401/2009 (PbEU L126, 21.5.2009) | Verordening inzake het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en –informatienetwerk |
Rechtsgrondslag | Artikel 175 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Inwerkingtreding | 10 juni 2009 |
Verordening 401/2009 inzake het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk is een gecodificeerde versie van de eerdere Verordening 1210/90 inzake de oprichting van het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en informatienetwerk[1930], die in de loop der jaren herhaaldelijk en ingrijpend is gewijzigd.
Verordening 401/2009 stelt regels vast voor het Europees Milieuagentschap en beoogt de vorming van een netwerk van milieu-informatie en –observatie-instellingen in de lidstaten (EIONET).
Het Agentschap wordt geacht de Gemeenschap en de lidstaten te voorzien van ‘objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie op Europees niveau’, op grond waarvan zij de nodige maatregelen ter bescherming van het milieu kunnen nemen, de resultaten daarvan kunnen beoordelen en het publiek degelijke informatie kunnen geven over de toestand van het milieu. Daartoe moet het ook de nodige technische en wetenschappelijke bijstand verlenen (art. 1, lid 2).
In de Verordening worden vijftien taken van het Agentschap genoemd (art. 2):
a. een milieu-informatie- en –observatienetwerk (EIONET) totstandbrengen en coördineren;
b. de Gemeenschap en de lidstaten voorzien van objectieve informatie voor een oordeelkundig en doetreffend milieubeleid;
c. assistentie verlenen bij het controleren van milieumaatregelen via aangepaste steun ten behoeve van de rapportering;
d. afzonderlijke lidstaten op verzoek van advies dienen over systemen voor de controle op milieumaatregelen;
e. registreren, compileren en evalueren van gegevens betreffende de toestand van het milieu, opstellen van deskundigenrapporten betreffende kwaliteit, gevoeligheid en belasting van het milieu op het grondgebied van de Gemeenschap, aanleggen van uniforme criteria voor de evaluatie van milieu-informatie in alle lidstaten, verdere ontwikkeling en behoud van een referentiecentrum van milieu-informatie;
f. bijdragen tot het vergelijkbaar maken van de milieugegevens op Europees niveau en, indien nodig, een betere harmonisatie van de meetmethoden bevorderen;
g. bevorderen van integratie van de Europese milieu-informatie in internationale milieubewakingsprogramma's (zoals die van de VN);
h. om de vijf jaar een rapport over de toestand van het milieu en de tendensen en vooruitzichten op milieugebied publiceren, aangevuld met indicatorrapporten over specifieke vraagstukken;
i.i stimuleren van de ontwikkeling en de toepassing van de technieken voor milieuprognoses op gron waarvan tijdig adequate preventieve maatregelen kunnen worden genomen;
j. stimuleren van de ontwikkeling van methoden voor de evaluatie van de kosten van schade aan het milieu en van de kosten van een beleid gericht op preventie en bescherming en herstel van het milieu;
k. stimuleren van de uitwisseling van informatie over de beste technologie die beschikbaar is om schade aan het milieu te voorkomen of te verminderen;
l. samenwerken met andere instanties en programma’s op Gemeenschaps- en internationaal niveau;
m. zorgen voor een ruime verspreiding van betrouwbare en vergelijkbare milieu-informatie onder het grote publiek en daartoe het gebruik van nieuwe telematicatechnologieën bevorderen;
n. de Commissie assisteren bij de uitwisseling van informatie over de ontwikkeling van methodieken en beste praktijken voor milieubeoordelingen;
o. de Commissie assisteren bij de verspreiding van informatie over de resultaten van relevant milieuonderzoek in een vorm die de beleidsontwikkeling het beste dient.
Het Agentschap is belast met het verzamelen van informatie waarmee de huidige en toekomstige toestand van het milieu beschreven kan worden en die voor het EU-milieubeleid rechtstreeks te gebruiken is. Prioritaire werkterreinen zijn (art. 3):
luchtkwaliteit en emissies in de atmosfeer;
waterkwaliteit, verontreinigingen en watervoorraden;
toestand van bodem, flora, fauna en biotopen;
bodemgebruik en natuurlijke hulpbronnen;
afvalbeheer;
geluidsemissies;
milieugevaarlijke chemische stoffen;
bescherming van de kust en de zee.
Hierbij moet in het bijzonder aandacht besteed worden aan grensoverschrijdende, plurinationale en mondiale verschijnselen, alsmede aan sociaal-economische aspecten. Overlapping met het werk van andere instellingen moet worden voorkomen.
