Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

7.21 Genetisch gemodificeerde organismen – traceerbaarheid en etikettering

7.21.1 Overzicht van EU regelgeving

1830/2003 (PbEU L268, 18.10.2003)

voorgesteld 25.7.2001 - COM(2001)182

Verordening betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG

65/2004 (PbEU L10, 16.1.2004)

Verordening van de Commissie tot vaststelling van een systeem voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor genetisch gemodificeerde organismen

2004/787 (PbEU L348, 24.11.2004)

Aanbeveling van de Commissie betreffende technische richtsnoeren inzake bemonstering en opsporing van GGO’s en materiaal geproduceerd met GGO’s, als of in producten aangeboden

1137/2008 (PbEU L311, 21.11.2008)

Verordening tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft — Aanpassing aan de regelgevingsprocedure met toetsing

Rechtsgrondslag

Artikel 95 EG-verdrag (thans: art. 114 VwEU)

Bindende termijnen

Inwerkingtreding 1830/2003

Artt. 1 t/m 7 en art. 9, lid 1: 15 april 2004

Artt. 10 t/m 13 en art. 9, lid 2-3: 7 november 2003

Inwerkingtreding 65/2004

16 januari 2004

Kennisgeving van sancties

18 april 2004

Verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de Verordening, in het bijzonder art. 4, lid 3

18 oktober 2005

Opmerking: Verordening 1830/2003 wijzigt Richtlijn 2001/18/EG (PbEG L106, 12.3.2001); door toevoeging van een nieuw lid 3 aan art. 21, en door intrekking van lid 6 van art. 4 (zie § ???).

7.21.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer (voorheen: BGGO Wet milieugevaarlijke stoffen)

Stb. 1990, 53, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 144 (wijzigingsbesluit mbt omzettingVerordening 1830/2003: Stb. 2004, 418)

Warenwetbesluit nieuwe voedingsmiddelen

Stb. 1997, 192, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2006, 406 (wijzigingsbesluit mbt Verordening 1830/2003: Stb. 2004, 150)

Wijziging diverse regelingen LNV

Stcrt. 2004, 72

Regeling diervoeders

Stcrt. 2004, 193, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2010, 6606

7.21.3 Doelstelling van de Verordening

De Verordening geeft een kaderregeling voor de traceerbaarheid van producten die geheel of gedeeltelijk bestaan uit genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) en van met GGO’s geproduceerde levensmiddelen en diervoeders op grond van de mogelijke effecten van deze producten. Het doel is om een degelijke basis te geven voor de bescherming van de menselijke gezondheid, de gezondheid van dieren, consumenten en het milieu op het gebied van GGO’s door middel van juiste etikettering, controle vande gevolgen voor milieu en, indien van toepassing, voor de gezondheid. Ze vereist tevens de controle op de uitvoering van passende risicobeheersingsmaatregelen, zo nodig met inbegrip van het uit de handel nemen van producten (art. 1). De Verordening bouwt hiermee voort op de verplichting tot traceerbaar maken van GGO’s, waartoe voorheen de lidstaten individueel verplicht werden krachtens art. 4, lid 6 van Richtlijn 2001/18 inzake doelbewuste introductie van GGO’s in het milieu (zie § ???).[1377] Verder bouwt de Verordening voort op, en faciliteert het, de regelgeving voor genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (zie § ???20) en de grensoverschrijdende verplaatsing van GGO’s (zie § ???).

Gezien de in art. 1 geformuleerde doelstelling zou een verwijzing naar het voorzorgbeginsel wellicht in de lijn der verwachtingen liggen, echter net als bij gelijktijdig aangenomen Verordening 1828/2003 inzake GG-levensmiddelen en diervoeders (§ ???20) ontbreekt deze, met dien verstande dat deze laatstgenoemde regling dit ondervangt middels een verwijzing naar de Algemene levensmiddelenwetgevingverordening 178/2002[1378], waar zelfs deze kruisverwijzing in Verordening 1830/2003 ontbreekt.[1379] De GG-specifieke traceerbaarheidsvoorschriften van deze Verordening zijn gebaseerd op, maar strekken verder dan, de algemene traceerbaarheidsvereisten voor levensmiddelen krachtens Verordening 178/2002.[1380]

Blijkens deze doelstelling, de titel, de considerans, en de formulering van art. 4 van de Verordening, is het toepassingsgebied van deze regeling ruimer dan de gelijktijdig aangenomen en gekoppelde Verordening 1829/2003 (§ ???), welke uitsluitend toeziet op GG-levensmiddelen en diervoeders, en niet op GGO’s of GG-producten voor ‘non-food’ toepassingen.

7.21.4 Samenvatting van de Verordening

Verordening 1830/2003 dient als harmonisatiemaatregel op grond van art. 95, lid 1 van het EU-Verdrag (thans: art. 114, lid 1 VwEU), en als uit de rangorde in de considerans een zekere prioriteitstelling mag worden aangenomen, dan staat het belang van het vrije verkeer in de interne markt bij deze Verordening voorop.[1381] Als onderdeel van een groep Gemeenschappelijke maatregelen op het gebied van GGO’s, regelt de Verordening de traceerbaarheid en etikettering van levensmiddelen en diervoeders die geheel of gedeeltelijk bestaan uit GGO’s of daarmee geproduceerd zijn, met als doel het scheppen van eerlijke en gelijke condities voor het in de handel brengen van GGO’s in de Gemeenschap. Door deze GG-producten (her)kenbaar en traceerbaar te maken in alle fasen van de gehele productie- en distributieketen wordt het mogelijk ingeval van calamiteiten binnen afzienbare tijd effectief en efficiënt op te treden, bijvoorbeeld door terugroeping (recalls) van de producten of ingredienten, alsmede het gericht waarschuwen van gebruikers. Bovendien faciliteert de traceerbaarheid gerichte monitoring, en verificatie van de correcte etikettering van GG-producten. In feite bestaat de Verordening uit twee operationele artikelen betreffende, respectievelijk, traceerbaarheids- en ettiketteringsvoorschiften voor uit GGO’s bestaande of GGO’s bevattende producten (art. 4), en traceerbaarheidsvoorschriften voor met GGO’s geproduceerde producten die in levensmiddelen of diervoeders worden gebruikt (art. 5). De overige 11 artikelen faciliteren deze beide hoofdbepalingen, en zijn niet in hoofdstukken of afdelingen gerangschikt.

Voor GGO’s is de definitie van Richtlijn 2001/18 inzake doelbewuste introductie overgenomen (zie § ???). Daarnaast is het geharmoniseerde Gemeenschappelijke etiketteringsysteem gericht op het beschikbaar stellen van de juiste informatie aan exploitanten en consumenten, op grond waarvan zij hun keuzevrijheid daadwerkelijk kunnen uitoefenen. Dit maakt tevens de controle op en verificatie van de beweringen op het etiket mogelijk. Het sleutelbegrip ‘traceerbaarheid’ wordt in art. 3, lid 3 gedefinieerd als ‘het vermogen GGO’s en met GGO’s geproduceerde producten in alle fasen van het in de handel brengen daarvan in de productie- en distributieketen te traceren’.

