Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

9.9 Bont uit wildklemmen

9.9.1 Overzicht van EU-regelgeving

3254/91 (PbEG L308, 9.11.1991)

Verordening houdende een verbod op het gebruik van de wildklem in de Gemeenschap en op het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten uit landen waar gebruik wordt gemaakt van de wildklem of andere vangmethoden die niet stroken met de internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen

1771/94 (PbEG L184, 20.7.1994)

Verordening houdende bepalingen inzake het binnenbrengen in de Gemeenschap van pelzen en producten die vervaardigd zijn van bepaalde in het wild levende diersoorten

35/97 (PbEG L8, 11.1.1997)

Verordening tot vaststelling van bepalingen betreffende de certificatie van pelzen en goederen die vallen onder Verordening (EEG) nr. 3254/91 van de Raad

97/602 (PbEG L242, 4.9.1997)

Beschikking van de Raad betreffende de lijst bedoeld in Verordening 35/97 van de Commissie

98/142 (PbEG L42, 14.2.1998)

Besluit van de Raad betreffende de sluiting van een internationale overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, Canada en de Russische Federatie betreffende internationale normen voor humane vangst met behulp van vallen, en een proces-verbaal tussen Canada en de Europese Gemeenschap betreffende de ondertekening van deze overeenkomst

98/188 (PbEG L70, 10.3.1998)

Beschikking van de Commissie tot wijziging van Beschikking 97/602 betreffende de lijst bedoeld in de tweede alinea van artikel 3 lid 1 van Verordening 3254/91 en in artikel 1 lid 1 onder a van Verordening 35/97

98/487 (PbEG L219, 7.8.1998)

Beschikking van de Raad betreffende de sluiting van een internationale overeenkomst in de vorm van goedgekeurde notulen tussen de EG en de Verenigde Staten van Amerika inzake normen voor humane vangmethoden met behulp van vallen

98/596 (PbEG L286, 23.10.1998)

Beschikking van de Commissie tot wijziging van Beschikking 97/602 betreffende de lijst bedoeld in de tweede alinea van artikel 3 lid 1 van Verordening 3254/91 en in artikel 1 lid 1 onder a van Verordening 35/97

Rechtsgrondslag

Art. 133 en 175 EG-verdrag (thans art. 207 en 192 VwEU)

Bindende termijnen

Omzetting in nationale regelgeving

9 november 1991

Verbod op het gebruik van wildklemmen en invoerverbod voor pelzen en producten

1 januari 1995

Uiterste datum dat de Commissie kan besluiten tot een uitstel van het importverbod met één jaar

1 juli 1994

9.9.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Flora- en faunawet

Stb. 1998, 402 (en wijzigingen)

Besluit aanwijzing dier- en plantensoorten

Stb. 2000, 523 (en wijzigingen)

Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten

Stb. 2000, 525 (en wijzigingen)

Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet

Stcrt. 2002, 51 (en wijzigingen)

Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet

Stcrt. 2002, 51 (en wijzigingen)

9.9.3 Doelstelling van de Verordeningen

De Verordeningen beogen een bijdrage te leveren aan de bescherming van bepaalde soorten wilde dieren door het gebruik van wildklemmen te verbieden en het invoeren van hun pelzen en aanverwante producten te beperken. Of de Verordeningen daadwerkelijk milieumaatregelen behelzen is voor discussie vatbaar, aangezien het primaire doel het beperken van het leed van in vallen gevangen dieren is en niet de bescherming van het milieu.

9.9.4 Samenvatting van de Verordeningen

Wildklemmen bestaan uit twee kaken die het dier bij een van zijn ledematen vastklemmen tot de pelsjager arriveert. Verordening 3254/91 verbiedt het gebruik van deze wildklemmen binnen de Gemeenschap. Dit verbod is van toepassing sinds 1 januari 1995 (art. 2). Vanaf dezelfde datum is een invoerverbod van kracht geworden ten aanzien van de pelzen van een dertiental dieren (die in bijlage 1 worden opgesomd) en een aantal producten van deze pelzen (bijlage 2). Op dit invoerverbod is een uitzondering mogelijk wanneer de Commissie van oordeel is dat in het uitvoerende land aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De Commissie moet een lijst maken waarop de landen die vrijgesteld zijn van het invoerverbod worden aangegeven (art. 3, lid 1). Een land komt voor vrijstelling in aanmerking wanneer afdoende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van kracht zijn om het gebruik van de wildklem te verbieden, of de methoden voor de vangst voldoen aan de internationaal overeengekomen normen voor humane vangst. Uitvoerende of heruitvoerende landen zijn verplicht te verklaren dat de pelzen van oorsprong afkomstig zijn uit vrijgestelde landen (art. 4). De dieren waar de Verordening betrekking op heeft zijn: bever, otter, coyote of prairiewolf, wolf, lynx, rode lynx, sabelmarter, wasbeer, muskusrat, marter, Canadese marter, das en hermelijn.

