10.7 Materieel voor gebruik buitenshuis
10.7.1 Overzicht van EU regelgeving
Opmerking: Per 3 januari 2002 zijn de Richtlijnen 79/113, 84/532 t/m 84/538 en 86/662, die betrekking hadden op de geluidsproductie van diverse soorten bouwmachines en van gazonmaaiers, ingetrokken.
10.7.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving
10.7.3 Doelstelling van de Richtlijn
Richtlijn 2000/14 vervangt een aantal eerdere Richtlijnen, die betrekking hadden op de geluidsproductie van een aantal soorten bouwmachines en van gazonmaaiers. De nieuwe Richtlijn breidt tevens het toepassingsgebied uit met ander materieel voor gebruik buitenshuis en verlaagt de voorgaande geluidsniveaugrenzen voor het meeste materieel voor gebruik buitenshuis. Evenals haar voorgangers heeft 2000/14 zowel een goede werking van de interne markt als de bescherming van de menselijke gezondheid en het welzijn tot doel. De Richtlijn heeft geen betrekking op de geluidsniveaus zoals de gebruiker van het materieel die ondergaat. Hiervoor is een aparte ‘Machine-Richtlijn’ van kracht (89/392, zoals gewijzigd bij 91/368).
10.7.4 Samenvatting van de Richtlijn
De Richtlijn is van toepassing op 57 soorten machines en werktuigen, die in art. 12 en 13 genoemd en in Bijlage I gedefinieerd worden (art. 2). Voor het in art. 12 genoemde materieel gelden geluidsgrenswaarden, die in een tabel in dat artikel zijn gespecificeerd. Op materieel dat in art. 13 wordt genoemd hoeft alleen het geluidsvermogensniveau te worden vermeld. De methoden voor de geluidsmeting staan beschreven in Bijlage III van de Richtlijn. Tabel 10.6.1 geeft een overzicht van het onder de Richtlijn vallende materieel.
Het genoemde materieel mag alleen in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen als het voldoet aan de eisen van de Richtlijn. Het moet voorzien zijn van een ‘CE-markering’ en een vermelding van het gewaarborgde geluidsvermogensniveau en vergezeld gaan van een EG-verklaring van overeenstemming (art. 5). Als aan deze eisen is voldaan, geldt een ‘vermoeden van overeenstemming’ (art. 7) en mogen de lidstaten op hun grondgebied het in de handel brengen of gebruik van het materieel niet verbieden (art. 6, lid 1). De eisen waaraan een EG-verklaring van overeenstemming moet voldoen, staan vermeld in art. 8 en Bijlage II. Afschriften van deze verklaringen moeten door de fabrikant of zijn gemachtigde worden toegestuurd aan de Commissie, die ze verzamelt en op gezette tijden de van belang zijnde informatie publiceert (art. 16). In art. 11 en Bijlage IV staan de voorschriften met betrekking tot de CE-markering en de vermelding van het geluidsvermogensniveau.
Als wordt geconstateerd dat bepaald materieel niet aan de eisen van de Richtlijn voldoet, moet een lidstaat maatregelen nemen om te zorgen dat dat alsnog gebeurt. Als de non-conformiteit voortduurt moet het materieel uit de handel worden genomen (art. 9).
De lidstaten dienen instanties aan te wijzen die bevoegd zijn tot het (laten) uitvoeren van overeenstemmingsbeoordelingsprocedures. Deze instanties moeten voldoen aan de criteria die in Bijlage IX worden genoemd (art. 15). De lidstaten mogen nadere eisen stellen aan het gebruik van het materieel met het oog op de bescherming van personen en van geluidsgevoelige gebieden (art. 17).
De artikelen 18 en 19 voorzien in een Comité dat onder meer bevoegd is de Commissie te adviseren over aanpassing van Bijlage III aan de technische vooruitgang.
Om de vier jaar dient de Commissie te rapporteren over de ervaringen met de Richtlijn en kan zij wijzigingen voorstellen. De eerste rapportage moet uiterlijk op 3 januari 2005 geschieden (art. 20).
