Handboek Implementatie milieubeleid EU in Nederland

10.2 Overzicht van het Nederlandse beleid

Inleiding

In 1972 werd door de Nederlandse regering de Urgentienota Milieuhygiëne uitgebracht. [1672] In deze nota werd geschat dat zeventig tot tachtig procent van de bevolking in enigerlei vorm geluidshinder ondervond. Bestrijding van deze geluidsoverlast werd bemoeilijkt doordat er geen goede wetgeving was en doordat er door de bevoegde autoriteiten onvoldoende gebruik gemaakt werd van de wél bestaande instrumenten, zoals de Hinderwet en gemeentelijke verordeningen.

Wet geluidhinder

Sinds 1979 vormt de Wet geluidhinder (Wgh)[1673] het belangrijkste wettelijke kader voor het Nederlandse geluidshinderbeleid. Deze wet bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door onder meer industrie, wegverkeer en railverkeer. De wet richt zich voornamelijk op de woonomgeving. Naar aanleiding van evaluaties van de wet (waarvan de eerste reeds plaatsvond in 1985) is de wet diverse malen gewijzigd.

In de Wgh en op de wet gebaseerde AMvB’s zijn voor verschillende geluidsbronnen (zoals weg- en railverkeer en industrie) geluidsnormen opgenomen, waarbij een ondergrens (de voorkeursgrenswaarde) en een bovengrens (de maximale toelaatbare geluidsbelasting) worden aangehouden.

Naast de normstelling wordt geluidshinder tevens via het ruimtelijke spoor aangepakt. Via dit spoor wordt geprobeerd geluidshinder te voorkomen en te bestrijden door middel van het scheiden van geluidsbronnen en geluidsgevoelige objecten. De Wgh bevat bepalingen over het verplicht vaststellen van zones door middel van bestemmingsplannen rond geluidsbronnen als wegen, spoor-, tram- en metrowegen en industrieterreinen. De Wgh heeft dus een belangrijke samenhang met de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). Aangezien dit gedeelte van het Nederlandse geluidbeleid niet op Europese regelgeving is gebaseerd zal er in het bestek van dit Handboek niet verder op ingegaan worden.[1674]

Wet milieubeheer

Bepaalde onderdelen van de Wgh zijn in 1992 uit de wet verwijderd en opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm)[1675]. Dit betreft onder meer de bepalingen over vergunningen voor inrichtingen. Aan deze vergunningen kunnen (geluids)voorschriften worden verbonden. Veel (kleinere) bedrijven, waaronder horecagelegenheden, zijn vrijgesteld van de vergunningplicht, maar moeten voldoen aan algemene regels die in de vorm van een AMvB per branche zijn vastgesteld. In deze algemene regels, die landelijk gelden, zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen. Daarnaast bevat de Wm bepalingen over het aanwijzen van zogenaamde stiltegebieden.

Luchtvaartwet/Wet luchtvaart

De Wgh heeft geen betrekking op vliegtuiglawaai. Dit onderwerp wordt voornamelijk behandeld in de Luchtvaartwet[1676]. Deze wetgeving wordt stapsgewijs overgeheveld naar de Wet luchtvaart[1677] en op termijn zal de Luchtvaartwet worden ingetrokken. De Luchtvaartwet/Wet luchtvaart en de daarop gebaseerde besluiten en regelingen geven voor de civiele luchtvaart de streefwaarden en maximaal toegestane geluidbelastingswaarden. Op grond van deze wet is bepaald waar de geluidszones rond binnenlandse burger- en militaire vliegvelden liggen. In die zones moeten maatregelen getroffen worden om de geluidhinder vanwege vliegverkeer te beperken, zoals beperking van vliegbewegingen of isolatie van woningen (zie verder § ???).

Overige regelgeving

Naast de hiervoor genoemde wetten bestaat er ook nog andere relevante regelgeving met betrekking tot het voorkomen en bestrijden van geluidshinder. Zo bevat het Bouwbesluit, dat gebaseerd is op de Woningwet, een aantal voorschriften voor bouwwerken. Deze voorschriften hebben betrekking op de geluidsisolatie van buiten naar binnen (bijvoorbeeld in verband met verkeerslawaai) en de isolatie tussen woningen onderling (burenlawaai). Dit laatste onderwerp wordt tevens behandeld in het Wetboek van Strafrecht en in Algemene Plaatselijke Verordeningen (APV’s). Op basis van de Arbeidsomstandighedenwet zijn regels ter beperking van geluidshinder op het werk gesteld (zie § ???).

