96/29/Euratom (PbEG L159 29.6.1996) | Richtlijn tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren |
90/641/Euratom (PbEG L349 13.12.1990) | Richtlijn inzake de praktische bescherming van externe werkers die gevaar lopen aan ioniserende straling te worden blootgesteld tijdens hun werk in een gecontroleerde zone |
97/43/Euratom (PbEG L180 9.7.1997) | Richtlijn betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling |
2003/122/Euratom (PbEU L346, 31.12.2003) | Richtlijn inzake de controle op hoogactieve ingekapselde radioactieve bronnen en weesbronnen |
2009/71/Euratom (PbEU L172, 2.7.2009) | Richtlijn tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties |
Bindende termijnen Omzetting in nationale regelgeving: 90/641 96/29 en 97/43 2003/122 2009/71 | 31 december 1993 13 mei 2000 31 december 2005 22 juli 2011 |
Rechtsgrondslag | art. 30 Euratom-verdrag |
Opmerking: Richtlijn 96/29 heeft per 13 mei 2000 de Richtlijnen 59/211, 62/1633, 66/3693, 76/579, 79/343, 80/836 en 84/467 vervangen. Op grond van Richtlijn 97/43 is haar voorganger, Richtlijn 84/466, eveneens per 13 mei 2000 ingetrokken.
Kernenergiewet | Stb. 1963, 82 (en wijzigingen) |
Besluit stralingsbescherming | Stb. 2001, 397 (en wijzigingen) |
Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen | Stb. 1969, 403 (en wijzigingen) |
Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen | Stb. 1969, 405 (en wijzigingen) |
Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof |
Het Euratom-verdrag voorziet in een raamwerk van regelgeving dat bijdraagt aan de ontwikkeling van de nucleaire industrie. Art. 2 sub b verlangt dat uniforme normen ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers en de verdere bevolking zullen worden vastgesteld en toegepast. Art. 30 voorziet in de mogelijkheid om basisnormen vast te leggen.
Richtlijn 96/29 is op 13 mei 2000 in werking getreden en daarbij is zijn voorganger Richtlijn 80/836 ingetrokken. De Richtlijn heeft betrekking op de productie, de bewerking, de hantering, het gebruik, het voorhanden hebben, het opslaan, het vervoer, de invoer in en uitvoer uit de Gemeenschap, de verwijdering van radioactieve stoffen en elke andere handeling die een gevaar van ioniserende straling oplevert (art. 2, lid 1). De Richtlijn ziet niet op blootstelling aan radon in woningen of op het natuurlijke stralingsniveau (bijv. tengevolge van in het menselijk lichaam aanwezige radionucliden) (art 2, lid 4).
De lidstaten dienen er voor te zorgen dat blootstelling aan ioniserende straling is gebaseerd op drie uitgangspunten (art. 6):
a) het “rechtvaardigingsprincipe”: handelingen die blootstelling aan ioniserende straling met zich brengen, dienen te worden gerechtvaardigd door economische, sociale en andere voordelen;
b) het “optimalisatieprincipe”: elke blootstelling moet zo laag als redelijkerwijs mogelijk is worden gehouden; en
c) de som van de ontvangen doses mag de in de Richtlijn vastgestelde dosislimieten niet overschrijden.
De dosislimieten uit de Richtlijn moeten worden opgevat als maximumwaarden en mogen behoudens enkele uitzonderingen (art. 6, lid 4 en art. 12) in beginsel niet worden overschreden (art. 6, lid 3, sub b). De effectieve-dosislimiet voor blootgestelde werkers bedraagt 100 mSv in een periode van vijf opeenvolgende jaren, met dien verstande dat de maximale effectieve dosis in één jaar maximaal 50 mSv mag bedragen (art. 9, lid 1).
De Richtlijn schrijft een door de lidstaten in te voeren toezicht-, inspectie-, en interventiesysteem voor, om de stralingsbescherming van de bevolking te controleren en na te gaan of de basisnormen in acht worden genomen (Titel III en art. 46 e.v.). De lidstaten zijn daarbij gehouden een verplicht aangifte- en vergunningensysteem op te zetten voor handelingen die voor de bevolking een risico als gevolg van ioniserende straling opleveren, tenzij deze handelingen specifiek uitgezonderd zijn (artt. 2, 3, en 4). Voor de schatting van effectieve en equivalente doses dienen de in de Richtlijn neergelegde waarden en relaties te worden gebruikt. De bevoegde autoriteiten hebben echter de mogelijkheid om het gebruik van gelijkwaardige methoden toe te staan (art. 15).
