Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

9.8 Zeehonden

9.8.1 Overzicht van EU-regelgeving

83/129/EEG (PbEG L91, 9.4.1983)

Richtlijn betreffende de invoer in de lidstaten van huiden van bepaalde zeehondenjongen en daarvan vervaardigde producten

89/370/EEG (PbEG L163, 4.6.1989)

Wijzigingsrichtlijn

1007/2009/EG (PbEU L286, 31.10.2009)

Verordening betreffende de handel in zeehondenproducten

737/2010/EU (PbEU L216, 17.8.2010)

Verordening houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening 1007/2009

Bindende termijnen

Datum van kennisgeving

31 maart 1983 en eptember 1985

Omzetting in nationale regelgeving

1 oktober 1983

Geldingsduur

Oorspronkelijk tot oktober 1985, later verlengd tot 1 oktober 1989, vervolgens permanent gemaakt.

Rechtsgrondslag

Artt. 95 en 133 EG-verdrag (thans artt. 114 en 207 VwEU)

Bindende termijnen

Kennisgeving sanctiemaatregelen

20 augustus 2010

Verslag over uitvoeringsmaatregelen

20 november 2011 (en iedere 4 jaar daarna)

9.8.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Flora- en faunawet

Stb. 1998, 402 (en wijzigingen)

Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten

Stb. 2000, 523 (en wijzigingen)

Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten

Stb. 2000, 525 (en wijzigingen)

Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten

Stcrt. 2002, 51 (en wijzigingen)

Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten

Stcrt. 2002, 51 (en wijzigingen)

9.8.3 Doelstelling van de Richtlijnen

De Richtlijnen zijn een reactie op het publieke ongenoegen over de jaarlijkse slachting van bepaalde soorten zeehondenjongen. Zij bevatten een verbod op de commerciële invoer in de lidstaten van huiden en artikelen die gemaakt zijn van deze huiden.

9.8.4 Samenvatting van de Richtlijnen

Richtlijn 83/129 bepaalt dat de lidstaten gehouden zijn alle benodigde maatregelen te nemen om te verzekeren dat de huiden van zadelrobjongen en klapmutsjongen niet voor handelsdoeleinden op hun grondgebied worden ingevoerd (art. 1). De Richtlijn was aanvankelijk van toepassing voor een periode van twee jaar, waarbij de mogelijkheid bestond om deze periode tussentijds te wijzigen (art. 2). Bij Richtlijn 85/444 is deze periode met vier jaar verlengd. Het verbod werd permanent via Richtlijn 89/370. De Richtlijn is niet van toepassing op producten die afkomstig zijn van de jacht van de inheemse eskimo-bevolking (art. 3).

Met Verordening 1007/2009 is het op de markt brengen van producten van alle zeehondensoorten verboden. Op dit verbod bestaan slechts beperkte uitzonderingen. In beginsel mogen alleen producten op de markt worden gebracht en ingevoerd worden indien deze afkomstig zijn van Inuit- en andere inheemse gemeenschappen die traditioneel voor hun levensonderhoud op zeehonden jagen (art. 3, lid 1). De invoer is wel toegestaan indien het gaat om goederen voor persoonlijk gebruik van reizigers of hun familieleden waar geen aanwijzingen bestaan dat ze zijn ingevoerd om commerciële redenen. Tevens is het op de markt brengen toegestaan indien deze zijn verkregen door gereguleerde jacht die wordt beoefend met het oog op duurzaam beheer van rijkdommen van de zee, en ook indien dit niet geschiedt om commerciële redenen (art. 3, lid 2).

De Commissie wordt bijgestaan door het door Verordening 338/97 ingesteld comité voor de handel in wilde dier- en plantensoorten (art. 5). Lidstaten dienen de nodige sancties in te stellen en de Commissie daarvan voor 20 augustus 2010 op de hoogte te stellen (art. 6). Tevens dienen de lidstaten voor 20 november 2011 (en daarna iedere vier jaar) verslag te leggen over de uitvoeringsmaatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de Verordening.