Tabel 10.6.1 Materieel waarop Richtlijn 2000/14 van toepassing is.
Opmerking Sommige soorten materieel komen in beide kolommen voor; het al dan niet van toepassing zijn van geluidsgrenswaarden is dan afhankelijk van bijvoorbeeld het vermogen of het type.
10.7.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijn
Het eerste Milieuactieprogramma uit 1973 stelde wetgeving voor om de geluidhinder door bouwmachines te verminderen. De Gemeenschap had echter al besloten om op dit gebied regels te geven ter voorkoming van het creëren van handelsbelemmeringen. Tussen 1975 en 1978 werden er verscheidene voorstellen aan de Raad gedaan. Hoewel er vooruitgang werd geboekt met betrekking tot de teksten van de voorstellen, werd de uiteindelijke goedkeuring en aanneming van de voorstellen opgehouden door de zogenaamde ‘derde landen’ kwestie. Deze kwestie betrof twee punten. Een eerste punt had te maken met het feit dat de Richtlijnen het mogelijk maakten voor een fabrikant om een typegoedkeuring of certificaat te verkrijgen voor de gehele Gemeenschap en zodoende dus vrij zou zijn om het product in alle lidstaten te verkopen. Er werd echter betoogd dat op sommige gebieden niet alle lidstaten over de expertise en faciliteiten beschikten om alle apparatuur te testen. Dit zou een fabrikant van buiten de Gemeenschap de mogelijkheid geven om een ‘zwakke’ lidstaat uit te kiezen om diens apparatuur te testen, en zo toegang tot de gehele interne markt te verkrijgen. Een tweede punt was dat bepaalde lidstaten van mening waren dat indien een derde land toegang zou krijgen tot de interne markt, er een soort wederzijdse overeenkomst gesloten zou moeten worden welke toegang tot de markt van het derde land mogelijk maakt. Deze kwestie toont aan hoe zaken die niet direct met milieubeleid te maken hebben toch overeenstemming over milieumaatregelen kunnen ophouden.
De kwestie is opgelost door het instellen van een uitgebreide klachtenprocedure. Als een lidstaat wordt medegedeeld dat bepaalde goedgekeurde machines gebreken vertonen, dan moet de lidstaat deze goedkeuring opschorten of intrekken. Conflicten tussen lidstaten moeten opgelost worden met behulp van de Commissie.
In 1979 werd, na uitvoerige discussies met brancheorganisaties, een voorstel ingediend om de geluidhinder door gazonmaaimachines aan te pakken.[1136] In 1984 werd vervolgens Richtlijn 84/538 over de geluidsemissies van gazonmaaimachines aangenomen.
In datzelfde jaar werd tevens de Kaderrichtlijn 84/532 over het geluid van bouwterreinmachines en –materieel aangenomen, evenals de bijbehorende dochterrichtlijnen 84/533 t/m 84/537. Het was de bedoeling dat de Commissie hierna vóór 1989 verdere voorstellen zou doen ter vermindering van de geluidsniveaus. Dit gebeurde echter pas in het Groenboek van de Commissie over een toekomstig beleid inzake de bestrijding van geluidhinder.[1137] Hierin werd opgemerkt dat de Richtlijnen slechts op een heel klein deel van de lawaaiveroorzakende toestellen voor buitenshuis betrekking hadden. Diverse lidstaten hadden gevraagd om de wetgeving uit te breiden tot andere producten. Het doel hiervan was te voorkomen dat nationale wetgevingen waarin bepalingen waren vastgelegd inzake de geluidsemissies van toestellen voor buitenshuis handelsbeperkingen zouden veroorzaken en problemen zouden veroorzaken voor de werking van de interne markt. Daarom zou de Commissie in 1997 een nieuwe Kaderrichtlijn voorstellen die niet alleen het materieel dat al onder de bestaande wetgeving viel zou behandelen, maar ook andere producten, waaronder tuingereedschap en toestellen voor specifieke voertuigen (zoals vuilniswagens).
