2009/147/EG (PbEU L20, 26.1.2010) (voorheen Richtlijn 79/409 (PbEG L103, 25.4.1979) | Richtlijn inzake het behoud van de vogelstand |
Rechtsgrondslag | Art. 175 (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Omzetting in nationale regelgeving | 7 april 1981 |
Eerste jaarlijkse nationale verslag over afwijkingen van de Richtlijn | 7 april 1982 |
Eerste driejaarlijkse nationale verslag | 7 april 1984 |
Eerste driejaarlijkse verslag van de Commissie |
Flora- en faunawet | Stb. 1998, 402 (en wijzigingen) |
Natuurbeschermingswet 1998 | Stb. 1998, 403 (en wijzigingen) |
Jachtbesluit | Stb. 2000, 520 (en wijzigingen) |
Besluit beheer en schadebestrijding dieren | Stb. 2000, 521 (en wijzigingen) |
Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en Faunawet | Stb. 2000, 523 (en wijziging) |
Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten | Stb. 2000, 525 (en wijzigingen) |
Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet | Stcrt. 2002, 51 |
Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet | Stcrt. 2002, 51 (en wijzigingen) |
Regeling zoeken, rapen en beschermen van kievitseieren Flora- en faunawet | Stcrt. 2002, 62 |
Richtlijn 2009/147 inzake het behoud van de vogelstand vervangt de eerdere Richtlijn 79/409 en heeft dezelfde strekking. In de loop der tijd, voornamelijk als gevolg van de toetreding van nieuwe lidstaten, zijn de bijlagen van de richtlijn uit 1979 herhaaldelijk gewijzigd. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst heeft de Commissie daarom besloten tot codificatie over te gaan.
De Richtlijn wordt doorgaans aangeduid als ‘Vogelrichtlijn’. Zij is gericht op de instandhouding van alle natuurlijke in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten (art. 1). De benadering die de Richtlijn ter bereiking van haar doel hanteert, is tweeledig.[1525] Enerzijds dwingt de Richtlijn tot het treffen van maatregelen met betrekking tot het bejagen en doden van vogels en met betrekking tot de handel in vogels. Anderzijds moeten op grond van de Richtlijn ook maatregelen worden getroffen met het oog op het instandhouden van verschillende vogelsoorten en met het oog op de instandhouding en bescherming van leefgebieden (habitats) van vogels. Wat betreft laatstbedoelde maatregelen, vervangt de Habitatrichtlijn - zie § ??? - een deel van de uit de Richtlijn voortvloeiende verplichtingen, waarover hierna meer.
Art. 2 draagt de lidstaten op de nodige maatregelen te treffen om de populatie van de in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied op een niveau te houden of te brengen dat met name beantwoordt aan de ‘ecologische, wetenschappelijke en culturele eisen’, maar waarbij tevens rekening wordt gehouden met ‘economische en recreatieve eisen’. Daartoe moeten de lidstaten op grond van art. 3 de nodige maatregelen treffen om voor de bedoelde vogelsoorten een voldoende gevarieerdheid van leefgebieden en een voldoende omvang ervan te bewerkstelligen. Hiertoe dienen zij beschermingszones in te stellen, zorg te dragen voor onderhoud en ruimtelijke ordening binnen en buiten die zones conform de ecologische eisen die aan leefgebieden moeten worden gesteld als ook zorg te dragen voor het aanleggen van biotopen en het herstellen van vernietigde biotopen.
De lidstaten dienen verder zorg te dragen voor de invoering van een algemene regeling ter bescherming van de bedoelde vogelsoorten (art. 5). In die regeling dienen - behoudens uitzonderingen voor onder meer jacht, waarover hierna meer - verbodsbepalingen te worden opgenomen betreffende het:
opzettelijk doden of vangen van vogels, op welke wijze dan ook;
opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten en eieren;
rapen van eieren in de natuur en het - zelfs leeg - in bezit hebben van die eieren;
opzettelijk verstoren van vogels, met name gedurende de broedperiode; en het
houden van vogels die niet mogen worden bejaagd of gevangen.
Bijlage I van de Richtlijn bevat een lijst van beschermde vogelsoorten, ten aanzien waarvan de lidstaten speciale beschermingsmaatregelen dienen te treffen opdat die soorten daar waar zij nu voorkomen, kunnen voortbestaan en zich voortplanten (art. 4, lid 1). Aanvankelijk bevatte bijlage I 74 vogelsoorten, maar door verschillende wijzigingen is dat aantal inmiddels gegroeid tot 193 vogelsoorten. Voor de in bijlage I genoemde vogelsoorten als ook voor de niet in bijlage I genoemde trekvogels die geregeld binnen de Gemeenschap voorkomen, dienen de lidstaten de naar aantal en oppervlakte voor de instandhouding van die vogels meest geschikte gebieden aan te wijzen als speciale beschermingszones (SBZ’s). Daarbij verdienen overigens watergebieden die als leefgebied voor de bedoelde vogelsoorten fungeren bijzondere aandacht, met name wanneer dat watergebieden van internationale betekenis betreft (art. 4, lid 1 en lid 2).
Van de aanwijzingen van SBZ’s moeten de lidstaten de Commissie op de hoogte brengen, opdat deze kan beoordelen of de zones in de Gemeenschap een samenhangend en toereikend geheel vormen (art. 4, lid 3).
Aanvankelijk bevatte art. 4, lid 4, eerste volzin van de Richtlijn een verplichting voor de lidstaten om passende maatregelen te treffen teneinde verontreiniging, verslechtering en verstoring van de leefgebieden binnen de SBZ’s te voorkomen. Op grond van art. 7 van de Habitatrichtlijn - zie § ??? - is die verplichting evenwel vervangen door de ruimere verplichting van art. 6, lid 2 t/m 4 van de Habitatrichtlijn. Laatstbedoelde ruimere verplichting komt inhoudelijk overeen met de eerdergenoemde verplichting van de Vogelrichtlijn, maar laat de ruimte om wegens ‘dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard’ een zekere verslechtering of verstoring toe te staan. In dat geval dienen evenwel compenserende maatregelen te worden getroffen opdat per saldo geen negatieve effecten optreden.
Van belang is in dit verband dat de bedoelde verplichting niet uitsluitend geldt ten aanzien van de SBZ’s. Op grond van art. 4, lid 4, tweede volzin van de Richtlijn - welke bepaling níet door de Habitatrichtlijn is vervangen - dienen de lidstaten zich ook buiten de SBZ’s in te zetten om vervuiling en verslechtering van leefgebieden van beschermde vogelsoorten en trekvogels te beschermen.
