Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

7.25 Bescherming van werknemers

7.25.1 Overzicht van EU-regelgeving

Richtlijn 89/391 (PbEG L183 29.06.89)

Richtlijn betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk

Verordening 1882/2003 (PbEU L284, 31.10.2003)

Betreffende aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden

Richtlijn 2007/30/EG (PbEU L 165, 27.6.2007)

Wijziging met het oog op de vereenvoudiging en rationalisatie van de verslagen over de praktische tenuitvoerlegging

Verordening 1137/2008 (PbEU L 311, 21.11.2008)

Betreffende aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van de bepalingen betreffende de comités die de Commissie bijstaan in de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden

Rechtsgrondslag

Artikel 118a EG-verdrag (thans art. 153 VwEU)

Zie tabel 7.25.1 voor de relevante dochterrichtlijnen

7.25.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving en beleidsregels

<!-- --> <!-- -->

Arbeidsomstandighedenwet 1998

Stb. 1999, 184

Wijziging Mijnreglement 1964 en Mijnreglement continentaal plat ivm veiligheid en gezondheid werknemers in winningsindustrie

Stb. 1995, 434

Wijziging Arbeidsomstandighedenregeling

Stb. 2000, 137

Wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels inzake carcinogene agentia (kankerverwekkende stoffen)

Stb. 2000, 210

Wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet 1998

Stb. 2000, 595

Wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels inzake chemische en carcinogene agentia

Stb. 2002, 190

Besluit tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Stb. 2004, 486

Productenbesluit asbest

Stb 2005, 6

Koninklijk Besluit van 20 mei 2005 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit

Stb. 2005,279

Asbestverwijderingsbesluit 2005

Stb. 2005, 704

Wijziging Arbeidsomstandighedenbesluit (implementatie van wijzigingsrichtlijn nr. 2003/18/EG)

Stb 2006, 348

Arbeidsomstandighedenregeling

Stcrt. 1997, 63; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2001, 248

Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Stcrt. 1999, 199; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2001, 102

Wet van 30 november 2006, houdende wijzigingvan de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en enige andere wetten in verband met hetvergroten van de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor hetarbeidsomstandighedenbeleid

Stb. 2006, 673

Wijziging Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Stcrt. 2000, 233

Wijziging Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Stcrt. 2002, 62

Wijziging Arbeidsomstandighedenregeling (aanpassing aan EG-richtlijnen risico's chemische agentia)

Stcrt. 2002, 84

Productenregeling asbest

Stcrt. 2005, 40

Wijziging Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Stcrt. 2006, 59

Wijziging Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Stcrt. 2006, 157

Wijziging Arbeidsomstandighedenregeling en Aanwijzingsregeling toezichthoudende ambtenaren met specifieke uitvoeringstaken o.g.v. SZW wetgeving

Stcrt. 2006, 176

Wijziging Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Stcrt. 2006, 252


<!-- --> <!-- -->

Asbest

Richtlijn 2009/148/EG (PbEU L 330, 16.12.2009)

Richtlijn betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan asbest op het werk

Carcinogenen

Richtlijn 2004/37/EG (PbEU L 158,30.4.2004)

Corrigendum in PbEU L 229, 29.6.2004, PbEU L 204, 4.8.2007

Richtlijn betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene of mutagene agentia op het werk

Biologische Agentia

Richtlijn 2000/54/EG (PbEG L262 17.10.2000)

Richtlijn betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk

Chemische Agentia

Richtlijn 98/24/EG (PbEG L131 05.05.98)

Richtlijn betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk

Richtlijn 2000/39/EG (PbEG L142 16.6.2000)

Richtlijn tot vaststelling van indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling

Richtlijn 2007/30/EG (PbEU L165, 27.6.2007)

Wijziging met het oog op de vereenvoudiging en rationalisatie van de verslagen over de praktische tenuitvoerlegging


Opmerking: Dochterrichtlijnen die niet relevant zijn ten aanzien van milieubeleid zijn in Tabel ??? niet opgenomen (bijv. Richtlijn 90/269 betreffende het manueel hanteren van lasten met gevaar). De Dochterrichtlijn betreffende geluid op het werk is beschreven in § ???.