Het invoerverbod, het moment van de introductie ervan en de interpretatie van het begrip ‘humane vangst’ zijn vanaf het begin onderwerp van discussie geweest. De oorspronkelijke Verordening voorzag in de mogelijkheid om de toepassing van het invoerverbod uit te stellen tot 1 januari 1996. Dit uitstel zou verleend worden indien de Commissie op basis van een onderzoek dat in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de betrokken landen zou worden ingesteld, vast zou stellen dat op het grondgebied van de uitvoerende landen voldoende vooruitgang was geboekt bij de ontwikkeling van humane methoden voor de vangst met behulp van vallen (art. 3, lid 2).

De Commissie wordt geadviseerd door het Comité dat werd ingesteld bij Verordening 3626/82 (inmiddels vervangen door 338/97, zie § ???). Het proces om tot overeenstemming te komen over standaardisering van humane vangmethoden in een technisch comité van de Internationale Organisatie voor Normalisatie (ISO) verliep zeer moeizaam. Het invoerverbod werd voor een jaar opgeschort door Verordening 1771/94.

Bij Verordening 1771/94 is bepaald dat de Commissie vóór 1 september 1995 moest aangeven welke landen wegens het voldoen aan de noodzakelijke voorwaarden werden vrijgesteld van het invoerverbod, en welke vorm de vereiste verklaring voor de invoer van pelzen zou moeten hebben (art. 1, lid 2, sub b).

9.9.5 Achtergrond en totstandkoming van de Verordeningen

Het is niet gelukt om binnen de ISO tot overeenstemming te komen over standaardisering van humane vangmethoden voor september 1995. Dit leidde tot een handelsconflict tussen de EU en de belangrijkste exportlanden (met name Canada en de Verenigde Staten), die fel gekant zijn tegen een invoerverbod. Dierenwelzijnsorganisaties stelden dat het technisch comité van de ISO werd gedomineerd door vertegenwoordigers van de bontindustrie en dat de ontwerpvoorstellen van het comité klemmen toe zouden laten die onacceptabel of inhumaan geacht werden door het Wetenschappelijk Veterinair Comité, de adviseur van de Europese Commissie in het beleid inzake dierenwelzijn.

In september 1995 staakte het technisch comité van de ISO de onderhandelingen over de standaardisering van humane vangmethoden. In plaats daarvan besloot het om zich te richten op de meer eenvoudige taak van het ontwikkelen van internationale standaarden voor het testen van wildklemmen. Als deze standaarden tot stand zouden kunnen komen, dan zouden deze een basis kunnen leggen voor het onder de loep nemen van wildklemmen zelf. Bij het testen van de klemmen worden namelijk ook levende dieren gebruikt.

De Canadese regering heeft, met het oog op de spaakgelopen onderhandelingen en onder druk van de Canadese bontindustrie en met steun van de VS en de Russische Federatie, gepleit voor een totale opheffing van het invoerverbod. In april 1994 bereidde Canada een klacht voor met betrekking tot de Europese regelgeving onder de nieuwe Wereldhandelsorganisatie (WTO). Zowel Canada als de VS dreigden een formele klacht in te dienen bij de WTO indien de Verordening van kracht zou worden. Het leek erop dat de Commissie geen vertrouwen had in een goede afloop als dit zou gebeuren. Eén van de belangrijkste argumenten van de Canadezen betrof de gevolgen van het invoerverbod op het levensonderhoud en de cultuur van een aanzienlijk aantal jagers. Hierbij werd met name gedacht aan de inheemse volken in het noorden van Canada. In een poging om het conflict niet uit de hand te laten lopen, stelde de Commissie een werkgroep in met Canadese, Russische en Amerikaanse regeringsvertegenwoordigers teneinde standaarden voor humane vangmethoden te ontwikkelen voordat de ISO dat zou doen.