Het voorstel[1138] verscheen een jaar later dan gepland en stelde voor 19 soorten materieel geluidsgrenswaarden voor. Voor 36 andere soorten werden geen geluidsgrenswaarden voorgesteld, maar wel eisen met betrekking tot de markering van het geluidsvermogensniveau. Voor graafmachines, dozers, laders[1139] en gazonmaaiers[1140] werden de geluidsgrenswaarden van de respectievelijke Richtlijnen 95/27 en 84/538 overgenomen, maar werden wel enkele kleine wijzigingen in de overeenstemmingsbeoordelingsprocedure aangebracht. Voor het onder de Richtlijnen 84/533 t/m 84/537 vallend materieel werd voorgesteld om de geluidsemissies in twee fasen te verminderen. In de eerste fase (binnen 2 jaar na inwerkingtreding) zou dan 1 dB(A) minder uitgestoten moeten worden, en in de tweede fase (binnen 6 jaar na inwerkingtreding) nog eens 2 dB(A). Geluidsgrenswaarden werden voor het eerst voorgesteld voor ander materieel, waaronder mobiele kranen, bouwliften, bouwlieren, heftrucks, motorhakfrezen en vuilnisverdichters. Het voorstel was niet echt controversieel: het Parlement keurde het voorstel goed zonder strengere geluidsgrenswaarden te eisen tijdens beide lezingen en het gemeenschappelijk standpunt van de Raad bevatte slechts enkele kleine wijzigingen. Deze wijzigingen hadden onder meer betrekking op een versimpeling van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedure en het geven van indicatieve geluidsgrenswaarden voor de tweede fase voor gazonmaaiers. Deze stonden niet in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie. In mei 2000 werd over Richtlijn 2000/14 overeenstemming bereikt.
10.7.6 De omzetting in nationale regelgeving
Voor verschillende soorten materieel buitenshuis (waaronder graafmachines, motorcompressoren, torenkranen, gazonmaaimachines) bestonden al voor Richtlijn 2000/14 een aantal Richtlijnen. Deze waren omgezet in de Regeling geluidproduktie bouwmachines[1141] en het Besluit geluidproduktie gazonmaaimachines[1142]. Deze zijn ingetrokken in verband met de omzetting in de Nederlandse wetgeving van Richtlijn 2000/14. Dit heeft plaatsgevonden door middel van in het bijzonder de Regeling geluidsemissie buitenmaterieel. Deze Regeling is in werking getreden op 3 januari 2002. De Nederlandse wetgeving met betrekking tot het geluid van gazonmaaiers is ingetrokken door het Besluit houdende intrekking van het besluit geluidproduktie gazonmaaimachines.[1143] Daarnaast worden enkele bepalingen van de Richtlijn via bestaande wetten (Wet milieubeheer, Wet geluidhinder, Wet op de economische delicten) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.
Door middel van een beschikking is Aboma & Keboma B.V. aangewezen als keuringsinstantie die de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures van Bijlagen VI en VII en VIII van de Richtlijn moet uitvoeren.[1144]
10.7.7 Uitvoering en effecten in de praktijk
Onderzoek van TNO uit 2000 geeft aan dat bouw- en sloopactiviteiten de belangrijkste bronnen van geluidhinder vormen binnen de industriële en andere bedrijvigheid.[1145] Onder deze geluidhinder valt de overlast van door Richtlijn 2000/14 gedekte machines, zoals motorcompressoren, stroomaggregaten, heimachines, sloophamers, drilboren, bouwliften, etc. De hinder wordt met name overdag ondervonden.
In een door de Europese Commissie gepubliceerd verslag uit 2002 wordt aangegeven dat het niet mogelijk zal zijn voor Europese fabrikanten van gazonmaaiers om tijdig aan de nieuwe eisen van Richtlijn 2000/14 te voldoen.[1146]
De Jong, R.G., et al. (2000). Hinder en andere zelf-gerapporteerde effecten van milieuverontreiniging in Nederland. TNO-PG, Leiden.