Het toepassingsgebied van de Verordening beslaat drie categorieën van GGO producten:

  • producten die geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaan;

  • met GGO’s geproduceerde levensmiddelen (met andere woorden, levensmiddelen die geheel of gedeeltelijk zijn afgeleid van GGO’s, maar daar niet geheel of gedeeltelijk uit bestaan); (zie hieronder)

  • met GGO’s geproduceerde diervoeders (art. 2, lid 1) (zie hieronder).

De Verordening is niet van toepassing op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik waarvan het gebruik krachtens Verordening 2309/93[1382] is toegestaan (art. 2, lid 2). De bepalingen van de Verordening zijn eveneens niet van toepassing op onvoorziene of technisch niet te voorkomen sporen van GGO’s in producten die bestemd zijn om rechtstreeks als levensmiddel of als diervoeder of voor be- of verwerking te worden gebruikt, voorzover deze sporen aanwezig zijn in een verhouding die niet hoger ligt dan de drempelwaarden voor deze GGO’s zoals vastgesteld overeenkomstig artt.12, 24, of 47 van Verordening 1829/2003 (§ ???) inzake GG-levensmiddelen en diervoeders (art. 4, lid 8).

Daarnaast hanteert de Verordening onheffingen van de traceerbaarheid- en etiketteringsvoorschriften middels de minimis-drempelwaarden voor onvoorziene of technisch niet te voorkomen aanwezigheid van sporen van GGO’s . De drempelwaarden zijn afhankelijk van de aard en bestemming van de GGO-producten. Voor non-food producten (art. 4, lid 7) geldt de drempelwaarde van de Richtlijn 2001/18 (§ ???), door deze Verordening verlaagd van 1% naar 0,9% (art. 7 van de Verordening voegt hiervoor een nieuw lid 3 toe aan art. 21 van de Richtlijn), terwijl voor sporen van levensmiddelen en diervoeder producten de drempelwaardes gelden van Verordening 1829/2003 (zie hierboven en § ???), dwz hetzij 0,9% dan wel 0,5% (art. 4, lid 8 en art. 5, lid 4). Deze drempelwaarden kunnen lager gesteld worden door middel van een comitéprocedure (art. 10). Deze ontheffingen gelden in het algemeen alleen voor in de EU toegelaten GGO’s. Niettemin kan de onvoorziene of technisch niet te voorkomen aanwezigheid van sporen van GGO’s die niet zijn toegelaten worden toegestaan voor een overgangsperiode van drie jaar na de inwerkingtreding van de Verordening. Dit is het geval als zij een gunstig advies hebben ontvangen naar aanleiding van de risicobeoordeling en indien de verhouding minder dan 0,5% is (of lager, indien dit door een comitéprocedure in overeenstemming met Verordening 1829/2003 wordt bepaald).

De Verordening maakt onderscheid tussen:

  • producten die geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaan; en

  • producten die ‘met’ GGO’s geproduceerd zijn, maar daar niet geheel of gedeeltelijk uit bestaan.

Dit onderscheid, en met name de definitie van ‘met GGO’s geproduceerd’ heeft tot de nodige verwarring geleid, zoals hierboven uitgebreid besproken in het kader van de definities van Verordening 1829/2003 (zie § ???). Kortgezegd gaat het krachtens art. 3, lid 2 van Verordening 1830/2003 (met een iets afwijkende definitie dan onder 1829/2003) om producten ‘geheel of gedeeltelijk uit GGO’s afgeleid, maar niet geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaand’).

Voor beide categoriën producten gelden de volgende onderscheidelijke voorschriften:

Traceerbaarheid van producten die geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaan

In de eerste fase van het in de handel brengen van een product dat geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaat, zorgt de exploitant (de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het product in de handel brengt) ervoor dat de volgende gegevens schriftelijk worden medegedeeld aan de exploitant die het product afneemt:

  • dat het product geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaat;

  • de eenduidige identificatienummers die aan de betrokken GGO’s zijn toegekend (art. 4, lid 1 sub a) (zie hieronder).

In alle volgende fasen van het in de handel brengen van de producten zorgt de exploitant (de afnemer die het product doorverhandelt) ervoor dat deze gegevens schriftelijk worden medegedeeld aan de andere exploitanten die het product afnemen (art. 4, lid 2). Deze vermelding dient tevens op het etiket te staan, of bij onverpakte producten op een verkoopstandaard bij het product (art. 4, lid 6). Bovendien dient het ‘eenduidige identificatienummer’ (zie hieronder) van iedere afzonderlijke GGO schriftelijk te worden gemeld aan de afnemers (art. 4, lid 1 sub b). Deze informatie dient minimaal 5 jaar bewaard te worden middels systemen en gestandaardiseerde procedures (art. 4, lid 4), opdat de producten traceerbaar blijven vanwege de registratie van hun herkomst en bestemming in iedere schakel van de productie- en distributieketens.

Dit geldt niet in gevallen waarin de communautaire wetgeving in specifieke identificatiesystemen voorziet, bijvoorbeeld de nummering van partijen voorverpakte producten, mits die gegevens en het nummer van de partij duidelijk op de verpakking worden vermeld en de gegevens met betrekking tot de partijnummers gedurende vijf jaar worden bewaard (art. 6, lid 1). De eis geldt echter wel te allen tijde in de eerste fase van het in de handel brengen en op de eerste vervaardiging of de herverpakking van een product. Voor producten die geheel of gedeeltelijk uit mengsels van GGO’s bestaan en bestemd zijn om uitsluitend en rechtstreeks als levensmiddel of als diervoeder of voor be- of verwerking te worden gebruikt, mag de informatie vervangen worden door een gebruiksverklaring van de exploitant in combinatie met een lijst van de eenduidige identificatienummers (zie hieronder) van alle GGO’s die voor de mengsels zijn gebruikt (art. 4, lid 3).

Traceerbaarheid van producten die met GGO’s geproduceerd zijn

Wanneer een exploitant met GGO’s geproduceerde producten in de handel brengt, dient hij er voor te zorgen dat de volgende gegevens schriftelijk worden meegedeeld aan de exploitant die het product afneemt:

  • een opgave van elk van de voedselingrediënten die met GGO’s zijn geproduceerd;

  • een opgave van elk van de voedermiddelen of additieven die met GGO’s zijn geproduceerd; en

  • in het geval van producten waarvoor geen lijst van ingrediënten bestaat, een mededeling dat het product ‘met GGO’s is geproduceerd’ (art. 5, lid 1).

  • Voor deze producten hoeven geen eenduidige identificatienummers van GGO’s (zie hieronder) te worden vermeld, aangezien hierbij geen ‘levend’ GGO-materiaal meer aanwezig is.

Evenals bij de producten die geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaan, dienen exploitanten systemen en gestandaardiseerde procedures toe te passen om deze informatie gedurende 5 jaar te bewaren, tenzij in andere specifieke identificatiesystemen is voorzien (art. 5, lid 2).

