Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

9.5 Handel in bedreigde soorten

9.5.1 Overzicht van EU-regelgeving

338/97 (PbEG L61, 3.3.1997)

Verordening inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer

865/2006 (PbEU L166, 19.6.2006)

Verordening houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening 338/97

100/2008 (PbEU L31, 5.2.20087)

Wijziging van Verordening 865/2006, ten aanzien van monsterverzamelingen en bepaalde formaliteiten betreffende de handel in in het wild levende dier- en plantensoorten

Rechtsgrondslag

Artikel 130s EG-verdrag (thans art. 192 VwEU)

Bindende termijnen

Inwerkingtreding

1 juni 1997

Opmerking: Verordening 338/97 vervangt Verordening 3626/82 en een aantal wijzigings-Verordeningen die in Tabel ??? zijn weergegeven. Verordening 338/97 is zelf inmiddels ook een aantal malen gewijzigd (betreft aanpassing van de bijlagen; zie Tabel ???). Verordening 865/2006 vervangt de eerdere Verordeningen 939/97 en 1808/2001 en een aantal wijzigingsverordeningen.

9.5.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Flora- en faunawet

Stb. 1998, 402 (en wijzigingen)

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Stb. 1994, 447 (en wijzigingen)

Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet

Stb. 2000, 523 (en wijziging)

Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten

Stb. 2000, 525 (en wijzigingen)

Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet

Stcrt. 2002, 51 (en wijziging)

Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet

Stcrt. 2002, 51 (en wijzigingen)

9.5.3 Doelstelling van de Verordening

Verordening 338/97 heeft ten doel in het wild levende dier- en plantensoorten te beschermen en in stand te houden door controle op het handelsverkeer in deze soorten. De uit maart 1973 stammende Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES; zie § ???) (hierna: de Overeenkomst), is daarbij het uitgangspunt (art. 1 en art 2, onder b). De Verordening bevat alle vereisten uit de Overeenkomst, zodat een consistente toepassing ervan binnen de Gemeenschap is verzekerd. Op een aantal punten gaat de Verordening zelfs verder dan de Overeenkomst. Zo reguleert de Verordening de handel in een aantal soorten die niet in de Overeenkomst zijn opgenomen. De EU is overigens zelf geen partij bij CITES.

9.5.4 Samenvatting van de Verordening

Verordening 3626/82 (zoals gewijzigd) gaf uitvoering aan de Overeenkomst binnen de Gemeenschap. In juni 1997 is deze Verordening echter ingetrokken en vervangen door Verordening 338/97. Deze Verordening werd nodig geacht vanwege het grote aantal aanpassingen in de Overeenkomst, de harmonisatie van de wetgeving binnen de zich uitbreidende EG en het inspelen op het wegvallen van de controles aan de binnengrenzen van de EG als gevolg van de Europese Akte. De Verordening geeft uitvoering aan de Overeenkomst door de commerciële handel in de meest bedreigde dier- en plantensoorten (in bijlage A opgenomen)te verbieden. Voorts is een vergunningen­systeem voorgeschreven voor de in-, uit- en doorvoer van een aantal (in bijlage B opgesomde) soorten die nog niet bedreigd zijn, maar dat zonder regulering van de handel wel zouden kunnen worden (art. 4). Vergunningen en certificaten voor in- en uitvoer moeten worden afgegeven door de daartoe bevoegde instanties binnen de lidstaat (art. 13, lid 1). De namen van deze instanties moeten worden gemeld bij de Commissie (art. 13, lid 2). De Commissie heeft deze namenlijst gepubliceerd in het Publicatieblad.[1587]

Verordening 338/97 wordt regelmatig gewijzigd door middel van Verordeningen van de Commissie. Deze wijzigingen (met name de bijlagen) dienen vooral ter implementatie van de uitkomsten van de vergaderingen van de conferentie der partijen bij de Overeenkomst. Deze staan vermeld in Tabel ???.

