1493/93/Euratom (PbEG L148 19.6.1993) | Verordening betreffende de overbrenging van radioactieve stoffen tussen Lid-Staten van de Europese Gemeenschap | |
2006/117/Euratom (PbEG L337, 5.12.2006) | Richtlijn betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof | |
2008/312/Euratom (PbEU L107, 17.4.2008) | Beschikking tot vaststelling van het in Richtlijn 2006/117/Euratom bedoelde uniforme document voor toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstof | |
Rechtsgrondslag | Artt. 31 en 32 Euratom-verdrag | |
1493/93 | ||
Inwerkingtreding | 9 juli 1993 | |
2006/117 | ||
Inwerkingtreding | 25 december 2006 | |
Omzetting | 24 december 2008 | |
Verslag over de uitvoering | 25 december 2011 | |
Kernenergiewet | Stb. 1963, 82 (en wijzigingen) |
Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen | Stb. 2009, 168 |
Verordening 1493/93 en Richtlijn 2006/117 bevatten regels ten behoeve van de overbrenging van radioactieve stoffen en afvalstoffen en de omstandigheden waaronder radioactief afval of verbruikte splijtstof wordt verwijderd of opgeslagen. Het achterliggende doel is de bescherming van de gezondheid van werknemers en bevolking conform art. 2 sub b van het Euratom-verdrag.
Verordening 1493/93 is van toepassing op de overbrenging van ingekapselde bronnen en andere relevante bronnen tussen lidstaten wanneer de hoeveelheden en concentraties bepaalde waarden overschrijden (art. 1). Voor ingekapselde bronnen geldt dat houders die voornemens zijn deze bronnen over te brengen of te doen overbrengen, van de ontvanger een voorafgaande schriftelijke, door diens bevoegde autoriteit gestempelde verklaring dienen te verkrijgen, voordat de overbrenging kan plaatsvinden (art. 4, lid 1). Deze verklaring stelt dat de ontvanger in de lidstaat van bestemming heeft voldaan aan alle toepasselijke bepalingen ter uitvoering van artikel 3 van Richtlijn 80/836/Euratom[1500] en aan alle relevante nationale eisen inzake veilige opslag, veilig gebruik of veilige verwijdering. Op de ontvanger rust uiteraard de verplichting om zich aan het gestelde in de verklaring te houden.
Voorts is de houder van ingekapselde bronnen en ook van andere relevante bronnen op grond van art. 6 verplicht elk kwartaal de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van bestemming de volgende gegevens over leveringen gedurende dat kwartaal:
namen en adressen van de ontvangers;
totale activiteit per radionuclide die aan elke ontvanger is geleverd en het aantal leveringen;
de grootste hoeveelheid van elke radionuclide die aan elke ontvanger geleverd is;
het type stof: ingekapselde bron, andere relevante bron of radioactieve afvalstoffen.
Richtlijn 2006/117 regelt het toezicht en de controle op het overbrengen van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen. Dat geldt voor het overbrengen tussen de Europese lidstaten, maar ook tussen de Europese Unie en de landen er buiten. De richtlijn stelt dat radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen alleen met vergunning een landsgrens mogen worden overgebracht. Soms kan een vergunning voor overbrenging worden geweigerd. Daartoe is in Richtlijn 2006/117 een aantal weigeringsgronden opgenomen.
Hoofdstuk 2 van Richtlijn 2006/117 bevat de procedure voor de intercommunautaire overbrengingen. Op grond van art. 6 dient een houder die radioactief afval of verbruikte splijtstof wil overbrengen een vergunningaanvraag te doen bij de bevoegde autoriteiten van de staat van herkomst. Deze autoriteiten sturen de aanvraag vervolgens door naar de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming en van de eventuele lidstaten van doorvoer (art. 7). Binnen 2 maanden na de datum van door hen verzonden ontvangstbevestiging, moeten de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst in kennis stellen van hetzij hun toestemming, hetzij van de voorwaarden die zij noodzakelijk achten om toestemming te verlenen, hetzij van hun weigering om toestemming te verlenen. Wanneer de termijn van 2 maanden (met eventuele verlenging van 1 maand) is verstreken zonder reactie op de aanvraag, worden de betreffende landen geacht hun toestemming voor de overbrenging te hebben verleend (art. 9, lid 2).