Art. 6 van de Richtlijn verplicht de lidstaten de verkoop, het vervoer en het in bezit hebben voor verkoop als ook het ten verkoop aanbieden van levende en dode vogels waarop de Richtlijn betrekking heeft, te verbieden. Hetzelfde geldt ten aanzien van het verkopen van ‘gemakkelijk herkenbare delen’ van die vogels en van uit deze vogels verkregen producten. Voor de zeven in bijlage III, deel A, vermelde vogelsoorten - bijvoorbeeld fazanten en wilde eenden - geldt het verbod niet voor zover de desbetreffende vogels op geoorloofde wijze zijn gedood of gevangen of op andere geoorloofde wijze zijn verkregen (art. 6, lid 2). Wat onder de geoorloofde wijze van doden en vangen van vogels moet worden verstaan, kan uit de Richtlijn worden afgeleid, waarover later meer. De lidstaten kunnen verder besluiten het verbod van verkoop van art. 6 niet te laten gelden voor de in bijlage III, deel B, genoemde vogelsoorten, maar in dat geval moeten zij vooraf in overleg treden met de Commissie. De Commissie zal voor zij dat toelaat, nagaan of door het in de handel brengen van de desbetreffende vogels het populatieniveau, de geografische verspreiding of de omvang van de voortplanting van die vogels binnen de Gemeenschap in gevaar wordt gebracht. Meent de Commissie dat dit gevaar aanwezig is, dan laat zij dat door een met redenen omklede aanbeveling weten. Is een dergelijk gevaar niet aanwezig, dan deelt de Commissie dat aan de desbetreffende lidstaat mee. Aanbevelingen van de Commissie worden gepubliceerd in het Publicatieblad.
Op de in bijlage II van de Richtlijn genoemde vogels mag, gelet op hun populatieniveau, hun geografische verspreiding en de omvang van hun voortplanting, worden gejaagd (art. 7, lid 1). Die jacht dient evenwel te zijn gereguleerd door middel van nationale jachtwetgeving. Bijlage II is overigens verdeeld in een tweetal onderdelen. Op de 24 vogelsoorten van bijlage II, deel A, mag in de gehele Gemeenschap worden gejaagd; op de 58 vogelsoorten van bijlage II, deel B, mag slechts in de in de bijlage aangewezen lidstaten worden gejaagd.
De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat indien op vogels wordt gejaagd, dit geschiedt conform ‘de principes van een verstandig gebruik en een ecologisch evenwichtige regulering van de betrokken vogelsoorten’. Dit brengt met zich dat niet wordt gejaagd zolang de jonge vogels het nest nog niet hebben verlaten of gedurende de verschillende fasen van de broedperiode. Op trekvogels mag daarnaast niet worden gejaagd tijdens de trek naar hun nestplaatsen. De lidstaten dienen de Commissie de gegevens te verschaffen die nodig zijn om te beoordeling of wetgeving en praktijk inzake de jacht op vogels in overeenstemming is met het voorgaande.
De bij jacht geoorloofde methoden voor het doden van vogels kunnen worden afgeleid uit art. 8 en bijlage IV onder a. De lidstaten dienen namelijk op grond van art. 8 het gebruik van alle middelen, installaties of methoden voor het massale of niet-selectieve vangen of doden van vogels of van middelen waardoor een soort plaatselijk kan verdwijnen, te verbieden. Meer in het bijzonder verbieden de lidstaten de in bijlage IV onder a genoemde middelen, waaronder het werken met explosieven, met vergiftigd lokaas, met netten, met blindgemaakte of verminkte levende vogels als lokvogels en met (semi-)automatische wapens met een magazijn van meer dan twee patronen. Daarnaast moeten de lidstaten de in bijlage IV onder b genoemde methoden van achtervolging verbieden. Het betreft het jagen vanuit vliegtuigen of motorvoertuigen en vanuit vaartuigen die met een snelheid van meer dan vijf kilometer per uur worden aangedreven (zij het dat de lidstaten om veiligheidsredenen op open zee een maximumsnelheid van achttien kilometer per uur mogen toestaan).
Indien er geen andere bevredigende oplossingen bestaan, mogen de lidstaten onder de omstandigheden genoemd in art. 9 afwijken van de in de Richtlijn opgenomen regels ten aanzien van de invoering van een algemene regeling voor de bescherming van vogels (art. 5), ten aanzien van de verkoop van vogels (art. 6) en ten aanzien van de jacht op en het doden van vogels (artt. 7 en 8). Afwijking is toegestaan:
in het belang van de volksgezondheid en de openbare veiligheid;
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren;
ter bescherming van flora en fauna;
voor doeleinden in verband met onderzoek en onderwijs;
voor het uitzetten en herinvoeren van vogelsoorten;
teneinde het vangen, het houden of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan.
Indien een lidstaat besluit tot afwijking van het bepaalde in de Richtlijn, dan dient hij aan te geven voor welke vogelsoorten de afwijking geldt, welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan en onder welke omstandigheden en op welke plaats en gedurende welke termijn afwijkingen zijn toegestaan (art. 9, lid 2). Daarbij dient de desbetreffende lidstaat ook aan te geven welke nationale autoriteiten toezien op de naleving van de afwijkende regels. Jaarlijks dienen de lidstaten die hebben besloten tot afwijking, de Commissie daarvan op de hoogte te stellen.
De lidstaten dienen op grond van art. 10 onderzoek en werkzaamheden nodig voor de bescherming en het beheer van vogelsoorten waarop de Richtlijn betrekking heeft, te bevorderen. Daarbij dienen met name de onderwerpen genoemd in bijlage V van de Richtlijn aandacht te krijgen. Bijlage V vermeldt onder meer onderzoek naar de rol van sommige vogelsoorten als indicator voor milieuverontreiniging en naar de schadelijke effecten van chemische verontreiniging op het populatieniveau van vogelsoorten. Van onderzoek en werkzaamheden moeten de lidstaten de Commissie op de hoogte brengen, opdat deze een coördinerende rol kan vervullen ten aanzien van onderzoek en werkzaamheden in de Gemeenschap.