<!-- --> <!-- -->

Verordeningen van de Commissie

938/97

PbEG L140, 30.5.1997

2307/97

PbEG L325, 27.11.1997

2214/98

PbEG L279, 16.10.1998

1476/1999

PbEG L171, 7.7.1999

2724/2000

PbEG L320, 18.12.2000

1579/2001

PbEG L209, 2.8.2001

2476/2001

PbEG L334, 18.12.2001

1497/2003

PbEU L215, 27.8.2003

834/2004

PbEU L127, 29.4.2004

1332/2005

PbEU L215, 19.8.2005

318/2008

PbEU L95, 8.4.2008

398/2009

PbEU L126, 21.5.2009

407/2009

709/2010

PbEU L123, 19.5.2009

PbEU L212, 12.8.2010


<!-- --> <!-- -->

Voorheen bestonden er vier Verordeningen van de Raad en zeventien van de Commissie die wijzigingen aanbrachten in de oorspronkelijke Verordening. Met de komst van Verordening 338/97 zijn deze alle vervangen en ingetrokken.

Verordeningen van de Raad

3626/82

PbEG L384, 31.12.1982

3654/83

PbEG L367, 28.12.1983

1831/85

PbEG L173, 3.7.1985

Verordeningen van de Commissie

3418/83

PbEG L344, 7.12.1983

3646/83

PbEG L367, 28.12.1983

577/84

PbEG L64, 6.3.1984

1451/84

PbEG L64, 6.3.1984

1452/84

PbEG L140, 26.5.1987

2384/85

PbEG L231, 29.8.1985

2295/86

PbEG L201, 24.7.1986

Verordening van de Raad

1422/87

PbEG L136, 26.5.1987

Verordeningen van de Commissie

1540/87

PbEG L147, 6.6.1987

3143/87

PbEG L299, 2.10.1987

869/88

PbEG L87, 31.3.1988

3188/88

PbEG L285, 19.10.1988

610/89

PbEG L66, 10.3.1989

197/90

PbEG L29, 31.1.1990

3675/91

PbEG L349, 18.12.1991

1970/92

PbEG L201, 20.7.1992

1534/93

PbEG L151, 23.6.1993

558/95

PbEG L571, 15.3.1995


<!-- --> <!-- -->

Verordeningen van de Commissie

2551/97

PbEG L349, 19.12.1997

2473/98

PbEG L308, 18.11.1998

1968/99

PbEG L244, 16.9.1999

1988/2000

PbEG L237, 21.9.2000

191/2001

PbEG L29, 31.1.2001

2087/2001

PbEG L282, 26.10.2001

349/2003

PbEU L51, 26.2.2003

776/2004

PbEU L123, 27.4.2004

252/2005

PbEU L43, 15.2.2005

811/2008

PbEU L219, 14.8.2008

359/2009

PbEU L110, 1,5,2009


Het systeem is, evenals bij de Overeenkomst, opgebouwd rondom een viertal bijlagen. Bijlage A uit de Verordening is gelijk aan Bijlage I van de Overeenkomst en bevat een lijst van soorten die met uitsterven bedreigd worden en die negatief (kunnen) worden beïnvloed door handel. De handel in deze soorten is in beginsel verboden en zal alleen in uitzonderingsgevallen worden toegestaan. Bijlage B, die correspondeert met bijlage II van de Overeenkomst, geeft een opsomming van soorten die zonder regulering van de handel gevaar lopen om met uitsterven te worden bedreigd.

Voor invoer in de EU van een soort van Bijlage A of B zijn een (conform de Overeenkomst afgegeven) uitvoervergunning van het land van herkomst en een invoervergunning van de lidstaat van bestemming nodig. Ook moet zeker zijn dat de specimens op de plaats van bestemming zullen worden ondergebracht in ruimten die beschikken over adequate voorzieningen om ze in stand te houden en goed te verzorgen (art. 4, lid 1 en 2).

Bijlage C somt soorten op waarvoor de handel in een of meer van de landen die Partij zijn bij de Overeenkomst via nationale wetgeving is gereguleerd, en waarbij internationale samenwerking bij het reguleren van de handel noodzakelijk wordt geacht. Voor de invoer in de EU van een soort van lijst C zijn een uitvoervergunning (of, indien het land van herkomst met betrekking tot de betrokken soort niet in Bijlage C genoemd wordt, een wederuitvoercertificaat of certificaat van oorsprong) en een kennisgeving van invoer vereist (art. 4, lid 3).