Etikettering

Etikettering is alleen verplicht voor producten die geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaan, voorverpakt of niet. Voor producten geproduceerd met GGO’s geldt de etiketteringsplicht niet. Het etiket voor voorverpakte producten dient te vermelden: “Dit product bevat genetisch gemodificeerde organismen” of “Dit product bevat genetisch gemodificeerd [naam van organisme(n)]”.Het etiket voor producten zonder voorverpakking die aan de eindverbruiker worden aangeboden, dient te vermelden: “Dit product bevat genetisch gemodificeerde organismen” of “Dit product bevat genetisch gemodificeerd [naam van organisme(n)]”. Deze eisen laten andere specifieke bepalingen van de Gemeenschapswetgeving onverlet (art. 4, lid 6).

Wijziging van Richtlijn 2001/18 (zie § ???)

De Verordening wijzigt Richtlijn 2001/18 inzake doelbewuste introductie van GGO’s in het milieu (zie § ???), door toevoeging van een de minimis drempelwaarde voor de GGO-etikkeringsverplichting, en door het intrekken van de opdracht aan de lidstaten om maatregelen te nemen om traceerbaarheid van GGO’s te bewerkstelligen (hiertoe bepaalt art. 7 van de Verordening dat lid 6 van art. 4 van de Richtlijn komt te vervallen).

Eenduidige identificatienummers

Teneinde het traceren van ‘levende’ GGO’s mogelijk te maken dienen zij geïdentificeerd en onderscheiden te kunnen worden. Hiertoe schrijft de Verordening voor dat de Commissie middels de comitéprocedure een systeem aanneemt voor de ontwikkeling en toekenning van eenduidige identificatienummers voor GGO’s (art. 8 juncto art. 10, lid 2). Dit systeem werd in januari 2004 vastgesteld bij Commissie Verordening (EG) nr. 65/2004,[1383] en is van toepassing op zowel nieuwe aanvragen als reeds op de markt toegelaten GGO’s. Overeenkomstig de systematiek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), wordt iedere zogenaamde ‘transformation event’ (onstaan nieuwe GGO door modificatie) voorzien van een unieke identificatiecode. Iedere code wordt samengesteld uit een simpele combinatie van drie componenten (naam aanvrager, modificatie ‘event’, en een controlecomponent), uitgedrukt in alfanumerieke tekens. De identificatienummers worden opgeslagen in de Biotrack Product Database van de OESO, evenals het Biosafety Clearing House van het Cartagena Bioveiligheidsprotocol van het Verdrag inzake Biodiversiteit (zie § ??? en § ???). Iedere houder van een toestemming of waar passend de bevoegde instantie die het definitieve besluit met betrekking tot de oorspronkelijke aanvraag heeft genomen, dient de Commissie binnen 90 dagen na het in werking treden van de Verordening schriftelijk op de hoogte te stellen van de details van het eenduidige identificatienummer. Het eenduidige identificatienummer wordt opgenomen in de relevante registers en meegedeeld aan het Clearing House.

Omdat de toepassing van de regels met betrekking tot de traceerbaarheid en etikettering in praktische zin pas kon ontvangen na invoering van dit systeem van unieke identificatie codes, werden deze voorschriften van Verordening 1830/2003 (artt. Artt. 1 t/m 7 en art. 9, lid 1) pas 90 dagen na de publicatie van Verordening 65/2004 van kracht, dat wil zeggen op 15 april 2004, terwijl de overige bepalingen (Artt. 10 t/m 13 en art. 9, lid 2-3) reeds in werking traden op 7 november 2003.

Inspectie- en controlemaatregelen

De lidstaten dienen er op toe te zien dat passende inspecties en andere controlemaatregelen, met inbegrip van steekproeven en (kwalitatieve en kwantitatieve) tests, worden uitgevoerd om de naleving van de Verordening te verzekeren (art. 9, lid 1).

Met het oog op een gecoördineerde toepassing en handhaving stelt art. 9, lid 2 de toepassing van de traceerbaarheids- en etiketteringsvoorschriften van de Verordening uit totdat de Commissie middels de comitéprocedure een (niet juridisch bindende) Aanbeveling aanneemt betreffende technische richtsnoeren inzake bemonstering en opsporing van genetisch gemodificeerde organismen en afgeleide hiervan vaststellen. Bij het opstellen van deze richtsnoeren dient de Commissie rekening te houden met het werk van de nationale bevoegde instanties, het Permanent Comité voor de Voedselketen en de Diergezondheid (PCVD),[1384] en het door Verordening 1829/2003 ingestelde communautair referentielaboratorium (art. 9, lid 2) (zie § ???). Na enige aanloopvertraging kwam de Commissie in oktober 2004 met Aanbeveling 2004/787.[1385] De richtsnoeren zijn in grote mate gebaseerd op bestaande (productspecifieke) internationale normen zoals ISO-normen 6644 en 13690, internationale normen voor fytosanitaire maatregelen van de VN Voedsel- en Landbouw Organisatie (FAO), en normen voor zaden en ander plantaardig teeltmateriaal van de International Seed Testing Association (ISTA).

De Commissie is verder krachtens art. 9, lid 3 verantwoordelijk voor een centraal register op EU-niveau, waarin alle beschikbare sequentiegegevens en referentiemateriaal worden opgenomen over GGO’s die in de EU in de handel mogen worden gebracht. In het register moeten, voor zover beschikbaar, ook gegevens over niet in de EU toegelaten GGO’s worden opgenomen. Het register is toegankelijk voor alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

Handhaving en sancties

De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de handhaving van de traceerbaarheids- en etiketteringsvoorschriften en dienen regels vast te stellen voor overtredingen van de Verordening en dienen de nodige maatregelen te treffen om er voor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten dienden de Commissie uiterlijk op 18 april 2004 op de hoogte te stellen van deze bepalingen en dienen latere wijzigingen zo spoedig mogelijk door te geven (art. 11).

Overige bepalingen

De Verordening voorziet in een toetsing van haar bepalingen. De Commissie diende uiterlijk op 18 oktober 2005 een verslag aan het Europees Parlement en de Raad uit te brengen over de toepassing van de Verordening. Dit verslag dient zich in het bijzonder te richten op art. 4, lid 3 over de mogelijke vervanging van het systeem van eenduidige identificatienummers voor bepaalde producten. Indien nodig, kan de Commissie een voorstel indienen ter wijziging van de Verordening (art. 12).

De Commissie wordt bijgestaan door het door Richtlijn 2001/18 ingestelde regelgevend comité, en kan middels de comité-procedure verschillende wijzigingen aanbrengen (art. 10). Middels Verordening 1137/2008[1386] is deze bepaling aangepast aan het herziene comitologie Besluit 2006/512,[1387] met name wat betreft de invoering van de regelgevingsprocedure met toetsing gehanteerd , vanaf 11 december 2008.