Weigeringen van toestemming of aan een toestemming verbonden voorwaarden moeten door de lidstaten met redenen worden omkleed, die voor lidstaten van doorvoer gebaseerd zijn op de relevante nationale, communautaire of internationale wetgeving met betrekking tot het vervoer van radioactief materiaal en voor de lidstaat van bestemming op de relevante wetgeving met betrekking tot het beheer van radioactief afval of verbruikte splijtstof en met betrekking tot de toepasselijke nationale, communautaire of internationale wetgeving met betrekking tot het vervoer van radioactief materiaal.
Hoofdstuk 3 van Richtlijn 2006/117 bevat de procedure voor de extracommunautaire overbrengingen van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen invoer in de Gemeenschap (art. 13), doorvoer door de Gemeenschap (art. 14) en uitvoer uit de Gemeenschap (art. 15). De voorschriften voor invoer en doorvoer komen grotendeels overeen met die van de intercommunautaire procedure en bevatten dezelfde weigeringsgronden. De voorschriften voor uitvoer uit de Gemeenschap wijken in belangrijke mate af. Ten eerste zijn de bepalingen over voorwaarden en weigeringsgronden bij de vergunningverlening niet van toepassing. Ten tweede is er in art. 16 een aantal gevallen geformuleerd waarin uitvoer is verboden. Dit betreft overbrenging naar: a) een bestemming ten zuiden van 60° zuiderbreedte, b) een staat die partij is bij het Verdrag van Cotonou en niet tot de EU behoort, en c) een land dat naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst niet beschikt over de administratieve en technische middelen en de regelgevingsstructuur om het radioactieve afval of de verbruikte splijtstof veilig te beheren.
Ter uitvoering van Richtlijn 2006/117 heeft de Commissie in maart 2008 een beschikking uitgevaardigd tot vaststelling van een uniform document voor toezicht en controle op de overbrenging van radioactieve afvalstoffen en verbruikte splijtstof.[1501] Daarnaast heeft zij in december 2008 een aanbeveling gedaan betreffende criteria voor de uitvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof naar derde landen [1502] en in juli 2009 voor een veilig en doelmatig systeem voor het doorsturen van documenten en informatie.[1503]
Radioactieve materialen worden met diverse vervoermiddelen getransporteerd en omvatten ondermeer bestraalde en onbestraalde splijtstoffen, radio-isotopen voor medisch gebruik, en industriële en medische radiografiebronnen. Al in 1961 heeft het IAEA voor het eerst internationale regels voor het veilig vervoer van radioactieve materialen opgesteld en deze vormen tegenwoordig de basis voor de regels die in de hele EU gelden, zowel op Gemeenschaps- als op nationaal niveau. Deze regels zijn regelmatig herzien in het licht van veranderingen in transportpatronen, radiologische bescherming en technologie.
Grenscontroles speelden vroeger een centrale rol bij het informeren van de bevoegde autoriteiten over grensoverschrijdend vervoer van radioactieve stoffen en het voldoen aan nationale wetgeving. Het opheffen van deze grenscontroles betekende dat nieuwe middelen nodig waren om er zeker van te zijn dat op z’n minst dezelfde informatie over de bewegingen van deze stoffen beschikbaar zou zijn.