Geluidbeleid in Nederland

Naast de hiervoor genoemde wetgeving en normering zijn ook beleidsdoelstellingen gegeven voor de lange termijn. In het NMP (1989) en het NMP2 (1993) werd als beleidsdoel een stabilisatie van de geluidshinder op het niveau van 1985 en een verwaarloosbaar niveau van ernstige geluidshinder in 2010 gesteld. In het NMP3 (1998) werd echter al aangegeven dat met name de doelstelling van een verwaarloosbaar percentage ernstig gehinderden in 2010 niet haalbaar was en werd aangegeven dat deze doelstelling herzien zou worden. Dit gebeurde vervolgens ook in het NMP4 (2001). Hierin is een goede akoestische kwaliteit[1678] in alle gebieden in 2030 als uiteindelijk doel gesteld. Om dit streven te bereiken zijn herziene geluidsdoelstellingen gegeven:

  • in 2010 wordt de grenswaarde van 70 dB(A) bij woningen niet meer overschreden;

  • de akoestische kwaliteit in het stedelijk en landelijk gebied is in 2030 gerealiseerd. In 2010 is een forse verbetering van de akoestische kwaliteit in het stedelijk gebied gerealiseerd, mede door aanpak van de rijksinfrastructuur;

  • de akoestische kwaliteit in de ecologische hoofdstructuur (EHS) is in 2030 gerealiseerd. In 2010 is de ambitie dat de akoestische situatie niet is verslechterd ten opzichte van 2000.[1679]

In het NMP4 is een grotere nadruk gelegd op het tot stand brengen van een akoestische kwaliteit, passend bij een bepaalde functie van het specifieke gebied. Dit is weergegeven in de tweede en derde geluidsdoelstelling. Voor zo’n gebiedsgerichte aanpak is het noodzakelijk dat de lokale overheden een grotere rol krijgen dan tot nu toe (zie ook hierna).

De bestrijding van geluidshinder in Nederland gebeurt langs twee lijnen. Ten eerste is er beleid gericht op bestrijding van geluidhinder aan de bron. Hierbij kan gedacht worden aan algemene regels ter vermindering van geluidsemissies van geluidsbronnen als motorvoertuigen, bromfietsen, trekkers, huishoudelijke apparaten, etc. Ook maatregelen als aanpassing van het wegdek kunnen als bronbestrijding worden aangemerkt.[1680] Daarnaast is er beleid gericht op de bestrijding van de effecten van geluidshinder. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen als zonering en het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen.

Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid

In juni 1996 heeft een werkgroep Wet geluidhinder[1681] in de rapportage ‘Het geluid geordend’ voorstellen gedaan voor de vernieuwing van het geluidhinderinstrumentarium. Enkele belangrijke aanbevelingen uit deze rapportage zijn:

  • Het geluidhinderbeleid wordt gedecentraliseerd;

  • Gemeenten krijgen de bevoegdheid om van de wettelijke norm af te wijken op voorwaarde dat zij de afwijking kunnen funderen op eigen gebiedsgericht geluidbeleid;

  • Het nieuwe instrumentarium wordt in de Wm geregeld, waarmee de Wgh kan vervallen.

Naar aanleiding van de rapportage heeft de minister van VROM de Tweede Kamer ingelicht over het voornemen van de regering om het geluidhinderinstrumentarium te vernieuwen en om de bevoegdhedenverdeling op dit gebied te herzien.[1682] In 1996 is vervolgens door VROM het project Modernisering Instrumentarium Geluidbeleid (MIG) opgezet. In 1998 is de beleidsnota MIG in de Tweede Kamer besproken, welke uiteindelijk heeft geleid tot het wetsvoorstel MIG. In maart 2002 bracht de Raad van State advies uit, waarbij het voorstel werd bekritiseerd , onder meer omdat het vooruitliep op de Richtlijn omgevingslawaai . Daarna is het voorstel eerst besproken in de laatste Ministerraad van het demissionaire tweede kabinet Kok. Vooral vanwege het feit dat MIG het zogenaamde handhavingsgat zichtbaar maakt en de middelen om dit gat te dichten niet op de rijksbegroting waren opgenomen, is in die Ministerraad besloten om de behandeling van het wetsvoorstel aan het nieuwe kabinet over te laten. Na de formatie van het volgende kabinet (Balkenende-I), is het voorstel aan de nieuwe staatssecretaris van Milieu voorgelegd, die constateerde dat MIG waardevolle elementen kende, maar dat het wetsvoorstel op een aantal punten niet correspondeerde met het Strategisch Akkoord van het kabinet. Daarop is besloten om de met MIG ingezette beleidslijn voort te zetten, zij het niet in de vorm van een apart wetsvoorstel, maar via stapsgewijze wijzigingen van de Wgh.[1683] De eerste stap is uitgevoerd middels de implementatie van de Europese Richtlijn omgevingslawaai (zie § ???).