De werkers worden onderverdeeld in categorieën, met verschillende dosislimieten. Voor zwangere of zogende vrouwen geldt een speciale veel lagere dosislimiet. Zodra een zogende vrouw de onderneming van haar toestand in kennis stelt, mag zij zelfs in het geheel geen werkzaamheden meer verrichten waarbij een relevant risico van radioactieve besmetting van het lichaam bestaat (art. 10, lid 2). Werknemers die jonger zijn dan 18 jaar mogen in beginsel eveneens niet worden blootgesteld (art. 8, uitzondering: art. 11, lid 2). Voor studenten en leerlingen worden voorts nog dosislimieten (o.a. voor gedeeltelijke blootstelling) opgesomd (art. 11). Ten behoeve van de controle en het toezicht wordt onderscheid gemaakt tussen twee categorieën blootgestelde werkers. ‘Categorie A’ werkers die aan een speciale dosis mogen worden blootgesteld, en ‘categorie B’ werkers (art. 21).
Voor alle werkplekken waar de mogelijkheid bestaat dat blootstelling aan ioniserende straling de limiet van 1 mSv per jaar of een equivalente dosis van één tiende van de vastgestelde dosislimieten voor de ooglens, de huid en de ledematen wordt overschreden, dienen voorzieningen te worden getroffen. Deze voorzieningen dienen te zijn aangepast aan de aard van de installaties en van de bronnen, alsmede aan de omvang en aard van de risico's. De omvang en de aard en kwaliteit van de preventie en monitoring moeten zijn afgestemd op de risico's die zijn verbonden aan de werkzaamheden die blootstelling aan ioniserende straling meebrengen (art. 18, lid 1). Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen gecontroleerde en bewaakte zones. Gecontroleerde zones dienen (onder meer) te worden afgebakend en de toegang ertoe dient beperkt te blijven tot personen die toepasselijke instructies hebben ontvangen. Voorts dienen er aanduidingen te worden aangebracht waarop het type zone, de aard van de bronnen en de daaraan verbonden risico's zijn aangegeven (art. 19). Bewaakte zones hoeven niet te worden afgebakend, maar dienen net als de gecontroleerde gebieden radiologisch gecontroleerd te worden. Zo nodig dienen passende werkinstructies te worden gegeven en aanduidingen te worden aangebracht waarop het type zone, de aard van de bronnen en de daaraan verbonden risico's zijn aangegeven (art. 20). Deze taken dienen te worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de onderneming, na overleg met de erkende bedrijfsgeneeskundige diensten of de bevoegde deskundigen (art. 20, lid 2).
Het medisch toezicht op blootgestelde werkers berust op de algemene beginselen van de arbeidsgezondheidskunde (art. 30). Het medisch toezicht op werkers van categorie A dient te bestaan uit een medisch onderzoek vóór de aanvang van het dienstverband en periodieke gezondheidskeuringen. De aard van de keuringen, die zo vaak kunnen worden verricht als de erkende arts noodzakelijk acht, is afhankelijk van het soort werk en de gezondheidstoestand van de betrokken werker (art. 31, lid 2). Een werker mag nimmer in een specifieke functie als werknemer van categorie A werken of als zodanig worden ingedeeld, indien hij blijkens de uitslag van het medisch onderzoek ongeschikt is voor die specifieke functie (art. 33). De medische dossiers van werknemers van de categorie A dienen tenminste tot 30 jaar na de beëindiging van het werk waarbij de betrokkene aan ioniserende straling is blootgesteld te worden bewaard (art. 34, lid 1).
Blootstelling bij een ongeval of noodsituatie dient afzonderlijk te worden geregistreerd in een monitoringdossier (art. 28, lid 3).
De praktische bescherming van externe werkers die gevaar lopen aan ioniserende straling te worden blootgesteld tijdens hun werk, is niet geregeld via Richtlijn 96/29. Richtlijn 90/641 geeft de specifieke regelingen voor deze groep werkers.
Elke lidstaat heeft de verplichting de nodige voorwaarden te scheppen om te zorgen voor de best mogelijke bescherming van de bevolking (art. 43). Concreet betekent dit onder meer dat de lidstaten een systeem dienen in te stellen ter inspectie van de uit de Richtlijn voortvloeiende bepalingen (art. 46).
De artikelen 48 t/m 53 behandelen de interventies die de lidstaten kunnen plegen in geval van een radiologische noodsituatie of van langdurige blootstelling.
In Richtlijn 97/43 wordt een regeling gegeven voor de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling.
Het doel van Richtlijn 2003/122, die een aanvulling vormt op Richtlijn 96/29, is het voorkomen van blootstelling aan ioniserende straling door eisen te stellen aan de controle op hoogactieve ingekapselde radioactieve bronnen en ‘weesbronnen’ (radioactieve bronnen die zonder toezicht worden aangetroffen). Voor handelingen met hoogactieve bronnen is een vergunning nodig. De Richtlijn legt diverse verplichtingen op aan houders van deze bronnen, waaronder het bijhouden van een dossier, het uitvoeren van tests en het melden van incidenten. Verder moeten de lidstaten voorzieningen treffen voor de behandeling en recuperatie van ‘weesbronnen’.
