894/97 (PbEG L132 23.5.97) | Verordening houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden |
1239/98 (PbEG L171 17.6.98) | Wijziging betreffende drijfnetten |
809/2007 (PbEU L182 12.7.2007) | Wijziging betreffende drijfnetten |
1185/2003 (PbEU L167, 4.7.2003) | Verordening betreffende het afsnijden van haaienvinnen aan boord van vaartuigen |
812/2004 (PbEU L150 30.4.2004) | Verordening tot vaststelling van maatregelen betreffende de bijvangsten van walvisachtigen bij de visserij |
2187/2005 (PbEU L349 31.12.2005) | Verordening betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont |
1967/2006 (PbEU L409 30.12.2006) | Verordening inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee |
520/2007 (PbEU L123, 12.5.2007) | Verordening tot vaststelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden |
Rechtsgrondslag | Artikel 43 EG-verdrag (thans art. 43 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Naleving van Verordening 1239/98 | 1 januari 2002 |
Naleving van Verordening 1185/2003 | 2 september 2003 |
Naleving van Verordening 602/2004 | 23 augustus 2004 |
Naleving van Verordening 812/2004 | 1 juli 2004 |
Naleving van Verordening 1568/2005 | 5 oktober 2005 |
Naleving van Verordening 2187/2005 | 1 januari 2006 |
Naleving van Verordening 520/2007 | 1 juni 2007 |
NB: Een groot deel van Verordening 894/97 is per 1 januari 2000 ingetrokken door Verordening 850/98 (PbEG L125, 27.4.1998). Artikel 11 van Verordening 894/97, dat hier relevant is, is echter nog van kracht. | |
Regeling technische maatregelen 2000 | Stcrt. 1999, 252 (en wijzigingen) |
De netten die worden gebruikt in de visserij vangen niet slechts vis die is bestemd voor de commerciële handel. Een aantal andere zeebewoners (vissen, zoogdieren en schildpadden) raken eveneens verstrikt in de netten. Twee typen zeer beruchte netten in dit verband zijn de zogenaamde drijfnetten en ringzegens. Drijfnetten zijn netten die ten opzichte van het wateroppervlak verticaal achter de boot hangen en ringzegens zijn netten die de vis eerst insluiten alvorens te worden ingehaald, zodat de vissen in de val zitten. Het doel van art. 11 van Verordening 894/97 is onder meer het verbieden van het gebruik van drijfnetten die langer zijn dan 2,5 km. Verordening 520/2007 legt beperkingen op aan het op een a-selectieve manier gebruik maken van ringzegens en verbiedt het gebruik in bepaalde periodes, teneinde de sterfte onder zeezoogdieren te verminderen. Het doel van Verordening 1185/2003 is het tegengaan van de praktijk van het afsnijden van haaienvinnen aan boord. Na het afsnijden van de vinnen worden de overige delen van de haai gewoonlijk overboord gegooid. Verordening 812/2004 heeft tot doel het verminderen van de bijvangst van walvisachtigen.
De Verordeningen vormen een onderdeel van een serie complexe wetgevingsmaatregelen die zijn aangenomen in het kader van het Gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). De Verordeningen bevatten technische instandhoudingsmaatregelen die bestaan uit voorschriften met betrekking tot de te gebruiken uitrusting teneinde de samenstelling van de visvangst te beïnvloeden.
Artikel 11 van Verordening 894/97, zoals gewijzigd bij Verordeningen 1239/98 en 809/2007, bevat een compleet verbod op het gebruik van drijfnetten voor de vangst van bepaalde in een bijlage opgenomen soorten. Dit verbod is van kracht geworden per 1 januari 2002. Sinds deze datum is het tevens verboden drijfnetten aan boord te hebben en de met drijfnetten verrichte vangsten aan wal te brengen. De soorten waarop het verbod van toepassing is, zijn een aantal soorten tonijn (bijv. grootoog-, geelvin- en pacifische tonijn), marlijn, zwaardvis, dolfijnvis en een aantal haaiensoorten. Het betreft niet alle grote zeevissen waarop door EU-vissers wordt gevist. Het verbod is van toepassing op alle wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de lidstaten vallen met uitzondering van de Oostzee, de Kleine en de Grote Belt en de Øresund, en buiten die wateren, op alle vissersvaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren of in een lidstaat zijn geregistreerd.
