Richtlijn 2001/42/EG (PbEG L197, 21.7.2001) | Richtlijn betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s |
Rechtsgrondslag | Artikel 175, lid 1 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Omzetting in nationale regelgeving | 21 juli 2004 |
Informatie van lidstaten aan de Commissie over aan de Richtlijn onderworpen plannen en programma’s | 21 juli 2004 |
Verslag van Commissie over toepassing en doeltreffendheid | 21 juli 2006 |
Wet milieubeheer (H7) | Stb. 2002, 239 (laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 20) |
Wet van 5 juli 2006 tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2001/42/EG | Stb. 2006, 336 (tekst) en Stb. 2006, 389 (inwerkingtreding) |
Besluit milieueffectrapportage | Stb. 1994, 540 (laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2010, 184) |
Besluit van 16 augustus 2006 tot wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (uitvoering richtlijnen nrs. 2001/42/EG en 2003/35/EG) | Stb. 2006, 388 (tekst) en Stb. 2006. 389 (inwerkingtreding) |
Wijziging Besluit milieu-effectrapportage 1994 en enkele andere amvb’s (technische aanpassing t.g.v. modernisering regelgeving milieueffectrapportage) | Stb. 2010, 184 (tekst) en Stb. 2010, 197 (inwerkingtreding) |
Besluit tot wijziging Besluit m.e.r. (reparatie en modernisering) | Stcrt. 2011, 102 |
Wet versnelling besluitvorming wegprojecten | Stb. 2009, 189 |
Crisis- en herstelwet | Stb. 2010, 135 (tekst) en Stb. 137, 2010 (inwerkingtreding) |
De Richtlijn verplicht autoriteiten om een milieubeoordeling uit te voeren van bepaalde plannen en programma’s die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben. Gewoonlijk wordt dit ‘strategische milieubeoordeling’ (SMB) of ‘strategische m.e.r.’ genoemd, al komt deze term in de Richtlijn niet voor. De Richtlijn schrijft standaardprocedures voor het uitvoeren van een milieubeoordeling voor. Ze vormt een aanvulling op de ‘gewone’ MER-Richtlijn (zie § ???) door de m.e.r.-plicht op te leggen in een eerdere fase van het planningsproces.
Het gaat in deze Richtlijn om plannen en programma’s die door nationale, regionale of lokale instanties worden opgesteld en/of vastgesteld en die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven (art. 2, onder a). Voor zulke plannen moet een milieubeoordeling worden uitgevoerd als ze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben (art. 3, lid 1). Dat betreft in elk geval in principe alle sectorale en planologische plannen en programma’s die het kader vormen voor activiteiten die op grond van Richtlijn 85/337 m.e.r.-plichtig zijn (zie § ???) of waarvoor een beoordeling vereist is op grond van de Habitatrichtlijn (92/43, zie § ???) (art. 3, lid 2). Als het daarbij echter om kleinschalige plannen en programma’s gaat, of om kleine wijzigingen, moeten de lidstaten zelf bepalen of ze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en dus onder de milieubeoordelingsplicht vallen (art. 3, lid 3). Daarnaast moeten de lidstaten vaststellen of andere plannen en programma’s die het kader vormen voor toekomstige vergunningen voor projecten aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben (art. 3, lid 4). Bijlage II van de Richtlijn geeft gedetailleerde criteria waarmee de lidstaten bij het vaststellen van potentieel aanzienlijke milieueffecten rekening moeten houden. Het gaat daarbij zowel om kenmerken van de plannen en programma’s als om kenmerken van de effecten en de gebieden die kunnen worden beïnvloed.
De Richtlijn geldt niet voor de volgende plannen en programma’s (art. 3, lid 8 en 9):
als ze uitsluitend bestemd zijn voor nationale defensie of noodsituaties;
financiële of begrotingsplannen en -programma’s;
als ze worden medegefinancierd in het kader van Verordening 1260/1999 (Structuurfondsen; zie § ???) of 1257/1999 (Plattelandsontwikkeling; zie § ???) in de programmeringsperiode 2000-2006.
De milieubeoordelingsverplichting geldt voor plannen en programma’s waarvan de formele voorbereiding na 21 juli 2004 begon. Ook plannen en programma’s die op die datum al in de pijplijn zaten, maar die op 21 juli 2006 nog niet waren aangenomen of ingediend, vallen onder de verplichting, tenzij dat niet haalbaar is (in laatstgenoemd geval moet het publiek worden ingelicht) (art. 13, lid 3).