Richtlijn 2009/71 is ook bedoeld als aanvulling op Richtlijn 96/29 en beoogt een hoog niveau van nucleaire veiligheid om werkers en de bevolking te beschermen tegen de aan ioniserende straling van kerninstallaties verbonden gevaren. Daarnaast heeft de richtlijn als doel een communautair kader in te stellen om de nucleaire veiligheid en de regelgeving ter zake in stand te houden en de continue verbetering ervan te bevorderen. De richtlijn benadrukt de nationale verantwoordelijkheid voor de nucleaire veiligheid (met name de artt. 4 en 5) en de hoofdverantwoordelijkheid van de vergunninghouder voor de veiligheid van een kerninstallatie (art. 6).
Op basis van Hoofdstuk 3 van het Euratom-verdrag, getiteld ‘Bescherming van de gezondheid’, heeft de Raad in 1959 Richtlijn 59/221 aangenomen, waarmee de bestuurlijke bepalingen zijn vastgesteld die nodig waren om aan dit onderdeel van het Verdrag te voldoen. Het voldoen aan de basisnormen wordt mede bevorderd door art. 35 van het Verdrag, dat bepaalt dat de lidstaten installaties moeten oprichten om een voortdurende controle uit te oefenen op de radioactiviteit van de lucht, het water en de bodem en de inachtneming rvan de basisnormen. De Commissie heeft het recht om de werking en de efficiëntie van deze controle-installaties te verifiëren.
Bij het ontwikkelen van haar voorstellen heeft de Commissie normen gehanteerd die gebasserd waren op aanbevelingen van de deskundigen waaraan art. 31 van het Euratom-verdrag refereert. Deze deskundigen baseerden het systeem van principes en waarden voornamelijk op de wetenschappelijke aanbevelingen van de International Commission for Radiological Protection (ICRP), teneinde conformiteit tussen landen binnen en buiten de EU te bevorderen. De basisprincipes die aan de eerste Richtlijn 59/221 ten grondslag lagen, staan nog steeds overeind. Zij zijn in de lopen der jaren wel verder uitgewerkt om tot een betere organisatie van de bescherming tegen ioniserende straling te komen. Sinds 1959 zijn er verscheidene wijzigingen van de regelgeving geweest, in overeenstemming met art. 32 van het Verdrag
Richtlijn 80/836 behelsde een volledige herziening van de eerdere Richtlijnen en bracht de EG-wetgeving op één lijn met de ICRP aanbevelingen uit 1977, waarbij de begrippen ‘rechtvaardiging’ en ‘optimalisatie’ van blootstelling werden geïntroduceerd. Toch duurde het nog tot 1986 voordat de Richtlijn in alle lidstaten in nationale wetgeving was omgezet. De wijzigingen die in 1984 werden aangebracht (Richtlijn 84/467) hadden vooral betrekking op de technische bijlagen en op de dosislimieten voor de ooglens en waren een reactie op nieuwe ICRP aanbevelingen.
Krachtens een uitspraak van het Europese Hof van Justitie[1487] kunnen lidstaten strengere limieten hanteren dan die welke op Gemeenschapsniveau zijn vastgesteld. Op grond van art. 33 van het Verdrag zijn lidstaten evenwel verplicht af te zien van het aannemen van eigen normen alvorens de Commissie daarover aanbevelingen heeft gedaan. In 1991 heeft de Commissie Aanbeveling 91/444[1488] gepubliceerd om de lidstaten aan die verplichting te herinneren.
In 1993 heeft de Commissie, na langdurig overleg met verscheidene groepen van wetenschappelijke deskundigen, een voorstel[1489] ingediend voor herziening van de normen van Richtlijn 80/836. Dit voorstel hield rekening met de aangepaste schattingen van het risico van blootstelling aan ioniserende straling en met internationale aanbevelingen over de manier om de bijbehorende noodzakelijke verbetering van de bescherming te bereiken. In de hieruit voortgekomen Richtlijn 96/29 zijn deze aanpassingen terug te vinden, met name die welke in 1991 in Aanbeveling no. 60 van de ICRP waren opgenomen.
Evenals de meeste andere EU-lidstaten heeft Nederland Richtlijn 96/29 niet tijdig (d.w.z. voor 13 mei 2000) in nationale regelgeving omgezet. De Europese Commissie is daarop een inbreukprocedure tegen Nederland (en tegen andere lidstaten) begonnen.[1490] Als reden voor de vertraging bij de omzetting voerde de Nederlandse regering aan dat het om een omvangrijke operatie ging, waarbij uitgebreid interdepartementaal overleg nodig was, alsmede advies van de Sociaal-Economische Raad en de Nederlandse Vereniging voor Stralingshygiëne.