Op grond van art. 11 zien de lidstaten erop toe dat de eventuele introductie van vogelsoorten die niet van nature in de Gemeenschap voorkomen, geen schade aan de plaatselijke flora en fauna toebrengt. Art. 13 brengt tot uitdrukking dat de toepassing van de Richtlijn in de lidstaten niet mag leiden tot een verslechtering van de huidige situatie wat betreft de instandhouding van de natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied. Op grond van art. 14 kunnen de lidstaten verder strengere maatregelen treffen dan diegene, die op grond van de Richtlijn nodig zijn. De artt. 15, 16 en 17 bieden een regeling voor de aanpassing van de bijlagen van de Richtlijn aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang. De Commissie vervult daarbij een belangrijke taak, maar weet zich daarbij gesteund door een op grond van art. 16 op te richten Comité.
Art. 12 tenslotte legt de lidstaten de verplichting op om iedere drie jaar de Commissie een rapport over de toepassing van de Richtlijn te zenden. De Commissie stelt op grond van die rapporten een verslag op over de toepassing van de Richtlijn in de Gemeenschap. Inmiddels heeft de Commissie een vijftal verslagen opgesteld, waarvan de laatste in 2002.[1526]
Gelijktijdig met het vaststellen van de Richtlijn (2 april 1979) stelde de Raad een Resolutie vast[1527] waarin de lidstaten werd verzocht de Commissie binnen twee jaar op de hoogte te brengen van:
de op grond van de Richtlijn aangewezen speciale beschermingszones;
de watergebieden (‘wetlands’) die zijn of zullen worden aangewezen als watergebieden van internationale betekenis voor de bescherming van vogelsoorten; en
andere gebieden die op grond van nationale wetgeving zijn aangewezen als gebied van belang voor de bescherming van vogelsoorten.
Deze informatie stelde de Commissie in staat een overzicht te krijgen van alle Gemeenschappelijke gebieden van belang voor de bescherming van vogels. Mede op grond daarvan werd de Commissie in de Resolutie opgeroepen criteria vast te stellen die de lidstaten kunnen gebruiken voor het vaststellen van speciale beschermingszones.
De aanleiding voor de Richtlijn was de publieke verontwaardiging over de jaarlijkse slachting onder trekvogels in Zuid-Europa en Noord-Afrika. Al in 1971 werden er vragen gesteld in het Europees Parlement[1528], waarbij aanbevelingen werden gedaan voor Europese wetgeving terzake. Ook in het eerste Milieuactieprogramma uit 1973 kwam dit ongenoegen tot uiting. Het actieprogramma bevatte een voorstel om een studie uit te voeren met het oog op een mogelijke harmonisatie van nationale regelgeving betreffende de bescherming van diersoorten en van trekvogels in het bijzonder. Toegezegd werd dat voor het einde van 1974 actie zou worden ondernomen.
In de herfst van 1974 ontving het Europees Parlement een petitie[1529] van nationale en internationale dierenbeschermingsorganisaties, waarin werd opgeroepen tot een internationale conferentie om het probleem op bi-continentaal niveau (Europa + Afrika) te onderzoeken. Ook werd aanbevolen de jacht op vogels te stoppen totdat de resultaten van de conferentie bekend zouden zijn. Deze petitie leidde tot het aannemen van een Resolutie door het Parlement op 21 februari 1975, waarin in het bijzonder werd gepleit voor een algemeen verbod op het vangen van wilde vogels door middel van netten, maar waarin ook de bescherming van bepaalde soorten en het scheppen van geschikte broedgebieden werd aanbevolen.
Intussen had de Commissie studies uitgevoerd en deskundigen geraadpleegd. Het Richtlijnvoorstel dat zij uiteindelijk in december 1976 presenteerde, bleek veel meer te omvatten dan het Parlement ooit had gesuggereerd. Op 14 juni 1977 debatteerde het Parlement over het voorstel (een dag voordat het in de Raad besproken zou worden), maar vervolgens duurde het nog 18 maanden voordat een aantal belangrijke details en een groot conflictpunt waren opgelost. Dat conflictpunt betrof de wens van Italië en Frankrijk om de jacht op de veldleeuwerik (Alauda arvensis) en de ortolaan (Emberiza hortulana) toe te staan. Uiteindelijk kon overeenstemming worden bereikt over een compromis waarbij wel de veldleeuwerik, maar niet de ortolaan in Bijlage II/2 werd opgenomen.
De Bijlagen bij de Richtlijn zijn verscheidene keren gewijzigd. De belangrijkste wijziging was die van Bijlage II/2 door middel van Richtlijn 94/24. Het oorspronkelijke voorstel voor deze Richtlijn werd door de Commissie in maart 1991 ingediend, als reactie op de in sommige lidstaten levende wens om de bejaagbaarheid van soorten voor de plezierjacht en van soorten die aanzienlijke schade aan de landbouw toebrachten uit te breiden. Zij betoogden dat de afwijkingsmogelijkheden waarin art. 9 van de Vogelrichtlijn voorziet hiertoe onvoldoende ruimte boden. Richtlijn 94/24 voegde zes soorten toe aan de lijst in Bijlage II/2 van soorten waarop in bepaalde lidstaten buiten het broedseizoen gejaagd mag worden: de vijf kraaiensoorten (Corvidae) en de spreeuw (Sturnus vulgaris). Tijdens de onderhandelingen over de wijzigingsrichtlijn verzette Denemarken zich tegen het voorstel om de spreeuw aan de lijst van bejaagbare soorten toe te voegen, met als argument dat het Gemeenschapsbeleid zou moeten gaan in de richting van versterking in plaats van verzwakking van de bescherming van zangvogels en kleine vogels. Het voorstel werd niettemin bij gekwalificeerde meerderheid aangenomen. De wijzigingsrichtlijn verwijderde ook drie soorten van de lijst van vogels waarop in Italië gejaagd mag worden, gezien hun gelijkenis met een wereldwijd bedreigde soort die per ongeluk gedood zou kunnen worden.