7.25.3 Doelstelling van de Richtlijnen

Richtlijn 89/391 en haar dochterrichtlijnen bevatten minimum normen voor de algemene gezondheid, hygiëne en veiligheid op het werk ter bescherming van werknemers en ter harmonisering van de verschillende normen binnen de EU. De werkingssfeer van de Richtlijn strekt zich ook uit naar de bescherming tegen schadelijke agentia op het werk.

7.25.4 Samenvatting van de Richtlijnen

Kaderrichtlijn –89/391

De bepalingen van de Richtlijn zijn van toepassing op alle particuliere of openbare sectoren waaronder industriële-, landbouw-, handels-, administratieve-, dienstverlenende-, educatieve-, culturele- en vrijetijdsactiviteiten (art. 2, lid 1). Sommige sectoren, zoals bijvoorbeeld het leger, zijn echter uitgezonderd vanwege hun inherente directe strijdigheid met het doel van de Richtlijn (art. 2, lid 2).

Werkgevers hebben een algemene plicht om te zorgen voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers inzake alle met het werk verbonden aspecten, waaronder de preventie van beroepsrisico’s en de opleiding van werknemers. De maatregelen dienen te worden uitgevoerd in overeenstemming met een lijst van algemene preventiebeginselen (art. 6, lid 2). De werkgever kan een beroep doen op deskundigen (personen of diensten) van buiten het bedrijf en/of de inrichting om de beschermings- en preventieactiviteiten op zich te nemen (art. 7, lid 3). Een dergelijk beroep op deskundigen ontslaat de werkgever echter niet van zijn verantwoordelijkheden op basis van de Richtlijn (art. 5, lid 2).

De rechtsgrondslag voor het aannemen van meer specifieke dochterrichtlijnen op het gebied van bijvoorbeeld landbouw en werkmaterialen is te vinden in artikel 16. Tot op heden zijn zeven dochterrichtlijnen aangenomen, waarvan de voor het milieu meest relevante zijn opgenomen in tabel ???.

De uiterste omzettingsdatum was gesteld op 31 december 1992 (art. 18, lid 1), hoewel “bestaande” werkplaatsen, met andere woorden werkplaatsen die werden gebouwd vóór 1 januari 1990 pas op 1 januari 1995 aan de voorschriften moesten voldoen.

Asbest – 83/477, 91/382, 2003/18 en 2009/148

De Richtlijn geeft in artikel 2 een opsomming van de typen asbest waarop zij van toepassing is (actinoliet, bruine asbest (amosiet), anthofylliet, chrysotiel, crocidoliet, en tremoliet). Bij sporadische blootstelling met een geringe intensiteit hoeven, onder zekere voorwaarden, niet alle maatregelen te worden genomen. Het spuiten van asbest dient te worden verboden. Ook activiteiten die de werknemers aan asbestvezels blootstellen bij de winning van asbest, bij de vervaardiging en de verwerking van asbestproducten of producten die doelbewust toegevoegde asbest bevatten, zijn verboden, met uitzondering van het behandelen en storten van producten die afkomstig zijn van sloop en asbestverwijdering (art. 5). De grenswaarden die moeten worden toegepast zijn in de Richtlijn aangegeven, evenals de te nemen maatregelen bij overschrijding van deze waarden. Andere maatregelen die in de Richtlijn worden uitgewerkt hebben betrekking op: medisch toezicht, de verschaffing van informatie (art. 15, lid 3), het bijhouden van een werknemersregister door de werkgever (art. 16) en het bijhouden van een register door de lidstaten van de erkende gevallen van asbestose en mesothelioom (art. 17) (zie ook § ??? en ???). Richtlijn 2009/148/EG is een modernisering van Richtlijn 83/477/EG en zal deze vervangen per 4 januari 2011.

