66/2010 (PbEU L27, 30.1.2010) | Verordening betreffende de EU-milieukeur |
Rechtsgrondslag | Artikel 175 EG-verdrag (thans art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Inwerkingtreding | 19 februari 2010 |
Opstellen werkprogramma door Commissie | 19 februari 2011 |
Verslag van de Commissie | 19 februari 2015 |
Opmerking: Met het van kracht worden van Verordening 66/2010 is haar voorgangster, Verordening 1980/2000, ingetrokken. Laatstgenoemde blijft echter van toepassing op bestaande contracten. Ook blijven de op 1980/2000 gebaseerde besluiten van kracht totdat zij worden herzien of verstrijken.
Verordening 66/2010 voorziet in een vrijwillig systeem van EU Ecolabels dat erop is gericht om het gebruik te bevorderen van producten met een hoog milieuprestatieniveau. Het systeem is een onderdeel van het Gemeenschapsbeleid voor duurzame productie en consumptie dat tot doel heeft de negatieve effecten van productie en verbruik op het milieu, de volksgezondheid, het klimaat en de natuurlijke hulpbronnen te verminderen. De Verordening treedt in de plaats van Verordening 1980/2000 inzake een herzien communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren[1952] die op haar plaats Verordening 880/92 inzake een communautair systeem voor de toekenning van milieukeuren[1953] verving. In Nederland en België wordt bij voorkeur de term EU Ecolabel gebruikt in plaats van EU-milieukeur.
Verordening 66/2010 is van toepassing op alle goederen en diensten die worden geleverd op de communautaire markt, behalve op geneesmiddelen voor menselijk of diergeneeskundig gebruik en medische hulpmiddelen (art. 2). Nieuw is dat met de Verordening 66/2010 nadrukkelijk de optie is opengehouden om over te gaan tot de ontwikkeling van criteria voor voedings- en voederproducten. Hiertoe wil de Commissie uiterlijk vóór 31 december 2011 een onderzoek uitvoeren om na te gaan of het haalbaar is betrouwbare criteria vast te stellen voor de milieuprestatie gedurende de gehele levenscyclus van dit soort producten, met inbegrip van visserij- en aquacultuurproducten en welke impact dergelijke criteria zouden hebben (art. 6 lid 5). Het onderzoek dient de optie te bestuderen om alleen gecertificeerde biologisch producten in aanmerking te laten komen voor het EU Ecolabel, om verwarring voor de consument te vermijden.
De Commissie wordt bij haar werkzaamheden met betrekking tot de EU Ecolabel ondersteund door het Bureau voor de milieukeur van de Europese Unie (BMEU) dat bestaat uit de vertegenwoordigers van de bevoegde instanties van alle lidstaten en andere betrokken partijen. Het BMEU draagt bij tot de uitwerking en aanpassing van criteria voor het EU Ecolabel en tot elke evaluatie van de tenuitvoerlegging van het systeem. Het dient de Commissie tevens van advies en levert bijstand op deze gebieden en doet met name aanbevelingen inzake minimummilieuprestatienormen. Art. 7 lid 4 bepaalt dat uiterlijk 19 februari 2011 het BMEU en de Commissie een werkprogramma overeenkomen dat tevens een strategie inhoudt en een niet-uitputtende lijst van productgroepen.
Eisen en criteria
De EU Ecolabel criteria behelzen de milieueisen waaraan een product moet voldoen om het keurmerk te mogen dragen (art. 6). Zij moeten worden gebaseerd op de milieuprestatie van producten, rekening houdend met de meest recente doelstellingen van de Gemeenschap op milieugebied. Verder dienen zij te worden bepaald op een wetenschappelijk onderbouwde basis, waarbij rekening wordt gehouden met de hele levenscyclus van de betreffende producten. Bij de bepaling van deze criteria wordt gekeken naar ondermeer de belangrijkste milieueffecten, met name het effect op de klimaatverandering, de effecten op de natuur en de biodiversiteit, het verbruik van energie en hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, de emissie naar alle milieucompartimenten, de verontreiniging door fysische effecten en het gebruik en het vrijkomen van gevaarlijke stoffen. Andere aspecten die een rol kunnen spelen zijn de vervanging van gevaarlijke stoffen door veiliger substanties, het potentieel om milieueffecten te verminderen, de balans tussen milieubaten en milieuschade maar ook sociale en ethische aspecten.