Op grond van artikel 23 mogen alleen vaartuigen die vissen overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de Overeenkomst inzake het internationale programma voor het behoud van dolfijnen (zie § ???) en die beschikken over een ‘dolfijnsterftelimiet’ (DSL) scholen of groepen dolfiijnen met ringzegens insluiten bij het vissen op geelvintonijn in het oostelijk deel van de Stille Oceaan. De DSL’s zijn vastgesteld in artikel V van genoemde Overeenkomst.
Vóór 15 september van elk jaar moeten de lidstaten aan de Commisie de volgende gegevens toezenden (art. 24):
een lijst van vaartuigen die hun vlaggen voeren en een DSL hebben gevraagd voor het gehele volgende jaar;
een lijst van de vaartuigen die hun vlaggen voeren en die een DSL hebben gevraagd voor de eerste of de tweede helft van het volgende jaar;
voor elk vaartuig dat een DSL aanvraagt, een certificaat waaruit blijkt dat het vaartuig beschikte over alle voor de bescherming van dolfijnen vereiste vistuigen en apparatuur en dat de kapitein een erkende opleiding heeft gevolgd in de techniek van het opnieuw overboord zetten en het redden van dolfijnen;
een lijst van de vaartuigen die in de loop van het volgende jaar misschien in het oostelijk deel van de Stille Oceaan zullen gaan vissen.
Op grond van art. 7 is het verboden gestreepte tonijn, grootoogtonijn en geelvintonijn die met ringzegens zijn gevangen in de meeste Portugese wateren aan boord te houden of in die wateren met ringzegens op deze soorten te vissen. Ook is het in bepaalde perioden van het jaar verboden met ringzegens te vissen op blauwvintonijn in de Middellandse Zee (art. 6).
Verordening 1967/2006 verbiedt het vissen met trawlnetten, dreggen, ringzegens, bootzegens, landzegens of soortgelijke netten boven bepaalde zeegrasvelden (art. 4), op een uitzondering na in het geval dat het vistuig de zeegrasvelden niet zal raken. Tevens verbiedt de Verordening het binnen 3 zeemijl uit de kust of, waar deze diepte op kortere afstand van de kust wordt bereikt, binnen het gebied bepaald door de dieptelijn van 50 meter, gesleept vistuig te gebruiken.
Overigens zijn er verschillende specifieke Verordeningen van kracht die het gebruik van trawlnetten in bepaalde visgebieden inperken. De relevantie van deze Verordeningen voor (de) Nederland(se vissersvloot) is echter minimaal.
Artikel 3 van de Verordening bepaalt dat het verboden is om haaienvinnen aan boord af te snijden, over te laden of aan te landen (lid 1). Het is eveneens niet toegestaan om vinnen te kopen, te koop aan te bieden of te verkopen indien deze in strijd met de Verordening zijn afgesneden, overgeladen of aangeland (lid 2). Van dit verbod kan afgeweken worden door vaartuigen die in het bezit zijn van een ‘speciaal visdocument’, welke onder bepaalde voorwaarden kan worden afgegeven (art. 4). De kapiteins van de vaartuigen die in het bezit zijn van zulke documenten zullen gegevens met betrekking tot de vinnen moeten bijhouden.
Verordening 812/2004 bepaalt dat vaartuigen van langer dan 12 meter in bepaalde gebieden (waaronder de Oost- en Noordzee) niet van specifiek visserijwerktuig (waaronder kieuw- en drijfnetten) gebruik mogen maken als het vaartuig niet tevens voorzien is van akoestische afschrikmiddelen (art. 2). Deze middelen moeten aan bepaalde technische minimumspecificaties voldoen (art. 3). Lidstaten dienen toezicht uit te oefenen op de visserijactiviteiten en de bijvangst van walvisachtigen door het aanstellen van waarnemers op zee (artt. 4-5), en dienen jaarlijks over de tenuitvoerlegging van de Verordening te rapporteren aan de Commissie (art. 6). De Verordening introduceert ook beperkingen voor het gebruik van drijfnetten in de Oostzee, de Belten en de Øresund middels een wijziging van Verordening 88/98 (art. 9). Deze laatste Verordening is inmiddels ingetrokken door Verordening 2187/2005, waar nu de beperkende voorwaarden voor drijfnetten in zijn opgenomen.
