).

[1023] Nota van toelichting bij de wijziging van het Besluit implementatie EEG-stoffenrichtlijn Wms (Stb. 1993, 651).

[1024] PbEG L329, 22.12.1999, p. 21.

[1025] Persbericht Ministerie van VROM, 4 december 2001.

[1026] Nota van toelichting bij het Cadmiumbesluit Wms 1999.

[1027] Nota van toelichting bij de wijziging van het Ugilec 121-, Ugilec 141- en DBBT-besluit Wms (Stb. 1992, 272).

[1028] Van der Velde et al. (1994).

[1029] Nota van toelichting bij de wijziging van het Besluit implementatie EEG-stoffenrichtlijn Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1997, 492).

[1030] Nota van toelichting bij de wijziging van het Besluit implementatie EEG-stoffenrichtlijn Wet milieugevaarlijke stoffen (Stb. 1998, 76).

[1031] Nota van toelichting bij het Besluit gechloreerde paraffines Wms (Stb. 1999, 478).

[1032] Commissie Verordening 143/2011, Pb EU 2011, L44/2 en RAPID Press Release IP/11/196 van 17 februari 2011.

[1033] Handboek VGEM, 40.03.00, Milieugevaarlijke stoffen, 7 februari 2011, Versie 6.1,

http://www.douane.nl/bibliotheek/handboeken/vgem/hvgem_40-03-00-06.html#P990_75457, (geraadpleegd op 7 februari 2011).