Na raadpleging van het BMEU kunnen de Commissie, de lidstaten, bevoegde instanties en andere belanghebbenden het proces van uitwerking of herziening van de EU Ecolabel criteria opstarten en leiden. De partij die het proces van uitwerking of herziening van de criteria opstart en leidt, legt de volgende documenten voor aan de Commissie en het BMEU:
een voorbereidend verslag;
een voorstel voor ontwerpcriteria en daarmee verband houdend technisch verslag;
een eindverslag en ontwerpcriteria;
een handleiding voor mogelijke gebruikers van het EU Ecolabel en de relevante bevoegde instanties;
een handleiding voor de autoriteiten die openbare aanbestedingen uitschrijven.
Onder bepaalde omstandigheden is voorzien in een verkorte procedure (art. 7 lid 2 en 3).
De ontwerp criteria worden ontwikkeld volgens de procedure die is neergelegd in bijlage I bij de Verordening, met inachtneming van het werkprogramma (art. 8 lid 1). Uiterlijk negen maanden na raadpleging van het BMEU stelt de Commissie de specifieke criteria voor de productgroep vast (art. 8 lid 2).Gebruik en toezicht EU EcolabelElke marktdeelnemer (zijnde een producent, fabrikant, importeur, dienstverlener, groothandelaar of detailhandelaar) die de EU Ecolabel wenst te gebruiken kan zich wenden tot de daartoe bevoegde nationale instanties (art. 9 lid 1). De bevoegde instantie waarbij een aanvraag wordt ingediend, mag een vergoeding in rekening brengen overeenkomstig bijlage III (art. 9 lid 4). Uiterlijk twee maanden na ontvangst van een aanvraag verifieert de betrokken bevoegde instantie of de documentatie volledig is en stelt de marktdeelnemer hiervan in kennis (art. 9 lid 5). Als de documentatie volledig is en de bevoegde instantie heeft gecontroleerd dat het product voldoet aan de criteria en overige beoordelingseisen, kent de bevoegde instantie het product een registratienummer toe. De marktdeelnemer draagt de kosten van de tests en de beoordeling van conformiteit met de milieukeur. De bevoegde instantie sluit met iedere marktdeelnemer een contract over de voorwaarden voor het gebruik van het EU Ecolabel (waarin bepalingen zijn opgenomen voor de toelating en de intrekking van het EU Ecolabel, met name als gevolg van de herziening van de criteria) (art. 9 lid 8). Bijlage IV bij de Verordening bevat een model voor een dergelijk contract. Het EU Ecolabel mag worden aangebracht op producten waaraan het EU Ecolabel is toegekend alsook op het desbetreffend reclamemateriaal (art. 9 lid 11). Het EU Ecolabel heeft de in bijlage II bij de Verordening afgebeelde vorm. Ingevolge art. 10 lid 2 is aan de nationale bevoegde instanties opgedragen om op gezette tijden controles te verrichten om na te gaan of de producten waaraan zij het EU Ecolabel hebben toegekend aan de criteria van het EU Ecolabel en beoordelingsvoorschriften voldoen.
Ter ontwikkeling van het systeem moet op grond van art. 12 door de Commissie en de lidstaten, in samenwerking met het BMEU, een specifiek actieplan worden aangenomen om het gebruik van het EU Ecolabel te bevorderen via:
a) bewustmakingsacties en informatie- en openbare educatiecampagnes, gericht op consumenten, producenten, fabrikanten, groothandelaars, dienstverleners, uitschrijvers van openbare aanbestedingen, handelaars, detailhandelaars en het publiek,
b) bevordering van gebruikmaking van het systeem, in het bijzonder door het MKB/KMO’s.