Bijlage D heeft in het bijzonder betrekking op de EU en geeft een opsomming van soorten waarin de handel moet worden gecontroleerd teneinde vast te stellen of verdere beperkingen van de handel vereist zijn. Voor de invoer van deze soorten moet een kennisgeving van invoer worden gedaan.

Verordening 338/97 bevat soorten in haar bijlagen soorten die niet voorkomen in de Overeenkomst. Voorts verplicht de Verordening tot hetopleggen van sancties aan degenen die in strijd met de Verordening handelen, het instellen van een toezichtgroep die de technische vraagstukken betreffende de tenuitvoerlegging bestudeert (art. 14), de verplichting van de Commissie om te rapporteren aan het comité voor de handel in wilde dier- en plantensoorten (art. 14, lid 3 sub c) en het instellen van een wetenschappelijke studiegroep (art. 17) om ervoor te zorgen dat er een betere wetenschappelijke coördinatie en voorbereiding zal zijn met betrekking tot maatregelen op basis van de Verordening (waaronder gezamenlijke importrestricties).

Kort na de vaststelling van Verordening 338/97 is de uitvoeringsverordening 938/97 vastgesteld. Deze gaf gedetailleerde regels voor de uitvoering van Verordening 338/97 en is eerst vervangen door Verordening 1808/2001 en vervolgens door Verordening 865/2006 (inclusief amendement in Verordening 100/2008). Verordening 865/2006 bevat derhalve de gedetailleerde uitvoeringsbepalingen voor Verordening 338/97. Deze Verordening werd aangenomen omwille van de duidelijkheid, teneinde de details van de oorspronkelijke Verordening en de daarin aangebrachte wijzigingen in één geconsolideerde tekst samen te brengen. De bepalingen van de Verordeningen staan niet in de weg aan het vaststellen van strengere maatregelen door de lidstaten, zolang deze maatregelen maar in overeenstemming zijn met het Verdrag (art. 11, lid 1 van 338/97).

De Verordeningen 338/97 en 865/2006 dienen dus gezamenlijk ter implementatie van de Overeenkomst in de EU.

Artikel 4, lid 6 van Verordening 338/97 stelt dat de Commissie elk kwartaal een lijst bekend maakt van eventuele beperkingen ten aanzien van het binnenbrengen in de Gemeenschap van soorten die in Bijlage A of B genoemd worden. Belangrijkste reden waartoe de invoer in de EU kan worden geschorst is dat niet kan worden vastgesteld dat het binnenbrengen in de EU, rekening houdend met het huidige of te verwachten niveau van de handel, geen nadelig effect zal hebben op de instandhouding of op de omvang van het verspreidingsgebied van de populatie van de betrokken soort. Voorts kunnen beperkingen worden opgelegd voor soorten, die grote sterfte tijdens het vervoer vertonen of in gevangenschap een drastisch verlaagde levensverwachting hebben, of die een bedreiging kunnen vormen voor inheemse wilde soorten in de Gemeenschap. In de praktijk vindt herziening eens in de 7 of 8 maanden plaats (zie Tabel ???3). Het toevoegen en verwijderen van soorten op de lijst geschiedt op basis van advies van een wetenschappelijke studiegroep. Deze werkwijze maakt het mogelijk om sneller te reageren op veranderingen in beschermingsbehoeften, aangezien de Raad zich niet meer hoeft bezig te houden met de meer technische beslissingen aangaande de actualisering van de Verordening.

In juni 2007 heeft de Commissie een aanbeveling gedaan betreffende maatregelen tot een betere handhaving van Verordening 338/97.[1588] Het betreft maatregelen om de handhavingscapaciteit te versterken in de lidstaten en maatregelen gericht op een betere samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de lidstaten.

9.5.5 Achtergrond en totstandkoming van de Verordening

In 1988 bracht de Wildlife Trade Monitoring Unit van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN; thans de World Conservation Union) een verslag uit over de implementatie van Verordening 3626/82 in de lidstaten. Op basis hiervan deed de Commissie voorstellen ter verbetering van de Verordening.