De milieubeoordeling moet worden uitgevoerd tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling van het plan of programma. Daarbij kan van bestaande of van nieuwe procedures gebruik worden gemaakt. Overlapping van beoordelingen (die kan ontstaan als er sprake is van een hiërarchie van plannen en programma’s mag worden voorkomen (art. 4).
In het kader van de milieubeoordeling moet een milieurapport worden opgesteld met daarin de volgende informatie (art. 5, lid 1 en Bijlage I):
een schets van de inhoud en de belangrijkste doelstellingen van het plan of programma en het verband met andere, relevante plannen en programma’s;
de relevante aspecten van de bestaande situatie en de mogelijke ontwikkeling daarvan als het plan of programma niet wordt uitgevoerd;
de milieukenmerken van gebieden waarvoor de gevolgen aanzienlijk kunnen zijn;
alle bestaande relevante milieuproblemen (met name ook in gebieden die vanuit milieuoogpunt van bijzonder belang zijn);
relevante milieubeschermingsdoelstellingen op internationaal, EU- of nationaal niveau, alsook de wijze waarop met deze doelstellingen en andere milieuoverwegingen rekening is gehouden;
de mogelijke aanzienlijke milieueffecten (inclusief secundaire, cumulatieve, synergetische, blijvende en tijdelijke, positieve en negatieve effecten, en effecten op korte, middellange en lange termijn) op bijvoorbeeld biodiversiteit, bevolking, gezondheid van de mens, fauna, flora, bodem, water, lucht, klimaatfactoren, materiële goederen, cultureel erfgoed (met inbegrip van architectonisch en archeologisch erfgoed), landschap en de wisselwerking tussen bovengenoemde elementen;
de voorgenomen maatregelen om aanzienlijke negatieve milieueffecten te voorkomen, te beperken of zoveel mogelijk teniet te doen;
de redenen voor de selectie van de onderzochte alternatieven en een beschrijving van de wijze waarop de beoordeling is uitgevoerd (met vermelding van ontbrekende informatie);
een beschrijving van de voorgenomen monitoringsmaatregelen;
een niet-technische samenvatting van het bovenstaande.
Het rapport moet de informatie bevatten die ‘redelijkerwijs’ mag worden vereist, gelet op de stand van kennis en beoordelingsmethoden, de inhoud en het detailleringsniveau van het plan of programma en de fase van het besluitvormingsproces (art. 5, lid 2). De kwaliteit van de rapporten moet toereikend zijn en de lidstaten moeten de Commissie inlichten over de maatregelen die zij daartoe nemen (art. 12, lid 2).
De lidstaten moeten de instanties aanwijzen die met de milieueffecten van de uitvoering van de plannen en programma’s te maken kunnen krijgen (art. 6, lid 3). Deze instanties, alsmede het publiek (inclusief relevante NGO’s) moeten de gelegenheid krijgen hun mening te geven over het ontwerp-plan of -programma (voordat het wordt vastgesteld) en het bijbehorende milieurapport (art. 6, lid 2 en 4). De aangewezen instanties moeten ook worden geraadpleegd bij het aanwijzen door de lidstaten van plannen en programma’s met potentieel aanzienlijke milieueffecten (art. 3, lid 6) en bij het bepalen van de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het milieurapport moet worden opgenomen (art. 5, lid 4).
Bij potentieel aanzienlijke grensoverschrijdende milieueffecten in een andere lidstaat moet ook die lidstaat worden geraadpleegd (art. 7).
Nadat het plan is vastgesteld moeten aan de genoemde instanties, het publiek en de eventuele andere betrokken lidstaten de volgende stukken beschikbaar worden gesteld (art. 9):
het plan of programma zoals het is vastgesteld;
een verklaring die samenvat hoe milieuoverwegingen in het plan of programma zijn geïntegreerd en hoe met het rapport, de gegeven meningen en raadplegingen rekening is gehouden (hetgeen op grond van art. 8 verplicht is);
een samenvatting van de redenen waarom dit plan of programma is aangenomen en niet een van de alternatieven;
de monitoringsmaatregelen (zie hierna).
De lidstaten moeten de aanzienlijke milieugevolgen van de tenuitvoerlegging van de plannen en programma’s nagaan, ondermeer om onvoorziene negatieve gevolgen in een vroeg stadium te kunnen identificeren en de passende herstellende maatregelen te kunnen nemen. Zij kunnen daarbij gebruik maken van bestaande monitoringsregelingen.