De Europese Gemeenschap kent een relatief lange geschiedenis van technische instandhoudingsmaatregelen gericht op met name het beschermen van jonge exemplaren van visbestanden waar commercieel op wordt gevist. De eerste in een reeks van zulke maatregelen werd in de jaren ’70 aangenomen. Hoewel het Gemeenschappelijk Visserijbeleid toentertijd nog in de kinderschoenen stond verliep de goedkeuring van Gemeenschappelijke maatregelen zonder grote problemen. De belangrijkste redenen hiervoor waren dat de meeste lidstaten reeds technische maatregelen hanteerden en dat de aangenomen maatregelen overeenstemden met aanbevelingen van de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC).[1619]
Begin jaren ’80 werden meer gezamenlijke pogingen gedaan om visactiviteiten te reguleren, die leidden tot de goedkeuring van Verordening 171/83. Deze stelde aparte Europese visserijregio’s vast en gaf standaardmaten voor de maaswijdte voor elk van deze regio’s. Tevens werd aangegeven voor welke soorten en in welke regio’s smallere maaswijdten konden worden gebruikt. De Verordening werd enkele malen gewijzigd voordat deze in 1986 werd vervangen door Verordening 3094/86. Deze tweede Verordening werd ook meerdere keren gewijzigd.
Tot de meer controversiële voorstellen ter wijziging van Verordening 3094/86 behoorde het voorstel tot een verbod op de boomkorvisserij in de Golf van Biskaje. Dit voorstel werd verdedigd op grond van het feit dat de gevolgen van deze visserijmethode op commerciële vissoorten levend op dit type zeebodem niet goed bekend waren. Daarom zou, gezien het gebrek aan kennis, het gebruik van dit soort vistuig verboden moeten worden. Dit voorstel betrof dus een vroege, zo niet de eerste toepassing van het voorzorgsbeginsel met betrekking tot het GVB. Het was tevens in strijd met de specifieke eis van Verordening 171/83 dat instandhoudingsmaatregelen noodzakelijk voor het bereiken van de doelstellingen van het instandhoudingsbeleid met inachtneming van de beschikbare wetenschappelijke gegevens vastgesteld moesten worden.
Verordening 894/97 versterkt en vervangt Verordening 3094/86 en de verscheidene wijzigingen hiervan, waaronder Verordeningen 345/92 en 3034/92. Met uitzondering van enkele artikelen (te weten artt. 11, 18, 19 en 20) is Verordening 894/97 weer vervangen door Verordening 850/98.
Het voorstel om het gebruik van boomkorren in de Golf van Biskaje te verbieden viel samen met een andere voorzorgsmaatregel om het gebruik van drijfnetten met een grote omvang op zee uit te faseren. Het gebruik van drijfnetten dateert al van oudsher; kleine netten zijn al eeuwen gebruikt in de kustvisserij. Drijfnetten van grote omvang zijn relatief nieuw. Dit geeft aan dat er steeds intensievere visserijtechnieken gehanteerd worden. Deze grote netten worden veel gebruikt in het noordelijk deel van de Stille Oceaan. Sommigen van die netten zijn ongeveer 50 kilometer lang. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de vissoorten waarop gevist wordt, met name tonijn en pijlinktvis, maar ook voor andere zeebewoners.