In november 1991 stelde de Commissie een Verordening ter vervanging van Verordening 3626/82 voor[1589], welke was bedoeld om de tekortkomingen van de bestaande Verordening te corrigeren en om deze aan te passen aan de nieuwe omstandigheden, met name aan de voltooiing van de interne markt. Het voorstel bevatte bepalingen ter uitbreiding van de lijst van soorten waarvan de handel gecontroleerd werd, alsmede bepalingen die deze controles strenger zouden maken. Het voorstel werd aangepast op basis van de door het Parlement en het Economisch en Sociaal Comité voorgestelde wijzigingen. De gewijzigde voorstellen[1590] bevatten onder meer herziene criteria voor de plaatsing van soorten in bijlagen A en B, waardoor het aantal soorten dat vermeld zou worden op deze lijsten verminderde.

9.5.6 De omzetting in nationale regelgeving

Algemeen

Nederland heeft op 18 juli 1984 CITES geratificeerd. Destijds werd invulling gegeven aan de afspraken van de Overeenkomst middels de Wet bedreigde uitheemse diersoorten (Wet bud)[1591] uit 1977 en het bijbehorende In- en uitvoerbesluit bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten[1592]. Deze zijn in 1995 vervangen door de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten (Wet budep)[1593]. De Wet budep strekte ter uitvoering van onder meer de inmiddels vervallen Verordening 3626/82, iets wat feitelijk al tien jaar eerder had moeten gebeuren.[1594]

Er bestond in Nederland, naast de hiervoor genoemde wetten, diverse wetgeving die betrekking had op de bescherming van dier- en plantensoorten, zoals de Vogelwet 1936, de Natuurbeschermingswet, de Jachtwet en de Nuttige Dierenwet 1914. Deze verschillende regelingen zijn inmiddels samengevoegd in de Flora- en faunawet.[1595] Het doel van de Flora- en faunawet is het instandhouden van de dier- en plantensoorten die in het wild voorkomen en om er daarnaast voor te zorgen dat alle in het wild levende soorten in principe met rust worden gelaten. In tegenstelling tot de wetten die samengevoegd zijn in de Flora- en faunawet, worden de dieren nu ook beschermd vanwege hun intrinsieke waarde.[1596] De wet gaat uit van het ‘nee, tenzij’ beginsel, wat inhoudt dat bescherming voorop staat en dat ingrijpen een uitzondering is. In beginsel is handel, bezit en in- en uitvoer van beschermde soorten dan ook verboden en zal dit alleen mogelijk zijn onder strikte voorwaarden.[1597]

Aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten

Artikelen 3 en 4 van de Flora- en faunawet geven de grondslag voor het aanwijzen van beschermde inheemse dier- en plantensoorten. Art. 4 wijst zelf al de meeste soorten binnen de categorie beschermde inheemse diersoorten aan.

Artikel 5 van de wet geeft de basis voor de aanwijzing van beschermde uitheemse dier- en plantensoorten. Dit zijn dier- en plantensoorten die niet van nature in Nederland voorkomen en die:

  • in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd, dan wel die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten (art. 5, lid 1, sub a); of

  • niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting, dan wel die zodanige gelijkenis vertonen met bedoelde soorten dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten (art. 5, lid 1, sub b).

De aanwijzing van beschermde inheemse en uitheemse dier- en plantensoorten ter uitvoering van internationale en Europese verplichtingen kan per ministeriële regeling afgehandeld worden. Dit is ook gebeurd door middel van de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.[1598] In de regeling worden enkele inheemse plantensoorten als beschermd aangemerkt, omdat deze voorkomen op bijlagen van de Verordening. De regeling bepaalt tevens dat onder art. 5, lid 1, sub a van de wet (de ‘bedreigde’ soorten) onder meer de soorten genoemd in bijlage A van Verordening 338/97 vallen. Daarnaast vallen hieronder ook de in bijlage IV van de Habitatrichtlijn (zie § ???) genoemde soorten die niet al reeds op basis van de CITES-Verordening waren beschermd en enkele andere soorten.[1599] Onder art. 5, lid 1, sub b (de ‘kwetsbare’ soorten) vallen alle soorten genoemd in de bijlagen B, C en D[1600], alsmede enkele andere soorten[1601].