De lidstaten en de Commissie dienen informatie uit te wisselen over hun ervaringen met de uitvoering van de Richtlijn. Uiterlijk op 21 juli 2006, en vervolgens om de zeven jaar, moet de Commissie een verslag uitbrengen over toepassing en doeltreffendheid van de Richtlijn, zo nodig vergezeld van wijzigingsvoorstellen.
Vóór eind 2006 moest de Commissie ook rapporteren over het verband tussen de Richtlijn en de Verordeningen betreffende de Structuurfondsen (1260/1999) en de Plattelandsontwikkeling (1257/1999).
Al in de jaren ’70 werd in studies van de Commissie de mening verkondigd dat er een compleet systeem van milieueffectrapportage (m.e.r.) moest komen, dat verder zou gaan dan alleen de beoordeling van projecten. Betoogd werd dat een projectgerichte m.e.r. te laat in het planningsproces zou kunnen plaatsvinden om aanzienlijke milieuschade nog te kunnen vermijden, en sowieso geen rekening zou houden met de cumulatieve effecten van grote aantallen individuele projecten. Daarom zouden ook de beleidsvoornemens, plannen en programma’s die zulke projecten mogelijk maken onderworpen moeten worden aan een milieubeoordeling.
Toen de Raad de MER-Richtlijn 85/337 (zie § ???) aannam maakte de Commissie dan ook duidelijk dat ze de mogelijkheid overwoog om het toepassingsgebied ervan te verbreden. Deze intentie werd zowel in het Vierde als het Vijfde Milieuactieprogramma bevestigd.
Al in januari 1991 circuleerde er een intern eerste ontwerp van een Commissievoorstel. Het kostte daarna nog tien jaar van onderhandelingen voordat er eindelijk overeenstemming was over een Richtlijn. Deze lange ontstaansgeschiedenis had te maken met technische moeilijkheden die verbonden zijn aan het begrip strategische milieubeoordeling (SMB), alsmede met politieke tegenstand van verscheidene lidstaten, op grond van overwegingen van uitvoerbaarheid en subsidiariteit.
In 1996 werd het voorstel van de Commissie formeel gepubliceerd.[1918] Het toepassingsgebied ervan was beperkt tot ‘plannen en programma’s’, zonder dat deze begrippen overigens duidelijk waren afgebakend. Sommige lidstaten waren van mening dat de wettelijke basis van het voorstel niet art. 130s, lid 1 (later art. 175, lid 1 en thans art. 192 lid 1 VwEU) had moeten zijn, maar art. 130s, lid 2 (later art. 175, lid 2 en thans art. 192 lid 2 VwEU). Laatstgenoemd artikel bepaalt ondermeer dat over maatregelen betreffende de ruimtelijke ordening en bodembestemming met eenparigheid van stemmen besloten moet worden, en niet bij gekwalificeerde meerderheid (thans de ‘gewone wetgevingsprocedure’). De Commissie en de meeste lidstaten vonden echter dat zowel de MER-Richtlijn (85/837) als het SMB-voorstel betrekking hadden op de informatievoorziening betreffende de effecten van plannen en projecten op het milieu in brede zin, dus niet alleen in de sfeer van de ruimtelijke ordening. Overigens had het Europees Parlement in eerste lezing al een poging om de wettelijke basis te veranderen verworpen.
Dankzij de codecisieprocedure had het Europees Parlement een aanzienlijke invloed op de uiteindelijke tekst van de Richtlijn. Van de zeventien amendementen die het Parlement in september 2000 voorstelde werden er zeven door de Commissie aanvaard. De belangrijkste daarvan betroffen de monitoring achteraf van aan SMB onderworpen plannen en programma’s, de eis dat de lidstaten de kwaliteit van de beoordeling moeten verzekeren, en bepalingen betreffende plannen en programma’s die op de implementatiedatum in de pijplijn zitten. Laatstgenoemd punt had bij Richtlijn 85/337 (zie § ???) aanleiding gegeven tot juridische conflicten.
