2003/10/EG (PbEU L042 15.2.2003) voorgesteld 18.3.1993 – COM(92)560 | Richtlijn betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van fysische agentia (lawaai) |
Rechtsgrondslag | Art. 137 EG-verdrag (thans art. 153 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Omzetting in nationale regelgeving | 15 februari 2006 |
Arbeidsomstandighedenwet 1998 | Stb. 1999, 184, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 318 |
Arbeidsomstandighedenbesluit | Stb. 1997, 60, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 379 |
Arbeidsomstandighedenregeling | Stcrt. 1997, 63, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 117 |
Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving | Stcrt. 1999, 199, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 15048 |
Het doel van de Richtlijn is om het gehoor van werknemers te beschermen door grenzen te stellen aan geluidsemissies. Richtlijn 86/188 is destijds aangenomen onder Kaderrichtlijn 80/1107 en valt nu binnen het kader van Richtlijn 89/391 (verbetering van de veiligheid en gezondheid van de werknemers op het werk) (zie § ???). In 2003 is Richtlijn 2003/10 in werking getreden, waarin het geven van minimumvoorschriften voor de bescherming van werknemers tegen de risico’s voor hun gezondheid en veiligheid door blootstelling aan lawaai, met name het risico van gehoorbeschadiging, wordt beoogd. De Richtlijn vervangt Richtlijn 86/188, welke per 15 februari 2006 is ingetrokken. Richtlijn 2003/10 is aangenomen in het kader van Kaderrichtlijn 89/391 (verbetering van de veiligheid en gezondheid van de werknemers op het werk) (zie § ???).
Richtlijn 2003/10 is van toepassing op alle werknemers. De voorschriften van de Richtlijn gelden voor alle activiteiten waarbij werknemers vanwege hun werk kunnen worden blootgesteld aan lawaai (art. 1, lid 2).
Centraal in de Richtlijn staat de vaststelling van grenswaarden voor blootstelling aan lawaai. Als primaire risico-indicator wordt gebruik gemaakt van het 8-uurs lawaaiblootstellingsniveau LEX,8h. Dat is het tijdgewogen gemiddelde van de blootstelling op een nominale werkdag van 8 uur, zoals gedefinieerd in de internationale norm ISO 1999 (art. 2, sub b). Dit wordt uitgedrukt in dB(A). Het LEX,8h omvat alle op het werk aanwezige geluiden, impulsgeluiden inbegrepen. Daarnaast wordt in de richtlijn gebruik gemaakt van de piekgeluiddruk, Ppiek. Dit is de maximale waarde van de ‘C’-frequentiegewogen momentane geluiddruk (art. 2, sub a). Dit wordt uitgedrukt in Pa.
De Richtlijn maakt vervolgens het onderscheid tussen grenswaarden en actiewaarden (art. 3). Er wordt bepaald dat de blootstelling van de werknemer in geen geval de grenswaarde van LEX,8h van 87 dB(A) of Ppiek van 200 Pa (140 dB(C)) mag overschrijden (art. 7, lid 1). Hierbij wordt rekening gehouden met de dempende werking van gehoorbeschermers. De grenswaarde heeft dus betrekking op tot het daadwerkelijk door de werknemer ervaren geluidsniveau. Indien de grenswaarden worden overschreden, moet de werkgever onmiddellijk maatregelen treffen om de blootstelling tot onder de grenswaarde te verminderen en moet deze de redenen van de overmatige blootstelling achterhalen en maatregelen nemen om te voorkomen dat het opnieuw gebeurt (art. 7, lid 2). Wanneer het geluidsniveau de onderste actiewaarde van 80 dB(A) of 112 Pa overschrijdt, zal de werkgever aan een aantal verplichtingen moeten voldoen. Zo zal deze gehoorbeschermers ter beschikking moeten stellen (art. 6, lid 1, sub a) en voorlichting en training moeten geven over de risico’s van blootstelling aan lawaai (art. 8). Tevens moeten lidstaten er voor zorgen dat preventief audiometrisch onderzoek ter beschikking staat van werknemers die worden blootgesteld aan lawaai dat de onderste actiewaarde overschrijdt (art. 10, lid 2). Ook wanneer de bovenste actiewaarde van 85 dB(A) of 140 Pa wordt overschreden, moet de werkgever aan een aan aantal verplichtingen voldoen. Zo zal de werkgever op basis van een risicobeoordeling (art. 4) een programma van technische en/of organisatorische maatregelen moeten opstellen en uitvoeren om de blootstelling tot een minimum te beperken (art. 5, lid 2). Tevens moet de werkgever er voor zorgen dat gehoorbeschermers gebruikt worden (art. 6, lid 1, sub b). Daarnaast hebben werknemers die worden blootgesteld aan lawaai dat de bovenste actiewaarden overschrijdt, het recht op controle door een arts (art. 10, lid 2).