Meer specifiek suggereert de Verdordening om ten aanzien van een meer milieuvriendelijk overheidsaanschafbeleid om streefdoelen vast te stellen voor de aanschaf van producten die aan de criteria van het EU Ecolabel voldoen.
Art. 14 draagt aan de Commissie op om uiterlijk 19 februari 2015 bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van het systeem van het EU Ecolabel. In dit verslag moeten eveneens de elementen voor een eventuele herziening van het systeem nader worden gespecificeerd.
Tabel ???1 geeft een overzicht van de productgroepen waarvoor tot nu toe criteria zijn vastgesteld (onder de Verordeningen 66/2010, 1980/2000 en 880/92).
Beschikking | Productengroep |
93/430 (PbEG L 198, 7.8.1993) | Wasmachines |
93/431 (PbEG L 198, 7.8.1993) | Vaatwassers |
94/923 (PbEG L 364, 31.12.1994) | Bodemverbeteraars |
94/924 (PbEG L 364, 31.12.1994) | Toiletpapier |
94/925 (PbEG L 364, 31.12.1994) | Keukenrollen |
95/365 (PbEG L 217, 13.9.1995) | Wasmiddelen |
95/533 (PbEG L 302, 15.12.1995) | Lampen met enkele fitting |
96/13 (PbEG L 4, 5.1.1996) | Verf en vernis voor gebruik binnenshuis |
96/304 (PbEG L 116, 11.5.1996) | Beddelinnen en T-shirts |
96/337 (PbEG L 128, 29.5.1996) | Lampen met twee fittingen |
96/461 (PbEG L 191, 1.8.1996) | Wasmachines (wijziging van 93/430) |
96/467 (PbEG L 192, 2.8.1996) | Kopieerpapier |
96/703 (PbEG L 323, 13.12.1996) | Koelapparaten |
97/864 (PbEG L 351, 23.12.1997) | Beddelinnen en T-shirts (wijziging van 96/304) |
98/94 (PbEG L 19, 24.1.1998) | Tissuepapierproducten (wijziging van 94/424 en 94/425) |
98/483 (PbEG L 216, 4.8.1998) | Vaatwassers (wijziging van 93/431) |
98/488 (PbEG L 219, 7.8.1998) | Bodemverbeteraars (wijziging van 94/923) |
98/634 (PbEG L 302, 12.11.1998) | Matrassen |
1999/10 (PbEG L 5, 9.1.1999) | Verf en vernis (wijziging van 96/13) |
1999/178 (PbEG L 57, 5.3.1999) | Textielproducten |
1999/179 (PbEG L 57, 5.3.1999) | Schoeisel |
1999/205 (PbEG L 70, 17.3.1999) | Personal computers |
1999/427 (PbEG L 167, 2.7.1999) | Machineafwasmiddelen |
1999/476 (PbEG L 187, 20.7.1999) | Wasmiddelen (wijziging van 95/365) |
1999/554 (PbEG L 210, 10.8.1999) | Kopieerpapier (wijziging van 96/467) |
1999/568 (PbEG L 216, 15.8.1999) | Lampen (wijziging van 95/533 en 96/337) |
1999/698 (PbEG L 276, 27.10.1999) | Draagbare computers |
2000/40 (PbEG L 13, 19.1.2000) | Koelapparaten (wijziging van 96/703) |
2000/45 (PbEG L 16, 21.1.2000) | Wasmachines (wijziging van 96/461) |
2000/413 (PbEG L 155, 28.6.2000) | Tissuepapierproducten (wijziging van 98/94) |
2001/157 (PbEG L 57, 27.2.2001) | Bodemverbeteraars |
2001/397 (PbEG L 139, 23.5.2001) | Vaatwassers (wijziging van 98/483) |
