Richtlijn 77/312/EEG (PbEG L105, 28.4.1977) | Richtlijn betreffende het biologisch toezicht op de bevolking in verband met het gevaar van lood |
Rechtsgrondslag | Artikel 235 EG-verdrag (thans art. 352 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Omzetting in nationale regelgeving | 31 maart 1978 |
Voltooiïng van het onderzoek | 31 maart 1982 |
NB. In § ??? (luchtkwaliteit) wordt verder ingegaan op de Europese regelgeving m.b.t. lood. Ook wordt in Bijlage XVII van de REACH-Verordening (1907/2006) het gebruik van bepaalde loodcarbonaten en loodsulfaten verboden, uitzonderingen daargelaten (zie § ???).
Lood kan de mens vanuit talrijke bronnen en langs verscheidene routes (zoals lucht, water en voedsel) bereiken (zie ook § ???). Het is daardoor moeilijk om de totale blootstelling van individuen aan lood te bepalen. Het doel van deze Richtlijn was het verkrijgen van een completer en nauwkeuriger beeld van het loodgehalte in het bloed van de bevolking als geheel en van kritische groepen. Hoewel de effectieve werkingsduur van de Richtlijn beperkt was, is ze officieel nog steeds van kracht en wordt ze hier besproken als voorbeeld van een Richtlijn die biologische normen bevat, welke kunnen fungeren als aanleiding voor verdere actie.
De lidstaten dienden twee onderzoekscampagnes uit te voeren, met een tussentijd van tenminste twee jaar (art. 5). Dit moest gebeuren door bemonstering van het bloed van vrijwilligers en het meten van het loodgehalte daarvan (art. 2, 3). Bij wijze van oriënterend of aanvullend onderzoek mocht ook de ‘ALAD-meting’ worden toegepast.[1428]
Tijdens elke campagne moesten in elke lidstaat ten minste 50 analyses per 1 miljoen inwoners worden verricht (art. 4). De bemonstering moest betrekking hebben op:
groepen van ten minste 100 personen in stedelijke gebieden met meer dan 0,5 miljoen inwoners;
groepen van ten minste 100 personen (voor zover mogelijk) uit bevolkingsgroepen die waren blootgesteld aan significante bronnen van loodverontreiniging;
kritische groepen, bepaald door de bevoegde instanties van de lidstaten.
Voor de evaluatie van de resultaten moesten de volgende bloedloodgehaltes als referentieniveaus in aanmerking worden genomen:
loodgehalte (μg per 100 ml) | percentage van de onderzochte bevolkingsgroep |
≤ 20 | 50% |
≤ 30 | 90% |
≤35 | 98% |
Bij overschrijding van deze referentieniveaus moesten de lidstaten de betrouwbaarheid van de uitkomsten verifiëren, een onderzoek instellen naar de bronnen die de overschrijding veroorzaakten en de nodige maatregelen te treffen (art. 8). De Commissie moest van een en ander in kennis worden gesteld (art. 9).
Om de vergelijkbaarheid van de resultaten te verzekeren moesten de lidstaten de Commissie laten weten welke laboratoria aan de programma’s deelnamen en welke analysemethoden deze hanteerden. De Commissie diende, in contact met de lidstaten, vergelijkingsprogramma’s te organiseren (art. 7)
De Commissie moest jaarlijks een samenvattend verslag opstellen en aan de lidstaten, de Raad en het Europees Parlement toezenden. Aan het eind van het programma werd de Commissie geacht een algemeen verslag op te stellen, als basis voor eventuele nieuwe voorstellen (art. 11).
In 1975 presenteerde de Commissie aan de Raad voorstellen voor twee aparte Richtlijnen in één document[1429] en in eerste instantie werden deze ook gezamenlijk behandeld. Eén van beide voorstellen – betreffende luchtkwaliteitsnormen voor lood – werd pas in 1982 aangenomen (zie § ???).
Het andere voorstel vormde het uitgangspunt voor Richtlijn 77/312, maar bevatte in zijn oorspronkelijke vorm biologische normen voor lood (die een meer dwingend karakter gehad zouden hebben dan de referentieniveaus van de uiteindelijke Richtlijn) en de verplichting van een tweejaarlijkse onderzoekscampagne. De voorgestelde normen waren bindend in die zin dat, als ze overschreden werden, de lidstaten de abnormale bronnen van blootstelling zouden moeten identificeren en de Commissie daarover zouden moeten inlichten. De Commissie zou dan binnen twee maanden een advies moeten uitbrengen, waarna de lidstaten geschikte maatregelen zouden moeten nemen en de Commissie daarvan op de hoogte zouden moeten stellen.
Verscheidene lidstaten hadden echter bedenkingen bij het voorstel en in de versie die uiteindelijk werd aangenomen was afgestapt van bindende biologische normen en van de verplichting tot regelmatig onderzoek. Wat overbleef was een aanmerkelijk ‘uitgeklede’ Richtlijn, waarin nog slechts sprake was van twee onderzoekscampagnes, bedoeld om informatie te vergaren. Bij overschrijding van de referentieniveaus was het aan de lidstaten om te beslissen welke maatregelen er genomen zouden moeten worden. Advisering door de Commissie kwam er niet meer aan te pas.
De Richtlijn heeft geen aanleiding gegeven tot nationale regelgeving in Nederland.
Ook na de twee op grond van de Richtlijn verplichte onderzoeken is nog onderzoek verricht naar het loodgehalte in het bloed van Nederlanders. Hierdoor kan een beeld worden verkregen van de ontwikkeling in de tijd (zie Tabel 7.23.1) .
Jaar | 50-percentiel (μg/l) | 90-percentiel (μg/l) | Leeftijd populatie |
1975 | 140 | 200 | jong volwassenen (m) |
1977 | 167 | 280 | 57-76 (m) |
1980 | 90 | 140 | jong volwassenen (m) |
1981 | 80 | 140 | jong volwassenen (m) |
1994/95 | 34 | 61 | 19-84 (m/v) |
1996 | 32 | 64 | 21-59 (m/v) |
1997 | 32 | 67 | 20-64 (m/v) |
Bron: www.milieubalans.rivm.nl/effecten/ind_5_2_em_8005.html (website anno 2010 niet meer beschikbaar)
[1428] De enzymactiviteit van delta-aminolaevulinezuurdehydratase (ALAD) kan dienen als indicator voor de aanwezigheid van lood in het bloed.
[1429] COM(75)166.