7.21.5 Achtergrond en totstandkoming van de Verordening

Binnen de EU wordt het recht op productinformatie en etikettering gezien als een hulpmiddel bij het maken van keuzes. Vanaf 1997 is het etiketteren van genetisch gemodificeerd voedsel verplicht op grond van Verordening 258/97[1388] betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten en Verordening 1139/98[1389], welke later is ingetrokken door Verordening 1829/2003 (zie § ???). Dit is van toepassing op producten die:

  • geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaan; en

  • afgeleid zijn van GGO’s, maar daar niet meer geheel of gedeeltelijk uit bestaan en waarin als gevolg van de genetische modificatie transgeen DNA of eiwitten aanwezig zijn.

Daarnaast dienden alle genetisch gemodificeerde additieven en aroma’s geëtiketteerd te worden op grond van Verordening 50/2000[1390] inzake de etikettering van voedingsmiddelen en voedselingrediënten die genetisch gemodificeerde of met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde additieven en aroma’s bevatten. Algemene regels voor de etikettering werden eveneens gegeven door Richtlijn 90/220, welke inmiddels is gewijzigd door Richtlijn 2001/18 inzake de doelbewuste introductie van GGO’s in het milieu (zie § ???).

Uit de heftige discussie rondom de aanwezigheid van GGO’s in de voedselketen en in het milieu bleek dat het bestaande regelgevingskader van de EU versterkt diende te worden om tegemoet te komen aan de wensen van de Raad en het publiek in het algemeen. In december 2000 bracht de Commissie een werkdocument uit, waarin werd uiteengezet hoe er voor gezorgd kon worden dat GGO’s en producten afgeleid uit GGO’s zouden worden geëtiketteerd en getraceerd konden worden over de gehele keten.[1391] Dit werd in juli 2001 gevolgd door een voorstel voor een Verordening[1392], waarin een geharmoniseerd kader werd gegeven voor de traceerbaarheid en etikettering van GGO’s, zoals dit voorzien was in Richtlijn 2001/18.

In de eerste discussies in de Raad in oktober en november 2002, waarvan sommige direct weren uitgezonden voor de pers en het publiek, steunden de meeste lidstaten de belangrijkste aspecten van het voorstel van de Commissie en verschilden zij alleen van mening over de nadere uitwerking. Het Verenigd Koninkrijk was bezorgd dat het voorstel te ver ging, terwijl Oostenrijk en Luxemburg juist betoogden dat het voorstel niet ver genoeg ging. De meningen waren verdeeld met betrekking tot de afwijkingsmogelijkheden voor producten waarin de aanwezigheid van GGO’s onvoorzien of technisch niet te voorkomen is. De meeste lidstaten gaven er de voorkeur aan om de afwijkingsmogelijkheden te beperken tot GGO’s die reeds toegelaten waren. De kwestie werd alleen maar aangestipt in de preambule van het voorstel en is daar ook in de uiteindelijke versie te vinden, zij het in gewijzigde vorm. Hoewel een op internationaal niveau ontwikkeld eenduidig coderingssysteem voor de identificatie van GGO’s volgens de Raad de voorkeur verdient, wees een meerderheid van de lidstaten op de mogelijkheid van een dergelijk systeem af te zien om een uiterst lange termijn voor de invoering van een traceerbaarheidssysteem in de Gemeenschap te vermijden.[1393] Op dezelfde zitting van de Raad werd tevens de kwestie van een moratorium aan de orde gesteld. De voorzitter kwam tot de conclusie “dat een meerderheid van de lidstaten het erover eens is dat er een samenhang bestaat tussen, enerzijds, de hervatting van vergunningverlening [voor de doelbewuste introductie van GGO’s] en, anderzijds, nadere regelgeving die het, in combinatie met een transparant systeem van traceerbaarheid en etikettering, de consument mogelijk maakt zijn keus te bepalen op grond van duidelijke informatie”. Een de facto moratorium gold in de EU al sinds 1998.

Door het Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC) werd kritiek geuit op het voorstel. Gesteld werd met name dat sommige bepalingen niet duidelijk genoeg waren, zoals het verschil tussen producten die met (behulp van) GGO’s en producten die op basis van GGO’s worden geproduceerd. Meer duidelijkheid was volgens het EESC ook nodig omtrent de regeling inzake aansprakelijkheid voor aan het milieu en de biodiversiteit toegebrachte schade. Hetzelfde gold voor de aansprakelijkheid voor onvoorziene GGO-contaminatie van uit de biologische landbouw afkomstige producten - waarvoor momenteel een drempelwaarde van 0 procent geldt. Het EESC vond het onaanvaardbaar dat dit onderwerp niet in het voorstel, noch in het voorstel voor de Richtlijn inzake milieuaansprakelijkheid werd behandeld. Het EESC merkte tevens op dat het niet ondenkbaar is dat de kosten voor de eindproducten door de nieuwe eisen zullen stijgen en dat deze stijging aan de consument wordt doorberekend. Daarbij werd door het Comité onderstreept dat de kosten van de nieuwe technologie voor rekening zouden moeten komen van de producenten van producten die uit GGO’s bestaan of GGO’s bevatten en niet voor de producenten van traditionele producten door middel van etiketteringen als ‘vrij van GGO’s’.[1394]

In de eerste lezing van het Parlement in juli 2002 kreeg het voorstel brede steun. Het Parlement kon niet tot overeenstemming komen over een aantal van de meer ingrijpende wijzigingen die door leden van de Milieucommissie waren voorgesteld, waaronder een voorstel om vlees, melk en eieren afkomstig van dieren gevoed met genetisch gemodificeerde diervoeders te etiketteren (dit was ook al eerder voorgesteld en afgewezen in de Raad tijdens het Deense voorzitterschap). Er werden echter wel 30 wijzigingen van het voorstel aangenomen, waarvan de meeste echter niet afdeden aan de kern van het voorstel. De wijzigingen waren bedoeld om de verwijzingen naar het voorzorgsbeginsel, de menselijke gezondheid en het milieu te versterken en stelden voor om ‘gidsen voor goede segregatiepraktijken’ op te stellen.[1395] In een belangrijke wijziging werd voorgesteld om de toelatingsprocedure voor GGO’s te koppelen aan de ontwikkeling van een systeem van eenduidige identificatienummers door de Commissie. De Commissie nam de wijzigingen gedeeltelijk over. Het voorstel om zeer kleine sporen van niet toegelaten, maar onvoorzien aanwezig genetisch gemodificeerd materiaal niet toe te staan, werd niet overgenomen. Dit gold ook voor het voorstel voor de identificatie (door middel van eenduidige identificatiecodes) van GGO’s die niet in het milieu geïntroduceerd mogen worden. De Commissie was van mening dat deze wijzigingen hogere kosten met zich meee zouden brengen voor de exporteurs, zonder dat er noemenswaardige voordelen op het gebied van de risicobeheersing zouden zijn.