9.8.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijnen

Op 9 maart 1982 werd een door drie miljoen mensen ondertekende petitie voor een verbod op de invoer van zeehondenbont aan het Europees Parlement voorgelegd, waarop het Parlement reageerde door een Resolutie aan te nemen. Hierin werd de Commissie onder meer verzocht om door middel van een Verordening een verbod in te stellen op de invoer van de huiden van zadelrobjongen en klapmutsjongen. Eerder was al door Europarlementariërs opgeroepen tot het nemen van maatregelen om het jaarlijkse doden van zeehondenjongen in Canada en Noorwegen te stoppen. Een aantal landen was al begonnen met het nemen van handelsbeperkende maatregelen of had deze maatregelen al voorgesteld. Overleg met de regeringen van Canada en Noorwegen veranderde niets aan de situatie. De Commissie stelde uiteindelijk een Verordening voor in oktober 1982.

De ontwerp-Verordening had artikel 113 (thans art. 284), dat betrekking heeft op de Gemeenschappelijke handelspolitiek, als rechtsgrondslag. Er werd vastgesteld dat maatregelen op Gemeenschapsniveau ter beperking van de internationale handel nodig waren op morele gronden. Het ontwerp bevatte een verbod op de invoer van huiden van zadelrobjongen en klapmutsjongen en/of daaruit vervaardigde producten. Bepaalde uitzonderingen zouden mogelijk zijn in overgangssituaties en voor persoonlijke bezittingen.

De Raad besprak het voorstel op 3 en 17 december 1982, maar kon zich niet in het voorstel vinden. De Raad kwam wel een Resolutie overeen, waarin de Commissie werd opgeroepen om de hele kwestie van het doden van zeehondenjongen nader te onderzoeken. Daarvoor zou de Commissie onder meer om de tafel moeten gaan zitten met de betrokken landen en zo spoedig mogelijk moeten rapporteren over eventuele extra maatregelen die passend werden geacht op basis van het onderzoek. De Raad kwam tevens overeen dat alle passende maatregelen niet later dan 1 maart 1983 moesten worden aangenomen. Ondertussen beloofden de lidstaten actie te ondernemen tot behoud van zadelrobben en klapmutsen in het kader van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES) (zie §???) en beloofden zij om alle mogelijke maatregelen te nemen om de invoer van de huiden van de jongen van deze soorten te voorkomen.

Juridische adviseurs van de Raad betwijfelden of artikel 113 EG-Verdrag (thans art. 284 VwEU)de juiste rechtsgrondslag voor de Verordening was. Er werd betoogd dat op grond van dit artikel alleen maatregelen konden worden genomen op basis van handelsmotieven en dus niet op morele gronden.

De Commissie bracht na twee maanden tijdig een verslag uit.[1637] Hierin werd geconcludeerd dat diverse voorstellen die de Canadese regering inmiddels had gedaan geen oplossing boden voor het dringende probleem en dat het bestaande voorstel daarom noodzakelijk was. Op 28 februari 1983 kwam de Raad een Richtlijn overeen die de invoer van huiden en andere producten van zeehondenjongen zou verbieden voor twee jaar ter behoud van de zeehondensoorten. De totstandkoming van Richtlijn 85/444, die de periode van twee jaar met vier jaar verlengde, verliep zonder problmen.

In maart 1988 kwam een verslag in opdracht van de Commissie uit, waarin de implementatie en de effecten van de Richtlijn werden onderzocht.[1638] Volgens het verslag was de vangst van zadelrobben in het noordwesten van de Atlantische Oceaan sterk afgenomen. Tevens was rond het Jan Mayen eiland in de Noordelijke IJszee het aantal Noorse vangsten in 1987 afgenomen, zodat ze weer op het niveau kwamen van voor 1983. Vangsten van klapmutsen namen na 1982 op gelijke wijze sterk af in het noordwesten van de Atlantische Oceaan. De Canadese regering had drastisch gesneden in het aantal toegestane vangsten. Hoewel de vangsten rond het Jan Mayen eiland afnamen na 1982, namen ze wel weer toe na 1985 en de Noorse regering verhoogde het quotum in 1987 tot het niveau van 1982. Verder gaf het verslag aan dat er een bescheiden toename was in de vraag naar producten van zeehonden die niet door de Richtlijn werden gedekt. Er werd geconcludeerd dat het niet gepast zou zijn om de Richtlijn in te trekken in het licht van deze ontwikkelingen en er werd aanbevolen dat een verdere herziening moest plaatsvinden in 1989 voordat de Richtlijn zou verlopen op 1 oktober 1989.