Een gevolg van deze aanwijzing is dat de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet gaan gelden voor deze soorten. Artikel 13 van de wet geeft een aantal verboden met betrekking tot het bezit, het vervoer, het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en de handel van zowel beschermde als niet-beschermde dier- en plantensoorten.[1602]

Vrijstellingen en ontheffingen

Artikel 75 van de Flora- en faunawet geeft de basis voor het verlenen van vrijstellingen en ontheffingen van de verbodsbepalingen van onder andere art. 13. Hiervoor zijn nadere regels gegeven in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten[1603] en de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet[1604]. Het besluit is minder relevant voor de in de Verordening vermelde soorten (dus met name de beschermde uitheemse soorten), daar het zichzelf grotendeels niet van toepassing verklaart op deze soorten (art. 3 van het besluit). De regeling is daarentegen juist wel van toepassing op deze soorten en geeft diverse vrijstellingsmogelijkheden. De in de regeling gegeven vrijstellingen gelden alleen indien er voldaan is aan de bepalingen van de Verordeningen 338/97 en865/2006[1605] en het bewijs hiervan overlegd wordt (art. 2, lid 1 van de regeling). Vrijstellingsmogelijkheden zijn er onder andere voor:

  • De invoer vanuit een derde land van specimens bestemd voor een lidstaat. Het gaat hier om specimens die via Nederland de Gemeenschap binnenkomen (art. 4) en om specimens die in een andere lidstaat binnenkomen en voor Nederland bestemd zijn (art. 3).

  • De doorvoer vanuit een derde land naar een ander derde land. Een vrijstelling kan gegeven worden voor het vervoersverbod en het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen (art. 6).

  • De in- en uitvoer van niet-levende specimens die vallen onder persoonlijke bezittingen of huisraad (art. 9).

  • De handel in en het bezit van gefokte of in gevangenschap geboren dieren en/of kunstmatig gekweekte planten (artt. 10-15). Vrijstellingen van het bezitsverbod zijn niet mogelijk voor onder meer tijgerbotten, hoorns van neushoorns, katachtigen en (levende) apen.

  • Specimens bestemd voor wetenschappelijke inrichtingen. Deze kunnen worden vrijgesteld van het vervoersverbod en het verbod op het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen (art. 18).

De regeling geeft de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstellingen voor gefokte vogels.[1606] Voor deze vrijstellingen gelden aanvullende voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat deze vogels voorzien dienen te zijn van een gesloten pootring met een uniek nummer (art. 12). In de Regeling afgifte en kenmerken gesloten pootringen en andere merktekens[1607] worden nadere regels gegeven met betrekking tot de technische specificaties, de aanvraag en afgifte van deze pootringen.

Een andere vrijstelling wordt gegeven door art. 13, lid 4 van de Flora- en faunawet zelf. Deze vrijstelling is alleen mogelijk voor de ‘kwetsbare’ soorten, aangewezen op grond van art. 5, lid 1, sub b. De vrijstelling van de verboden is bedoeld voor soorten die overeenkomstig de wet in Nederland zijn gebracht of overeenkomstig de Wet budep zijn verworven vóór de inwerkingtreding van de Flora- en faunawet.

Voor beschermde inheemse diersoorten waarop de Verordening van toepassing is, met uitzondering van inheemse vogels, bestaan geen vrijstellingen en geldt dat altijd een ontheffing nodig is voor het bezit.[1608]

Overige regelingen

Via de Regeling administratie bezit en handel in beschermde dier- en plantensoorten[1609] is, ter bevordering van de handhaving van de Flora- en faunawet, een administratie- en registratieplicht gecreëerd voor specimens van diverse dier- en plantensoorten. Op grond van de Regeling tarieven Flora- en faunawet[1610] is het mogelijk dat de minister van LNV een vergoeding vraagt voor de onkosten gemaakt bij het afgeven van onder andere in- en uitvoervergunningen en vrijstellingen.

Verordening 338/97 kent, evenals de Overeenkomst, enkele bepalingen om er voor te zorgen dat de dieren bij de in- en uitvoer goed behandeld worden. In Nederland worden regels omtrent het dierenwelzijn gegeven door de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren[1611]. Hierin worden onder meer regels gegeven met betrekking tot het vervoer van dieren.