Het Netwerk dat het Agentschap geacht wordt te coördineren omvat de volgende onderdelen (art. 4):
de voornaamste componenten van de nationale informatienetwerken;
de ‘nationale knooppunten’, die de lidstaten kunnen aanwijzen als het primaire contactpunt met het Agentschap;
de ‘thematische centra’, die door de lidstaten kunnen worden voorgedragen en door de Raad van Bestuur van het Agentschap worden aangewezen.
Naast een Raad van Bestuur (art. 8) heeft het Agentschap een Uitvoerend Directeur (art. 9), die verantwoordelijk is voor de dagelijkse leiding. Zij worden bijgestaan door een Wetenschappelijk Comité (art. 10).
Het Agentschap moet actief streven naar samenwerking met andere communautaire instanties en programma's, met name het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (met name op het gebied van meetmethoden), het Bureau voor de Statistiek (Eurostat) en de communautaire milieuonderzoek- en -ontwikkelingsprogramma's (art. 15, lid 1, en Bijlage A en B). Ook moet actief worden samengewerkt met andere organisaties, zoals het Europees Ruimte-Agentschap (ESA), de OESO, de Raad van Europa, het Internationale Energie-Agentschap, de Verenigde Naties en de gespecialiseerde instellingen ervan, met name het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP), de Wereld Meteorologische Organisatie en de Internationale Organisatie voor Atoomenergie (art. 15, lid 2). Zo nodig kan het Agentschap samenwerken met instellingen in landen die geen EG-lid zijn (art. 15, lid 3). Tevens kunnen niet-lidstaten die een overeenkomst met de EG gesloten hebben participeren in het Agentschap (art. 19).
Verordening 401/2009 is op 10 juni 2009 in werking getreden. Per diezelfde datum is Verordening 1210/90, zoals meermalen gewijzigd, ingetrokken.
De oprichting van het Europees Milieuagentschap (European Environment Agency, EEA) kan in zekere zin worden beschouwd als een uitbreiding van het CORINE programma, dat in 1985 werd opgezet ter verbetering van de verzameling en analyse van milieugegevens in de Gemeenschap.
In januari 1989 sprak toenmalig Commissievoorzitter Jacques Delors in een toespraak tot het Europees Parlement voor het eerst expliciet over de invoering van een Europees systeem van milieumetingen en –verificatie, dat de voorloper van een Europees Milieuagentschap zou kunnen zijn. In februari 1989 herhaalde Milieucommissaris Ripa di Meana dit voornemen, in een toespraak waarin hij het belang van de handhaving van wetgeving en van het integreren van milieu in andere terreinen van Gemeenschapsbeleid benadrukte.
Na de publicatie van de ontwerp-Verordening in juni 1989 werd de Milieuraad het er in september van datzelfde jaar over eens dat de taken van het Agentschap beperkt zouden moeten blijven tot het verzamelen en analyseren van gegevens. Alle lidstaten, behalve Luxemburg, boden aan het EEA te huisvesten.
Het Europees Parlement had fundamentele bezwaren tegen het oorspronkelijke voorstel. Terwijl de Commissie en de Raad voorstander waren van een gegevensverzamelende rol, wilde het Parlement dat het Agentschap ook andere taken zou krijgen, waaronder het toezicht op de uitvoering van de Gemeenschapswetgeving. In zijn zitting van februari 1990 liet het Parlement zijn ongenoegen over het voorstel en zijn voorkeur voor een sterker, ‘inspectie-achtig’ Agentschap blijken door geen advies te geven. Hierdoor werd een formele overeenstemming over de Verordening in de Raad onmogelijk gemaakt. In maart 1990 ging het Parlement echter alsnog akkoord met de ontwerp-Verordening, zij het met een groot aantal wijzigingen.
De Commissie aanvaardde niet al deze verreikende wijzigingen, maar stemde wel toe in het opnemen van een nieuw artikel dat voorzag in een rapportage en herziening van taken na twee jaar. Eén van de nieuwe taken die daarbij overwogen zouden moeten worden was het toezicht op de tenuitvoerlegging van de communautaire milieuwetgeving.
Als gevolg van de voortdurende politieke onenigheid over de locatie van Gemeenschapsinstellingen (met name die van het Parlement) kon de Raad pas in oktober 1993 een besluit nemen over de vestigingsplaats van het EEA: het werd Kopenhagen (Denemarken). In 1994 kon het EEA daadwerkelijk met zijn werkzaamheden beginnen.