De Commissie kondigde op 22 november 1995 aan dat ze zou voorstellen om het invoerverbod een jaar later in werking te laten treden, ondanks stevige lobby’s van dierenwelzijnsorganisaties om door te gaan met het verbod. Vervolgens kwam de Commissie een voorstel voor een nieuwe Verordening van de Raad overeen, waarin werd voorgesteld om het verbod later in werking te laten treden en dat tevens andere wijzigingen van de oorspronkelijke Verordening bevatte.[1645] Zo werd voorgesteld dat de Gemeenschap onderhandelingen met de belangrijkste bontexporterende landen moest nastreven, in plaats van onderhandelingen binnen de ISO, teneinde een ‘kaderovereenkomst’ over standaardisering van humane vangmethoden te bewerkstelligen. Het totale invoerverbod zou dan vervangen kunnen worden door een systeem waarbij de vooruitgang in de onderhandelingen evenals de maatregelen die exporteurs zouden nemen ter ontwikkeling van humane vangmethoden gevolgd zouden worden. Hiermee werd geen specifieke datum voorgesteld voor de invoering van het invoerverbod. Daarnaast werd een aantal uitzonderingen op het voorgestelde invoerverbod gesuggereerd, waaronder een bepaling die het mogelijk zou maken om de invoer van pelzen en daaruit vervaardigde producten toe te staan, indien de vangsten verricht zouden zijn door inheemse volken. Er kon geen overeenkomst over het voorstel bereikt worden voor januari 1996, omdat het voorstel pas op 15 december 1995 verscheen. Uiteindelijk werd het voorstel in 1999 ingetrokken. Aangezien de bestaande Verordeningen niet werden gewijzigd leek het alsof deze van kracht waren. De Commissie had echter de lidstaten in een brief van 8 december 1995 verzocht om geen invoerverbod in te stellen. Nederland probeerde echter wel om de invoercontroles te implementeren, hoewel de Commissie nog geen lijst had opgesteld met landen waarvandaan de invoer was toegestaan.

In de eerste lezing van het Europees Parlement in juni 1996 werd een groot aantal wijzigingen voorgesteld. Daarmee werd de voorgestelde benadering verworpen en werd teruggegrepen naar de kenmerken van de oorspronkelijke Verordening. Het Parlement overwoog tevens om actie te ondernemen bij het Europese Hof van Justitie, omdat de Commissie niet de nodige maatregelen ter implementatie van het verbod had genomen. Hiervan werd uiteindelijk afgezien. Er werd geen vooruitgang geboekt met betrekking tot het voorstel. De Milieuraad was het wel eens met het plan om over een kaderovereenkomst te onderhandelen met derde landen over standaardisering van humane vangmethoden. In juni 1996 kreeg de Commissie formeel de bevoegdheid van de Raad om te onderhandelen voor de Gemeenschap.

Tegen het eind van 1996 kwamen de onderhandelingen met derde landen in een fase, waarin het er op leek dat een overeenkomst op hoofdlijnen met Canada en de Russische Federatie binnen bereik was. Dit zou betekenen dat de EU aanzienlijk in zou schikken en dat een groot aantal soorten bont buiten het toepassingsbereik van het verbod zouden vallen. Niettemin eisten de VS verdergaande concessies.

Niet lang daarna, op 1 januari 1997, bracht de Commissie een ontwerp-Beschikking uit, welke een lijst met landen bevatte (waaronder Canada en de Russische Federatie), die uitgezonderd zouden worden van het invoerverbod indien zij aan de criteria van artikel 3, lid 1 van Verordening 3254/91 zouden voldoen. Dit hield in dat deze landen moesten kunnen aantonen dat er bestuursrechtelijke of wettelijke bepalingen van kracht waren die het gebruik van wildklemmen verboden of dat vangmethoden gebruikt werden die aan internationaal overeengekomen normen voldoen. Deze ontwerp-Beschikking werd op 13 januari 1997 verworpen door het comité voor de handel in wilde dier- en plantensoorten, ingesteld op grond van Verordening 3626/82 (zie § ???). De ontwerp-Beschikking werd vervolgens doorgestuurd naar de Milieuraad in juni 1997 (zie hierna).