Richtlijn 97/49 wijzigde Bijlage I door het verwijderen van de aalscholver (Phalacrocorax carbo sinensis), op grond van wetenschappelijke informatie die aantooonde dat de beschermingsstatus van deze soort op Europees niveau gunstig was. Wel kunnen er nog steeds speciale beschermingszones (SBZ’s) voor aalscholvers worden aangewezen, aangezien het om een trekvogel gaat. De druk om de vogel uit Bijlage I te verwijderen kwam oorspronkelijk van Frankrijk en Duitsland, in reactie op klachten van vissers dat de vogels hun vangsten decimeerden. Duizenden van deze vogels zijn ter bescherming van de visstand gedood op basis van (door art. 9 van de Richtlijn toegestane) nationale afwijkingen. De internationale vogelbeschermingsorganisatie BirdLife heeft naar aanleiding van de Richtlijnwijziging er bij de Commissie op aangedrongen om de criteria te verhelderen die bepalend zijn voor opname van soorten in de Bijlagen en voor de verwijdering ervan, met name uit Bijlage I.
De Vogelrichtlijn is onderwerp geweest van verscheidene uitspraken van het Europese Hof van Justitie. Eén daarvan, uit 1991, leidde tot een ingrijpende wijziging van art. 4, lid 4.[1530] Deze zaak[1531] had betrekking op de verplichtingen van de lidstaten onder artikel 4, lid 4. Het ging om werkzaamheden voor de aanleg van een dijk in de Leybucht in het noordwesten van Duitsland, die door de lokale overheid waren goedgekeurd als onderdeel van een kustverdedigingsproject. De Commissie was een inbreukprocedure tegen Duitsland begonnen op grond van het feit dat de werkzaamheden een aanmerkelijke invloed zouden hebben op de vogels in een aangewezen SBZ, doordat de omvang van het beschermde gebied zou worden verkleind. De Duitse regering betoogde dat de werkzaamheden primair om veiligheidsredenen werden uitgevoerd. Een bijkomend aspect van de werkzaamheden (de verbetering van de toegang tot de haven voor vissersschepen) zou uiteindelijk de bescherming van vogels ten goede komen doordat andere toegangsroutes afgesloten zouden worden.
Hoewel het Hof de argumenten van de Commissie verwierp, stelde het niettemin dat de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot SBZ’s niet worden beperkt door de ‘economische en recreatieve belangen’ die in art. 2 worden genoemd. Lidstaten hadden geen algemene bevoegdheid om SBZ’s aan te passen of te verkleinen als deze eenmaal ingesteld waren. Dat zou alleen gerechtvaardigd zijn in uitzonderlijke omstandigheden op grond van een algemeen belang dat uitgaat boven de door de Richtlijn beoogde ecologische doelstelling. In dit geval vormde de bescherming tegen overstromingen zo’n rechtvaardiging, maar verbeterde toegang voor de visserij in principe niet. Bovendien zou, overeenkomstig het beginsel van proportionaliteit, iedere verstoring van vogels beperkt moeten blijven tot het minimum dat noodzakelijk was om de zwaarder wegende belangen veilig te stellen.
De uitspraak van het Hof werd gezien als een belangrijk precedent, dat de nationale wetgeving en de praktijk in verscheidene lidstaten zou kunnen beïnvloeden. Overigens is de implementatie van de Richtlijn in verscheidene lidstaten controversieel en inadequaat geweest, resulterend in veroordelingen van Frankrijk en Zweden en Hofprocedures tegen veel andere landen, waaronder Nederland (zie § ???). Verder zijn de rapportages van de Commissie over de toepassing van de Richtlijn laat verschenen: die over de periode 1999-2001 kwam pas uit in 2006.[1532]
In de loop der tijd is Richtlijn 79/409 en met name haar bijlagen herhaaldelijk gewijzigd, voornamelijk als gevolg van de toetreding van nieuwe lidstaten. Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst is door de Commissie besloten tot codificatie over te gaan. Daartoe heeft de Commissie in maart 2009 een voorstel voor een nieuwe richtlijn gepubliceerd. [1533] De nieuwe richtlijn vervangt de verschillende besluiten die erin zijn verwerkt. Zij laat de inhoud van de besluiten die worden gecodificeerd onverlet en beperkt zich er derhalve toe deze samen te voegen en daarin slechts de formele wijzigingen aan te brengen die voor de codificatie zelf zijn vereist. De nieuwe Richtlijn 2009/147/EG inzake het behoud van de vogelstand is per 15 februari 2010 in werking getreden. Een dag eerder hield de richtlijn uit 1979 op te bestaan.
De volledige omzetting van de Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving is een zeer moeizaam proces geweest dat zich over een periode van ruim 20 jaar uitstrekte. De aard en omvang van de moeilijkheden zijn duidelijk terug te zien in de drie veroordelingen van het Hof van Justitie voor het niet nakomen van de verplichtingen uit de Richtlijn alsmede de diverse uitspraken van de Raad van State.
De hoofdoorzaak van de implementatieproblemen lag in de uiteenlopende visies van de Nederlandse regering en de Europese Commissie betreffende het type instrument dat gebruikt wordt om de Richtlijn in Nederland tot uitvoering te brengen. De Nederlandse regering is er lange tijd van uitgegaan dat de gebiedsbescherming die de Vogelrichtlijn vereist in voldoende mate werd geboden door planologische instrumenten zoals het Structuurschema Groene Ruimte (met de daarin opgenomen Ecologische Hoofdstructuur) en de PKB-Waddenzee, alsmede door instrumenten als beheersovereenkomsten. Een uitspraak van de rechtbank in Leeuwarden in 1998 maakte echter duidelijk dat dit niet het geval was.[1534] Het bijzondere aan deze uitspraak was dat de rechter, bij het ontbreken van adequate Nederlandse wetgeving, het nodig vond om de zaak rechtstreeks te toetsen aan de Vogelrichtlijn. Vervolgens zijn talrijke rechtszaken aangespannen, waarbij ook vaak een beroep werd gedaan op de rechtstreekse werking van de Richtlijn (bij ontstentenis van adequate nationale regelgeving; zie § ??? in dit Handboek).
