10. Geluid  
Handboek Implementatie milieubeleid
EU in Nederland

 

10.10 Lawaai op het werk

10.10.1 Overzicht van EU-regelgeving

86/188/EEG (PbEG L137 24.5.1986)

voorgesteld 15.10.1982 – COM(82)646 en

26.7.1984 – COM(84)426

Richtlijn betreffende de bescherming van werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan lawaai op het werk

2003/10/EG (PbEU L042 15.2.2003)

voorgesteld 18.3.1993 – COM(92)560

Richtlijn betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van fysische agentia (lawaai)

Rechtsgrondslag

2003/10

Art. 137 EG-verdrag

Bindende termijnen

 

Omzetting in nationale regelgeving

86/188

2003/10

1 januari 1990

15 februari 2006

Hernieuwd onderzoek van Richtlijn

door Raad

1 januari 1994

10.10.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving

Arbeidsomstandighedenwet 1998

Stb. 1999, 184, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2002, 542

Arbeidsomstandighedenbesluit

Stb. 1997, 60, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2000, 327

Arbeidsomstandighedenregeling

Stcrt. 1997, 63, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2002, 84

Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving

Stcrt. 1999, 199, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2001, 102

10.10.3 Doelstelling van de Richtlijn

Het doel van de Richtlijn is om het gehoor van werknemers te beschermen door grenzen te stellen aan geluidsemissies. Richtlijn 86/188 is destijds aangenomen onder Kaderrichtlijn 80/1107 en valt nu binnen het kader van Richtlijn 89/391 (verbetering van de veiligheid en gezondheid van de werknemers op het werk) (zie § 7.19). In 2003 is Richtlijn 2003/10 in werking getreden, waarin het geven van minimumvoorschriften voor de bescherming van werknemers tegen de risico’s voor hun gezondheid en veiligheid door blootstelling aan lawaai, met name het risico van gehoorbeschadiging, wordt beoogd. Deze Richtlijn moet Richtlijn 86/188 vervangen, welke per 15 februari 2006 wordt ingetrokken. Ook Richtlijn 2003/10 is aangenomen in het kader van Kaderrichtlijn 89/391.

10.10.4 Samenvatting van de Richtlijn

Richtlijn 86/188 is van toepassing op alle werknemers, met uitzondering van werknemers in de zeescheepvaart en de luchtvaart (het personeel aan boord (art. 1, lid 2)). Werkgevers hebben de verplichting het geluid op het werk te beoordelen, en zo nodig te meten ten einde de in de Richtlijn bedoelde werknemers en arbeidsplaatsen te identificeren, alsmede de voorwaarden waaronder de specifieke artikelen van de Richtlijn van toepassing zijn, te bepalen (art. 3, lid 1). De gevaren van blootstelling aan geluid moeten worden beperkt tot een minimum dat redelijkerwijs haalbaar is, waarbij rekening moet worden gehouden met de technische ontwikkeling en de beschikbaarheid van maatregelen om het geluid met name bij de bron te beheersen (art. 5, lid 1).

Wanneer de dagelijkse persoonlijke blootstelling van een werknemer aan geluid de waarde van 85 dB(A) overschrijdt, of het waarschijnlijk is dat de niet-gewogen momentane geluidsdruk (geluidspiek) hoger is dan de maximumwaarde van 200 Pascal (Pa), worden passende maatregelen getroffen (art. 4, lid 1) om te bewerkstelligen dat de werknemers een adequate voorlichting en zonodig opleiding krijgen over:

• mogelijke gevaren voor hun gehoor;

• krachtens de Richtlijn te nemen maatregelen;

• verplichtingen om de beschermende maatregelen en voorzorgsmaatregelen in acht te nemen overeenkomstig de nationale voorschriften;

• het dragen van individuele gehoorbeschermers;

• de rol van de controle van de gehoorfunctie.

Individuele gehoorbeschermers moeten verkrijgbaar zijn voor werknemers wanneer het geluidsniveau boven de 85 dB(A) uitstijgt (art. 6, lid 2). Werknemers die blootgesteld worden aan dergelijke geluidsniveaus moeten tevens de mogelijkheid hebben om hun gehoor te laten controleren door een arts (art. 7, lid 1).