In het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan werden grote drijfnetten voor het eerst door Europese vissers gebruikt in 1987 om witte tonijn te vangen. Deze vissers waren afkomstig uit Frankrijk, maar in het begin van de jaren ’90 volgden tevens vissers uit het Verenigd Koninkrijk en Ierland hun voorbeeld. Deze vismethode is vervolgens ook veelvuldig toegepast door vissers in de Middellandse Zee door met name de grote Italiaanse vloot voor het vangen van zwaardvis en tonijn.[1620] In de Oostzee worden lange drijfnetten gebruikt bij de zalmvisserij op volle zee. Kleinere drijfnetten worden tevens ingezet bij de visserij op zalm en andere soorten in een aantal lidstaten.
Als gevolg van de bezorgdheid over de gevolgen van het gebruik van grote drijfnetten nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties Resolutie 44/225 over grootschalige drijfnetvisserij op zee en de gevolgen daarvan voor de levende rijkdommen van de zee aan op 15 maart 1990. De Resolutie werd vlak daarna gevolgd door Resoluties 45/147 uit maart 1991 en 46/215 uit februari 1992. Deze riepen op tot een moratorium op het gebruik van drijfnetten en bevolen aan om op korte termijn aanzienlijk minder gebruik te maken van drijfnetten. Een aantal aanbevelingen ter voorkoming van een toename in het gebruik van drijfnetten werd ook gedaan in andere internationale milieu- en visserijfora, waaronder de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijnachtigen in de Atlantische Oceaan (ICCAT) en de Conferentie van de Verenigde Naties over Milieu en Ontwikkeling (UNCED).
De VN Resoluties werden in 1992 gevolgd door een Europees verbod op ‘grote’ drijfnetten, met andere woorden drijfnetten langer dan 2,5 kilometer.[1621] De bezorgdheid over de aard en de omvang van de bijvangst van andere soorten in de drijfnetvisserij hield echter aan. Sommige van deze soorten zijn immers beschermd onder Europees of internationaal recht (zie § ???, ??? en ???). Daarnaast had de drijfnetvisserij gevolgen voor de hoeveelheid vis die nog gevangen kon worden met behulp van meer traditionele en minder intensieve methoden. Dit was de aanleiding voor een langdurig conflict tussen de Spaanse en Franse vissers in de Golf van Biskaje in 1994. Daarnaast was er bewijs dat het verbod veelvuldig overtreden werd door vaartuigen in de Middellandse Zee.
In 1994 riep de Commissie in een voorstel op om op termijn de drijfnetvisserij te verbieden.[1622] Hoewel dit voorstel brede steun kreeg van de milieubeweging en tevens van het Europees Parlement en Spanje, werd onvoldoende steun verworven in de Raad voor zo’n verbod. In 1997-98 kwam echter verandering in deze situatie toen de regering van het Verenigd Koninkrijk aankondigde een verbod te steunen en hierover overeenstemming wist te bereiken tussen een voldoende aantal lidstaten. Dit kon echter alleen maar bereikt worden nadat drijfnetten, die gebruikt werden voor het vangen van zalm en zeeforel, alsmede de visserij in de Oostzee, de Belten en de Øresund, van het toepassingsbereik van het voorstel waren uitgesloten.
Ringzegens zijn lange, diepstekende netten die worden gebruikt om scholen vissen van opzij en van onder in te sluiten, waardoor voorkomen wordt dat vissen ontsnappen door onderwaarts weg te zwemmen. Geavanceerde geluidsapparatuur wordt vaak gebruikt om de vissen op te sporen, voordat de netten worden afgeschoten. Bij de tonijnvisserij worden soms ook vliegtuigen of helikopters gebruikt.