Naast deze principiële kwestie vond de Europese Commissie lange tijd dat het aantal alsmede de omvang van de SBZ’s die door de Nederlandse regering werden aangewezen te kort schoot. Op 19 mei 1998 heeft het Europese Hof van Justitie uitspraak gedaan in een inbreukprocedure die de Commissie tegen Nederland had aangespannen wegens het niet in voldoende mate aanwijzen van SBZ’s.[1535] In deze zaak ging het met name om de bepaling in artikel 4, lid 1 van de Richtlijn, dat de lidstaten ‘met name de naar aantal en oppervlakte meest geschikte gebieden’ als SBZ’s moeten aanwijzen. Eerdere uitspraken hadden het belang van ornithologische criteria bij het selecteren van gebieden al bevestigd. De uitspraak in de zaak tegen Nederland hield in dat de lidstaten verplicht zijn alle gebieden die op grond van ornithologische criteria het meest geschikt zijn voor de instandhouding van de betrokken soorten aan te wijzen als SBZ. Ook bepaalde het Hof dat, om te beoordelen of Nederland aan zijn verplichtingen had voldaan, gebruik kon worden gemaakt van ‘IBA 89’, een inventarisatie van belangrijke vogelgebieden (Important Bird Areas, IBA’s) in Europa.[1536] Het Hof concludeerde dat Nederland, door gebieden aan te wijzen die in aantal en oppervlakte kleiner zijn dan de gebieden die in aanmerking komen voor aanwijzing als SBZ, zijn verplichtingen niet was nagekomen.
Naar aanleiding van dit arrest verzocht de Europese Commissie Nederland om binnen twee maanden mee te delen welke maatregelen genomen waren om de benodigde SBZ’s aan te wijzen. Daarbij wees de Commissie erop dat een dwangsom opgelegd zou kunnen worden bij het niet nakomen van de verplichtingen.
In 1999 wees de Commissie de regering nogmaals op het feit dat de maatregelen die nodig zijn om voldoende SBZ’s aan te wijzen nog altijd niet waren genomen en concludeerde dat Nederland nog altijd in gebreke was. Wederom maakt de Commissie duidelijk dat zij Nederland weer voor het Europese Hof zou dagen als de regering haar verplichtingen uit de Richtlijn niet zou nakomen, en dat het Hof kon besluiten een dwangsom op te leggen.
Door de druk van deze procedures werd Nederland gedwongen af te zien van het voornemen de Vogelrichtlijn voor een belangrijk deel door het planologisch instrumentarium te implementeren en in plaats daarvan een nieuw wettelijk kader vast te stellen. Van oudsher werd de soortenbescherming geregeld in de Natuurbeschermingswet, de Jachtwet en de Vogelwet 1936. Om te kunnen voldoen aan de vereisten van de Vogelrichtlijn (alsmede de Habitatrichtlijn – zie § ???) werd besloten tot aanpassing van de nieuwe Flora- en faunawet, welke al enige tijd in voorbereiding was. Gelijktijdig werd de gebiedsbescherming herzien door de Natuurbeschermingswet ingrijpend te wijzigen.
De Flora- en faunawet[1537] is op 1 april 2002 in werking getreden. Artikel 4 lid 2 bepaalt dat bij AMvB als beschermde soort kunnen worden aangewezen inheemse diersoorten die bedreigd zijn, die tegen overmatige benutting beschermd dienen te worden, die uit Nederland verdwenen zijn of die zodanige gelijkenis met deze soorten vertonen dat bescherming noodzakelijk is. Naast deze algemene bevoegdheden bepaalt artikel 4 lid 3 dat de aanwijzing van een diersoort ‘geschiedt in afwijking van het bepaalde in het tweede lid bij ministeriële regeling indien die aanwijzing noodzakelijk is ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie of andere volkenrechtelijke organisaties’. Hierdoor wordt het mogelijk soorten die onder de Vogelrichtlijn vallen direct aan te wijzen als beschermde diersoort in Nederland.
Het is verboden beschermde inheemse diersoorten te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen (art. 9). Jagen op de als wild aangemerkte vogelsoorten – fazant, patrijs, wilde eend en houtduif – kan volgens artikel 32, lid 2 beperkt worden ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie.
De bepalingen van art. 8 van de Vogelrichtlijn (verboden en geoorloofde middelen voor het doden van vogels) zijn opgenomen in het Jachtbesluit[1538] en het Besluit beheer en schadebestrijding dieren[1539].
Voorts geeft artikel 7 van de Flora- en faunawet de minister de bevoegdheid ‘mede ter uitvoering van internationale verplichtingen of bindende besluiten van organen van de Europese Unie’ onderzoek en werkzaamheden te bevorderen die nodig zijn voor bescherming en beheer van beschermde diersoorten.
In 2001 is de Commissie een nieuwe inbreukprocedure tegen Nederland begonnen in verband met het rapen van kievitseieren. Zij heeft een met redenen omkleed advies aan Nederland gestuurd, omdat ze er niet van overtuigd was dat aan alle voorwaarden voor afwijking van het algemene verbod op het wegnemen van eieren was voldaan.[1540] Naar aanleiding hiervan is de Regeling zoeken, rapen en beschermen van kievitseieren Flora- en faunawet[1541] opgesteld, waarin het rapen van kievitseieren aan strikte voorwaarden en beperkingen wordt onderworpen en wordt gekoppeld aan nestbeschermingsactiviteiten.
De wettelijke grondslag voor de aanwijzing van SBZ’s is gelegen in Hoofdstuk V van de Natuurbeschermingswet 1998[1542], die op 21 januari 1999 in werking is getreden. Artikel 10a van die wet geeft de minister de bevoegdheid gebieden aan te wijzen ‘ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen met betrekking tot natuur- en landschapsbehoud, voorzover die verdragen of verplichtingen zulks met zich brengen’. Nadere regels ‘ten aanzien van de in deze wet geregelde onderwerpen’ kunnen onder artikel 29 lid 1 door AMvB gesteld worden.
De Vogelrichtlijn (en ook de Habitatrichtlijn) is geïmplementeerd met de Wet van 20 januari 2005 tot wijziging van de Natuurbeschermingswet 1998 in verband met Europeesrechtelijke verplichtingen, waarvoor het voorstel al in 2001 was ingediend.[1543] Deze wijzigingswet is op 1 oktober 2005 in werking getreden.[1544] Als gevolg daarvan vindt de beoordeling die uit de Vogelrichtlijn volgt plaats door vergunningverlening in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998. Dit betekent dat bij de vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer niet gekeken wordt naar de eventuele nadelige gevolgen voor een Vogelrichtlijngebied omdat dit al op basis van de lex specialis heeft plaats gevonden.