Wanneer de dagelijkse persoonlijke blootstelling van een werknemer aan geluid de waarde van 90 dB(A) of de niet-gewogen momentane geluidsdruk (geluidspiek) de maximumwaarde van 200 Pa waarschijnlijk overschrijdt, moet(en) de reden(en) van de overschrijdingen worden achterhaald en zullen maatregelen moeten worden genomen om het geluidsniveau zo ver als redelijkerwijs mogelijk is naar beneden te brengen. De plaats waar de overschrijding van de geluidswaarde wordt geconstateerd dient bovendien te worden afgebakend en de toegang ertoe dient aan beperkingen te worden onderworpen indien dit redelijkerwijs haalbaar is (art. 4, lid 2). Voorts moeten persoonlijke gehoorbeschermingsmiddelen worden gebruikt (art. 6, lid 1).

Lidstaten zijn gehouden om passende maatregelen te nemen opdat het ontwerp, de bouw en/of constructie van nieuwe installaties (nieuwe fabrieken, installaties of machines, uitbreiding of aanzienlijke wijziging van bestaande fabrieken of installaties, vervanging van installaties of machines) beantwoorden aan de eisen om geluidsniveaus terug te brengen tot een minimum dat redelijkerwijs haalbaar is (art. 8, lid 1, sub a). Indien nieuw materieel (werktuigen, machines, apparaten, enz.) bestemd om tijdens het werk te worden gebruikt, waarschijnlijk zal leiden tot een dagelijkse persoonlijke blootstelling aan geluid van 85 dB (A) of meer, of tot een niet-gewogen momentane geluidsdruk met een maximumwaarde van 200 Pa of meer, moet voldoende en adequate informatie over het voortgebrachte geluid beschikbaar worden gesteld (art. 8, lid 1, sub b). Afwijkingen van de bepalingen van de Richtlijn kunnen worden toegestaan indien de dagelijkse persoonlijke blootstelling van een werknemer aan geluid van de ene werkdag tot de andere sterk verschilt. Dit kan echter slechts op voorwaarde dat uit een toereikende controle blijkt dat het weekgemiddelde van de blootstelling van een werknemer aan geluid de vastgestelde waarde niet te boven gaat (art. 9, lid 1). Verder zijn afwijkingen mogelijk in uitzonderingsgevallen en voor beperkte duur in gevallen waarin het redelijkerwijs niet haalbaar is door technische of organisatorische maatregelen de dagelijkse persoonlijke blootstelling aan geluid tot minder dan 90 dB(A) terug te brengen. De lidstaten zijn gehouden om elke twee jaar een adequaat overzicht aan de Commissie te overleggen waarin deze afwijkingen zijn vermeld (art. 9, lid 2, sub a en d). De Richtlijn kent een tweetal bijlagen die aanwijzingen geven voor het meten van het geluid en voor de controle van de gehoorfunctie van de werknemers.

Richtlijn 2003/10 is van toepassing op alle werknemers. De voorschriften van de Richtlijn gelden voor alle activiteiten waarbij werknemers vanwege hun werk kunnen worden blootgesteld aan lawaai (art. 1, lid 2).

Centraal in de Richtlijn staat de vaststelling van grenswaarden voor blootstelling aan lawaai. Als primaire risico-indicator wordt gebruik gemaakt van het 8-uurs lawaaiblootstellingsniveau LEX,8h. Dat is het tijdgewogen gemiddelde van de blootstelling op een nominale werkdag van 8 uur, zoals gedefinieerd in de internationale norm ISO 1999 (art. 2, sub b). Dit wordt uitgedrukt in dB(A). Het LEX,8h omvat alle op het werk aanwezige geluiden, impulsgeluiden inbegrepen. Daarnaast wordt in de richtlijn gebruik gemaakt van de piekgeluiddruk, Ppiek. Dit is de maximale waarde van de ‘C’-frequentiegewogen momentane geluiddruk (art. 2, sub a). Dit wordt uitgedrukt in Pa.