De ringzegen is ontworpen om alle omcirkelde vissen vast te houden, waardoor dus ook andere soorten gevangen kunnen worden, zoals dolfijnen die boven de vissen waarop gevist wordt zwemmen. De tonijnvisserij in het oostelijk deel van de Stille Oceaan is berucht voor deze vorm van visvangst. Vissers richten hun netten in dit gebied juist op groepen dolfijnen, omdat scholen volwassen geelvintonijn de neiging hebben hieronder te zwemmen. Volgens de gegevens van de Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn (IATTC) zijn gedurende dertig jaar ongeveer zeven miljoen dolfijnen gestorven als een direct gevolg van tonijnvisserij in de regio.[1623]
In de EU worden ringzegens gebruikt bij de vangst van makreel en haring door met name Schotse en Ierse vissers. In de Middellandse Zee worden de netten gewoonlijk gebruikt voor de visserij op sardines, ansjovis en tonijn. De grotere ringzegens voor de visserij op tropische tonijn worden daarnaast gebruikt door vaartuigen die in de oceanen vissen en die hun ligplaats hebben in Spaanse en Franse havens.[1624] Er waren echter geen Europese vaartuigen betrokken bij de visserij in het oostelijk deel van de Stille Oceaan toen de Gemeenschap besloot om het insluiten van dolfijnen te verbieden bij de tonijnvisserij.
In 1998 werd de Overeenkomst inzake het internationale programma voor het behoud van dolfijnen ondertekend (zie § ???). Het programma is gericht op het beperken van de dolfijnsterfte ten gevolge van de tonijnvisserij in het oostelijk deel van de Stille Oceaan tot niet meer dan 5000 per jaar. Vaartuigen die aan bepaalde eisen voldoen, zoals het hebben van een bemanning die opgeleid zijn om dolfijnen te bevrijden of het toepassen van bepaalde reddingstechnieken, kunnen een jaarlijkse ‘dolfijnsterftelimiet’ (DSL) aanvragen, die hen toestaat om dolfijnen in te sluiten bij het vissen op tonijn. De EU diende een lijst van vijf vaartuigen in ter verkrijging van een limiet voor 1999. Om een conflict met het eigen verbod op de ringzegenvisserij te voorkomen werd een tijdelijke wijziging van Verordening 850/98 aangenomen.[1625] De bepalingen met betrekking tot het insluiten van dolfijnen werden eerst (vanaf mei 2001) opgenomen in Verordening 973/2001; inmiddels is deze ingetrokken en vervangen door Verordening 520/2007.
De EU heeft al sinds de jaren ’90 actie ondernomen om het vissen met sleep- of trawlnetten in de wateren van de Gemeenschap tegen te gaan. Verordening 1967/2006 verbiedt het gebruik van dit soort netten in bepaalde zeegrasvelden op een kleine uitzondering na. Hiermee zijn de verboden van Verordening 1626/1994 overgenomen, welke is ingetrokken door de nieuwe Verordening.
De praktijk van het ‘vinnen’ van haaien houdt in dat de vinnen van gevangen haaien worden afgesneden, waarna de haai weer terug in zee wordt gegooid. Daarmee wordt slechts een klein deel van de haai gebruikt. De haaienvinnen worden met name gebruikt in Oost-Azië, waar deze in haaienvinnensoep verwerkt worden. Vanwege de langzame voortplantingscycli van haaien bestaat daardoor het gevaar dat de haaienpopulaties op niet-duurzame wijze worden geëxploiteerd.
Deze zorg werd onderkend door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), die in 1999 het Internationaal actieplan voor haaien aannam. Onder verwijzing naar dit document dienden vijf Europarlementariërs eind 2001 een ontwerpresolutie in waarin de Commissie werd verzocht een verbod voor te stellen op het afsnijden van haaienvinnen, alsmede op het aan land brengen van de vinnen door alle in de EU-lidstaten geregistreerde vaartuigen.[1626] Een klein jaar later, in augustus 2002, diende de Commissie een voorstel in. Op 26 juni 2003 werd het voorstel door de Raad goedgekeurd.
Bezorgdheid over de instandhouding van de populaties van walvisachtigen (met name de bedreigde bruinvis) leidde de Commissie in 2003 tot een voorstel om de bijvangst van walvisachtigen in de Europese visserij te adresseren.[1627] Op basis van wetenschappelijke informatie concludeerde de Commissie dat de bestaande bescherming op basis van de Habitatrichtlijn en Verordening 894/97 onvoldoende was.
In Nederland wordt aan de hierboven genoemde Verordeningen, alsmede aan andere Verordeningen, uitvoering gegeven door de Regeling technische maatregelen 2000.[1628] Deze regeling trad in werking op 1 januari 2000.