De verboden van artikel 13, lid 1 van de Flora- en faunawet worden door de Wet op de economische delicten (Wed) aangemerkt als economische delicten (art. 1a Wed). Overtredingen van art. 13 leveren dus een misdrijf op indien opzettelijk begaan (art. 2 Wed).[1612]

Op grond van artikel 12 van Verordening 338/97 moeten de lidstaten de douanekantoren aanwijzen waar de controles en formaliteiten worden vervuld voor het binnenbrengen van de specimens in de Gemeenschap. Hieraan is uitvoering gegeven middels de Regeling aanwijzing douanekantoren beschermde dier- en plantensoorten[1613]. Hierin worden de luchthavens Schiphol en Maastricht aangewezen voor levende dieren en worden alle douanekantoren aangewezen voor levende planten of producten, nesten en eieren van dieren of producten van planten.

Verordening 338/97 vereist tevens dat lidstaten een wetenschappelijke autoriteit aanwijzen. In Nederland is dit de Commissie bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten (ook wel CITES-commissie genaamd) in Leiden. Deze commissie bestaat uit negen leden, werkzaam bij onder andere botanische tuinen en dierentuinen.

9.5.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

In Nederland is de minister van Economische Zaken, Landbouw & Innovatie (EL&I; voorheen LNV) belast met de uitvoering van de Europese Verordeningen. Deze taak is gemandateerd aan het CITES-bureau, onderdeel van de Dienst Regelingen van het ministerie van EL&I. Bij deze dienst moeten de aanvragen voor vergunningen en vrijstellingen worden ingediend. De Algemene Inspectiedienst (AID) is de controledienst en opsporingsdienst bij de bestrijding van illegale handel in bedreigde dieren en planten in Nederland. De AID ondersteunt de douane en politie door het leveren van kennis en expertise op het gebied van CITES en de Flora- en faunawet.

In 2000 heeft de Stuurgroep CITES gerapporteerd over mogelijkheden om de internationale illegale handel in bedreigde dier- en plantensoorten, gepleegd in of vanuit Nederland terug te dringen.[1614]

Naar aanleiding van dit rapport heeft de minister aangegeven in te zetten op 4 hoofdlijnen op het gebied van de handhaving:

  • versterken van de coördinatie en aansturing door het OM;

  • inbedding CITES-opsporingsonderzoeken in de LMG;

  • start van een criminaliteitsbeeld analyse ter verkrijging van een meer integraal beeld van de (illegale) handel met Nederlandse betrokkenheid;

  • blijvende aandacht voor ‘regulier’ toezicht en controle.[1615]

Tabel ???4 geeft een overzicht van de aantallen door de Nederlandse douane en politie inbeslaggenomen dieren en planten en/of producten daarvan . Er is gesuggereerd dat het zou gaan om het topje van de ijsberg en dat er in werkelijkheid honderdduizenden beschermde soorten de Nederlandse grens overkomen. [1616]Nederland zou een belangrijke rol spelen in de illegale handel in dieren en planten als doorvoerland.

<!-- --> <!-- -->

Dieren

Planten

Levend

Dood

Levend

Dood

2000

2070

27044

14390

4826

2001

3430

6849

30955

2904

2002

2561

5009

95208

1341

2003

2180

3719

38182

4542

2004

1822

4170

259690

18600

2005

5271

3798

11824

3976

2006

3455

2279

13929

857


In Nederland worden zogenaamde ‘rode lijsten’ opgesteld.[1617] De lijsten geven aan welke soorten van bepaalde soortgroepen bedreigd worden en in welke mate. Opname van een soort in een dergelijke lijst verplicht de overheid tot speciale actieve beschermings­maatregelen voor die soort. Eén van deze werkzaamheden is het opstellen van soortbeschermingsplannen (artikel 7 Flora- en faunawet).

Het Wereld Natuur Fonds en IUCN hebben in 1976 TRAFFIC opgericht. Dit onafhankelijke onderzoeksbureau brengt de handel in bedreigde dieren en planten in kaart, legt smokkelroutes bloot en signaleert welke landen onvoldoende optreden tegen de illegale handel. Samen met het Wereld Natuur Fonds brengt TRAFFIC regeringen van deze feiten op de hoogte en oefent druk uit om in te grijpen.[1618]

Referenties

Engler, M., R. Parry-Jones. Opportunity or threat: the role of the European Union in global wildlife trade. Traffic Europe.