De Raad heeft in zijn eerste lezing de voorschriften van het Commissievoorstel aangescherpt met betrekking tot de informatie die bulkladingen producten die mengsels van GGO’s bevatten moet vergezellen. Tevens gaf de Raad aan dat de inspectie- en controlemaatregelen ook betrekking kunnen hebben op het voorhanden hebben van een product, en niet alleen op het in de handel brengen van een product. Daarnaast verzocht de Raad de Commissie om een verslag uit te brengen over de ervaringen met de toepassing van de Verordening. De Raad verwierp echter de helft van de door het Parlement aangebrachte wijzigingen, waaronder de wijziging om de informatie tien in plaats van vijf jaar te bewaren en het koppelen van de toelatingsprocedure voor GGO’s aan de invoering van een systeem van eenduidige identificatienummers door de Commissie. De Raad verwierp tevens de verwijzing naar het regelgevend comité van Richtlijn 2001/18 en wilde in plaats daarvan een verwijzing naar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, ingesteld door Verordening 178/2002. Dit bleek in de uiteindelijke Verordening echter niet haalbaar. Door middel van een wijziging van Richtlijn 2001/18 voerde de Raad tevens een ontheffing in voor de etikettering van GGO’s die bestemd zijn voor rechtstreekse be- of verwerking, onder de voorwaarde dat ze toegelaten waren en beneden de drempelwaarde van 0,9 procent (of een lager gestelde waarde) zouden blijven.[1396]

Vanaf het begin was er discussie over de drempelwaarde van 0,9 procent voor etikettering, welke lager was dan de bestaande drempelwaarde van 1 procent. Milieugroepen en biologische boeren waren bezorgd dat dit de deur wijd open zou laten voor contaminatie van genetisch gemodificeerd materiaal op grote schaal.[1397]

In de tweede lezing van het Parlement werden geen inhoudelijke wijzigingen voorgesteld, waarmee erkend werd dat er snel overeenstemming diende te worden bereikt over het voorstel. Er werd ook ingestemd met de drempelwaarde van 0,9 procent. De Commissie nam vervolgens alle wijzigingen over. Op 22 juli 2003 werd het voorstel uiteindelijk aangenomen door de Raad, met tegenstemmen van Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk en Denemarken. Het Verenigd Koninkrijk betoogde dat de bestaande Europese wetgeving al een goede basis bood voor het mogelijk maken van besluitvorming over het in de handel brengen van producten die geheel of gedeeltelijk uit GGO’s bestaan. Tevens werd gesteld dat de uiteindelijke tekst van de Verordening niet voldeed aan criteria met betrekking tot de hanteerbaarheid, handhaafbaarheid en samenhang met internationale verplichtingen in het kader van het Protocol van Cartagena (zie § ???). In het bijzonder werden de nieuwe en lagere drempelwaarden bekritiseerd, waarbij werd beargumenteerd dat 1 procent de laagste waarde was waarop GGO’s op betrouwbare wijze konden worden gevonden. Tenslotte zei het VK dat de Gemeenschap zo snel mogelijk nieuwe besluiten diende te nemen op dit gebied. Denemarken betoogde dat het belangrijk was om duidelijke regels vast te stellen voor de compensatie van door GGO’s veroorzaakte milieu- en zaakschade of persoonlijke schade. Denemarken had gepoogd om de Commissie er toe te brengen om een voorstel in te dienen over zulke regels, maar zonder succes.

7.21.6 De omzetting in nationale regelgeving

Ondanks de rechtstreekse toepasselijkheid van de Verordening, werd nog wel nadere regelgeving vereist ter uitvoering van de Verordening. Voor de toepassing en handhaving van de nieuwe Verordeningen in Nederland hebben de ministeries van Infrastructuur en Milieu (IenM) en Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I), en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) gedeelde verantwoordelijkheid (voorheen: Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV), en Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM)). Vanwege de invoering van de Verordeningen hebben de verschillende ministeries, in samenspraak met de betrokken toezichthoudende instantie waaronder de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA), zich in 2003 en 2004 in het kader van het ‘Project traceerbaarheid en etikettering’ gebogen over de ontwikkeling van het Nederlandse uitvoeringsplan. De uitkomst hiervan, en de wijze waarop in Nederlanduitvoering gegeven wordt aan de nieuwe wetgeving op het terrein van de biotechnologie werd beschreven in het rapport ‘Verantwoord Kiezen’, dat in oktober 2004 werd aangeboden aan de Tweede Kamer.[1398] In het rapport werd aangegeven dat met de inwerkingtreding van de nieuwe GGO-Verordeningen (1830/2003 en 1829/2003 – zie § ???) bepaalde levensmiddelen (zoals maïs) en diervoeders meer geëtiketteerd zullen worden. Hoewel aangegeven werd dat voor bepaalde producten de etiketteringsplicht moeilijk te handhaven zal zijn, werd opgemerkt dat deze productstromen relatief klein zijn. Een belangrijk probleem blijft wel de controle op niet-toegelaten GGO’s.

De uitvoeringsbepalingen zijn gelijkertijd ingevoerd met de uitvoeringsbepalingen voor Verordening 1829/2003 (zie § ???). Zo is op grond van art. 24 van het Besluit diervoeders[1399] aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I, voorheen LNV) de bevoegdheid gedelegeerd om regels te stellen met betrekking tot de bereiding, het be- of verwerken, verpakken, bewaren, vervoeren, vervoederen, in het verkeer brengen, de hoedanigheid, de verpakking en de aanduidingen op verpakkingen van toevoegingsmiddelen, vervangende voederproteïnen, voormengsels of diervoeders. Op grond van art. 76 van de Regeling diervoeders[1400] is het verboden om in strijd te handelen met de traceerbaarheids- en etiketteringsvoorschriften van de Verordening. Tevens is het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer[1401] gewijzigd (art. 32), waarmee de bepalingen van de Verordening over de etikettering en traceerbaarheid van GGO’s die zijn toegelaten onder Richtlijn 2001/18 zijn omgezet, evenals de wijziging van deze Richtlijn (§ ???). Daarnaast is het Warenwetbesluit Nieuwe voedingsmiddelen gewijzigd, waarbij enkele verboden met betrekking tot genetisch gemodificeerde levensmiddelen zijn opgenomen (art. 2, lid 4).[1402] Wat betreft dit laatste Besluit dient wel opgemerkt te worden dat in Nederland de horeca en cateringsector (inclusief instellingskeukens, bijvoorbeeld van ziekenhuizen) worden vrijgesteld van etikettering voor levensmiddelen.[1403] Meer algemeen geldt dat vooralsnog de etiketteringsvoorschiften van de het Warenwetbesluit gelden, waardoor producten of ingrediënten welke voorheen krachtens het Besluit niet middels specifieke etikettering gedeclareerd hoefden te worden, nu niet plotseling wel zulke vermelding zullen behoeven. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan bepaalde stoffen die in het Besluit niet als ingrediënt worden gedefinieerd. Tenslotte heeft er nog een wijziging plaatsgevonden van enkele kleinere regelingen. Daarmee is uitvoering gegeven aan bepalingen omtrent de strafbaarstelling van overtreding en de aanwijzing van nationale autoriteiten.[1404]

