2009/128 (PbEU L309, 24.11.2009) | Richtlijn tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden |
Rechtsgrondslag | Art. 175 EG-Verdrag (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Omzetting in nationale regelgeving | 26 november 2011 |
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden | Stb. 2007, 125 (en wijzigingen) |
Nota Duurzame gewasbescherming | TK 2003-2004, 27 858, nr. 47 |
Richtlijn 2009/128 stelt een kader vast voor de totstandbrenging van een duurzaam gebruik van pesticiden door vermindering van de risico’s en de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu en door bevordering van het gebruik van geïntegreerde plaagbestrijding en alternatieve benaderingswijzen of technieken, zoals niet-chemische alternatieven voor pesticiden.
Richtlijn 2009/128 bestaat uit zes hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat algemene bepalingen over het onderwerp van de richtlijn, haar toepassingsgebied, de relevante definities en het instrument van nationale actieplannen. Hoofdstuk II gaat in op opleiding van professionele gebruikers, distributeurs en voorlichters, verkoop van pesticiden, informatieverschaffing en bewustmaking. Hoofdstuk III geeft voorschriften voor de apparatuur voor de toepassing van pesticiden en de periodieke keuring daarvan. Hoofdstuk IV behandelt specifieke praktijken en toepassingen, zoals sproeien vanuit de lucht, maatregelen voor specifieke gebieden en geïntegreerde gewasbescherming. Hoofdstuk V gaat in op indicatoren, rapportage en uitwisseling van informatie. Ten slotte bevat hoofdstuk VI slotbepalingen over onder meer sancties, vergoedingen en heffingen en normalisatie.
Een belangrijk instrument in de richtlijn is de verplichting voor de lidstaten om nationale actieplannen aan te nemen “teneinde hun kwantitatieve doelstellingen, streefcijfers, maatregelen en tijdschema’s vast te stellen om de risico’s en de effecten van het gebruik van pesticiden voor de menselijke gezondheid en het milieu te verminderen en de ontwikkeling en invoering van geïntegreerde gewasbescherming en alternatieve benaderingswijzen of technieken te bevorderen ter beperking van de afhankelijkheid van het gebruik van pesticiden” (art. 4 lid 1).
Geïntegreerde gewasbescherming wordt in dit verband in artikel 3 sub 6 als volgt gedefinieerd: “de zorgvuldige afweging van alle beschikbare gewasbeschermingsmethoden, gevolgd door de integratie van passende maatregelen die de ontwikkeling van populaties van schadelijke organismen tegengaan, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en andere vormen van interventie tot economisch en ecologisch verantwoorde niveaus beperkt houden en het risico voor de gezondheid van de mens en voor het milieu tot een minimum beperken. Bij de geïntegreerde gewasbescherming ligt de nadruk op de groei van gezonde gewassen, waarbij de landbouwecosystemen zo weinig mogelijk worden verstoord en natuurlijke plaagbestrijding wordt aangemoedigd.”
De lidstaten moeten in hun nationale actieplan beschrijven hoe zij ervoor zorgen dat de algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming als omschreven in bijlage III bij de Richtlijn uiterlijk op 1 januari 2014 door alle professionele gebruikers van pesticiden zullen worden toegepast (art. 14 lid 4).
De nationale actieplannen dienen uiterlijk op 26 november 2012 gereed te zijn. Vervolgens moeten zij ten minste iedere vijf jaar opnieuw worden bezien. De bepalingen inzake inspraak van het publiek van Richtlijn 2003/35 (zie § ???) zijn in artikel 4 lid 5 van toepassing verklaard op de opstelling en wijziging van de nationale actieplannen.
Artikel 14 lid 1 bepaalt in algemene zin dat de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om bestrijding met lage pesticideninzet te bevorderen, waarbij zij waar mogelijk voorrang geven aan niet-chemische methoden, zodat professionele gebruikers van pesticiden overschakelen op praktijken en producten die binnen het gehele voor de bestrijding van een bepaald schadelijk organisme ter beschikking staande aanbod het laagste risico voor de gezondheid van de mens en het milieu opleveren. Bestrijding met lage pesticideninzet omvat volgens de Richtlijn geïntegreerde gewasbescherming alsmede biologische landbouw overeenkomstig Verordening 834/2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten.[1129]
Voor het in praktijk brengen van geïntegreerde gewasbescherming moeten de lidstaten de noodzakelijke voorwaarden scheppen, of steun daartoe verlenen (art. 14 lid 2). Met name moeten zij ervoor zorgen dat professionele gebruikers kunnen beschikken over informatie en instrumenten voor de bewaking van schadelijke organismen en besluitvorming, alsook over adviesdiensten voor geïntegreerde gewasbescherming. Uiterlijk op 30 juni 2013 brengen de lidstaten daarover verslag uit aan de Commissie.
Verder dienen de lidstaten in passende stimulansen te voorzien om professionele gebruikers aan te sporen tot het vrijwillig toepassen van gewas- of sectorspecifieke richtsnoeren inzake geïntegreerde gewasbescherming (art. 14 lid 5). De lidstaten moeten in hun nationale actieplannen naar de richtsnoeren verwijzen die zij relevant en passend achten.