De Richtlijn maakt vervolgens het onderscheid tussen grenswaarden en actiewaarden (art. 3). Er wordt bepaald dat de blootstelling van de werknemer in geen geval de grenswaarde van LEX,8h van 87 dB(A) of Ppiek van 200 Pa (140 dB(C)) mag overschrijden (art. 7, lid 1). Hierbij wordt rekening gehouden met de dempende werking van gehoorbeschermers. De grenswaarde heeft dus betrekking op tot het daadwerkelijk door de werknemer ervaren geluidsniveau. Indien de grenswaarden worden overschreden, moet de werkgever onmiddellijk maatregelen treffen om de blootstelling tot onder de grenswaarde te verminderen en moet deze de redenen van de overmatige blootstelling achterhalen en maatregelen nemen om te voorkomen dat het opnieuw gebeurt (art. 7, lid 2). Wanneer het geluidsniveau de onderste actiewaarde van 80 dB(A) of 112 Pa overschrijdt, zal de werkgever aan een aantal verplichtingen moeten voldoen. Zo zal deze gehoorbeschermers ter beschikking moeten stellen (art. 6, lid 1, sub a) en voorlichting en training moeten geven over de risico’s van blootstelling aan lawaai (art. 8). Tevens moeten lidstaten er voor zorgen dat preventief audiometrisch onderzoek ter beschikking staat van werknemers die worden blootgesteld aan lawaai dat de onderste actiewaarde overschrijdt (art. 10, lid 2). Ook wanneer de bovenste actiewaarde van 85 dB(A) of 140 Pa wordt overschreden, moet de werkgever aan een aan aantal verplichtingen voldoen. Zo zal de werkgever op basis van een risicobeoordeling (art. 4) een programma van technische en/of organisatorische maatregelen moeten opstellen en uitvoeren om de blootstelling tot een minimum te beperken (art. 5, lid 2). Tevens moet de werkgever er voor zorgen dat gehoorbeschermers gebruikt worden (art. 6, lid 1, sub b). Daarnaast hebben werknemers die worden blootgesteld aan lawaai dat de bovenste actiewaarden overschrijdt, het recht op controle door een arts (art. 10, lid 2).

De Richtlijn geeft een bijzondere bepaling met betrekking tot werknemers en werkgevers in de muziek- en entertainmentsector. Voor hen moeten de lidstaten een gedragscode met praktische richtsnoeren opstellen om te helpen met het naleven van de juridische verplichtingen op grond van Richtlijn 2003/10.

10.10.5 Achtergrond en totstandkoming van de Richtlijnen

Het voorstel voor Richtlijn 86/188 werd door de Commissie gemaakt na raadpleging van het Raadgevend Comité voor de veiligheid, de hygiëne en de gezondheidsbescherming op de arbeidsplaats. De bepalingen waren in overeenstemming met de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en de Intergouvernementele Raadgevende Maritieme Organisatie (IMCO) en hield rekening met het verrichte werk van de Wereldgezondheidsorganisatie en van andere internationale organisaties. Het belangrijkste aspect van het voorstel was het stellen van een grenswaarde van blootstelling van een werknemer aan geluid van 85 dB(A). Afwijking van deze waarde tot 90 dB(A) zou toegestaan zijn voor een periode van vijf jaar. Een audiometrische controle en het dragen van gehoorbeschermingsmiddelen zou verplicht zijn indien de gestelde grenswaarde overschreden zou worden.

In maart 1984 riep het Parlement de Commissie op om de grenswaarde voor de blootstelling aan geluid op 90 dB(A), in plaats van 85 dB(A) te stellen. Het Economisch en Sociaal Comité had eveneens aangeraden om de grenswaarde aanvankelijk hoger te stellen. De Commissie bracht vervolgens wijzigingen uit, waarin werd voorgesteld om de grenswaarde aan te passen naar 90 dB(A). De belangrijkste verschillen tussen het oorspronkelijke voorstel en de uiteindelijke Richtlijn 86/188 waren de aanpassing naar 90 dB(A) en het wegvallen van de vereiste audiometrische controle. Tevens werd de uiterste datum voor omzetting in nationale wetgeving verschoven van 1984 naar 1990.