7.21.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Europa

Het EU beleid inzake de markttoelating, tracering en etikettering van GGO producten ontwikkeld zich zeer snel en expansief. Inherent aan deze dynamische ontwikkeling is dat momentopnames van het beleid al zeer snel achterhaald zijn. Derhalve wordt hier verwezen naar de websites van de Europese Commissie,[1405] en GMO Compass[1406] voor een actueel overzicht van het EU GGO beleid, en in het bijzonder voor de actuele status van EU markttoelatingen en aanvragen daartoe voor GGO's en GGO-producten, waarvoor etiketterings- en traceerbaarheidsvereisten gelden krachtens Verordening 1830/2003. Een overzicht van de bij EFSA voorliggende verzoeken en reeds uitgevoerde risicobeoordelingen voor GGO toelatingsaanvragen is beschikbaar via de EFSA website.[1407] Ook biedt de website van het onderzoeksinstituut van de Commissie, de Joint Research Centre (JRC), een veelheid aan relevante informatie op dit terrein waaronder links naar de websites van de lidstaten over hun nationale GGO-beleid.[1408]

In mei 2006 bracht de Commissie voor het eerst verslag uit aan de Raad en het Europees Parlement over de uitvoering van Verordening 1830/2003 (overigens pas ruim na de hiervoor in artikel 12 bepaalde termijn van 18 oktober 2005).[1409] Het rapport is gebaseerd op een raadpleging van alle bevoegde instanties van de lidstaten en diverse stakeholders uit alle relevante sectoren, zoals bedrijven en bedrijfsverenigingen uit de sectoren levensmiddelen, diervoeders en zaden, handelspartners, NGO's en betrokken overheidsdiensten van de lidstaten. Aangezien op dat moment de wetgeving pas twee jaar van kracht was, en omdat er slechts weinig GGO-producten op de EU markt waren toegelaten, was de uitvoeringservaring van de Verordening nog slechts zeer beperkt. Desalniettemin lijken de bepalingen van de verordening correct te worden toegepast, afgezien van enkele ‘kinderziekten’ die grotendeels opgelost zijn. Sommige handelspartners blijven evenwel stellen dat de Verordening een buitensporige administratieve belasting oplevert. De asynchrone goedkeuringsregeling voor GGO's in de verschillende landen (dat wil zeggen dat een bepaald GGO in sommige (exporterende) landen al wel wettelijk toegelaten is op de markt, maar in andere (importerende) nog niet) blijft de grootste hindernis voor de handel. Sommige handelspartners zijn erin geslaagd een succesvolle aanpak te vinden om verstoring van de handel te voorkomen, maar andere partners lijken niet in staat of niet bereid te zijn om een goede benadering voor dit vraagstuk te vinden.

Het moge duidelijk zijn Verordeningen 1829/2003 (zie § ???) en 1830/2003 sterk samenhangen, voor bepaalde voorschriften van elkaar afhangen, en bedoeld zijn om als combinatie te functioneren, in het bijzonder op het aspect van etiketteringsvereisten. Derhalve is de in § ??? beschreven verslaglegging door de Commissie over de uitvoering van Verordening 1829/2003 ook in het hier besproken kader relevant.[1410] Ook daarin bleek, mede uit inspectieresultaten van het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) van het Directoraat-generaal Gezondheid en Consumentenbescherming(DG SANCO) de meeste door de lidstaten geconstateerde overtredingen betrekking hadden op verkeerde etikettering. Daarnaast bestaan grote verschillen tussen de lidstaten qua intensiteit van monitoring en inspectie. Vier lidstaten beschikten zelfs helemaal niet, of slechts in beperkte mate, over mogelijkheden voor de kwantitatieve bepaling van GGO's in levensmiddelen en diervoeders, waardoor de etiketteringsdrempel van 0,9% niet gehandhaafd kon worden. Anderzijds traden zes lidstaten niet op nadat positieve resultaten (GGO-sporen) gevonden waren in zendingen niet-GGO zaden.

Op basis van de resultaten van de door de lidstaten uitgevoerde steekproeven zijn bij voor levensmiddelen in naar schatting minder dan 2% van de gevallen (113 van de 7129 onderzochte monsters) de etiketteringsvoorschriften van Verordening (EG) nr. 1829/2003 niet nageleefd, terwijl dit voor diervoeders uitkomt op 6% van de gevallen (153 van de 2478 onderzochte monsters) de etiketteringsvoorschriften van Verordening (EG) nr. 1829/2003 voor diervoeders niet nageleefd. De Commissie constateert verder een praktijk van stelselmatig voorzien van diervoeders van een vermelding ‘kan GGO’s bevatten’, zelfs ongeacht de werkelijke samenstelling en herkomst van de producten. Deze werkwijze is niet in overeenstemming met de Verordeningen 1829/2003 en 1830/2003, die geen vage maar expliciete vermelding van de aanwezigheid van GGO’s vereisen wanneer hiervan daadwerkelijk sprake is, op basis van de herkomst en productieverklaringen.

Tenslotte biedt het rapport over Verordening 1829/2003 enkele verduidelijkingen van de etiketteringsvoorschriften van de Verordening(en), met name met betrekking tot de toepassing van de 0,9% drempelwaarde voor etikettering; de etikettering van alcoholhoudende dranken; de vermelding van dragers (voor additieven) op het etiket; de etiketteringsvoorschriften voor instellingen; en ‘GGO-vrij’-etikettering.

De eindconclusie van het eerste uitvoeringsverslag over Verordening 1830/2003 was met name dat er in 2006 nog te weinig ervaring was opgedaan om een goede analyse van de uitvoeringspraktijk te maken. De Commissie zegde dan ook toe na 24 maanden een tweede verslag op te stellen.

Dit tweede verslag werd in september 2008 gepubliceerd,[1411] en is gebaseerd op de bijdragen van 23 lidstaten en twee brancheverenigingen. Ondanks het verstrijken van twee jaar zijn volgens de Commissie sinds het verschijnen van het eerste verslag geen nieuwe trends aan het licht gekomen wat betreft de penetratie van GGO’s op de EU markt. In 2006 was MON810 maïs het enige GGO dat voor teelt in de EU was toegelaten en op kleine schaal in zes lidstaten werd geteeld, op een totale oppervlakte van ongeveer 60.000 ha (vooral in Spanje, maar daarnaast ook in minimale hoeveelheden in Frankrijk, Duitsland, Tsjechië, Slowakije en Portugal). Dat areaal is in 2007 toegenomen tot circa 110.000 ha. Wat de traceerbaarheid en etikettering van GGO’s betreft, zeggen vele lidstaten nog steeds over weinig of geen ervaring te beschikken, hoewel meer ervaring bestaat met diervoeders dan met levensmiddelen.

Over de etiketteringsregels zeggen de lidstaten over het algemeen dat deze goed functioneren. De gesignaleerde problemen betreffen nog altijd onjuiste etikettering (bijv. etiketten met de vermelding dat het product GGO's ‘kan’ bevatten), negatieve formuleringen die in strijd zijn met de nationale wetgeving (bijv. ‘niet genetisch gemodificeerd’ of ‘bevat geen GGO's’, of zoals in Nederland verboden ‘GGO-vrij’), ontbrekende documentatie m.b.t. de aanwezigheid van ggo's in niet-voorverpakte producten en ontbrekende etikettering in gevallen waarin de drempelwaarde van 0,9 % werd overschreden.

