Het wettelijk kader voor de bescherming van mens en milieu tegen de schadelijke effecten van radioactiviteit wordt in Nederland gevormd door de Kernenergiewet uit 1963[1481]. De wet heeft een dubbele doelstelling, namelijk:
de bevordering van een goede ontwikkeling op het gebied van het vrijmaken
van kernenergie en de aanwending van radioactieve stoffen en straling
uitzendende toestellen;
de bescherming van mens en milieu tegen de hieraan verbonden gevaren.
De belangrijkste instrumenten van de Kernenergiewet zijn neergelegd in de hoofdstukken III en IV. Hoofdstuk III ziet op handelingen met splijtstoffen en ertsen en het vrijmaken en toepassen van kernenergie. In hoofdstuk IV zijn instrumenten gereguleerd die zijn gericht op het gebruik van radioactieve stoffen en op ioniserende straling uitzendende toestellen, zoals bijvoorbeeld toegepast in ziekenhuizen en in de industrie.
De inhoud van de normering is grotendeels vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Nadere regels met betrekking tot de vergunningverlening op grond van hoofdstuk III zijn neergelegd in het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen[1482] en het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen.[1483] Ook het Besluit stralingsbescherming is hier van toepassing. De verbodsbepaling inzake toestellen is uitgewerkt in het Besluit stralingsbescherming.[1484] Ten slotte is, ter implementatie van Euratom-regelgeving een vergunningenstelsel neergelegd in het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffenen bestraalde splijtstoffen.[1485]
Uitgangspunten van het Nederlandse beleid inzake stralingsbescherming zijn:
handelingen met ioniserende straling moeten gerechtvaardigd zijn, dat wil zeggen voor- en nadelen moeten tegen elkaar worden afgewogen (rechtvaardigingsbeginsel);
stralingsdoses moeten geminimaliseerd worden (‘as low as reasonably achievable’, ALARA);
er mag geen overschrijding van maximale stralingsdoses plaatsvinden.
Als norm voor de maximale stralingsbelasting voor een lid van de bevolking ten gevolge van alle door menselijk menselijk handelen veroorzaakte straling geldt 1 milliSievert (mSv) per jaar;, voor blootgestelde werknemers geldt 20 mSv per jaar.
Het toezicht op nucleaire installaties en de stralingshygiëne bij deze installaties, alsmede de milieuhygiënische kant van de stralingsbescherming bij alle niet-nucleaire toepassingen, is opgedragen aan de Kernfysische Dienst. Sinds 2010 valt deze dienst onder het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. De Arbeidsinspectie is verantwoordelijk voor de handhaving van de regels met betrekking tot de beroepsmatige blootstelling aan straling. Radioactief afval wordt ingezameld, verwerkt en opgeslagen door de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA).
De blootstelling van de Nederlandse bevolking aan straling afkomstig van ‘kunstmatige’ bronnen bedraagt over het algemeen (veel) minder dan 1 mSv per jaar. Dit betekent niet dat er in Nederland geen risico’s zijn op het gebied van radioactiviteit en stralingsbescherming. De belangrijkste bronnen van blootstelling aan ioniserende straling in Nederland zijn echter van natuurlijke aard. Om de stralingsbelasting door radon in woningen te verminderen wordt momenteel gewerkt aan een ‘stralingsprestatienorm’ in het kader van het Bouwbesluit[1486].
Uylenburg, R., E.M. Vogelezang-Stoute, R. Neerhof en N.M. van der Grijp (2007). Evaluatie Kernenergiewet. STEM publicatie 2006/4.
VROM-Inspectie (2002), Handhaving Kernenergiewet bij opslag tijdens vervoer van radioactieve stoffen in de periode 2000-2001. Den Haag.
[1481] Stb. 1963, 82 (en wijzigingen).
[1482] Stb. 1969, 403 (en wijzigingen).
[1483] Stb. 1969, 405 (en wijzigingen).
[1484] Stb. 2001, 397 (en wijzigingen).
[1485] Stb. 2009, 168.