In Richtlijn 86/188 werd al bepaald dat de Raad op voorstel van de Commissie de Richtlijn aan een hernieuwd onderzoek moest onderwerpen voor 1 januari 1994. In 1992 deed de Commissie een voorstel voor een nieuwe Richtlijn.[1185] Dit voorstel beoogde een kader te geven voor het reguleren van fysische agentia op het werk. Aanvankelijk zou de Richtlijn van toepassing zijn op mechanische trillingen, lawaai, optische straling en niet-waarneembare elektromagnetische velden en golven. In de eerste lezing op 20 april 1994 heeft het Parlement het voorstel met enkele amendementen goedgekeurd. De Commissie heeft een deel van deze amendementen aanvaard en heeft op 8 juli 1994 een gewijzigd voorstel ingediend. Tijdens het Duitse voorzitterschap in 1999 is vervolgens voorgesteld om de Richtlijn te beperken tot mechanische trillingen en daarna te werken aan Richtlijnen over andere fysische agentia. Na een politiek akkoord over de ‘trillingen’ Richtlijn (2002/44)[1186], is door het Zweedse voorzitterschap een voorstel ingediend voor een nieuwe Richtlijn voor lawaai op het werk, welke de oude Richtlijn 86/188 op den duur zou intrekken.

De belangrijkste verschillen tussen het Zweedse voorstel en Richtlijn 86/188 waren:

• Vermindering van de actiewaarden van 90 dB(A) en 85 dB(A) naar respectievelijk 85 dB(A) en 80 dB(A);

• Vermindering van de mogelijkheden tot afwijking;

• Het uitbreiden van het toepassingsbereik van de Richtlijn door ook werknemers in de zeescheepvaart er onder te laten vallen.

In oktober 2001 stelde de Raad zijn gemeenschappelijke standpunt vast. Hierna is het voorstel voor een tweede lezing onder de medebeslissingsprocedure naar het Parlement gestuurd. Niet alle 19 amendementen van het Parlement werden door de Raad geaccepteerd en een conciliatieprocedure werd gestart. In oktober 2002 werd een akkoord bereikt over de Richtlijn.

10.10.6 De omzetting in nationale regelgeving

Sinds 1987 is in Nederland regelgeving van kracht met betrekking tot het voorkomen of beperken van schadelijk geluid op de werkplek. Deze regelgeving is aangescherpt met de invoering van Richtlijn 86/188. Het huidige kader voor de regelgeving in Nederland wordt gegeven door de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Op deze wet zijn het Arbeidsomstandighedenbesluit, de Arbeidsomstandighedenregeling en de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving gebaseerd, die meer gedetailleerde bepalingen geven voor de bescherming van werknemers tegen lawaai op de arbeidsplaats. Implementatie van Richtlijn 86/188 heeft voornamelijk plaatsgevonden in art. 6.7 t/m 6.11 van het Arbeidsomstandighedenbesluit uit 1997. De Nederlandse regelgeving gaat verder dan de eisen die Richtlijn 86/188 stelt. Bij de uitvoering van de Richtlijn heeft Nederland er in 1991 voor gekozen lagere niveaus (dus strengere regels) van schadelijk geluid vast te stellen dan waartoe de Richtlijn verplicht. Deze niveaus sluiten aan bij al eerder in Nederland vastgestelde niveaus. Zo is in Nederland de werkgever verplicht maatregelen te nemen als de grens van 85 dB(A) wordt overschreden, terwijl deze grenswaarde onder Richtlijn 86/188 90 dB(A) is.

De nieuwe Richtlijn 2003/10 is nog niet omgezet in nationale wetgeving. Nederland heeft hier nog tot 15 februari 2006 de tijd voor. Veel zal echter niet hoeven gebeuren, aangezien Nederland al grotendeels aan de eisen van de Richtlijn voldoet.[1187] Wel zal het Arbeidsomstandighedenbesluit worden aangepast.[1188]

10.10.7 Uitvoering en effecten in de praktijk

In 1991 kondigde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een evaluatie aan van de Nederlandse regelgeving met betrekking tot lawaai op de arbeidsplaats. Hiervan werd in 1995 verslag uitgebracht.[1189] In de evaluatie werd onder meer geconcludeerd dat de aandacht van bedrijven voor lawaai wel was toegenomen, maar dat een groot deel van de bedrijven de formele verplichtingen niet nakwam. Daarbij leidden niet alle lawaaireducerende maatregelen tot een afname van het geluidsniveau in bedrijven. In meer dan de helft van de bedrijven waar sprake was van lawaai werden werknemers niet voorgelicht. Toch werd geoordeeld dat de situatie in lichte mate aan het verbeteren was, mede dankzij autonome ontwikkelingen (‘stillere’ machines, etc.).