2001/405 (PbEG L 142, 29.5.2001) | Tissuepapierproducten |
2001/523 (PbEG L 189, 11.7.2001) | Allesreinigers en sanitairreinigers |
2001/540 (PbEG L 194, 18.7.2001) | Matrassen (wijziging van 98/634) |
2001/607 (PbEG L 214, 8.8.2001) | Handafwasmiddelen |
2001/608 (PbEG L 214, 8.8.2001) | Verven en lakken (verlenging geldigheid 1999/10) |
2001/686 (PbEG L 242, 12.9.2001) | Personal computers |
2001/687 (PbEG L 242, 12.9.2001) | Draagbare computers |
2001/688 (PbEG L 242, 12.9.2001) | Bodemverbeteraars en groeimedia |
2001/689 (PbEG L 242, 12.9.2001) | Vaatwassers |
2001/831 (PbEG L310, 28.11.2001) | Textielproducten (verlenging geldigheid 1999/178) |
2001/832 (PbEG L310, 28.11.2001) | Schoeisel (verlenging geldigheid 1999/179) |
2002/172 (PbEG L56, 27.2.2002) | Wasmiddelen (verlenging geldigheid 1999/476) |
2002/173 (PbEG L56, 27.2.2002) | Machineafwasmiddelen (verlenging geldigheid 1999/427) |
2002/231 (PbEG L77, 20.3.2002) | Schoeisel (wijziging van 1999/179) |
2002/255 (PbEG L87, 4.4.2002) | Televisietoestellen |
2002/272 (PbEG L94, 11.4.2002) | Harde vloeren |
2002/371 (PbEG L133, 18.5.2002) | Textielproducten (wijziging van 1999/178) |
2002/739 (PbEG L236, 4.9.2002) | Verven en vernissen voor gebruik binnenshuis (wijziging van 1999/10) |
2002/740 (PbEG L236, 4.9.2002) | Matrassen (wijziging van 98/634) |
2002/741 (PbEG L237, 5.9.2002) | Kopieerpapier en grafisch papier (wijziging van 1999/554) |
2002/747 (PbEG L242, 10.9.2002) | Lampen (wijziging van 1999/568) |
2003/31 (PbEU L9, 15.1.2003) | Machineafwasmiddelen (wijziging van 1999/427) |
2003/121 (PbEU L47, 21.2.2003) | Stofzuigers |
2003/200 (PbEU L76, 22.3.2003) | Wasmiddelen (wijziging van 1999/476) |
2003/287 (PbEU L102, 24.4.2003) | Toeristische accommodatie |
2003/240 (PbEU L89, 5.4.2003) | Wasmachines (wijziging van 2000/45) |
2004/214 (PbEU L67, 5.3.2004) | Koelapparaten (verlenging geldigheid 2000/40) |
2004/669 (PbEU L306, 2.10.2004) | Koelapparaten (wijziging van 2000/40) |
2005/338 (PbEU L108, 15.11.2008) | Kampeerterreinen |
2005/341 (PbEU L115, 4.5.2005) | Personal computers |
2005/342 (PbEU L115, 4.5.2005) | Handafwasmiddelen (herziene criteria) |
2005/343 (PbEU L115, 4.5.2005) | Draagbare computers |
2005/344 (PbEU L115, 4.5.2005) | Allesreinigers en sanitairreinigers |
2005/384 (PbEU L127, 20.5.2005) | Verlenging geldigheid 2000/45, 2001/405, 2001/688, 2002/255 en 2002/747 |
2005/360 (PbEU L118, 5.5.2005) | Smeermiddelen |
2005/783 (PbEU L295, 11.11.2005) | Verlenging geldigheid 2001/689, 2002/231 en 2002/272 |
2006/799 (PbEU L325, 24.11.2006) | Bodemverbeteraars (herziene criteria) |
2007/64 (PbEU L32, 6.2.2007) | Groeimedia (herziene criteria) |