Het lukte niet om de SMB-richtlijn bij het verstrijken van de deadline (21 juli 2004) in Nederlandse regelgeving om te zetten. Pas in oktober 2004 werd een wetsvoorstel ter implementatie van Richtlijn 2001/42 ingediend.[1919] Dit voorstel behelsde wijzigingen van de Wet milieubeheer, met name hoofdstuk 7. Daarnaast werd een ontwerp-besluit tot wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 gepubliceerd.[1920] In de MvT bij het wetsvoorstel werd uitgelegd dat overeenkomstig het beleid van het kabinet Balkenende II inzake implementatie van Europese regelgeving de richtlijn zoveel mogelijk strikt (‘één-op-één’) geïmplementeerd wordt. Op enkele onderdelen werd echter een aantal extra waarborgen (‘koppen’) voorgesteld. Uit een oogpunt van adequate beoordeling van de milieugevolgen en een betere relatie tussen openbaar bestuur en de samenleving werden transparantie en vroegtijdige participatie van groot belang geacht. Daarom wordt het bevoegd gezag volgens het wetsvoorstel verplicht om het voornemen dat het een plan gaat voorbereiden bekend te maken.
Door de te late omzetting was er overigens vanaf 21 juli 2004 enige tijd sprake van ‘rechtstreekse werking’ van de SMB-Richtlijn (zie § ???). In verband hiermee bracht het Ministerie van VROM een notitie uit als handreiking voor de overheden die met SMB te maken kunnen krijgen.[1921]
Aan deze periode kwam op 28 september 2006 een einde. Toen trad namelijk de SMB regeling in werking via wijzigingen in de hoofdstukken 2, 7 en 14 van de Wet milieubeheer.[1922] De bijbehorende wijzigingen van het Besluit m.e.r. traden op dezelfde dag in werking.[1923] Vanaf dat moment was een SMB, in de nieuwe regelgeving ‘plan-m.e.r.’ genoemd, verplicht in de volgende gevallen:
Als een in het Besluit m.e.r. aangewezen plan een kader vormt voor een of meerdere m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten die ook zijn aangewezen in het nieuwe Besluit m.e.r.
Als er sprake is van de voorbereiding van een wettelijk[1924] of bestuursrechtelijk[1925] voorgeschreven plan, waarvoor, vanwege de daarin voorgenomen activiteit, een passende beoordeling op grond van artikel 6 of 7 van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG) moet worden gemaakt.
Indien in een provinciale milieuverordening plannen daartoe zijn aangewezen.[1926]
Overigens waren ruimtelijke plannen die als eerste in de mogelijke uitvoering van m.e.r.-plichtige activiteiten voorzien op grond van het oude Besluit m.e.r. 1994[1927] voor die tijd ook al m.e.r.-plichtig.
Op 1 juli 2010 zijn in het kader van de herijkings- en moderniseringsoperatie van VROM de m.e.r.-regelingen aangepast. Voor project-m.e.r. is een eenvoudige procedure ingesteld waardoor er veel veranderde t.o.v. de tot dan toe bestaande regelingen (zie § ???), en voor plan-m.e.r. een uitgebreide procedure, die minder verschilt van de oude regeling. Het is de bedoeling dat de nieuwe m.e.r. op planniveau meer dan voorheen als ontwikkelinstrument zal worden gebruikt. Daarom is een zwaarder accent op de beginfase van een plan gelegd. Feitelijk beoogt de nieuwe uitgebreide m.e.r.-procedure in een vroegtijdig stadium draagvlak te creëren voor de te nemen milieumaatregelen in een project of plan. De uitgebreide m.e.r.- procedure is voor plannen op de volgende punten aangepast t.o.v. de oude regeling; op deze verschillen wordt in onderstaand overzicht van de nieuwe plan-m.e.r.-procedure ingegaan.
Openbare kennisgeving. Ter inzage en zienswijzen, vormvrij.
Raadpleging bestuursorganen en adviseurs over reikwijdte en detailniveau plan-MER.
Openbare kennisgeving, ter inzage en zienswijzen.
Advies Cmer in alle gevallen (voorheen: alleen advies als een plan het kader vormt voor een activiteit in de EHS dan wel indien er een passende beoordeling moet worden gemaakt in het kader van Natura 2000).
Besluit, motivering, bekendmaking en mededeling. Het bevoegd gezag dient bij het plan te vermelden op welke wijze burgers en NGO's bij de voorbereiding van het plan zijn betrokken.
Bezwaar en beroep (niet bij alle plannen).
Evaluatie.