Ondertussen had de Milieuraad de overeenkomst op hoofdlijnen met Canada en de Russische Federatie besproken en, ondersteund door het Europees Parlement, geoordeeld dat deze overeenkomst te zwak was. Zo stond er geen datum in, voor wanneer levendvallen moesten verdwijnen. Bij levendvallen wordt het dier vastgehouden zonder dat dit ernstige verwondingen veroorzaakt. Dit leidde tot een geschil binnen de Commissie. Uiteindelijk koos de Commissie ervoor om de visie van de Milieuraad naast zich neer te leggen en verder te onderhandelen op basis van de overeenkomst op hoofdlijnen, naar verluidt op aandringen van de Commissaris voor Buitenlandse Betrekkingen, Sir Leon Brittan, en onder veel weerstand van de Milieucommissaris, Ritt Bjerregaard.[1646] Overeenkomst over de belangrijkste elementen van een mandaat om de onderhandelingen met derde landen voort te zetten werd bereikt in februari in de Raad Algemene Zaken. Het invoerverbod werd opgeschort zolang de onderhandelingen zouden voortduren.

Begin 1997 nam de Commissie Verordening 35/97 aan over bepalingen betreffende de certificatie van pelzen en goederen die vallen onder Verordening 3254/91.

In mei 1997 bereikte de Commissie opnieuw een overeenkomst met Canada en de Russische Federatie, waarbij werd gekozen om geen totaal invoerverbod in te stellen tegen landen die wildklemmen gebruiken, zoals oorspronkelijk was voorgesteld. In plaats daarvan werd afgesproken om wildklemmen uit te faseren voor het derde jachtseizoen na het sluiten van de overeenkomst. De overeenkomst bevatte enkele uitzonderingen voor inheemse volken die traditionele klemmen gebruiken. De Europese Ministers van Buitenlandse Zaken verwelkomden de overeenkomst, hoewel de onderhandelingen met de Verenigde Staten nog niet voorbij waren.

De parlementaire commissie voor milieu uitte echter haar bezwaren tegen de overeenkomst met Canada en de Russische Federatie in juni 1997 en riep op om het invoerverbod onmiddellijk in werking te laten treden en te handhaven. De Raad en de Commissie werd verzocht om de overeenkomst te verwerpen, omdat deze volledig inadequaat en ineffectief zou zijn.[1647] Tevens riep het Parlement de Raad en de Commissie op om een gepaste strategie op te stellen met het oog op het sluiten van een wereldwijde overeenkomst die alle wildklemmen voor een bepaalde datum zou moeten verbieden. Deze overeenkomst zou ruimte moeten laten voor een aantal vangmethoden en bindende bepalingen moeten bevatten ter handhaving van de regelgeving, zonder dat een afwijking daarvan mogelijk zou zijn. Niettemin gaf het Parlement aan dat de rechten van inheemse volken onder zo’n overeenkomst beschermd moesten worden.

Vlak daarna, op 19 juni 1997, besprak de Milieuraad de ontwerp-Beschikking waarin zich de lijst met landen bevond die uitgezonderd zouden worden van het invoerverbod indien zij aan de criteria van artikel 3, lid 1 Verordening 3254/91 zouden voldoen. Binnen de Raad werd hier echter geen overeenstemming over bereikt. Vervolgens had de Commissie, in overeenstemming met de comitéprocedure, drie maanden de tijd om te kiezen tussen drie opties: het handhaven van de Verordening, zodat het invoerverbod zou gaan gelden; niets doen; of de lijst van landen gebruiken en toestaan dat de landen die aan de overeengekomen normen voldoen mogen exporteren naar de EU, ondanks dat deze lijst een bijlage was bij een kaderovereenkomst, waarover nog geen overeenstemming was bereikt.

In de Commissie nam Sir Leon Brittan, vastbesloten om een conflict bij de WTO te vermijden, stappen om te voorkomen dat het verbod van kracht zou worden. Dit had tot resultaat dat de kwestie uiteindelijk in de Raad Algemene Zaken werd opgelost op 22 juli 1997. Tijdens deze zitting namen de Ministers van Buitenlandse Zaken Beschikking 97/602 aan over de lijst van landen. Tevens werd de gewijzigde overeenkomst met Canada en de Russische Federatie goedgekeurd, ondanks tegenstand van het Verenigd Koninkrijk, België en Oostenrijk. Nederland stond positief tegenover de overeenkomst.[1648] Het was mogelijk voor de Raad om het Parlement te negeren, aangezien Verordening 3254/91 zowel artikel 113 EG-v erdrag(thans art. 284 VwEU) als art. 130s EG-verdrag (thans art. 192 VwEU)als rechtsgrondslag had. De overeenkomst met Canada en de Russische Federatie werd op 15 december 1997 ondertekend door Canada en werd ten uitvoer gelegd door het Besluit van de Raad 98/142[1649]. De overeenkomst werd vervolgens door de Russische Federatie ondertekend op 22 april 1998.