De Richtlijn geeft een bijzondere bepaling met betrekking tot werknemers en werkgevers in de muziek- en entertainmentsector. Voor hen moeten de lidstaten een gedragscode met praktische richtsnoeren opstellen om te helpen met het naleven van de juridische verplichtingen op grond van Richtlijn 2003/10.
De eerste Europese wetgeving om werknemers te beschermen tegen lawaai was in 1986 aangenomen. De bepalingen waren in deze Richtlijn waren in overeenstemming met de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) en de Intergouvernementele Raadgevende Maritieme Organisatie (IMCO) en hield rekening met het verrichte werk van de Wereldgezondheidsorganisatie en van andere internationale organisaties. In Richtlijn 86/188 werd al bepaald dat de Raad op voorstel van de Commissie de Richtlijn aan een hernieuwd onderzoek moest onderwerpen voor 1 januari 1994. In 1992 deed de Commissie een voorstel voor een nieuwe Richtlijn.[1858] Dit voorstel beoogde een kader te geven voor het reguleren van fysische agentia op het werk. Aanvankelijk zou de Richtlijn van toepassing zijn op mechanische trillingen, lawaai, optische straling en niet-waarneembare elektromagnetische velden en golven. In de eerste lezing op 20 april 1994 heeft het Parlement het voorstel met enkele amendementen goedgekeurd. De Commissie heeft een deel van deze amendementen aanvaard en heeft op 8 juli 1994 een gewijzigd voorstel ingediend. Tijdens het Duitse voorzitterschap in 1999 is vervolgens voorgesteld om de Richtlijn te beperken tot mechanische trillingen en daarna te werken aan Richtlijnen over andere fysische agentia. Na een politiek akkoord over de ‘trillingen’ Richtlijn (2002/44)[1859], is door het Zweedse voorzitterschap een voorstel ingediend voor een nieuwe Richtlijn voor lawaai op het werk, welke de oude Richtlijn 86/188 op den duur zou intrekken.
De belangrijkste verschillen tussen het Zweedse voorstel en de oude Richtlijn waren:
Vermindering van de actiewaarden van 90 dB(A) en 85 dB(A) naar respectievelijk 85 dB(A) en 80 dB(A);
Vermindering van de mogelijkheden tot afwijking;
Het uitbreiden van het toepassingsbereik van de Richtlijn door ook werknemers in de zeescheepvaart er onder te laten vallen.
In oktober 2001 stelde de Raad zijn gemeenschappelijke standpunt vast. Hierna is het voorstel voor een tweede lezing onder de medebeslissingsprocedure naar het Parlement gestuurd. Niet alle 19 amendementen van het Parlement werden door de Raad geaccepteerd en een conciliatieprocedure werd gestart. In oktober 2002 werd een akkoord bereikt over de Richtlijn.
Sinds 1987 is in Nederland regelgeving van kracht met betrekking tot het voorkomen of beperken van schadelijk geluid op de werkplek. Deze regelgeving is aangescherpt met de invoering van Richtlijn 86/188. Het huidige kader voor de regelgeving in Nederland wordt gegeven door de Arbeidsomstandighedenwet 1998[1860]. Op deze wet zijn het Arbeidsomstandighedenbesluit[1861], de Arbeidsomstandighedenregeling[1862] en de Beleidsregels arbeidsomstandighedenwetgeving gebaseerd[1863], die meer gedetailleerde bepalingen geven voor de bescherming van werknemers tegen lawaai op de arbeidsplaats. Implementatie van Richtlijn 2003/10 heeft voornamelijk plaatsgevonden in art. 6.6 t/m 6.11a van het Arbeidsomstandighedenbesluit uit 1997.[1864] Er is voor gekozen om de Richtlijn één op één te implementeren.[1865]
In 1991 kondigde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een evaluatie aan van de Nederlandse regelgeving met betrekking tot lawaai op de arbeidsplaats. Hiervan werd in 1995 verslag uitgebracht.[1866] In de evaluatie werd onder meer geconcludeerd dat de aandacht van bedrijven voor lawaai wel was toegenomen, maar dat een groot deel van de bedrijven de formele verplichtingen niet nakwam. Daarbij leidden niet alle lawaaireducerende maatregelen tot een afname van het geluidsniveau in bedrijven. In meer dan de helft van de bedrijven waar sprake was van lawaai werden werknemers niet voorgelicht. Toch werd geoordeeld dat de situatie in lichte mate aan het verbeteren was, mede dankzij autonome ontwikkelingen (‘stillere’ machines, etc.).
