Natuurbescherming in Nederland is begonnen als initiatief van particuliere organisaties. Pas in de jaren ’60 van de 20ste eeuw is de overheid zich er intensief mee gaan bemoeien. In 1968 werd de (oude) Natuurbeschermingswet[1517] van kracht, die de aanwijzing van beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten mogelijk maakte.
In de loop der tijd werd duidelijk dat het nemen van beschermende maatregelen in bestaande natuurgebieden alleen niet voldoende is. Ook het tegengaan van negatieve externe invloeden (zoals waterpeilverlaging en depositie van nutriënten) en het versterken van de onderlinge samenhang van ecosystemen bleek noodzakelijk te zijn. Verder was er behoefte aan uitbreiding van het areaal natuurgebieden, ondermeer om te voorzien in de groeiende vraag naar ‘groene’ vormen van recreatie.
In het Natuurbeleidsplan uit 1990[1518] introduceerde de regering het begrip ‘ecologische hoofdstructuur’ (EHS) in het Nederlandse natuurbeleid. Hiermee werd beoogd een samenhangende en ruimtelijk stabiele structuur van gebieden te creëren door een daarop gerichte selectie van prioritaire ecosystemen van nationaal of internationaal belang. De ruimtelijke uitwerking van de EHS is toen neergelegd in het Structuurschema groene ruimte[1519]. Hierin zijn natuurgebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindende zones aangewezen. Nationale parken (aaneengesloten gebieden van tenminste 1000 hectare met bijzondere natuurwaarden) vormen belangrijke elementen van de EHS.

Figuur 9.1: De verwachte eindconfiguratie van de Ecologische Hoofdstructuur. (Bron: http://www.vrom.nl/notaruimteonline/).
Inmiddels vormt de Nota Ruimte "Ruimte voor ontwikkeling" uit 2006 het beleidskader voor de EHS (zie Figuur ???).[1520] In de Nota Ruimte is het nationaal ruimtelijk beleid vastgelegd tot 2020. Het bevat de visie van het kabinet op de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland, de ruimtelijke bijdrage aan een sterke economie, een veilige en leefbare samenleving en een aantrekkelijk land. Met de inwerkingtreding van deze Nota Ruimte zijn de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (Complete versie van okober 1999) en het Structuurschema Groene Ruimte van december 1995 vervallen. De nota is na de parlementaire behandeling op 27 februari 2006 in het Staatsblad verschenen en heeft daarmee wettelijke status verworven.
De Natuurbeschermingswet 1998[1521] vormt momenteel het wettelijk kader voor het Nederlandse (gebiedsgerichte) natuur- en landschapsbeleid. De Habitat- en Vogelrichtlijn (zie resp. § ??? en § ???) zijn geïmplementeerd bij de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen.[1522]
De wetgeving met betrekking tot de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten in Nederland is gebundeld in de Flora- en faunawet[1523] en daarop gebaseerde besluiten en regelingen. Deze regelgeving geeft ondermeer uitvoering aan de soortenbeschermingsbepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn, maar ook aan de Europese regels betreffende de internationale handel in soorten (zie § ???), de bescherming van specifieke soorten (met name walvissen, zeehonden en pelsdieren; zie § ???, ??? en ???) en het houden van dieren in dierentuinen (zie § ???).
Naar aanleiding van een evaluatie van de natuurwetgeving heeft de minister van LNV in 2008 laten weten dat zij de de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet, en de Boswet op termijn wil integreren in één natuurwet (zie voor een toelichting op de evaluatie en de beoogde wetswijziging § ???).[1524]
Nederland kent al sinds de jaren ’70 vormen van overheidssubsidie voor milieuvriendelijke landbouw en agrarisch natuurbeheer. Sinds 2000 zijn de diverse regelingen bijeengebracht in het ‘Programma Beheer’. Dit programma is per 1 januari 2007 opgevolgd door het Subsidiestelsel Natuur en Landschapsbeheer die door de provincies wordt uitgevoerd. Met het oog op de cofinanciering van deze (en andere) subsidieregelingen door de EU is het Plattelandontwikkelingsprogramma Nederland 2007-2013 van kracht (zie § ???).
[1517] Stb. 1967, 572.
[1518] TK 1989-1990, 21 149, nrs. 2-3.
[1519] TK 1993-1994, 22 880, nr. 39.
[1520] Stb. 2006, 27.
[1521] Stb. 1998, 403.
[1522] Stb. 2005, 195.
[1523] Stb. 1998, 402.
[1524] Brief van de minister van LNV, Gerda Verburg, d.d. 11 juli 2008, Kamerstukken II 2007/08, 31 379, nr. 3.