De door Verordening 1239/98 gewijzigde bepalingen van Verordening 894/97 zijn door middel van een wijziging van de regeling geïmplementeerd.[1629] Hierdoor werd het ook in Nederland verboden om na 1 januari 2002 nog bepaalde vissen te vangen met behulp van drijfnetten. Tevens is het gedeeltelijke verbod van Verordening 520/2007 op het gebruik van ringzegens via een wijziging van de regeling in de Nederlandse wetgeving opgenomen[1630] en zijn middels een kleine technische wijziging de verboden van Verordening 1967/2006 overgenomen[1631].
Ook het verbod op het afsnijden van haaienvinnen geïmplementeerd door middel van een wijziging van de regeling.[1632] Bij de toelichting op de wijziging van de Regeling technische maatregelen 2000 naar aanleiding van Verordening 1185/2003 wees de minister van LNV er op dat de Nederlandse visserijsector niet actief is in de haaienvisserij en dat het afsnijden van vinnen dus ook niet plaatsvindt aan boord van Nederlandse vaartuigen. Op grond daarvan zijn geen bepalingen gegeven met betrekking tot het uitgeven van ‘speciale visdocumenten’. Wel wordt aangegeven dat deze situatie kan veranderen als hier belangstelling voor is.
Verordening 812/2004 heeft tenslotte ook geleid tot een wijziging van de regeling.[1633] Met betrekking tot het gebruik van drijfnetten (en de daarbijbehorende bijvangst)_in Oostzee, de Belten en de Øresund verwijst de regeling echter nog wel naar de inmiddels ingetrokken Verordening 88/98 en nog niet naar Verordening 2187/2005 (art. 13, lid 3).
De bovengenoemde Verordeningen zijn voor Nederland relatief van minder belang. De Nederlandse visserijvloot gebruikt geen drijfnetten en dit gebeurt ook niet in de Nederlandse wateren.[1634] Tevens zijn de Nederlandse (tonijn)vissers niet actief in het oostelijk gedeelte van de Stille Oceaan.[1635] Tenslotte, zoals hierboven al is beschreven, is Nederland niet actief in de haaienvisserij.
Europese Commissie (1994). Het gebruik van grote drijfnetten in het kader van het GVB. Luxemburg: Europese Commissie. COM(94)50, 8.4.94.
Europees Parlement (1991). Europees Parlement Commissie landbouw, visserij en plattelandsontwikkeling. Verslag over het gebruik van ringzegens in de tonijnvisserij en de gevaren voor zeedieren en andere soorten waar niet op gevist wordt. A3-0249/91. Rapporteur: David Morris.
Europees Parlement (2002). Europees Parlement Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid. Verslag over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement “Behoud van de biolgische diversiteit – Actieplannen op het terrein van het behoud van natuurlijke hulpbronnen, landbouw, visserij, alsmede ontwikkelingssamenwerking en economische samenwerking.” (COM(2001)0162 0162 – C5-0467/2001 – 2201/2189(COS)). A5-0063/2002. Rapporteur: Marie-Anne Isler Béguin.
Holden, M. (1994). The Common Fisheries Policy: origin, evaluation and future. Oxford: Fishing News Books.
Nédélec, C. (1996). Fishing Gear in the European Community. Luxembourg: Commission of the European Communities.
[1619] Holden (1994).
[1620] Europese Commissie (1994).
[1621] Verordening 345/92.
[1622] COM(1994)131.
[1623] Europees Parlement (1991).
[1624] Nédélec (1996).
[1625] Verordening 48/1999.
[1626] Europees Parlement (2002).
[1627] COM(2003)451.
[1628] Stcrt. 1999, 252, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2003, 142.
[1629] Stcrt. 1998, 196.
[1630] Stcrt. 2001, 250.
[1631] Stcrt. 2007, 21.
[1632] Stcrt. 2003, 142.
[1633] Stcrt. 2005, 254.
[1634] TK 1997-1998, 25 600 XIV, nr. 33.
[1635] TK 1998-1999, 22 112, nr. 111.