348/81 (PbEG L39, 12.2.1981) voorgesteld 25.4.80 – COM(80)150 | Verordening van de Raad betreffende de invoer van producten afkomstig van walvisachtigen |
Deze Verordening is niet ingetrokken, maar opgenomen in Verordening 3626/82 (die vervolgens is vervangen door Verordening 338/97) die betrekking heeft op de invoering van de CITES-overeenkomst (zie § ???) | |
Bindende termijnen Commissie dient geïnformeerd te worden over de bevoegde autoriteiten per | 1 juli 1981 |
Handelsverbod van kracht per | 1 januari 1982 |
Flora- en faunawet | Stb. 1998, 402 (en wijzigingen) |
Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet | Stb. 2000, 523 (en wijzigingen) |
Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet | Stcrt. 2002, 51 (en wijzigingen) |
Verordening 348/81 bevatte maatregelen ter beperking van de internationale handel in producten van walvisachtigen. Deze Verordening is naderhand opgenomen in Verordening 3626/82, die diende ter de implementatie in de Gemeenschap van de overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), welke van kracht werd op 31 december 1982 (zie § ???). Verordening 3626/82 is inmiddels ingetrokken en opgenomen in Verordening 338/97.
Vanaf 1 januari 1982 kunnen bepaalde, in een bijlage opgesomde producten, slechts nog in de Gemeenschap worden ingevoerd wanneer een invoervergunning kan worden overlegd. Deze vergunning werd niet afgegeven voor producten die voor commerciële doeleinden waren bestemd (art. 1).
De bijlage somt een aantal producten afkomstig van walvisachtigen op, zoals vlees en slachtafval, walvisbaarden, vetten, oliën, walschot (spermaceti) en producten behandeld met walvisolie of olie van andere walvisachtigen, of vervaardigd uit leder of voorgelooide huiden welke met genoemde olie behandeld zijn (bijv. bepaalde soorten handtassen en schoenen). De bijlage omvat 95 % van alle secundaire walvisproducten, maar sluit cosmetica en smeermiddelen die een kleine hoeveelheid walvisproduct bevatten uit.
Lidstaten zijn gehouden om de Commissie de namen van de aangewezen bevoegde instanties die belast zijn met het afgeven van vergunningen door te geven, de Commissie moet deze op haar beurt weer doorgeven aan de andere lidstaten.
De Verordening voorziet in de oprichting van een comité dat belast is met het geven van adviezen over de toepassing van de Verordening. Een afgevaardigde van de Commissie is de voorzitter van dit comité.
De Commissie heeft de bevoegdheid om implementatie-Verordeningen vast te stellen indien het comité het daar mee eens is. De Commissie heeft tevens de mogelijkheid zelfstandig Verordeningen vast te stellen, zelfs wanneer het comité een andere mening heeft, door een voorstel te doen aan de Raad. Wanneer de Raad niet binnen drie maanden reageert op het voorstel van de Commissie heeft zij eveneens de mogelijkheid de Verordening vast te stellen.
De Milieuactieprogramma’s spreken nergens over een invoerverbod op walvisproducten. De oorsprong van Verordening 348/81 kan dan ook gevonden worden in een Brits initiatief uit oktober 1979. De Verordening toont aan dat de Gemeenschap soms snel te werk kan gaan: het voorstel voor de Verordening werd gedaan in april 1980, er werd een principe-akkoord bereikt in juni, het voorstel werd aangenomen in december en een jaar later trad het invoerverbod in werking.
In het Verenigd Koninkrijk bestond al sinds 1973 een invoerverbod voor producten van baardwalvissen. Dit verbod strekte zich echter niet uit tot producten van potvissen, waarvan de olie werd gebruikt voor het behandelen van leer en voor andere doeleinden. In juli 1979 slaagde de Internationale Walviscommissie er bijna in om een verbod op de commerciële walvisjacht in te voeren. Er werd wel overeengekomen om de commerciële walvisjacht door fabrieksvaartuigen te verbieden. Dit verbod gold niet voor de dwergvinvis. Dit verbod had als gevolg had dat het aantal gedode potvissen verminderde, maar kon niet voorkomen dat de oliën van potvissen werden aangeboden. De Britse regering oefende daarom druk uit om een verbod te bewerkstelligen op Gemeenschapsniveau. In 1980 stelde de Commissie, op verzoek van de Britse regering, een Verordening voor waarmee de invoer van de belangrijkste walvisproducten verboden zou worden.
Het Europees Parlement verwelkomde het voorstel in een uitgebreide Resolutie. Het Parlement was van mening dat de reikwijdte van het voorstel uitgebreid moest worden naar alle producten waarvan kon worden aangetoond worden dat deze van walvisachtigen afkomstig waren. De Resolutie van het Parlement ging ook verder dan het voorstel van de Commissie in die zin dat het Parlement voorstelde om naast het invoerverbod ook onder meer een verbod op de walvisjacht in de Europese wateren uit te vaardigen.
In de Raad van 30 juni 1980 werd een principe-akkoord bereikt over de Verordening. Daarvoor was wel uitvoerig gediscussieerd over drie kwesties: de juridische grondslag voor het verbod; de vraag of lidstaten verder mochten gaan dan de Gemeenschapswetgeving; en de lijst met producten die onder het verbod zouden vallen. De laatste twee punten werden al snel opgelost. Alleen de juridische grondslag bleef een openstaande kwestie: moest de Verordening gebaseerd worden op artikel 113 EG-Verdrag (thans art. 133VwEU) over het handelsbeleid of op artikel 235 EG-verdrag(thans art. 308 VwEU), waarmee grotere algemene bevoegdheden aan de Raad zouden worden toegewezen. Uiteindelijk werd gekozen voor artikel 235.
Verordeningen van de Gemeenschap hoeven niet omgezet te worden in Nederlandse wetgeving, maar hebben rechtstreekse werking. Aangezien de invoer van walvisproducten inmiddels onder de CITES-Verordening valt (zie §???), zijn de walvisachtigen die opgenomen zijn in de bijlagen van deze Verordening (waaronder alle grote walvisachtigen) aangewezen als ‘beschermde uitheemse diersoorten’ via de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.[1636] Daardoor gelden de verschillende handelsverboden van artikel 13 van de Flora- en faunawet ook voor walvisproducten.
[1636] Stcrt. 2002, 51.