Na het verschijnen van het verslag ondertekende een ongewoon aantal van 324 Europarlementariërs een schriftelijke verklaring, voorgesteld door de Nederlandse Europarlementariër Hemmo Muntingh. In deze verklaring werd opgeroepen tot een permanent invoerverbod. Onder druk hiervan en rekening houdend met de algemeen heersende publieke opinie werden de bepalingen van de Richtlijn permanent van kracht gemaakt door middel van Richtlijn 89/370.

Bijna twintig jaar later, in juli 2008, diende de Commissie een nieuw voorstel in om het op de markt brengen en de handel in zeehondenproducten te verbieden.[1639] Aanleiding voor het voorstel was onder meer een verklaring van het Europees Parlement om middels een Verordening de handel in zeehondenproducten te verbieden.[1640] Daarnaast werd duidelijk dat steeds meer lidstaten zelf regelgeving hadden aangenomen, of van plan waren om aan te nemen. Dit was reden om geharmoniseerde maatregelen na te streven. De wijzigingen van het Europees Parlement in de eerste lezing waren met name gericht op het beperken van de voorwaarden waaronder de handel in zeehondenproducten mogelijk zou zijn.

9.8.6 De omzetting in nationale regelgeving

In Nederland zijn zadelrobben en klapmutsen aangewezen als beschermde uitheemse diersoorten via het Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet.[1641] Daardoor gelden de verboden van artikel 13 van de Flora- en faunawet ook voor producten van deze soorten. Oorspronkelijk waren zadelrobben en klapmutsen via het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten[1642] vrijgesteld van enkele verboden (met uitzondering van de jongen van deze soorten). Deze situatie is echter onwenselijk gebleken, aangezien de jacht plaatsvond op dieren die buiten de reikwijdte van het verbod vielen, en op voorstel van Tweede Kamerleden Kruijsen (PvdA) en Snijder-Hazelhoff (VVD) is een voorstel ingediend om het verbod uit te breiden naar alle klapmutsen en zadelrobben. Dit voorstel heeft tot wijzigingen van het Besluit aanwijzing beschermde dier- en plantensoorten (art. 5a) en het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (art. 12) geleid.[1643] De vrijstelling geldt alleen voor zeehondenproducten afkomstig van de traditionele jacht van de Inuit.

Vervolgens heeft Verordening 1007/2009 gezorgd voor een uitbreiding van de reikwijdte van het tot op heden in Nederland bestaande handelsverbod voor de de zadelrob en de klapmuts. Immers, de Verordening ziet niet alleen op zeehonden en producten van zeehonden behorende tot de soorten klapmuts en zadelrob, maar op het op de markt brengen van producten van alle zeehondensoorten. Daarnaast geldt het handelsverbod van de Verordening voor het gehele Europese grondgebied, waardoor niet alleen een veel grotere markt wordt bestreken, maar ook betere handhaving mogelijk is dan gelet op de open grenzen binnen de Europese Unie bij een nationaal verbod mogelijk is.

Verordening 1007/2009 en haar uitvoeringsverordening 737/2010 hebben geleid tot aanpassing van de Nederlandse regelgeving. Bij de Regeling van de minister van LNV van 11 augustus 2010 (verbod handel zeenhondenproducten) zijn de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten en de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten beiden gewijzigd. -

9.8.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

Uit gegevens van Eurostat komt naar voren dat de handel in zeehondenproducten in Nederland bij de invoering van het nationaal verbod in de handel in zeehonden van 4 juli 2007 al een geringe omvang had. Sinds de invoering van dat verbod is er nagenoeg helemaal geen sprake meer geweest van handel in deze producten. Gelet op de geringe handel heeft de minister van LNV geconcludeerd dat de invoering van het Europese verbod in Nederland geen materiële effecten teweeg zal brengen.[1644]

[1637] COM(83) 71.

[1638] Europese Commissie (1988).

[1639] COM(2008)469.

[1640] PB C 306 E, 15.12.2006, p. 194.

[1641] Stb. 2000, 523, gewijzigd bij Stb. 2007, 253.

[1642] Stb. 2000, 525, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 626.

[1643] Stb. 2007, 253.

[1644] Toelichting bij de Regeling verbod handel zeehondenproducten, Stcrt. 2010, 12658.