De meeste lidstaten melden dat er zich bij de controles en officiële inspecties in het algemeen geen ernstige problemen voordoen. Daarbij moet wel worden opgemerkt dat de toegepaste procedures soms nogal sterk uiteenlopen. In sommige lidstaten hebben de meeste controles louter betrekking op de documenten en blijven bemonstering en analyse beperkt wegens de daaraan verbonden kosten. Andere lidstaten laten weten dat de toezichthoudende ambtenaren vooral nagaan of de exploitanten de krachtens de regelgeving vereiste interne controles toepassen. Een aantal lidstaten meldt handhavingsproblemen met betrekking tot van GGO’s afgeleide producten die geen aantoonbaar en identificeerbaar ggo-materiaal bevatten maar toch moeten worden geëtiketteerd. Het belangrijkste probleem in dit soort situatie is dat de bevoegde autoriteiten alleen via documentencontrole kunnen nagaan of alle voorzorgsmaatregelen zijn genomen en dat bemonstering vaak geen optie is omdat aantoonbare DNA-sporen ontbreken.

Nederland

De wijze waarop Nederland uitvoering geeft aan de Europese wetgeving op het terrein van de markttoelating, etikettering en traceerbaarheid van GGO-voedsel en diervoeders is in 2004 beschreven in het rapport ‘Verantwoord Kiezen’.[1412] In het rapport wordt aangegeven dat met de inwerkingtreding van de nieuwe GGO-Verordeningen (1829/2003 en 1830/2003) bepaalde levensmiddelen (zoals maïs) en diervoeders meer geëtiketteerd zullen worden. Hoewel aangegeven wordt dat voor bepaalde producten de etiketteringsplicht moeilijk te handhaven zal zijn, wordt opgemerkt dat deze productstromen relatief klein zijn. Een belangrijk probleem blijft wel de controle op niet-toegelaten GGO’s.

Als uitwerking van dit interdepartementale overleg is sinds 1 maart 2006 het Nederlandse loket voor Europese markttoelatingen van GGO's van start gegaan. Het loket is ondergebracht bij het Bureau GGO (onderdeel van het RIVM te Bilthoven). Doel van het loket is het creëren van één portaal in Nederland voor het indienen van alle EU-marktaanvragen van GGO’s onder verordening EG/1829/2003. Het loket zorgt ervoor dat de toetsing van voedsel-, diervoeder- en milieuveiligheid van de GGO's, en stuurt het dossier door naar de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) de beoordeling van de voedselveiligheid en diervoederveiligheid.[1413] Daarnaast is het loket het aanspreekpunt en informatiepunt voor aanvragers van markttoelatingen.

Voor de uitvoering van de Verordening is in 2004 een handhavingsplan opgesteld waarbij afspraken zijn gemaakt over de taakverdeling en de wijze van handhaving, ter bevordering van een uniforme aanpak en efficiënte handhaving.[1414]

De Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) is verantwoordelijk voor de controle op naleving van de wet- en regelgeving rond GGO bestanddelen in (dier)voeding. Overigens wordt op het moment gewerkt aan het opzetten van een ‘nieuwe’ VWA (nVWA), waarin de Algemene Inspectiedienst (AID), Plantenziektenkundige Dienst (PD) en de ‘oude’ Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) per 1 januari 2012 zullen fuseren.

De VWA controle op GGOs’omvat levensmiddelen, grondstoffen en ingrediënten voor levensmiddelen en diervoeding, en bij de handhaving draait het om de aspecten voedselveiligheid en etiketteringsverplichtingen. De VWA controleert of producenten genetische modificatie op het etiket vermelden; of er geen producten worden verkocht met GGO-ingrediënten, additieven of aroma’s die niet zijn toegestaan in Europa; voert inspecties uit bij ondernemingen die zowel stromen GGO als non-GGO grondstoffen verwerken en kijkt of deze stromen voldoende gescheiden zijn; en doet laboratoriumonderzoek om te bepalen of genetisch gemodificeerde ingrediënten in voedingsmiddelen zitten.

Bij haar controle werkt de VWA met monsterafname uit het handelskanaal: bij winkels, groothandelaren, importeurs of productiebedrijven. Diervoeders worden vooral bemonsterd bij mengvoederbedrijven en soms bij binnenkomst in de haven (in samenwerking met de Douane en soms de VROM-inspectie). Stelregel is om zo vroeg mogelijk in de keten controles uit te voeren, liefst op de grondstof, maar dit is niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld bij import van eindproducten geïmporteerd.[1415] Daarnaast wordt bij grondstofverwerkende bedrijven geïnspecteerd door de VWA en de VROM-inspectie, om er op toe te zien dat afdoende maatregelen zijn getroffen om een effectieve scheiding van de GGO- en niet-GGO stromen te bewerkstelligen.

Bij de controle van import partijen, bijvoorbeeld in de havens, wordt door de VWA in samenwerking met de Douane en de VROM-inspectie, steekproefsgewijs getoetst op, onder andere, eventuele vermenging van GGO-gewassen met niet-GGO varianten. De aandacht gaat hierbij met name uit naar import van zogenoemde risicoproducten uit zogenoemde risicolanden, waar GGO-variëteiten worden geteeld die in de EU niet zijn toegelaten. Dit betreft met name maïs uit de Verenigde Staten, China en Chili, en in toenemende mate koolzaad.

De controle op marktoelating richt zich vooral op producten die niet tot de Europese markt zijn toegelaten, maar elders wel. Bij risicogewassen als maïs of koolzaad, bestaat er een reële kans op vermenging met ggo-materiaal. De VROM-inspectie heeft in het verleden primair toegezien op zaaizaad, waarbij het gaat om levende organismen die een risico kunnen vormen voor het milieu. De controle op producten afkomstig van GGO’s die niet levend of levensvatbaar valt onder de verantwoordelijkheid van de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA). Dat het echter niet alleen gewassen zijn die aandacht vergen blijkt uit het optreden van de VROM-inspectie in 2006 en 2008 tegen het verkopen van genetisch gemodificeerde ‘gloeiende‘ siervissen (GloFishTM) waarvoor geen (Europese) marktoelating verkregen was.[1416] In 2008 heeft de inspectie via internet voorbereidingen tot het illegaal invoeren van zulke gloevissen opgespoord. De import van deze vis is tegengehouden en de betrokkenen zijn strafrechtelijk vervolgd.

Volgens het VROM-inspectie rapport waren er tot begin 2010 in Nederland 26 markttoelatingen van kracht voor zogenoemde cultivars (‘GMO-events’) onder Verordening 1828/2003 voor voedsel en/of diervoeder toepassingen, afgegeven aan 8 verschillende vergunninghouders.

Uit de VROM-inspectie rapportage over de periode 2008-2009[1417] blijkt dat van de 60 gecontroleerde partijen er één partij aangetroffen werd waarbij waarschijnlijk vermenging met een transgeen product heeft plaatsgevonden. De mate van de aangetroffen vermenging met dit transgene product zou echter zo laag zijn geweest, dat het niet met volledige zekerheid vast te stellen zou zijn dat het inderdaad vermenging met een GGO betrof.