LNV, Ministerie van (2002a). Bescherming van planten en dieren: over de Flora- en faunawet. Brochure no. 3, Den Haag, juli 2002.

LNV, Ministerie van (2002b). Handel, bezit en prepareren. Over de Flora- en faunawet in Nederland. Den Haag, mei 2002.

Stuurgroep CITES (2000). Eindverslag Project CITES 1994-1998. Amsterdam, november 2000.

Uhm, D.P. van (2009). Illegale dierenhandel en de rol van Nederland. Scriptie criminologie. Universiteit Utrecht.

Vinke, C.M. en I.M. Koopmans (1997). De illegale handel in dieren en planten. Milieu & Recht 24 (3), pp. 52-57.

[1587] PbEG C 356, 8.12.1999.

[1588] Aanbeveling 2007/425/EG, PbEU L159, 20.6.2007.

[1589] COM(91)448, PbEG C26 3.2.1992.

[1590] COM(93)599 en COM(96)517.

[1591] Stb. 1975, 48.

[1592] Stb. 1984, 570.

[1593] Stb. 1994, 575.

[1594] Zie Vinke & Koopmans (1997), p. 54.

[1595] Stb. 1998, 402.

[1596] LNV (2002a), p. 6.

[1597] LNV (2002b).

[1598] Stcrt. 2002, 51.

[1599] Het gaat hier om alle soorten primaten (apen en halfapen) en enkele katachtigen. Zie Bijlage 3 bij de regeling.

[1600] Met inachtneming van de tot die bijlagen behorende opmerkingen over de interpretatie daarvan, en met uitzondering van de daarin voorkomende beschermde inheemse dier- en plantensoorten.

[1601] Het gaat hier om de Canadese bever, coyote, sabelmarter, wasbeer, muskusrat, Canadese marter, Canadese das, Amerikaanse marter, de zadelrob en de klapmuts. De aanwijzing van deze soorten vloeit voort uit andere Europese verplichtingen (zie § ??? en ???).

[1602] De Europese Commissie heeft naar aanleiding van een klacht verzocht om de verboden voor niet-beschermde soorten niet in werking te laten treden, omdat dit zou leiden tot een conflict met de bepalingen van het vrije verkeer van goederen in de Gemeenschap en tevens aanleiding zou kunnen geven tot strijd met bepalingen van de Wereldhandelsorganisatie (WTO). Zie TK 2000-2001, 23147, nr. 127.

[1603] Stb. 2000, 525.

[1604] Stcrt. 2002, 51.

[1605] Het gaat dan om bepalingen met betrekking tot de aanvraag, afgifte, vorm, inhoud, overlegging en geldigheid en het gebruik van invoervergunningen, kennisgevingen van invoer en certificaten, dan wel afschriften daarvan, alsmede van merken en etiketten.

[1606] Ook het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten geeft deze mogelijkheid, maar dan voor gefokte vogels, behorende tot een beschermde inheemse diersoort.

[1607] Stcrt. 2002, 51.

[1608] http://www.minlnv.nl/cites (geraadpleegd op 4 september 2003).

[1609] Stcrt. 2002, 51.

[1610] Stcrt. 2001, 220.

[1611] Stb. 1994, 447.

[1612] In het geval van een misdrijf is de maximale straf zes jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vijfde categorie. In het geval van een overtreding is de maximale straf een jaar gevangenisstraf of een geldboete van de vierde categorie.

[1613] Stcrt. 2001, 220.

[1614] Stuurgroep CITES (2000), p. 3.

[1615] Brief van de minister van LNV aan de Tweede kamer van 16 februari 2001, lnv0000209.

[1616] Uhm (2009).

[1617] Officiële rode lijsten worden in de Staatscourant gepubliceerd. Ook op internationaal niveau worden rode lijsten geproduceerd. Zie www.iucn.org. Rode lijsten zijn in Nederland opgesteld voor de volgende voor de Flora- en faunawet relevante soorten: dagvlinders, libellen, reptielen en amfibieën, zoetwatervissen, zoogdieren en vogels.

[1618] Zie onder andere Engler & Parry-Jones (2007).