Er bestaan meerdere (recente) statistieken over de blootstelling van werknemers in Nederland aan schadelijk geluid. Schadelijk geluid wordt gedefinieerd als geluid boven de 80 dB(A), op een 8-urige werkdag. Bij dit niveau van geluid is stemverheffing nodig om zich verstaanbaar te maken. Boven de 80 dB(A) neemt het risico op gehoorschade snel toe. Vanaf 85 dB(A) zijn werknemers wettelijk verplicht om gehoorbeschermers te dragen.[1867]
Volgens de Arbobalans is het percentage werknemers dat aangeeft regelmatig te maken te hebben met lawaai in het werk, zodanig dat er hard gesproken moet worden om
verstaanbaar te zijn al enige jaren stabiel op 7%,[1868] ten opzichte van 13% in 2004.[1869] Volgens de Arbobalans 2009 zijn de sectoren waar schadelijk geluid het meest voorkomt de bouwnijverheid (69% van alle bedrijven in Nederland), industrie, nuts en delfstoffenwinning (57%), landbouw en visserij (43%) en het openbaar bestuur (33%). Qua blootstelling van het aantal werknemers gaat het vooral om de bouwnijverheid (51% van alle werknemers), landbouw en visserij (29%) en industrie, nuts en delfstoffenwinning (27%). In totaal 9% van alle werknemers staat volgens de werkgevers bloot aan schadelijk geluid.[1870]
Volgens de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2009, uitgevoerd door TNO en CBS, zijn de branches waarin blootstelling aan lawaai op de werkplek het meeste voorkomt de industrie (17,8% regelmatig, 27% soms), bouwnijverheid (13,8% regelmatig, 44% soms), landbouw en visserij (12,8% regelmatig, 37,2% soms), vervoer en communicatie (10,1% regelmatig, 19,6% soms), horeca (7,7% regelmatig, 25,5% soms), en onderwijs (5,5% regelmatig, 21,3% soms).
Van de werknemers die te maken hebben met lawaai op het werk, gaf in 2009 42% aan gehoorbescherming te dragen.[1871] Allochtone werknemers blijken vaker te maken te hebben met lawaai op het werk, terwijl zij in die gevallen minder vaak gehoorbescherming dragen dan autochtone werknemers. Qua leeftijdsgroepen wordt weinig verschil aan blootstelling opgemerkt, maar jongere werknemers (tot 25 jaar) maken bij blootstelling relatief minder gebruik van gehoorbescherming, hetgeen in mindere mate ook geldt voor werknemers ouder dan 45 jaar. Werknemers in de bouw, zoals loodgieters, fitters, lassers, plaat- en constructiewerkers, metselaars, timmerlieden en andere bouwvakkers hebben relatief vaak te maken met lawaai op het werk, maar dragen met bijna 75% relatief vaak gehoorbescherming.
De maatregelen die door werkgevers getroffen worden liggen vooral in de sfeer van beperking van de risicos, en zijn minder gericht op het voorkomen van gehoorschade. De meest toegepaste maatregelen zijn het verschaffen van gehoorbeschermingsmiddelen (91%), voorlichting en instructie aan werknemers (34%) en maatregelen aan de bron (25%). Van de werknemers vindt 10% dat aanvullende maatregelen nodig zijn.[1872]
Uit cijfers van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten blijkt dat het aantal meldingen van beroepsslechthorendheid tussen 2002 en 2008 gegroeid is van 735 tot 2290.[1873] Hiermee is lawaaislechthorendheid nog steeds de meest gemelde beroepsziekte, ondanks de goede preventiemogelijkheden die er bestaan.[1874]
Den Boer, P. en T. Reubsaet (1995). Lawaai op de werkplek. Een evaluatie van de wetgeving voor schadelijk geluid op de arbeidsplaats. VUGA, Den Haag.
NCvB (2003). Signaleringsrapport Beroepsziekten 2003. Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, Coronel Instituut, Academisch Medisch Centrum Amsterdam.
NCvB (2009). Beroepsziekten in Cijfers 2009. Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, Coronel Instituut, Academisch Medisch Centrum Amsterdam.
SZW, Ministerie van (2004). Arbobalans 2004. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag.
SZW, Ministerie van (2009). Arbobalans 2009. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Den Haag.
TNO (2009). Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2009: Methodologie en Globale Resultaten. TNO en Centraal Bureau voor de Statistiek, Delft/Den Haag/Heerlen.
[1858] COM(92)560, PbEG C77 18.3.1993.
[1859] PbEG L177 6.7.2002.
[1860] Stb. 1999, 184, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 318.
[1861] Stb. 1997, 60, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2009, 379.
[1862] Stcrt. 1997, 63, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 117.
[1863] Stcrt. 1999, 199, laatstelijk gewijzigd bij Stcrt. 2009, 15048.
[1864] Stb. 2006, 56.
[1865] Stb. 2006, 56, p. 12.
[1866] Den Boer & Reubsaet (1995).
[1867] SZW (2009), p. 132.
[1868] SZW (2009), pp. 39. Volgens de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA) 2009 ligt dit percentage op 6,4%, zie TNO (2009), p. 63.
[1869] SZW (2004), p. 15.
[1870] SZW (2009), p. 132
[1871] SZW (2009), pp. 39-40. Volgens de NEA 2009 is dit 39,2%, zie TNO (2009), p. 63.
[1872] SZW (2009), pp. 132-133.
[1873] NCvB (2009), p. 78; NCvB (2003), p. 53.
[1874] NCvB (2009), p. 82.