De Richtlijn schrijft in artikel 5 voor dat alle professionele gebruikers, distributeurs en voorlichters toegang moeten hebben tot een passende opleiding. De opleiding moet zo worden opgezet dat wordt gewaarborgd dat deze professionele gebruikers, distributeurs en voorlichters voldoende kennis van de in bijlage I bij de Richtlijn genoemde onderwerpen verwerven, waarbij rekening wordt gehouden met hun verschillende taken en verantwoordelijkheden. Uiterlijk op 26 november 2013 dient de opleiding te voorzien in een certificaat voor degenen die haar hebben gevolgd.
Op grond van artikel 7 moeten de lidstaten nemen maatregelen nemen ter informatie van het brede publiek en ter bevordering en facilitering van voorlichtings- en bewustmakingsprogramma’s en van de beschikbaarheid van precieze en evenwichtige informatie over pesticiden voor het brede publiek, met name over de uit het gebruik ervan voortvloeiende risico’s en mogelijke acute en chronische gevolgen voor de menselijke gezondheid, niet-doelwitorganismen en het milieu, en over het gebruik van alternatieven zonder chemische stoffen. Voort moeten de lidstaten systemen invoeren voor het verzamelen van informatie over incidenten met acute pesticidenvergiftiging en, indien beschikbaar, chronische vergiftigingen in groepen die regelmatig aan pesticiden kunnen zijn blootgesteld, zoals personen die met pesticiden omgaan, werknemers in de landbouw en personen die in de nabijheid wonen van gebieden waar pesticiden worden toegepast. Daartoe zal de Commissie in samenwerking met de lidstaten uiterlijk op 26 november 2012 een strategische leidraad ontwikkelen.
Artikel 8 schrijft voor dat de lidstaten er zorg voor dragen dat apparatuur voor de toepassing van pesticiden die professioneel worden gebruikt, op periodieke tijdstippen aan een keuring wordt onderworpen. Het tijdvak tussen de keuringen mag tot 2020 niet meer dan vijf jaar en daarna niet meer dan drie jaar belopen. Voorts moeten de lidstaten ervoor zorgen dat uiterlijk op 14 december 2016 de apparatuur voor de toepassing van pesticiden ten minste eenmaal is gekeurd. Daarna mag nog uitsluitend goedgekeurde toepassingsapparatuur professioneel worden gebruikt. Onder bepaalde voorwaarden kan echter van het voorgaande worden afgeweken.
Wat betreft specifieke praktijken en toepassingen stelt de Richtlijn een vergunning verplicht voor sproeien vanuit de lucht en formuleert daarvoor een aantal voorwaarden (art. 9). Daarnaast draagt zij de lidstaten op om passende gebiedsgerichte maatregelen te nemen ter bescherming van het aquatische milieu en het drinkwater (art. 11) en het gebruik van pesticiden te minimaliseren of te verbieden in bepaalde specifieke gebieden (art. 12).
In 2006 heeft de Europese Commissie n het kader van het 6de Milieu-actieprogramma een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen voorgesteld.[1130] Daarmee beoogde zij een pakket maatregelen in te voeren om de risico's die verbonden zijn aan het gebruik van pesticiden voor het milieu en de volksgezondheid te verminderen, en meer in het algemeen te komen tot een duurzamer gebruik van pesticiden en een aanzienlijke vermindering van de risico's en het gebruik ervan, zonder de oogst van de professionele gebruikers in het gedrang te brengen. De strategie is gericht op de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:
Minimalisering van de gevaren en risico's van het gebruik van bestrijdingsmiddelen voor gezondheid en milieu;
Versterking van de controles op het gebruik en de distributie van bestrijdingsmiddelen;
Vermindering van de gehalten aan schadelijke werkzame stoffen, onder meer door vervanging van de gevaarlijkste stoffen door alternatieven;
Landbouw aanmoedigen waarbij weinig of helemaal geen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt;
Een doorzichtig systeem opzetten om de vooruitgang op dit gebied te melden en te volgen.
De thematische strategie wordt deels met bestaande instrumenten uitgevoerd, maar daarnaast is er ook nieuwe regelgeving noodzakelijk geacht. Daartoe is in 2006 onder meer een voorstel ingediend voor een richtlijn over duurzaam gebruik van pesticiden.[1131] Op 21 oktober 2009 is Richtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden vastgesteld.[1132] De richtlijn moet uiterlijk op 26 november 2011 zijn omgezet door de lidstaten.[1133]
Nederland beoogt de benodigde wijzigingen door te voeren via een wijzigingswet van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Daartoe is op 12 mei 2010 een wetsvoorstel ingediend.[1134]
[1129] PbEU L189, 20.7.2007.
[1130] COM(2006) 372 def.
[1131] COM(2006) 373 def.
[1132] PbEU 2009 L309/71, 24.11.2009.
[1133] De in Richtlijn 2009/128 genoemde uiterste datum van 14 december 2011 is gerectificeerd en luidt nu 26 november 2011 (PbEU L161, 29.6.2010).
[1134] TK, 2009-2010, 32 372, nr. 3.