In 2000 is door middel van een wijziging van de Kernenergiewet[1491] de werkingssfeer van deze wet uitgebreid en zijn enkele definities aangepast. Het grootste deel van de bepalingen van Richtlijn 96/29 (en van 97/43 en 90/641) is verwerkt in het Besluit stralingsbescherming[1492]. Het Besluit stralingsbescherming bepaalt ondermeer dat de dosislimiet voor de bevolking 1 mSv per jaar bedraagt en voor werknemers 20 mSv[1493] per jaar (voor medische toepassingen geldt geen algemene dosislimiet). Verder bevat het Besluit een uitwerking van de begrippen ‘rechtvaardiging’ en ‘optimalisatie’, alsmede regels en procedures voor meldingen en vergunningen. Ook de blootstelling aan natuurlijke bronnen en de interventies bij ongevals- en radiologische noodsituaties zijn in het Besluit geregeld.
De wijziging van de Kernenergiewet en het Besluit stralingsbescherming zijn per 1 maart 2002 in werking getreden.[1494] Daarnaast zijn wijzigingen aangebracht in het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen[1495] en een aantal op het Besluit stralingsbescherming berustende ministeriële regelingen. Voor de implementatie van de Richtlijnen zijn verder nog het Besluit vervoer splijtstoffen, ertsen en radioactieve stoffen[1496], de Arbeidsomstandighedenwet en (vooral in verband met Richtlijn 97/43) enkele specifiek medische stukken regelgeving van belang , zoals de Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg en de Kwaliteitswet zorginstellingen.
Ter implementatie van Richtlijn 2003/122 is het Besluit stralingsbescherming in 2006 gewijzigd.[1497] Ten behoeve van de implementatie van Richtlijn 2009/71 is een Tijdelijke regeling implementatie richtlijn nucleaire veiligheid voorzien, die op 1 juli 2011 in werking treedt.
De vergunningverlening op grond van het Besluit stralingsbescherming is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI); de feitelijke uitvoering gebeurt door het Agentschap NL . De beroepsmatige blootstelling aan straling wordt geregistreerd in het Nationaal Dosisregistratie- en Informatiesysteem (NDRIS). De blootstelling van de bevolking wordt gemeten door middel van het Nationaal Meetnet Radioactiviteit, dat wordt beheerd door het RIVM. Het RIVM beheert een Informatiesysteem voor Medische Stralingstoepassingen. In het uit 1991 daterende Nationaal Plan Kernongevallenbestrijding[1498] (NPK) staat beschreven wat er moet gebeuren in geval van een nucleaire ramp en welke instanties daarvoor verantwoordelijk zijn.
Volgens een analyse van het RIVM bedraagt de gemiddelde stralingsbelasting per hoofd van de bevolking in Nederland tussen de 1 en 2 microSievert (µSv) per jaar.[1499] Hiervan is circa 70% van natuurlijke oorsprong. Bij de kunstmatige bronnen domineert de blootstelling aan ioniserende stralingbij medische toepassingen. De emissies door de Nederlandse kerncentrales zijn sinds 1975 gedaald. Dit komt door betere zuiveringstechnieken en door het sluiten van kerncentrale Dodewaard in 1997. Emissies van radioactieve stoffen naar lucht door de industrie dragen voor minder dan 1 promille bij aan de totale stralingsdosis waaraan Nederlanders blootstaan. Deze situatie is de afgelopen 10 jaar nauwelijks veranderd.

[D]
PBL (2011). Compendium voor de Leefomgeving. Zie: http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/nl0314-Stralingsdosis-door-emissies-van-de-Nederlandse-industrie.html?i=5-71
[1487] Zaak C-376/90.
[1488] PbEG L238, 27.8.1991.
[1489] COM(93) 349.
[1490] Tegen Nederland liep overigens nog een procedure wegens het niet voldoen aan bepaalde basisnormen onder de oude Richtlijn 80/836. Deze procedure is bij de start van de nieuwe procedure beëindigd.
[1491] Wizigingswet, Stb. 2000, 313.
[1492] Stb. 2001, 397.
[1493] Hiermee wordt automatisch voldaan aan de eis van Richtlijn 96/29 (100 mSv in vijf jaar). De door de Richtlijn toegestane maximale dosis van 50 mSv in één jaar is in Nederland dus niet toegestaan.
[1494] Stb. 2002, 81.
[1495] Wijzigingsbesluit, Stb. 2002, 407.
[1496] Wijzigingsbesluit, Stb. 2004, 289.
[1497] Wijzigingsbesluit, Stb. 2006, 260.
[1498] TK 1988-1989, 21 015, nrs. 1-3.
[1499] PBL (2011).