Carcinogene en mutagene agentia –2004/37

Richtlijn 2004/37/EG heeft als doel werknemers te beschermen tegen gevaren voor hun veiligheid en gezondheid door blootstelling aan carcinogene en mutagene agentia tijdens hun werk. De Raad dient via Richtlijnen precieze grenswaarden, en zo nodig andere daarmee rechtstreeks verband houdende bepalingen, vast te stellen op basis van de beschikbare informatie (art. 16). De bepalingen zijn niet van toepassing op werknemers die uitsluitend worden blootgesteld aan straling die onder het Euratom-Verdrag valt (zie Hoofdstuk ???). De oude Richtlijn (90/394/EG) werd gewijzigd bij Richtlijn 97/42/EG die een herziene grenswaarde voor de blootstelling aan benzeen bevat en voorts de werkingssfeer van de Richtlijn uitbreidde naar bepaalde chemicaliën die voorheen werden uitgesloten, waaronder samengestelde bestrijdingsmiddelen, cosmetica, geneesmiddelen en gevaarlijke stoffen. De tweede wijziging in 1999 breidde de werkingssfeer van de Richtlijn uit naar het stof van hardhout en stoffen die erfelijke genetische schade teweegbrengen. Deze wijzigingen zijn beide gecodificeerd in Richtlijn 2004/37/EG.

Chemische agentia – 98/24

De Richtlijn bevat minimumvoorschriften voor de bescherming van werknemers tegen risico's voor hun veiligheid en gezondheid die het gevolg zijn, of vermoedelijk zullen zijn, van de effecten van chemische agentia die aanwezig zijn op het werk of van een beroepswerkzaamheid waarbij chemische agentia zijn betrokken (art. 1, lid 1). Indicatieve grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling (IGBB’s) worden op communautair niveau vastgesteld (art. 3, lid 2). De lidstaten stellen vervolgens nationale grenswaarden vast met inachtneming van hetgeen op communautair niveau is overeengekomen (art. 3, lid 3). In sommige gevallen kunnen “bindende” beroepsmatige grenswaarden worden vastgesteld, momenteel zijn deze uitsluitend van toepassing op anorganisch lood en zijn verbindingen.

Op communautair niveau vastgestelde biologische grenswaarden (waaronder t.a.v. lood) zijn bindend (art. 3, lid 6 en 7). Andere bepalingen uit de Richtlijn leggen de verplichting op aan werkgevers om het risico van gevaarlijke chemische agentia te bepalen en te beoordelen (art. 4). Voorts zijn algemene beginselen voor de preventie of beperking van risico’s opgenomen (art. 5).

Bij de Richtlijn van de Commissie 2000/39 is een lijst van IGBB’s vastgesteld die in acht dienen te worden genomen door de lidstaten bij de uitvoering van de Richtlijn inzake chemische agentia.

Biologische agentia – 2000/54

Deze Richtlijn verlangt van werkgevers dat zij de risico’s voor werknemers beoordelen bij werkzaamheden waarbij zich blootstelling aan biologische agentia kan voordoen. Blootstelling moet worden voorkomen of de risico’s moeten worden beperkt door het nemen van diverse stappen, zoals gespecificeerd in de Richtlijn. Er moeten lijsten worden bijgehouden van de blootgestelde werknemers en zij moeten worden voorgelicht, opgeleid en geraadpleegd. De Richtlijn deelt biologische agentia in vier risicogroepen in. Bij het gebruik van agentia van groep 2 t/m 4 (die bij de mens ziekte kunnen veroorzaken) moet de bevoegde instantie vooraf op de hoogte worden gebracht.