2007/207 (PbEU L92, 3.4.2007) | Verlenging geldigheid 2001/405, 2002/255, 2002/371, 2004/669, 2003/31 en 2000/45) |
2007/457 (PbEU L173, 3.7.2007) | Verlenging geldigheid 2001/689, 2002/739, 2002/740, 2002/741 en 2002/747) |
2007/506 (PbEU L186, 18.7.2007) | Zepen, shampoos en haarconditioners |
2007/742 (PbEU L301, 20.11.2007) | Elektrische, gas- of gasabsorptiewarmtepompen |
2008/63 (PbEU L16, 19.1.2008) | Verlenging geldigheid 2002/231, 2002/255, 2002/272, 2002/371, 2003/200 en 2003/287 |
2008/276 (PbEU L87, 29.3.2008) | Kampeerterreinen (verlenging geldigheid 2005/338) |
2008/277 (PbEU L87, 29.3.2008) | Tissuepapierproducten |
2008/889 (PbEU L318, 28.11.2008) | Verlenging geldigheid 2002/747, 2003/31, 2005/342, 2005/344 en 2005/360 |
2008/962 (PbEU L340, 19.12.2008) | Verlenging geldigheid 2001/405, 2002/255, 2002/371, 2002/740, 2002/741, 2005/341 en 2005/343 |
2009/300 (PbEU L82, 28.3.2009) | Televisietoestellen (herziene criteria) |
2009/543 (PbEU L181, 14.7.2009) | Verven en vernissen voor gebruik buitenshuis |
2009/544 (PbEU L181, 14.7.2009) | Verven en vernissen voor gebruik binnenshuis |
2009/563 (PbEU L196, 28.7.2009) | Schoeisel |
2009/564 (PbEU L196, 28.7.2009) | Kampeerterreinen |
2009/567 (PbEU L197, 29.7.2009) | Textielproducten |
2009/568 (PbEU L198, 30.7.2009) | Tissuepapier |
2009/578 (PbEU L198, 30.7.2009) | Toeristische accommodatie |
2009/598 (PbEU L203, 5.8.2009) | Matrassen |
2009/607 (PbEU L208, 12.8.2009) | Harde vloer- en wandbekledingen |
2009/888 (PbEU L318, 4.12.2009) | Verlenging geldigheid 2002/741, 2002/747, 2003/200, 2005/341, 2005/342, 2005/343, 2005/344, 2005/360, 2006/799, 2007/64, 2007/506 en 2007/742 |
2009/894 (PbEU L320, 5.12.2009) | Houten meubelen |
2009/967 (PbEU L332, 17.12.2009) | Vloerbedekking van textiel |
2010/18 (PbEU L8, 13.1.2010) | Houten vloerbekledingen |
Het in 1978 geïntroduceerde Duitse milieukeurmerksysteem, met het ‘Blauwe Engel’ symbool, heeft grote invloed gehad op de plannen voor een EU-breed systeem. Het Vierde Milieu-actieprogramma stelde dat er gewerkt zou moeten gaan worden aan het vaststellen van criteria voor ‘milieuvriendelijke producten’, waaronder producten werden verstaan die weinig of geen afval opleveren. Het Parlement had dit idee al ondersteund in een Resolutie over het afvalbeleid, en het voorstel voor een ecolabelsysteem was opgenomen in de Afvalbeheerstrategie van de Commissie uit 1989 (zie § ???). In een Resolutie over afvalbeleid (mei 1990) nodigde de Raad de Commissie formeel uit om met voorstellen te komen. In februari 1991 werd een ontwerp-Verordening gepubliceerd. Tegen die tijd waren andere lidstaten ook al plannen voor nationale milieukeurmerksystemen aan het ontwikkelen.