Toen het voorstel voor Verordening 1493/93 werd ingediend maakte het grensoverschrijdend vervoer van radioactieve stoffen al deel uit van een voorstel om Richtlijn 80/836 (inzake basisveiligheidsnormen; zie § ???) te wijzigen. De urgentie van de situatie maakte echter een interimmaatregel nodig, die direct van toepassing zou zijn in de lidstaten. De voorgestelde Verordening bood ook de gelegenheid tot een zekere mate van tijdelijk toezicht op radioactief afval, totdat Richtlijn 92/3 (die inmiddels was aangenomen) in nationale wetgeving zou zijn omgezet. In tegenstelling tot de oorspronkelijke bedoelingen is de Verordening niet opgenomen in de nieuwe basisnormen-Richtlijn 96/29, maar bestaat, tot nu toe, voort als een afzonderlijk stuk wetgeving.
In 1988 ontstond ernstige bezorgdheid over het gebrek aan toezicht op het vervoer van radioactief afval, naar aanleiding van de zogeheten ‘Mol/Transnuklear’ affaire. Het ging daarbij om transporten tussen België en Duitsland. Het Europees Parlement riep een commissie in het leven die onderzoek moest doen naar de behandeling en het vervoer van nucleaire materialen en nam een resolutie aan waarin gevraagd werd om Gemeenschappelijke maatregelen voor het grensoverschrijdend vervoer van nucleair afval, waar zulk vervoer onvermijdelijk was. In datzelfde jaar leidde de vrees voor illegale dumping van afval in ontwikkelingslanden tot een ‘code of good practice’ betreffende het internationaal grensoverschrijdend vervoer van radioactief afval in het kader van het International Atomic Energy Agency (IAEA). Deze code is sindsdien door alle EU-lidstaten aanvaard.
In reactie op deze ontwikkelingen heeft de Commissie een systeem voorgesteld dat gemodelleerd is naar de wetgeving betreffende het grensoverschrijdend vervoer van gevaarlijke afvalstoffen (zie § ???). Het voorstel had ook betrekking op de overbrenging van radioactief afval binnen lidstaten. Op aandringen van verscheidene lidstaten werden binnenlandse transporten echter buiten de werkingssfeer van de Richtlijn gelaten, waardoor de administratieve en financiële lasten van de Richtlijn aanzienlijk zijn beperkt.
Het voorstel voor de richtlijn is ingediend in juli 1990 en twee jaar later is Richtlijn 92/3 betreffende toezicht betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap vastgesteld. De richtlijn beoogde om een stelsel van strenge controles en voorafgaande vergunningen voor de overbrenging van radioactief afval in te voeren ter voorkoming van de ongeoorloofde handel in dergelijke materialen. De richtlijn gold zowel voor overbrengingen tussen lidstaten als voor de invoer in en de uitvoer uit de Gemeenschap. De richtlijn zorgde ervoor dat de lidstaten van bestemming en van doorvoer in kennis werden gesteld van de overbrenging van radioactief afval naar of via hun land en dat zij daarvoor goedkeuring verleenden of dat zij in de gelegenheid werden gesteld er bezwaar tegen te maken. In geval van uitvoer werden de autoriteiten van het land van bestemming buiten de Gemeenschap in kennis gesteld van de overbrenging.
In 2004 heeft de Commissie een voorstel ingediend voor een richtlijn ter vervanging van Richtlijn 92/3.[1504] Hoewel de oude richtlijn volgens de Commissie naar behoren functioneerde, diende zij “evenwel in het licht van de ervaring te worden gewijzigd om begrippen en definities te verduidelijken of toe te voegen, situaties te behandelen die in het verleden over het hoofd zijn gezien, de bestaande procedure voor de overbrenging van radioactief afval tussen lidstaten te vereenvoudigen en te zorgen voor overeenstemming met andere communautaire en internationale voorschriften, met name het Gezamenlijk Verdrag inzake de veiligheid van het beheer van bestraalde splijtstof en inzake de veiligheid van het beheer van radioactief afval, waartoe de Gemeenschap op 2 januari 2006 is toegetreden.”