Er bestaan meerdere (recente) statistieken over de blootstelling van werknemers in Nederland aan schadelijk geluid. Schadelijk geluid wordt gedefinieerd als geluid boven de 80 dB(A). De Arbobalans geeft aan dat 10% van de werknemers in 2001 regelmatig wordt blootgesteld aan lawaai.[1190] De branches waarin de meeste werknemers getroffen worden zijn de industrie, bouwnijverheid, landbouw en visserij en de horeca. De Arbobalans geeft tevens aan dat in dat jaar 49% van die werknemers regelmatig gehoorbescherming droeg. Deze percentages zijn in de afgelopen jaren niet veel gewijzigd.

Uit onderzoek van de Arbeidsinspectie op bedrijfsniveau blijkt dat in 22% van de bedrijven werknemers regelmatig blootstaan aan schadelijk geluid.[1191] Dit percentage lijkt zich te stabiliseren.

In het Signaleringsrapport Beroepsziekten 2001 wordt aangegeven dat er in 2001 735 meldingen van beroepsslechthorendheid waren. Dit vormt 13,1% van alle meldingen van beroepsziekten. Relatief neemt het aantal meldingen af.[1192] In het rapport wordt aangegeven dat gehoorschade niet alleen veroorzaakt kan worden door blootstelling aan lawaai, maar ook door andere werkgerelateerde factoren, zoals trillingen, extreme hitte en chemische stoffen, al dan niet in combinatie met lawaai.[1193]

8.1.1.14 Referenties

Den Boer, P. en T. Reubsaet (1995). Lawaai op de werkplek. Een evaluatie van de wetgeving voor schadelijk geluid op de arbeidsplaats. VUGA, Den Haag.

Ministerie van SZW (2002). Arbobalans 2002. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag.

NCvB (2002). Signaleringsrapport Beroepsziekten 2002. Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, Coronel Instituut, Academisch Medisch Centrum Amsterdam.

Peters, A., en E.C. van Hoorn (2002). Arbomonitor 2001. Arbeidsinspectie, Den Haag.



[1185] COM(92)560, PbEG C77 18.3.1993.

[1186] PbEG L177 6.7.2002.

[1187] TK 2000-2001, 22 112, nr. 190.

[1188] TK 2002-2003, 21 109, nr. 114.

[1189] Den Boer & Reubsaet (1995).

[1190] Ministerie van SZW (2002), p. 19.

[1191] Peters & van Hoorn (2002), p. 28.

[1192] NCvB (2002), p. 46.

[1193] NCvB (2002), p. 55.

Terug  Volgende
10.9 Huishoudelijke apparaten  11. Milieu-effectrapportage, informatie en planning
1. Inleiding
2. De totstandkoming van het EU-milieubeleid
3. De integratie van het milieu in ander EU-beleid
4. Water
5. Afval
6. Lucht
7. Gevaarlijke stoffen
8. Radioactiviteit
9. Natuur en landschap
10. Geluid
11. Milieu-effectrapportage en informatie
12. Financiële en economische instrumenten
13. Internationale verdragen
14. Klimaatverandering
I. Afkortingen
II.Chronologische lijst van Richtlijnen, Beschikkingen en Verordeningen
III. Voorgestelde wetgeving in afwachting van vaststelling
IV. Voorstellen in ontwikkeling
V. Websites m.b.t. Europees milieubeleid
Printversie
   
  klik hier om de lijst te bekijken  
Toevoegingen en wijzigingen
Homepage
Notificatieservice
EU- en Nederlandse Regelgeving
Reactieformulier
Colofon
Realisatie:
Instituut voor Milieuvraagstukken
Ministerie van VROM

Institute for European Environmental Policy (IEEP)
Copyright VROM. Alle rechten voorbehouden. Niets van deze site mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt in enige vorm of op enige wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van het Ministerie van VROM. Aan de inhoud van deze site kunnen geen rechten ontleend worden, noch jegens de samenstellers noch jegens derden.
  bovenkant pagina