Richtlijn 2007/30/EG

De verplichting voor de lidstaten om verslagen over de praktische tenuitvoerlegging op te stellen, die dienen als uitgangspunten voor de verslagen die de Commissie op gezette tijden indient met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de communautaire regels inzake de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, is vastgelegd in Richtlijn 89/391/EEG. Deze procedure is vereenvoudigd door de frequentie waarmee de nationale verslagen over de praktische tenuitvoerlegging bij de Commissie moeten worden ingediend, gelijk te trekken en te bepalen dat slechts één verslag over de praktische tenuitvoerlegging hoeft te worden ingediend. Dit verslag bestaat uit een algemeen deel dat voor alle richtlijnen geldt, en specifieke hoofdstukken over de aspecten van elke richtlijn.

7.25.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijnen

In 1974 besloten de lidstaten tot de instelling van een adviescomité betreffende veiligheid, hygiëne en gezondheidsbescherming op het werk[1456]. Dit comité assisteerde de Commissie in 1978 bij het lanceren van een breed actieprogramma, dat uitmondde in een aantal Richtlijnen. In 1980 werd de eerste Kaderrichtlijn[1457] aangenomen, dat een brede strategie bevatte die gevolgd zou moeten worden met betrekking tot alle gevaarlijke fysische, chemische en biologische agentia.

De wettelijke basis voor Richtlijnen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk die vóór 1987 werden aangenomen was artikel 100 (thans art. 115 VwEU), dat betrekking heeft op het functioneren van de interne markt, en dat unanimiteit vereist. De Europese Akte van 1987 voorzag in een specifieke wettelijke basis voor het bij gekwalificeerde meerderheid aannemen van wetgeving op het gebied van werknemersbescherming (artikel 118a, thans artikel 153 VwEU).

De Commissie maakte gebruik van de toegenomen mogelijkheden voor Gemeenschapsactie op het gebied van de gezondheid en veiligheid van werknemers en nam een nieuw actieprogramma aan[1458]. Er kwam een nieuwe Kaderrichtlijn tot stand (89/391), alsmede een aantal gedetailleerde Dochterrichtlijnen. De Kaderrichtlijn vormt nu de hoeksteen van het EU-beleid op het gebied van de bescherming van veiligheid en gezondheid op het werk.

Bij Verordening 2062/94[1459] werd het Europees Agentschap voor de Veiligheid en Gezondheid op het Werk opgericht. Het is gevestigd te Bilbao en heeft vooral het verzamelen en verspreiden van informatie tot taak. Het Agentschap heeft ‘Focal Points’ in alle lidstaten[1460].

In juli 1995 nam de Commissie Besluit 95/319 aan, waarbij een comité van hoge functionarissen van de arbeidsinspectie werd ingesteld[1461]. Dit comité, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de arbeidsinspecties in de lidstaten, kan voorstellen doen voor een effectieve naleving van de Gemeenschapswetgeving inzake de gezondheid en veiligheid op het werk.

Bij Besluit 95/320 van de Commissie[1462] werd een Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan chemische agentia ingesteld. Dit Comité heeft bijgedragen aan de totstandkoming van de in Richtlijn 2000/39 opgenomen indicatieve grenswaarden.

7.25.6 De omzetting in nationale regelgeving

De bepalingen van Richtlijn 89/391 en de daarop gebaseerde Richtlijnen zijn verwerkt in de Nederlandse regelgeving ten aanzien van de arbeidsomstandigheden: de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (“Arbowet”)[1463], het Arbeidsomstandighedenbesluit (“Arbobesluit”)[1464], de Arbeidsomstandighedenregeling (“Arboregeling”)[1465] en de Beleidsregels arbeidsomstandigheden­wetgeving[1466].

Waar het Europese kader sterk gericht is op het voorschrijven van middelen, is de Nederlandse Arbowet sinds de laatste wetswijziging ingericht op doelvoorschriften en procesnormen. Hiermee beoogt de regering uiteindelijk de regeldruk te verminderen. Uiteraard blijven de Europese normen uit de verscheidene richtlijnen van kracht zolang dit verplicht is. Tenslotte wordt wetgeving die verder gaat dan de Europese verplichtingen wordt vermeden.