Een nieuwe handleiding m.e.r. beschrijft de nieuwe procedure stap voor stap, en geeft aan wat er precies veranderde ten opzichte van de huidige plan-m.e.r en welke procedure gevolgd moet worden voor een specifiek plan. Tegelijkertijd met de handleiding is er door VROM een handreiking m.e.r. gepubliceerd die handvatten geeft voor het werken binnen de nieuwe procedures. Deze informatie is beschikbaar op de website van Infomil (http://www.infomil.nl).
De nieuwe regeling omvat een bepaling inzake overgangsrecht. Wanneer het ontwerp van een op grond van artikel 7.2 lid 2 Wm in combinatie met de bijlage van het Besluit m.e.r. aangewezen plan-m.e.r.-plichtig plan of het ontwerp van een op grond van artikel 7.2a Wm vanwege de verplichting tot een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 plan-m.e.r.-plichtig plan vóór de datum van inwerkingtreding van de wet ter inzage is gelegd (d.w.z. vóór 1 juli 2010), dan blijft het oude recht van paragraaf 7.6a Wm zoals dat luidde vóór de datum van inwerkingtreding van de wet op de voorbereiding van het plan-MER van toepassing. Het nieuwe recht van de gewijzigde paragraaf 7.5 Wm geldt dan dus niet.[1928]
In Nederland bestaat al ruime ervaring met strategische m.e.r., doordat ruimtelijke plannen (zoals planologische kernbelissingen) die m.e.r.-plichtige activiteiten mogelijk maken al van meet af aan in het Nederlandse m.e.r.-systeem zijn opgenomen. De Commissie voor de milieu-effectrapportage (Cmer, 2003) noemt als voordelen van strategische m.e.r.:
er komt meer aandacht voor de milieugevolgen van strategisch beleid, waarbij duurzaamheidsvraagstukken aan de orde komen;
er ontstaat inzicht in de optelsom van alle effecten van nieuw beleid in plaats van de effecten van afzonderlijke kleinere vervolgprojecten;
discussies over strategische keuzes, zoals over locaties en technieken, worden afgerond, zodat ze op projectniveau niet meer terug hoeven te komen;
de informatie in strategische milieu-effectrapporten geeft een project-m.e.r. een ‘vliegende start’.
Sinds de inwerkingtreding van de SMB-regeling in september 2006 is een gestage toename in uitgebrachte adviezen waar te nemen. In 2007 werden 11 plan-m.e.r. adviezen uitgebracht, in 2008 waren dit er 26, en in 2009 waren het er al 45.
De Europese Commissie heeft een rapport gepubliceerd over de relatie van de SMB-Richtlijn met de MER-Richtlijn (zie § ???). Het rapport behandelt opties om de overlap die bestaat tussen beide Richtlijnen te vermijden. De aanbevelingen die de Commissie voor de middellange termijn doet zijn onder andere:
het verduidelijken van de definities van begrippen zoals ‘programma’s’, ‘plannen’ en ‘projecten’;
en het opstellen van een handleiding om hiërarchie aan te brengen tussen de Richtlijnen.
Op de langere termijn moet volgens de Commissie gekeken worden naar de mogelijkheden om tot consolidatie van beide Richtlijnen over te gaan. Het rapport benadrukt dat dit vooral moet worden overwogen als veranderingen in het nationale recht van de lidstaten niet leiden tot meer consistentie.
In 2008 publiceerde de Commissie een handleiding betreffende de interpretatie van de verschillende categorieën projecten in Bijlagen I en II. De handleiding probeert te verzekeren dat projecten die waarschijnlijk een zeer significant effect hebben op het milieu niet buiten de toepassing van SMB vallen als gevolg van interpretatie.
Volgens art. 12 lid 3 van de SMB-Richtlijn had de Commissie uiterlijk op 21 juli 2006 een verslag inzake de toepassing en effectiviteit van de SMB-Richtlijn moeten presenteren. Pas in september 2009 werd de desbetreffende Mededeling 2009(469) gepubliceerd.[1929]. Er wordt voorgesteld de werking van de SMB-Richtlijn uit te breiden naar beleids- en wetgevingsvoorstellen. Verder was het bemoedigend dat de SMBs zeker van invloed zijn geweest op de modus operandi van de autoriteiten van de lidstaten met betrekking tot de besluitvormingsprocedures rondom milieubeleid.
In 2009 zijn op alle niveaus ‘waterplannen’ vastgesteld, waaronder het ‘Nationale Waterplan’ (NWP). Dit vormt een kader voor grootschalige landelijke ontwikkeling. Daarom is een plan-m.e.r.-procedure doorlopen.