Het invoerverbod gold vanaf 1 december 1997 voor alle landen die geen overeenkomst met de Gemeenschap hadden gesloten of die niet op de lijst stonden.[1650] Op het laatste moment gaf de VS aan dat het wildklemmen zou uitfaseren binnen acht jaar, in de hoop dat het invoerverbod niet in werking zou treden. De Commissie vond dit echter niet acceptabel. Op 28 november 1997 deed de VS nog een poging door aan te bieden om alle wildklemmen in zes jaar uit te faseren en voor twee soorten binnen twee jaar. Dit werd wel geaccepteerd op 1 december 1997, de dag dat het invoerverbod in werking trad. Op 18 december werd deze overeenkomst ondertekend.[1651] Op 2 maart 1998 nam de Commissie, vooruitlopend op de formele goedkeuring van de overeenkomst met de VS, Beschikking 98/188[1652] aan, waarmee de VS op de lijst van landen werd gezet, die bont naar de Gemeenschap mochten uitvoeren.

Vervolgens verwierp het Europees Parlement op 15 juni 1988 de overeenkomst met de VS, omdat wreedheden ten aanzien van dieren hiermee niet zouden kunnen worden voorkomen. De stemming van het Parlement bindt de Raad echter niet en de Raad Algemene Zaken kon dan ook Beschikking 98/487[1653] aannemen op 13 juli 1998, waarmee de overeenkomst met de VS werd afgesloten per 18 december 1997.

Invoer van bont in de EU werd dus toegestaan totdat de periode van uitfasering voorbij zou zijn, dat wil zeggen na drie jachtseizoenen. De standaarden voor wildklemmen, welke vervat zijn in de overeenkomsten moeten gezien worden als minimumstandaarden met betrekking tot de uitzonderingen van het invoerverbod van artikel 3, lid 1 van Verordening 3254/91.

9.9.6 De omzetting in nationale regelgeving

Een Verordening heeft rechtstreekse werking en hoeft in principe dus niet omgezet te worden. Nederland heeft evenwel een aantal maatregelen genomen om aan de eisen van de Verordeningen te voldoen. In Nederland zijn de soorten waar de Verordeningen betrekking op hebben aangewezen als beschermde uitheemse diersoorten via de Regeling aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet[1654], voor zover deze soorten niet onder de CITES-Verordening vallen (zie § ???). Daardoor gelden de verboden van artikel 13 van de Flora- en faunawet op het binnen en buiten Nederland brengen ook voor producten van deze soorten. De Regeling vrij­stel­ling beschermde dier- en plantensoorten Flora- en faunawet[1655] geeft echter de mogelijkheid voor een vrijstelling van dit verbod, zolang de producten uit bepaalde landen afkomstig zijn waarvoor het invoerverbod niet geldt en voor zover voldaan is aan Verordening 97/35. Op deze wijze is het invoerverbod van de Verordening geëffectueerd voor alleen die landen die niet door de EU zijn uitgezonderd.

[1645] COM(95)737.

[1646] Europe Environment, 14 januari 1997.

[1647] Conclusies van de plenaire vergadering van het Europees Parlement, 12 juni 1997.

[1648] Antwoord van Minister van Buitenlandse Zaken Van Mierlo op vragen van de Tweede Kamerleden Swildens-Roozendaal (PvdA), M.B. Vos (GroenLinks) en Passtoors (VVD) over een EU-verordening met betrekking tot wildklemmen (Ingezonden 19 augustus 1997), TK 1996-1997, Aanhangsel, 1774.

[1649] PbEG L42, 14.2.1998.

[1650] Notulen van de Raad van de Europese Unie, Algemene Zaken, 2047e zitting, presse (356)24, 25 november 1997.

[1651] Persbericht van de Raad van de Europese Unie, 13592/97, presse (403), 18 december 1997.

[1652] PbEG L70, 10.3.1998.

[1653] PbEG L219, 7.8.1998.

[1654] Stcrt. 2002, 51.

[1655] Stcrt. 2002, 51.