De tweede stap is genomen via een wijziging van de Wgh.

Deze wijzigingvan de Wgh en onderliggende regelgeving (MIG II, eerste fase)[1684] is op 1 januari 2007 in werking getreden. De wijziging heeft als gevolg dat de bevoegdheid omtrent het verlenen van hogere geluidsgrenswaarden wordt gedecentraliseerd van Gedeputeerde Staten naar burgemeester en wethouders. Daarnaast leidt de wijziging tot een breedschalige invoering van de op grond van de Richtlijn omgevingslawaai op beperkte schaal ingevoerde geluidsmaat Lden, welke nu ook van toepassing is op het lawaai van weg- en spoorwegverkeer.

Met de wijziging van de Wgh in 2007 is de MIG nog niet ten einde gekomen. De laatste twee stappen (allebei onderdeel van de tweede fase van de MIG) omvatten grootschalige wijzigingen van de regelgeving (waaronder de Wgh en de Wm) met betrekking tot: 1) de rijksinfrastructuur (Swung-1); en 2) de provinciale en gemeentelijke infrastructuur, alsook industrielawaai (Swung-2). ‘Swung’ staat voor Samen Werken in de Uitvoering van Nieuw Geluidbeleid. In het kader van Swung worden vier elementen van geluidbeleid aan de orde gesteld:

  • het vereenvoudigen van het ‘normengebouw’ (m.a.w., de systematiek van toepasselijke normen);

  • het versterken van de naleving en de handhaving, onder meer middels de introductie van geluidproductieplafonds;

  • de versterking van het bronbeleid; en

  • de hervorming van de zonering industrielawaai.[1685]

In december 2009 is een wetsvoorstel ingediend ter uitvoering van Swung-1.[1686] Het wetsvoorstel beoogt de introductie van geluidproductieplafonds voor de rijksinfrastructuur (hoofdwegen en hoofdspoorwegen) om de geluidsbelasting te beheersen. Daarnaast wordt voorgesteld om hoge geluidsbelastingen (boven een bij de wet bepaald niveau) te verminderen middels saneringen. Tenslotte voorziet het wetsvoorstel een groter aantal bronmaatregelen, waaonder minimumeisen bij de aanleg of vervanging van (spoor)wegen.

Referenties

Backes, C., et al. (2006). Milieurecht. Kluwer, Deventer.

VROM, Ministerie van (2001). Nationaal Milieubeleidsplan 4. Een wereld en een wil. Werken aan duurzaamheid. TK 2000-2001, 27 801, nr. 1, Den Haag.

VROM, Ministerie van (2005). Informatieblad SWUNG, Stand van zaken augustus 2005, Contouren van een discussie. Den Haag.

[1672] TK 1971-1972, 11 906, nrs. 1-2, p. 39-41.

[1673] Stb. 1979, 99, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 297.

[1674] Voor nadere uitleg wordt verwezen naar Backes et al. (2006), pp. 418-426.

[1675] Stb. 1994, 80, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2004, 511.

[1676] Stb. 1958, 47, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2004, 672.

[1677] Stb. 1992, 368, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2004, 338.

[1678] Akoestische kwaliteit betekent dat de gebiedseigen geluiden te horen zijn en niet overstemd worden door niet-gebiedseigen geluid.

[1679] VROM (2001).

[1680] Backes et al. (2006), p. 413.

[1681] Deze werkgroep is ingesteld in het kader van het project Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW).

[1682] TK 1995-1996, 24 036, nr. 26.

[1683] Zie “Vaste waarden, nieuwe vormen: Milieubeleid 2002-2006” (TK 2002-2003, 28 663, nr. 1, p. 15.).

[1684] Stb. 2006, 350.

[1685] VROM (2005).

[1686] TK 2009-2010, 32 252, nr. 3.