In Macedonië stelde de Cmer een twee-jarig trajectplan op ter versterking van capaciteit voor plan-m.e.r., en een soortgelijk programma is in Turkije inmiddels afgerond.
Op 31 maart 2010 is de Crisis- en herstelwet (Chw) in werking getreden. De kern van deze wet is dat met nieuwe en/of aangepaste procedures doelgericht wordt gewerkt aan werkgelegenheid en duurzaamheid. In §11.3 staat een verdere bespreking van de effecten van de Chw op milieueffectrapportage.
Boer, J.J. de, en M. van Dreumel (2001). EU-richtlijn strategische milieubeoordeling. Implementatie in 2004? KenMERken 8(2), april 2001, pp. 16-17.
Commissie voor de milieu-effectrapportage (Cmer) (2003), Jaarverslag 2002. Utrecht.
Commissie voor de Milieu-effectrapportage (Cmer) (2010). Modernisering m.e.r. in een notedop. Factsheet nr. 10. Utrecht.
Evaluatiecommissie Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (1990). Naar een volwaardige plaats. Advies over de werking van de regeling milieu-effectrapportage uit de Wabm. Den Haag.
Evaluatiecommissie Wet milieubeheer (1996). Naar een duurzame milieu-effectrapportage. Advies. Den Haag.
Gundelach, J. en Soppe, M.A.A. (2010), De betekenis van de Crisis- en herstelwet voor de m.e.r.. Tijdschrift voor Bouwrecht, jrg. 3, nr. 1, p. 23-34.
Jesse, K.D. (2008). De m.e.r.-herijking: een verrijking? Een kritische beschouwing van de op stapel staande wijzigingen van de wetgeving inzake milieueffectrapportage. Tijdschrift voor Omgevingsrecht (TO) December 2008, nr. 4, p. 146-155.
Jones, C., N. Lee en C. Wood (1991). UK Environmental Statements 1988-90: an analysis. EIA Centre, University of Manchester, Occasional Paper 29.
Kessel, H.J.B.A. van, T.J. Boer, B.G.M. Roelofs en K.A. Klein Koerkamp (2003), Evaluatie m.e.r. 2003. Novio Consult, Nijmegen.
Ketting, N. (2003), Milieueffectrapportage op nieuwe leest geschoeid. ArenA 9 (4), juni 2003, pp. 8-9.
Pieters, S. (2002), Implementatie van de strategische m.e.r.(SMB)-richtlijn. Milieu & Recht 29 (12), december 2002, pp. 308-311.
Pieters, S. (2004), Milieueffectrapportage op de Herijkingshelling?. Milieu & Recht 2004, nr. 1, p. 24-25.
Velsen, S.M. van (2009), De aanstaande modernisering van milieueffectrapportage, Bulletin RO Totaal, nr. 3, p. 7-9.
Woude, F.E.V.M. van der (2010), Notitie overgangsrecht van de Wet modernisering van de regelgeving over de milieueffectrapportage (Wet modernisering m.e.r.-regelgeving), Agentschap NL, 19 april 2010.
[1918] COM(96) 511.
[1919] TK 2004-2005 29 811, nrs. 1-2.
[1920] Stcrt. 2005, 11.
[1921] Deze notitie is te vinden op de MER-pagina van de website van het Ministerie van VROM.
[1922] Stb. 2006, 336.
[1923] Stb. 2006. 389.
[1924] D.w.z. plannen waarvan de noodzaak tot opstellen is vastgelegd in formele wetten, algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en verordeningen.
[1925] D.w.z. plannen die voortvloeien uit bestuursrechtelijke bepalingen, bijvoorbeeld van een hoger bestuursorgaan met binding voor een lager bestuursorgaan.
[1926] Dit gebeurde in het Noorden t.a.v. de Wadden.
[1927] Stb. 1994, 540 (laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2005, 7).
[1928] Van der Woude (2010).
[1929] De vertraging was volgens de Commissie het gevolg van vertragingen bij de omzetting van de richtlijn in talrijke lidstaten, de beperkte ervaring wat de toepassing ervan betreft en het bijgevolg ontbreken van voldoende informatie om het desbetreffende verslag eerder te produceren. Bovendien moest dit eerste verslag ook de ervaring omvatten van de nieuwe lidstaten die in 2004 en 2007 tot de Unie zijn toegetreden.