De nieuwe Richtlijn 2006/117 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof [1505] heeft op 25 december 2008 Richtlijn 92/3 vervangen. De nieuwe richtlijn moest op 24 december 2008 door de lidstaten zijn omgezet in nationale regelgeving. Een belangrijk verschil met het oude regime is dat Richtlijn 2006/117 van toepassing is op alle overbrengingen van verbruikte slijtstof, ongeacht of deze voor eindberging dan wel voor opwerking bestemd is.
Verordening 1493/93 is rechtstreeks van toepassing in de lidstaten en behoefde geen omzetting in nationale regelgeving. Richtlijn 2006/117 is in Nederlands recht omgezet door middel van het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstoffen[1506]. Bedrijven die radioactieve afvalstoffen of bestraalde splijtstoffen willen uitvoeren vanuit Nederland naar een ander land moeten daarvoor een overbrengingsvergunning aanvragen bij de minister van Infrastructuur en Milieu . Doel van deze regeling is om de gezondheid te beschermen tegen de straling van radioactieve stoffen. Voor elke grens die wordt overschreden moet vooraf een vergunning worden aangevraagd. De minister kan de vergunning niet geven zonder toestemming van de andere staat. Ook voor invoer vanuit een ander land naar Nederland en doorvoer door Nederland moet de minister een overbrengingsvergunning afgeven. De vergunning is maximaal drie jaar geldig.
Elektriciteits-Produktiemaatschappij Zuid-Nederland (EPZ), eigenaar van de kerncentrale Borssele, heeft op 7 juni 2011 voor het eerst in 6 jaar weer splijtstofelementen naar Frankrijk laten vervoeren. Daar wordt plutonium en uranium uit de splijtstofelementen gehaald en opnieuw gebruikt. De transporten lagen sinds eind 2005 stil omdat Frankrijk de regels had aangepast. Minister Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie heeft 2 vergunningen verleend. Een vergunning aan Transnubel voor het transport over de weg van de kerncentrale Borssele naar de Centrale Organisatie Voor Radioactief Afval (COVRA) en een vergunning aan DB Schenker Rail voor het transport per trein van COVRA tot aan de Belgische grens. Deze vergunningen zijn geldig voor maximaal 10 transporten met maximaal 3 containers met elk 7 gebruikte splijtstofelementen. De vergunningen lopen tot 15 oktober 2013.
In maart 2011 heeft Greenpeace de Raad van State in een spoedprocedure gevraagd de vergunning van DB Schenker Rail te schorsen, zodat het transport van kernafval voorlopig zou worden uitgesteld. Volgens Greenpeace zou de veiligheid van het transport over het spoor onvoldoende zijn gewaarborgd en had de minister onderzoek moeten doen naar de mogelijkheid van het vervoer over zee. De Raad van State heeft daarop echter negatief beslist [1507]. Hij oordeelde dat de minister alleen maar hoefde te beoordelen hoe dit transport zo veilig mogelijk kon worden uitgevoerd. Omdat er een vergunning is aangevraagd voor het vervoer van het kernafval per spoor, was het niet nodig om ook nog de risico's van het vervoer per schip te onderzoeken. Verder zou Greenpeace haar bezwaar dat de veiligheid tijdens het vervoer per spoor onvoldoende is gewaarborgd, niet nader hebben onderbouwd.
Europese Commissie (1996), Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de veiligheid van het vervoer van radioactieve stoffen in de Europese Unie. COM(96)11 def.
[1501] PB L107, 17.4.2008.
[1502] PB L338, 17.12.2008.
[1503] PB L177, 8.7.2009
[1504] COM(2004) 716 def.
[1505] PbEU L337, 5.12.2006.
[1506] Stb. 2009, 168. In de voorafgaande jaren was Richtlijn 92/3 geïmplementeerd via het Besluit in-, uit- en doorvoer van radioactieve afvalstoffen (Stb. 1993, 626).
[1507] RvS zaaknrs. 201100786/1/M1 en 20112340/1/M1, 7 maart 2011.