In november 1991 besprak het Europees Parlement het voorstel, maar gaf zijn goedkeuring pas in december, nadat de Commissie in een gewijzigd voorstel een ‘raadplegingsforum’ had opgenomen. De Commissie weigerde echter in te gaan op het verzoek van het Parlement om de rechtsgrondslag te wijzigen in Artikel 100a. In de Raad, waar de ontwerp-Verordening al uitgebreid besproken was, werd twee dagen na de stemming in het Parlement al overeenstemming bereikt. Verordening 880/92 werd formeel aangenomen in maart 1992.
Het oorspronkelijke voorstel voorzag in een EU-‘jury’ die de ecolabels zou toekennen. In plaats hiervan werd gekozen voor een systeem dat gebaseerd was op wederzijdse erkenning van de beslissingen van nationale bevoegde instanties, met de mogelijkheid van het maken van bezwaar. Belangengroepen konden hun opvattingen kenbaar maken door middel van het ‘raadplegingsforum’. Ook de rol van het Europees Milieuagentschap (zie § ???) bij het opstellen van criteria voor productgroepen is in de uiteindelijke Verordening vervallen.
Het effect van Verordening 880/92 is in de praktijk bescheiden gebleven, ondermeer door de trage voortgang bij het ontwikkelen van criteria voor productengroepen. Begin 1994 waren er pas voor twee productengroepen (wasmachines en vaatwassers) criteria vastgesteld, terwijl de Commissie had verwacht dat het er 14 zouden zijn.
Tussen lidstaten onderling en tussen vertegenwoordigers van de industrie en milieu-organisaties in het ‘raadplegingsforum’ deden zich meningsverschillen voor over zaken als:
de toepassing van levenscyclusanalyse (LCA);
het hanteren van niet-milieugerelateerde criteria, zoals dierproeven en arbeidsomstandigheden;
het ‘streefpercentage’ van producten binnen een productengroep die voor een ecolabel in aanmerking zouden moeten komen.
Bovendien groeide in 1994 de weerstand tegen het principe van een EG-ecolabel binnen de Commissie zelf. Aanleiding daarvoor waren klachten van bepaalde buitenlandse overheden (met name de Verenigde Staten en Brazilië) dat hun exporten van papierproducten naar de EU oneerlijk benadeeld zouden worden door de ecolabel-criteria. Ook bestond bij sommige directoraten-generaal van de Commissie de mening dat het systeem niet strookte met het subsidiariteitsbeginsel.
De vertraging bij de uitvoering van het ecolabelsysteem bracht de Raad van milieuministers er in oktober 1994 toe de Commissie een formele berisping te geven en te eisen dat de Commissie stappen zou ondernemen om te zorgen dat zulke vertragingen in de toekomst niet meer zouden voorkomen. Informeel hadden verscheidene lidstaten gedreigd het in gebreke blijven van de Commissie bij de implementatie van het systeem voor te leggen aan het Europese Hof van Justitie.
In december 1996 werd een voorstel van de Commissie gepubliceerd tot wijziging van Verordening 880/92[1954]. Tot de belangrijkste wijzigingen behoorde de instelling door de nationale bevoegde instanties van een Europese Milieukeurorganisatie, die verantwoordelijk zou zijn voor het vaststellen van criteria. Tevens zouden voor producten waarvoor een Europees ecolabel bestond de nationale milieukeurmerken moeten worden ingetrokken en zou het systeem een gradueel karakter krijgen, in plaats van het bestaande ‘geslaagd/gezakt’ systeem. In juni 1998 trok de Commissie het voorstel weer in, gezien de sterke weerstand van verscheidene lidstaten, het Europees Parlement en vertegenwoordigers van de industrie.
De bezwaren van lidstaten en Europarlementariërs waren gericht tegen het voorgestelde verdwijnen van nationale milieukeurmerken, tegen de instelling van een ecolabel met gradaties (hetgeen als potentieel verwarrend werd beschouwd) en tegen de oprichting van een Europese Milieukeurorganisatie. In januari 1999 publiceerde de Commissie een gewijzigd voorstel[1955], waarin slechts in beperkte mate aan deze kritiek tegemoet werd gekomen. Vervolgens kondigde het Duitse voorzitterschap aan dat het van plan was met meer aanvaardbare voorstellen te komen, waarin de meeste verlangens van het Europees Parlement opgenomen zouden zijn.
