12.5.1 Overzicht van EU-regelgeving
12.5.2 Overzicht van Nederlandse regelgeving
N.v.t.
12.5.3 Doelstelling van het Besluit
Het Besluit roept een vijfjarig programma in het leven dat subsidies beschikbaar maakt voor op Europees niveau opererende niet-gouvernementele organisaties (NGO’s), die een bijdrage leveren aan de ontwikkeling en de uitvoering van Europees milieubeleid en Europese regelgeving. Ook moet het programma de inbreng van NGO’s in het EU-milieubeleid bevorderen en bijdragen tot de versterking van kleine verenigingen die op regionaal en lokaal niveau werken aan de uitvoering van het milieu-acquis (art. 1). Het Besluit vervangt Besluit 97/872, dat op 31 december 2001 afliep.
12.5.4 Samenvatting van het Besluit
• Het Besluit stelt 32 miljoen Euro beschikbaar voor de periode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 (art. 7). Aan het programma kunnen Europese NGO’s deelnemen die gevestigd zijn in de EU-lidstaten, de geassocieerde landen van Midden- en Oost-Europa, Cyprus, Malta, Turkije en vijf Balkanlanden (art. 3).
• De steun van het programma is met name gericht op de volgende vier prioritaire gebieden van het Zesde Milieuactieprogramma (zie § 2.1) (art. 5):
• - beperking van klimaatverandering;
• - natuur en biodiversiteit;
• - gezondheid en milieu;
• - duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en afvalstoffen.
Om in aanmerking te komen voor financiële steun moet een NGO (art. 2):
• - een onafhankelijke rechtspersoon zonder winstoogmerk zijn, voornamelijk actief op het gebied van milieubescherming en -bevordering;
• - actief zijn op Europees niveau en de activiteiten moeten minstens tee Europese landen omvatten;
• - activiteiten ontplooien die overeenstemmen met de in art. 5 vermelde prioritaire gebieden van het zesde MAP;
• - in principe minstens twee jaar bestaan en gecertificeerde jaarrekeningen hebben.
De Bijlage van het Besluit bevat meer gedetailleerde selectie- en toekenningscriteria.
Een subsidie mag niet meer bedragen dan 70% van de gemiddelde jaarlijkse uitgaven van de aanvrager (80% in geval van NGO’s in kandidaat-lidstaten of Balkanlanden) (art. 6, lid 1).
De Commissie moet jaarlijks (uiterlijk 30 september) een oproep tot indiening van voorstellen publiceren en uiterlijk op 31 december besluiten welke organisaties het volgende jaar een subsidie zullen ontvangen (art. 4). Jaarlijks dient in het Publicatieblad een lijst van te subsidiëren organisaties te worden bekendgemaakt, samen met het toegekende bedrag (art. 10).
Uiterlijk op 30 april van ieder jaar moet de Commissie aan de lidstaten en het Europees Parlement verslag uitbrengen over de resultaten van de subsidietoekenning in het voorafgaande jaar, met een toelichting op de wijze van selectie. Dit verslag moet uiterlijk op 30 juni met de belanghebbenden worden besproken. Uiterlijk op 31 december 2004 moet de Commissie een evaluatieverslag over de eerste drie jaar produceren, met eventuele voorstellen voor aanpassingen. Ook tegen het einde van het programma moet zo’n evaluatie gemaakt te worden, met het oog op eventuele voortzetting van het programma per 1 januari 2007 (art. 11).
12.5.5 Achtergrond en totstandkoming van het Besluit
Het Besluit komt in de plaats van Besluit 97/872, dat het eerste programma voor steun aan NGO’s in het leven riep (looptijd 1998 t/m 2001). In haar voorstel voor het eerste programma wees de Commissie op de ‘constructieve inzichten’ in milieuproblemen die NGO’s konden bieden, en op de verbindende rol die zij konden spelen met organisaties op nationaal, regionaal en lokaal niveau. Verder werd benadrukt dat NGO’ efficiënt en tegen lage kosten werken. Om zo’n programma te kunnen steunen was echter wel een specifieke wettelijke basis nodig, waarin Besluit 97/872 voorzag.
In 2001 publiceerde de Commissie een rapport over de toepassing van Besluit 97/872[1304]. Daarin werd geconcludeerd dat er in principe veel steun was voor het hernieuwen van het programma na 2001, maar dat er iets gedaan moest worden aan een aantal zwakke punten. Daartoe behoorden:
• - de onevenwichtige geografische spreiding van organisaties die steun ontvingen;
• - bureaucratische Commissieprocedures;
• - onduidelijke selectiecriteria;
• - de dominantie van een klein aantal grote NGO’s.
Het Commissievoorstel voor het huidige Besluit beoogde in deze en andere zaken te voorzien. Het budget werd aanzienlijk verhoogd (van minder dan 3 naar meer dan 5 miljoen euro gemiddeld per jaar) en de subsidiemogelijkheden werden uitgebreid tot NGO’s in de toetredingslanden en de Balkan. Dit is in overeenstemming met de sterke nadruk die het Witboek van de Commisie over Governance[1305] legt op het uitbreiden van de deelname van ‘stakeholders’ en NGO’s bij de ontwikkeling van nieuwe EU-maatregelen. Ook hecht zij veel belang aan het versterken van de capaciteit van NGO’s in Centraal- en Oost-Europa, om na toetreding te kunnen participeren in de implementatie van EU-milieuregelgeving.
12.5.6 De omzetting in nationale regelgeving
Het Besluit heeft geen gevolgen voor de Nederlandse regelgeving, aangezien het een Gemeenschappelijk financieel steunprogramma betreft, gericht op sub-nationale organisaties, met vrijwillige deelname.
12.5.7 Uitvoering en effecten in de praktijk
In de vier jaar van het eerste programma ontvingen jaarlijks gemiddeld 19 organisaties een subsidie van gemiddeld € 150.000. De ‘Grote Vier’ van de Europese milieu-NGO’s (het European Environmental Bureau (EEB), het WWF Europan Office, Friends of the Earth Europe en Birdlife International) waren tezamen goed voor ongeveer de helft van de totale toewijzingen.
Voor het jaar 2003 zijn onder het nieuwe programma subsidies toegekend aan 28 organisaties, voor een totaalbedrag van bijna € 5 miljoen. Hierbij zijn drie in Nederland gevestigde organisaties: Seas at Risk, EUCC - The Coastal Union, en Women in Europe for a Common Future (WECF).