Eind 2008 is de Natuurbeschermingswet 1998 opnieuw gewijzigd.[1545] Deze wetswijziging beoogde de aansluiting van de Natuurbeschermingswet op de Europese richtlijnen te verbeteren en tevens te voorzien in een speciale regeling voor bestaand gebruik. Hierna is de Natuurbeschermingwet nog een keer gewijzigd met de Crisis- en herstelwet[1546], mede om uitvoering te geven aan de zogenaamde rek- en ruimtebrief over Natura 2000.[1547]
Toekomstige inrichting natuurwetgeving
In 2008 heeft het ministerie de omzetting van de Europese richtlijnen in Nederlandse wetgeving geëvalueerd (LNV, 2008). Uit de evaluatie volgt dat de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet een adequate omzetting bieden van de beschermingsnormen die de lidstaten van de EU hebben afgesproken en neergelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. De natuurwetten zouden echter wel transparanter, consistenter en eenvoudiger kunnen worden geformuleerd. Dit zou vooral voor de Flora- en faunawet gelden, die door doelgroepen en uitvoerders als erg ingewikkeld wordt ervaren.
Op basis van de evaluatie heeft het ministerie van LNV aangegeven de drie nationale natuurwetten te willen integreren, namelijk de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet.[1548] Door wettelijke integratie kan meer eenheid worden gebracht in de regeling van het toezicht en de sancties, wat de handhaving van de natuurwetgeving ten goede zal komen. Wettelijke instrumenten kunnen beter op elkaar worden afgestemd, waardoor de administratieve lasten afnemen. Regeling van gebieds- en soortenbescherming in één integraal kader sluit verder aan bij de internationale regels op dit gebied (richtlijnen en verdragen), die beide doorgaans ook in samenhang regelen. Ook wil het ministerie meer natuurtaken naar de provincies overhevelen, waarmee de provincies hebben ingestemd. Het gaat om de ontheffingsverlening voor ruimtelijke ingrepen, met uitzondering van projecten die de provinciegrens overschrijden, de beoordeling van een kapmelding of kapverbod en de taken die nu aan het Faunafonds zijn opgedragen. In haar brief d.d. 11 juli 2008 heeft de minister van LNV aangegeven om een wetgevingstraject voor een integrale natuurwet in gang te zetten. Zij heeft vervolgens bij brief van 24 juni 2009 het plan van aanpak voor de totstandkoming van een voorstel voor een integrale natuurwet aan de Tweede Kamer gezonden.[1549] In vervolg daarop heeft zij op 26 oktober 2009 de kamer per brief bericht over de stand van zaken en gemeld dat aan een eerste proeve van het wetsontwerp wordt gewerkt waarbij voorrang is gegeven aan de uitwerking van rek- en ruimtemaatregelen in verband met de Crisis- en herstelwet.[1550]
Nederland behoort samen met België en Denemarken tot de eerste landen waarin de aanwijzing van Vogelrichtlijngebieden compleet was. De eerste vijf SBZ’s zijn in 1986 door de regering aangewezen. In de periode tot 1998 werden nog 24 gebieden aangewezen. Daarvan vormden de Waddenzee en de Oosterschelde 90% van de oppervlakte. Een belangrijk richtsnoer voor deze aanwijzingen was een nationale lijst van ‘Belangrijke Vogelgebieden in Nederland’ die in 1994 door Vogelbescherming Nederland in samenwerking met het Ministerie van LNV was opgesteld.
Nadat het in 1998 duidelijk werd door het arrest van het Europese Hof van Justitie en de uitspraak van de rechtbank in Leeuwarden dat Nederland aanvullende maatregelen moest nemen, deelde de regering de Europese Commissie in augustus 1998 mee dat Nederland van plan was een zestigtal gebieden aan te wijzen als SBZ.De Nederlandse natuur- en milieu-organisaties reageerde kritisch op de lijst. Zij wezen er op dat er geen sprake was van een evenwichtig opgebouwd netwerk van beschermingszones en dat belangrijke delen van een aantal genoemde gebieden ten onrechte buiten de begrenzing vielen, bijvoorbeeld delen van de Westerschelde, de Veluwe en de uiterwaarden van de Rijn, de Waal en de IJssel. Volgens de staatssecretaris van LNV was het zeer intensieve gebruik van bepaalde gebieden de reden om ze buiten de begrenzing te houden. Echter, in het zogenaamde Lappelbankarrest[1551] werd duidelijk dat aanwijzing van SBZ’s louter plaats dient te vinden op basis van ornithologische criteria.
Vervolgens heeft de staatssecretaris begin februari 2000 een lijst metdefinitief aan te wijzen nieuwe SBZ’s aan de Tweede Kamer toegezonden. Het aantal gebieden was kleiner dan de vorige lijst doordat enkele gebieden niet meer voor aanwijzing in aanmerking kwamen, vanwege recente verschuivingen in vogelpopulaties en omdat op basis van nieuwe telgegevens voor een aantal gebieden grenscorrecties waren doorgevoerd. Het totaal kwam uit op 79 SBZ’s.