De gevolgde systematiek van de Nederlandse Arbeidsomstandighedenwetgeving lijkt op het Europese kader. Zo zijn de algemenere bepalingen uit de Kaderrichtlijn 89/391/EEG, zoals regels omtrent de deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening, terecht gekomen in de Arbeidsomstandighedenwet. De bepalingen uit de specifieke richtlijnen die betrekking hebben op asbest, carcinogenen en biologische en chemische agentia zijn terug te vinden in Hoofdstuk 4 van de Arboregeling. In bijlage XIII van de Arboregeling zijn de Europese grenswaarden van deze stoffen opgenomen.

De nadere regels betreffende de omgang met gevaarlijke stoffen en biologische agentia en de meetmethodes voor de bepaling van de stoffenconcentraties wordt verder geregeld in Afdeling 5 van Hoofdstuk 4 van het Arbobesluit en paragraaf 4 van Hoofdstuk 2 Beleidsregels arbeidsomstandigheden­wetgeving.

De asbest-richtlijnen zijn ook verwerkt in afdeling 5 van hoofdstuk 4 van het Arbobesluit en tevens in de paragrafen 4.5, 4.6 en 4.7 van de Arboregeling. Voor meer informatie over asbest, onder andere de implementatie d.m.v. het Asbestverwijderingsbesluit, zie § ???.

7.25.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Enkele jaren geleden werd in het midden- en kleinbedrijf nauwelijks preventieve actie ter bevordering van de arbeidsomstandigheden ondernomen. Onderzoek door de Arbeidsinspectie heeft aangetoond dat dit is verbeterd. Een meerderheid van de middelgrote bedrijven beschikt nu bijvoorbeeld over de verplichte Risico-Inventarisatie en -Evaluatie (Ministerie van SZW, 2001).

De beroepsmatige blootstelling aan gevaarlijke stoffen is in Nederland geringer dan in de rest van de EU-landen. De gevaarlijke stoffen die het vaakst voorkomen op het werk zijn gassen of dampen (16% van de werkenden heeft hier regelmatig mee te maken) en stof (14%) (Ministerie van SZW, 2001).

Sinds 1999 zijn Arbodiensten verplicht beroepsziekten te melden aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). Uit het Signaleringsrapport Beroepsziekten 2001 (NCvB, 2001) blijkt ondermeer dat er in het jaar 2000 in totaal 6063 meldingen zijn geweest. Daarvan hadden er 288 (4,7%) betrekking op huidaandoeningen, 104 (1,7%) op long- en luchtwegaandoeningen, 31 (0,5%) op neurologische aandoeningen, 27 (0,4%) op infectieziekten en 23 (0,4%) op kanker. Bij dit laatste getal valt op te merken dat veel gevallen van kanker door het beroep zich onttrekken aan het oog van de bedrijfsarts omdat de tijd die verloopt tussen de blootstelling aan de kankerverwekkende stof en het manifest worden van de kanker vaak tientallen jaren bedraagt. Mesothelioom (asbestkanker) vergt in Nederland jaarlijks meer dan 300 slachtoffers. Nederland is daarmee koploper in Europa (NCvB, 2001, p. 73).

De Nederlandse regering heeft in 1999 in een notitie aan de Tweede Kamer[1467] te kennen gegeven dat zij streeft naar meer flexibiliteit in de Europese regelgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden. Er zou meer gewerkt moeten worden met doelvoorschriften in plaats van middelvoorschriften en er zou meer ruimte moeten komen voor zelfregulering door het bedrijfsleven.