Volgens de VWA is de kans om in Nederland GGO’s in levensmiddelen aan te treffen erg klein. Voor diervoeders is deze kans groter, waarbij het met name gaat om sporen van GGO-soja in non-GGO-maïs. Ook komt er bij diervoeders vaker ‘verontreiniging’ voor met niet in de EU toegelaten GGO’s. Voor levensmiddelen is de kans op GGO-sporen het grootste bij productenmet soja, zoals snacks, meel, tofu, soja-eiwit en sojabonen. Maïs voor menselijke voeding zou echter voornamelijk uit Europa afkomstig zijn, waar nauwelijks GGO’s verbouwd worden. Diervoeders, zoals maïs en soja uit Brazilië en Argentinië bestaan voor het grootste deel uit (toegelaten) GGO’s. Hier let de VWA vooral op de juistheid van de etikettering. Uit VWA inspectieresultaten in de periode 2001-2007 blijkt het percentage gericht gezochte en aangetroffen producten met GGO’s door de jaren heen ongeveer op hetzelfde niveau is gebleven.

De Commissie Genetische Modificatie (COGEM) boog zich in december 2010 over de etikettering van GGO’s in de signalering ‘Geboeid door Keuzevrijheid’. [1418] Hierin constateert de COGEM dat de keuzevrijheid rond GGO’s in voedingsmiddelen steeds minder geloofwaardig wordt door onder meer praktische problemen met de uitvoering van de etikettering als gevolg van onbedoelde vermenging, ongelijke innovatiesnelheid en verschillen in regelgeving tussen landen. De COGEM bepleit de oplossing voor deze problemen niet te zoeken in een verbreding of aanscherping van de etikettering, mede omdat dit zelfs het vertrouwen van de consument in het huidige systeem van keuzevrijheid verder zou kunnen ondermijnen. In plaats daarvan zou een herbezinning moeten plaatsvinden op de wijze waarop keuzevrijheid rondom GGO’s geboden wordt, en duidelijke internationale afspraken te maken, bijvoorbeeld over de definitie van sleutelbegrippen als ‘GGO’.

Referenties

COGEM (2010). Signalering CGM/101230-01, Geboeid door Keuzevrijheid: Een verkenning van de ontwikkeling en rol van keuzevrijheid rondom GGO’s in Europa. Commissie Genetische Modificatie, Bilthoven.

Europese Commissie (2000). Advanced Copy of a Working Document of the Commission Services on the Traceability and Labelling of GMOs and Products derived from GMOs (ENV/620/2000).

[1377] Krachtens art. 7 van de Verordening wordtt art. 4, lid 6 van Richtlijn 2001/18 met ingang van 15 april 2004 ingetrokken.

[1378] Verordening 178/2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden, PbEG L31, 1.2.2002.

[1379] Wel wordt het beginsel genoemd in overweging 3 van de considerans, met het oog op risicobeheersingsmaatregelen.

[1380] Verordening 1830/2003 fungeert derhalve als een lex specialis ten opzichte van Verordening 178/2002, welke vanaf 1 januari 2005 van kracht is.

[1381] Genoemd in overweging 2 van de considerans, terwijl bescherming van de gezondheid van mens, dier en milieu in overweging 3 volgt, en het consumentenbescherming pas in overwegingen 4 (impliciet), en 11 (expliciet).

[1382] PbEG L214, 24.8.1993.

[1383] PbEU L10, 16.1.2004.

[1384] Ingesteld door art. 58, lid 1 van Verordening 178/2002.

[1385]  PbEU L348, 24.11.2004.

[1386] PbEU L311, 21.11.2008.

[1387] Besluit 2006/512 van de Raad tot wijziging van Besluit 1999/468/EG tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden, PbEG L200, 22.7.2006.

[1388] PbEG L43, 14.2.1997).

[1389] PbEG L159, 3.6.1998.

[1390] PbEG L006, 11.1.2000.

[1391] Europese Commissie (2000).

[1392] COM(2001)182.

[1393] Notulen van de Raad van de Europese Unie, Milieu, 2378e zitting, 19 december 2001.

[1394] Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC). Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het “Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de traceerbaarheid en de etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG” (NAT/128, 21.3.2002).

[1395] Europees Parlement. Verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (A5-0229/2002).

[1396] Gemeenschappelijk standpunt van de Raad Nr. 21/2003, 17.3.2003.

[1398] Uitgave van de ministeries van VWS, LNV en VROM, Rapport 27428, nr. 53, 2004. Het rapport is verkrijgbaar op http://www.minvws.nl/rapporten/vgp/2004/verantwoord-kiezen.asp.

[1399] Stb. 2004, 381, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2005, 645.

[1400] Stcrt. 2004, 193, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2004, 240.2010, 6606..

[1401] Stb. 1990, 53, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2004, 418.

[1402] Stb. 1997, 192, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2006, 406 (wijzigingsbesluit mbt Verordening 1829/2003: Stb. 2004, 150).

[1403] Overeenkomstig Richtlijn 2000/13 inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (PbEG L109, 6.5.2000).

[1404] Stcrt. 2004, 72.

[1405] http://ec.europa.eu/food/dyna/gm_register/index_en.cfm (laatstelijk geraadpleegd 21.3.2011).

[1406] http://www.gmo-compass.org/eng/gmo/db (laatstelijk geraadpleegd 21.3.2011).

[1407] http://www.efsa.europa.eu/en/gmo/gmoapplications.htm (laatstelijk geraadpleegd 21.3.2011).

[1408] http://gmoinfo.jrc.ec.europa.eu (laatstelijk geraadpleegd 21.3.2011).

[1409] COM(2006)197 def., 10.5.2006.

[1410] COM(2006)626 def., 25.10.2006.

[1411] COM(2008)560 def., 17.9.2008.

[1412] Het rapport is verkrijgbaar op http://www.minvws.nl/rapporten/vgp/2004/verantwoord-kiezen.asp (geraadpleegd op 1.2.2005).

[1413] TK 2004-2005, 27 428, nr. 55.

[1414] TK 2004-2005, 27 428, nr. 55.

[1415] VWA (2008).

[1416] VROM-inspectie (2010), p. 4; zie ook RIVM (2009). Verschillende gloeivissen mogen overigens wel door instanties met een vergunning gebruikt worden voor wetenschappelijke doeleinden. Hoewel deze zebravis die door middel van genetische modificatie zodanig is aangepast om onder ultraviolet licht te fluoresceren, oorspronkelijk ontwikkeld is voor wetenschappelijke doeleinden, is deze onder de merknaam GloFishTM in 2003 in de Verenigde Staten voor het eerst aan consumenten verkocht als siervis. De verkoop aan particulieren zonder vergunning is in de EU verboden.

[1417] VROM-inspectie (2010), p. 4.

[1418] COGEM (2010). Beschikbaar op het internet via: http://www.cogem.net/ContentFiles/CGM101230-01%20signalering%20Geboeid%20door%20Keuzevrijheid.pdf (geraadpleegd 21.3.2011).