1 Abtskolk en de Putten 2 Alde Feanen 3 Arkhemheen 4 Bargerveen 5 Biesbosch 6 Boezems Kinderdijk 7 Brabantse Wal 8 Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein 9 De Wilck 10 Deelen 11 Deurnsche Peel & Mariapeel 12 Donkse Laagten 13 Drents-Friese Wold & Leggelderveld 14 Duinen Ameland 15 Duinen en Lage Land Texel 16 Duinen Goeree & Kwade Hoek 17 Duinen Schiermonnikoorg 18 Duinen Terschelling 19 Duinen Vlieland 20 Dwingelderveld 21 Eemmeer& Gooimeer Zuidoever 22 Eilandspolder 23 Engbertsdijksvenen 24 Fochteloërveen 25 Gelderse Poort 26Grevelingen 27 Groote Peel 28 Groote Wielen29 Haringvliet 30 Hollands Diep 31 IJsselmeer 32 Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske 33 Kampina en Oisterwijkse Venne 34 Ketelmeer en Vossemeer 35 Krammer Volkerak 36 Lauwersmeer 37 Leekstermeergebied 38 Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux 39 Lepelaarsplassen 40 Maasduinen | 41 Markermeer & IJmeer 42 Markiezaat 43 Meinweg 44 Naardermeer 45 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck 46 Noordzeekustzone 47 Oostelijke Vechtplassen 48 Oosterschelde 49 Oostvaardersplassen 50 Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving 51 Oudeland van Strijen 52 Polder Zeevang 53 Sallandse Heuvelrug 54 Sneekermeergebied 55 Uiterwaarden IJssel 56 Uiterwaarden Neder-Rijn 57 Uiterwaarden Waal 58 Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht 59 Van Oordt’s Mersken 60 Veerse Meer 61 Veluwe 62 Veluwerandmeren 63 Voordelta 64 Voornes Duin 65 Waddenzee 66 Weerribben 67 Weerter- en Budelerbergen en Ringselven 68 Westerschelde & Saeftinghe 69 Wieden 70 Witte en Zwarte Brekken 71 Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder 72 Yerseke en Kapelse Moer 73 Zoommeer 74 Zouweboezem 75 Zuidlaardermeergebied 76 Zwanenwater & Pettemerduinen 77 Zwarte Meer 78 Zwin en Kievittepolder
|
In juli 2003 heeft de Commissie een schriftelijke aanmaning naar Nederland gestuurd in verband met de verbreding en uitdieping van de Westerschelde (een SBZ). De Commissie was van mening dat de maatregelen die genomen worden ter compensatie van de eventuele schade aan habitats ontoereikend waren (zie ook § ???).[1552]
In 2006 heeft het ministerie van LNV een doelendocument gepubliceerd.[1553] In het licht daarvan moesten alle Vogelrichtlijngebieden (en ook Habitatrichtlijngebieden ) opnieuw worden aangewezen. De procedure is gestart met het aanmelden van de gebieden. Het is vervolgens de bedoeling dat voor alle gebieden definitieve aanwijzingen worden gedaan, instandhoudingsdoelstellingen worden geformuleerd , en daarop gebaseerde beheerplannen worden opgesteld volgens de Handreiking Beheerplannen Natura 2000-gebieden. Het Interbestuurlijk Regiebureau Natura 2000 regisseert en coördineert de totststandkoming van de Natura-2000 beheerplannen. Het Regiebureau Natura 2000 stelt onder meer periodiek een Voortgangsrapportage Beheerplannen samen.[1554] Daarmee ontstaat inzicht in de voortgang van de implementatie van het Natura 2000 programma. De rapportage komt tot stand met hulp van de 15 projectleiders Natura 2000 (12 voor de provincie en 3 voor het Rijk).
In een beheerplan worden de instandhoudingsdoelstellingen uit het aanwijzingsbesluit uitgewerkt in omvang, ruimte en tijd, en worden de maatregelen beschreven die nodig zijn om deze doelen te halen. Ook wordt onder meer aangegeven hoe de financiering van deze maatregelen is geregeld en hoe monitoring plaats zal vinden. Een andere belangrijke functie van een beheerplan is om te regelen hoe met bestaand gebruik om wordt gegaan. In het wetgevingsoverleg van 17 november 2009 heeft de minister van LNV aangegeven dat zij het belangrijk vindt dat, waar nodig en nuttig, in de beheerplannen een paragraaf wordt opgenomen die de sociaal-economische ruimte binnen het beheerplan aangeeft. Daarnaast heeft de minister van LNV op 15 juni 2010 aan de kamer aangegeven hoe zij omgaat met de onderwerpen stikstof, water en sociaal-economische aspecten. De verwachting was dat daarmee de belangrijkste drempels om te komen tot goede beheerplannen waren geslecht, zodat snel na de zomer van 2010 de beheerplannen in ontwerp gereed zouden kunnen zijn.
De vereniging SOVON Vogelonderzoek Nederland (kortweg SOVON) organiseert landelijke vogeltellingen en voert onderzoek uit ten behoeve van beheer, beleid en wetenschap. De tellingen worden uitgevoerd door ruim 7.000 vrijwilligers en gecoördineerd door een professionele staf. Naast de monitoring van de vogelstand voert SOVON ook verklarend onderzoek uit om de gesignaleerde ontwikkelingen in de vogelstand te doorgronden. Jaarlijks doet SOVON verslag van haar bevindingen in de zogenaamde Vogelbalans en een rapport over broedvogels in Nederland.[1555] In de Vogelbalans 2010 plaatst de SOVON de ontwikkelingen met betrekking tot de vogelstand in de bredere context van biodiversiteit.[1556] Zij concludeert dat de Nederlandse vogelbevolking steeds eenvormiger wordt. Ofschoon het aantal soorten dat in ons land voorkomt groter is dan ooit, en bij de meerderheid van de soorten toenemende aantallen worden vastgesteld, gaat de vogelstand in de hoge en de lage delen van Nederland steeds meer op elkaar lijken. Dit verlies van regionale identiteit wordt homogenisatie genoemd. Tegelijkertijd blijkt dat de meerderheid van de (ernstig) bedreigde soorten het slecht blijft doen. Het gaat zowel om soorten van de Rode Lijst als veel soorten die belangrijk zijn voor Natura 2000. Ze nemen verder af of laten geen herstel zien, ondanks beschermingsmaatregelen. Soorten waar het al goed mee ging, laten daarentegen nog steeds overwegend positieve trends zien. Het zeldzame wordt daarmee zeldzamer, het algemene algemener. Soorten die dreigen te verdwijnen, zijn onder meer korhoen, kuifleeuwerik en grauwe gors.
De laatste jaren is het Nederlandse natuurbeleid een onderwerp van felle discussie. Zo heeft minister-president Balkenende in 2009 een brief geschreven aan de voorzitter van de Europese Commissie waarin hij erop aandringt om de regelgeving op Europees niveau te versoepelen zodat er meer recht zou worden gedaan aan een goede balans tussen economie en ecologie.[1557] In concreto stelde hij onder meer voor om de formulering van het voorzorgsbeginsel in de Habitat- en Vogelrichtlijnen aan te passen. De voorzitter van de Europese Commissie heeft echter aangegeven hier geen gehoor aan te willen geven.[1558]
Met de komst van een nieuw kabinet in 2010 is vervolgens besloten een andere koers te varen. Ten eerste is de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I; voorheen LNV) van plan om de definitieve aanwijzing van natuurgebieden in 2011 te voltooien.[1559] De definitieve besluiten zijn beschikbaar in de Gebiedendatabase.[1560] De gebieden worden gezamenlijk aangeduid als Speciale Beschermingszones (SBZ) of Natura 2000 gebieden. Tabel ??? geeft een overzicht van de stand van zaken anno 2011. Ten tweede heeft hij aangekondigd dat hij de regels voor Natura 2000-gebieden eenvoudiger wil maken.[1561] Het regeerakkoord uit 2010 is daarvoor het uitgangspunt. Onderdelen van de beoogde benadering zijn onder meer:
het aantal verplichte vergunningen verminderen;
een klein aantal gebieden die bij elkaar in de buurt liggen en soortgelijke natuurdoelen hebben op papier samenvoegen. Hierdoor kunnen de doelen worden gehaald op een plek waar de omgeving er het minst last van heeft;
in overleg met de Europese Commissie kijken of enkele kleine gebieden kunnen worden geschrapt. Dat kan alleen als de gebieden een relatief beperkt ecologisch belang hebben en de natuurdoelen ook in andere gebieden kunnen worden gehaald;
onderzoeken of Nederland meer doet dan de Europese richtlijn voorschrijft (Nederlandse koppen). De staatssecretaris wil dat terugdraaien.