7.25.8 Uitvoering en effecten in de praktijk

In een mededeling van de Commissie aan de Raad, het Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s werd de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn (Richtlijn 89/391/EEG) en vijf bijzondere richtlijnen besproken.[1468] Geconcludeerd werd dat de EU-wetgeving een positieve invloed heeft gehad op de nationale normen voor de gezondheid en veiligheid op de werkplek. Tegelijkertijd wordt er gemeld dat de gezondheids- en veiligheidsmaatregelen op de arbeidsplaats in belangrijke mate hebben geholpen betere arbeidsomstandigheden, een hogere productiviteit, een groter concurrentievermogen en meer werkgelegenheid te creëren. Uit de statistieken en de nationale verslaglegging over de resultaten van de omzetting blijkt dat de bescherming van de gezondheid en veiligheid sterk is verbeterd. Het is duidelijk dat de tenuitvoerlegging en toepassing van de EU-wetgeving een wezenlijke rol heeft gespeeld bij het terugbrengen van de cijfers.

De wijziging in de verslaglegging die in 2007 werd ingevoerd brengt met zich mee dat het eerstvolgende vijfjaarlijkse rapport de periode 2007-2012 zal gaan omvatten.[1469]

7.25.9 Verdere ontwikkelingen

In 1989 hebben alle lidstaten, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, het ‘Gemeenschapshandvest van Sociale Grondrechten’ aangenomen, beter bekend als het Sociaal Handvest. Dit Handvest had betrekking op een aantal gebieden, waaronder gezondheid en veiligheid op de arbeidsplaats. In 1992 werd het Verdrag van Maastricht aangenomen met een Sociaal Protocol als bijlage, waaraan het VK als enige niet gebonden was. Dit Protocol had tot doel het implementeren van het Handvest en voorzag daartoe in de verbetering van sociale omstandigheden, waaronder gezondheid en veiligheid op het werk. Het protocol introduceerde ook een nieuwe procedure voor het bij gekwalificeerde meerderheid aannemen van wetgeving aangaande vele aspecten van sociaal beleid, in aanvulling op wat al onder artikel 137 (voorheen art. 118a) viel. Na de regeringswisseling in 1997 veranderde het Britse beleid ten aanzien van het Handvest en het Protocol. Daardoor kon het Protocol worden opgenomen in het Verdrag van Amsterdam, dat in mei 1999 van kracht werd.

Het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie bevat politieke, sociale en economische rechten voor EU-burgers en bewoners, en trad, samen met het Verdrag van Lissabon, in werking per 1 december 2009. Het Handvest was eerst een integraal onderdeel van de ontwerp-Europese Grondwet. Nadat Frankrijk en Nederland deze Grondwet hadden afgekeurd in een referendum, is het Handvest als apart document toegevoegd aan het Verdrag van Lissabon. De EU moet, bij het opstellen van wetgeving, in lijn met het Handvest handelen. Artikel 31 van het Handvest geeft iedere arbeider het recht op arbeidsomstandigheden die de gezondheid, veiligheid en waardigheid respecteren.

Referenties

Ministerie van SZW (2001). Arbobalans 2001. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag.

NCvB (2001). Signaleringsrapport Beroepsziekten 2001. Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, Coronel Instituut, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam.

[1456] PbEG L185, 9.7.1974.

[1457] 80/1107/EEG, PbEG L327, 3.12.1980.

[1458] PbEG C28, 3.2.1988.

[1459] PbEG L216, 20.8.1994.

[1460] Voor informatie over het Nederlandse ‘Focal Point’ zie: http://nl.osha.eu.int.

[1461] PbEG L188, 9.8.1995.

[1462] PbEG L188, 9.8.1995.

[1463] Stb. 1999, 184; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2007, 551.

[1464] Stb. 1997, 60; laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 395.

[1465] Stcrt. 1997, 63; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 117.

[1466] Stcrt. 2001, 239; laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 15048

[1467] TK 1998-1999, 25 879, nr. 47.

[1468] COM(2004)62 definitief.

[1469] Artikel 1(5) Richtlijn 2007/30/EG.