In juni 1997 presenteerde de Commissie een voorstel voor wijziging van Verordening 1210/90. Daarbij werd geconcludeerd dat het Agentschap een veelbelovende start had gemaakt, maar bij het leveren van de gewenste informatie belemmerd werd door de capaciteit van nationale netwerken. In dit stadium dienden, aldus de Commissie, geen belangrijke nieuwe taken aan het EEA te worden toegewezen. Echter, met betrekking tot de monitoring van de implementatie van EG-wetgeving stelde de Commissie voor dat het EEA ondersteuning zou verlenen bij de uitvoering van de ‘Gestandaardiseerde Verslaggevingsrichtlijn’ (zie § ???) en evaluaties van milieumaatregelen in bepaalde lidstaten zou verzorgen. Het zou ook moeten helpen bij de uitwisseling van informatie over de ontwikkeling van milieueffectrapportage, maar geen criteria voor ecolabelling moeten vaststellen of informatie over milieuvriendelijke technologie stimuleren.
Het Europees Parlement drong in zijn advies in eerste lezing over het voorstel, in januari 1998, niet langer aan op het creëren van een inspectierol voor het EEA. Het Agentschap zelf was trouwens ook tegen zo’n rol, omdat hierdoor de bereidheid van de lidstaten om informatie beschikbaar te stellen zou kunnen verminderen. Het Parlement vond wel dat het EEA een openbaar register zou moeten opzetten met gegevens over wettelijke en andere maatregelen die de Gemeenschap en de lidstaten hadden getroffen ter bescherming van het milieu. De Commissie zou deze informatie kunnen gebruiken bij het toezicht op de implementatie en de handhaving van de EG-milieuwetgeving. Het Agentschap zou ook assistentie moeten verlenen aan het IMPEL-netwerk van nationale milieu-inspecties.
Verordening 1210/90 werd van kracht op de dag nadat een besluit was genomen over de vestigingsplaats van het Agentschap (art. 21). Dat was pas het geval op 29 oktober 1993 – meer dan drie jaar nadat overeenstemming over de Verordening was bereikt.[1931]
De Verordening is tussentijds tweemaal gewijzigd. Bij Verordening 933/1999[1932] is de rol van het Agentschap uitgebreid, met name op het gebied van de controle (monitoring) van milieumaatregelen. Bij Verordening 1641/2003[1933] zijn aanpassingen gedaan die nodig waren in verband met Verordening 1605/2002 betreffende het Algemeen Financieel Reglement.[1934]
Het Agentschap diende voor 15 september 1999 zijn prestaties en efficiëntie te evalueren. Uiterlijk op 31 december 2003 moest de Raad de resultaten van het Agentschap en de taken die het op zich heeft genomen evalueren (art. 20). In december 2003 heeft de Europese Commissie het evaluatierapportover het EEA gepubliceerd.[1935] Het rapport concentreert zich op de bijdrage van het Agentschap aan het milieubeleid van de EU sinds zijn oprichting in 1994. Aan de orde komen onderwerpen als de relevantie van het werk van het EEA, de effectiviteit van zijn producten en diensten, zijn institutionele structuren en de toereikendheid en het gebruik van de middelen. De Commissie stelt vast dat het Agentschap een belangrijke bron voor milieubeleidsmakers is geworden en dat het verantwoordelijk is geweest voor aanzienlijke verbeteringen in de beschikbaarheid en kwaliteit van milieu-informatie. Ook wordt - enigszins schoorvoetend - geconcludeerd dat het EEA het zwaartepunt zou moeten verplaatsen van rapportages over de toestand en trends in het milieu naar andere fasen van de beleidscyclus, zonder echter ‘een van de spelers te worden in plaats van een onafhankelijke bron van informatie te blijven’. De evaluatie brengt een aantal zaken naar voren die reden zouden kunnen zijn voor een wijziging van de EEA-Verordening, met name met betrekking tot de structuur en het functioneren van de Raad van Bestuur en het Bureau. In de gecodificeerde versie van de Verordening uit 2009 is er echter niets op deze punten veranderd.
De Verordening heeft rechtstreekse werking en behoeft derhalve geen omzetting in nationale regelgeving.
Nederland wordt in de raad van bestuur van het EEA vertegenwoordigd door het ministerie van Infrastructuur & Milieu (I&M, voorheen VROM). Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) is het Nederlandse ‘National Focal Point’ van het EEA. Dit houdt in dat het PBL fungeert als coördinator en ‘doorgeefluik’ voor de informatie die vanuit Nederland aan het EEA en aan de EIONET-partners wordt verschaft. Daarnaast zijn er zes ‘National Reference Centers’ in Nederland, die aan deze informatie bijdragen:
het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS);
het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN);
Alterra;
het Expertisecentrum van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV);
het Rijksinstituut voor Kust en Zee (RIKZ);
het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA).
[1930] PbEU L120, 11.5.1990.
[1931] PbEG C323, 30.11.1993.
[1932] PbEG L117, 5.5.1999.
[1933] PbEU L245, 29.9.2003.
[1934] PbEU L248, 16.9.2002.
[1935] COM(2003) 800.