De volgende stap is dat de staatssecretaris van EL&I zijn plannen voor Natura 2000 gaat uitwerken en bespreken met provincies, maatschappelijke organisaties en de Europese Commissie (EC).
Een tegengeluid is vervolgens gegeven door minister Schultz van Haegen van het ministerie van I&M. Zij heeft een rapport over Natura 2000 laten opstellen door het PBL, waarin wordt gesteld dat Nederland onvoldoende maatregelen neemt om een verdere achteruitgang van de kwaliteit van de Natura 2000-gebieden te stoppen.[1562] Daardoor zouden risico’s voor de soorten en habitats die Nederland op basis van Europese afspraken moet beschermen ontstaan. Dat zou ertoe kunnen leiden dat Nederland in gebreke blijft wat betreft het halen van de doelstellingen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen.
Backes, C.W., M.P. van Veen, B.A. Beijen, A.A. Freriks, D.C.J. van der Hoek & A.L. Gerritsen (2011). Natura 2000 in Nederland: juridische ruimte, natuurdoelen en beheerplanprocessen. PBL, Den Haag.
Bastmeijer, C.J., M.K. de Bruin & J.M. Verschuuren (2006). Juridische toets doelensystematiek: Natura 2000 in Nederland. Onderzoek in opdracht van de Vogelbescherming Nederland. Universiteit van Tilburg.
Grimmett, R.F.A., en T.A. Jones (eds., 1989), Important Bird Areas in Europe. Cambridge, UK: International Council for Bird Preservation, Technical Publication no. 9.
Heath, M.F., en M.I. Evans (eds., 2000), Important Bird Areas in Europe: Priority sites for conservation. 2 delen. Cambridge, UK: BirdLife International (BirdLife Conservation Series no. 8).
IBO (2003), Nederland op slot? De Europese en Nederlandse natuurbeschermingswetgeving nader bezien. Eindrapportage van de werkgroep Vogel- en Habitatrichtlijnen. Interdepartementaal Beleidsonderzoek 2002-2003, nr. 7.
Jans, J.H., H.G. Sevenster en H.H.B. Vedder (hoofdred., 2000). Europees milieurecht in Nederland. Boom Juridische uitgevers, Den Haag.
LNV, Ministerie van (2006). Natura 2000 doelendocument – hoofddocument. Den Haag.
SOVON (2010). Vogelbalans 2010: thema biodiversiteit. Nijmegen.
SOVON (2011). Broedvogels in Nederland 2009. SOVON-monitoringrapport 2011/01. Nijmegen.
[1525] Zie ook: Jans, Sevenster en Vedder (2000), p. 609 e.v.
[1526] COM(2002) 146.
[1527] PbEG C103, 25.4.1979.
[1528] PbEG C119, 26.11.1971.
[1529] No. 8/74.
[1530] Deze wijziging is doorgevoerd door middel van een artikel in de Habitatrichtlijn (92/43, zie § 9.4).
[1531] C-57/89.
[1532] COM(2006) 164.
[1533] COM(2009) 129.
[1534] Het ging hierbij om proefboringen naar aardgas in de Noordzeekustzone en op Ameland.
[1535] EHvJ, zaak C-3/96.
[1536] Grimmett et al. (1989). In 2000 is een nieuwe IBA gepubliceerd door BirdLife International (Heath et al., 2000). Daarin staan meer dan 3600 gebieden, die gezamenlijk 7% van het Europese landoppervlak beslaan.
[1537] Stb. 1998, 402.
[1538] Stb. 2000, 520.
[1539] Stb. 2000, 521.
[1540] Persbericht Europese Commissie, 6 augustus 2001.
[1541] Stcrt. 2002, 62.
[1542] Stb. 1999, 15.
[1543] Stb. 2005, 195.
[1544] Stb. 2005, 473.
[1545] Stb. 2009, 18.
[1546] Stb. 2010, 135.
[1547] Brief van de minister van LNV, Gerda Verburg, d.d. 30 juni 2009, Kamerstukken II, 2008/09, 31 700 XIV, nr. 160. Zie ook: De Adviesgroep Huys (2009). Meer dynamiek bij de uitvoering van nationale en Europese natuurwetgeving. Perspectief van een programmatische aanpak. Brief en rapport zijn beschikbaar via: http://www.natura2000beheerplannen.nl/items/rek-en-ruimte-in-de-toepassing-van-de-natuurbeschermingswet-.aspx.
[1548] Brief van de minister van LNV, Gerda Verburg, d.d. 11 juli 2008, Kamerstukken II 2007/08, 31 379, nr. 3.
[1549] Brief van de minister van LNV, Gerda Verburg, d.d. 11 juli 2008, Kamerstukken II 2008/09, 31 536, nr. 10).
[1550] Brief van de minister van LNV, Gerda Verburg, d.d. 26 oktober 2009.
[1551] EHvJ, zaak C-44/95.
[1552] Persbericht Europese Commissie, 24 juli 2003.
[1553] LNV (2006).
[1554] Zie onder meer: Beheerplanprocessen Natura 2000, voortgangsrapportage nr. 11, 1 december 2010.
[1555] Zie bijvoorbeeld SOVON (2010) en SOVON (2011).
[1556] SOVON (2010).
[1557] Brief van Jan-Peter Balkenende aan José Manuel Barroso d.d. 13 juli 2009.
[1558] Brief van José Manuel Barroso Jan-Peter Balkenende d.d. 26 oktober 2009.
[1559] Brief van Staatssecretaris Bleker van EL&I betreffende aanpak Natura 2000, d.d. 23 februari 2011.
[1561] Brief van de minister van EL&I aan de Tweede Kamer d.d. 23 februari 2011.
[1562] Backes et al (2011).