In november 1999 nam de Raad unaniem een Gemeenschappelijk Standpunt aan over een gewijzigd voorstel[1956]. Daarin zijn de meeste veranderingen opgenomen die door het Parlement voorgesteld waren. Nationale milieukeurmerksystemen hoeven niet te verdwijnen, maar kunnen naast het EU-systeem blijven bestaan. In plaats van een onafhankelijke Europese Milieukeurorganisatie komt er een BMEU, samengesteld uit de door de lidstaten aangewezen bevoegde instanties en een raadplegingsforum. Na de tweede lezing in het Parlement in maart 2000 werd Verordening 1980/2000 in juni 2000 door de Raad aangenomen.
In februari 2004 kondigde de Europese Commissie een herziening van het ecolabel en het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS, zie § ???) aan. In kringen van beleidsmakers was reeds geconcludeerd dat het ecolabel een duidelijke, consistente visie en strategie miste, dat het een geringe zichtbaarheid had en het besluitvormingsproces voor nieuwe ecolabels traag verliep. Er is gepleit voor een aantal veranderingen, waaronder de introductie van een versnelde procedure voor het vaststellen van toekenningscriteria voor bepaalde productgroepen. De herziene Verordening is uiteindelijk pas vastgesteld in 2010.
In 2010 waren er ruim 1000 licenties afgegeven voor het voeren van het EU-ecolabel.[1957] De meeste ecolabels zijn aangevraagd en toegekend in de categorieën textielproducten en verf. Voor 25 productgroepen zijn criteria vastgesteld (zie Tabel ???). De criteria voor een aantal daarvan worden momenteel herzien.
Een Verordening heeft rechtstreekse werking in de lidstaten en hoeft derhalve niet in nationale regelgeving te worden omgezet, alhoewel er wel regelgeving dient te worden aangenomen om de verordening te operationaliseren, bijvoorbeeld waar het gaat om sancties en de aanwijzing van een ‘bevoegde instantie’ door elke lidstaat (artikel 14). In Nederland is de Stichting Milieukeur (SMK) als zodanig aangewezen. De taken van debevoegde instantie zijn belangenbehartiging, certificering en het coördineren van de marketing. Het College van Deskundigen non-food van SMK geeft namens Nederland input bij de Europees Ecolabel criteriaontwikkeling.
Begin 2011 waren er in Europa circa 22.000 producten gecertificeerd van ruim 1.100 Europese ondernemingen.
In hetzelfde jaar waarin het Europese ecolabel tot stand kwam (1992) werd ook de nationale Nederlandse Milieukeur ingesteld.[1958] Daarbij is besloten dat de Nederlandse Stichting Milieukeur (SMK) uitsluitend criteria opstelt[1959]:
voor die productgroepen waarvoor nog geen Europees ecolabel is;
voor productgroepen waarvan de criteria voor het Europese ecolabel niet toereikend worden geacht in relatie tot het Nederlandse milieubeleid;
voor producten met alleen een nationale betekenis.
De Nederlandse Milieukeur bestrijkt een groter scala aan productengroepen dan het Europese ecolabel. Er zijn Milieukeurcriteria voor voedingsmiddelen, gebruiksartkelen en diensten. Zij hebben betrekking op de hele levenscyclus van het product of de dienst. In totaal waren er begin 2011 voor 22 producten Milieukeurcriteria opgesteld.
De criteria van Milieukeur worden gebruikt om producten, diensten en bedrijfsprocessen te laten certificeren. Onafhankelijke certificatie-instellingen controleren of wordt voldaan aan die criteria. Per productgroep heeft SMK met certificatie-instellingen een licentie gesloten. Deze instellingen zijn geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie en hebben aangetoond dat ze deskundig, betrouwbaar en onpartijdig controleren. Uitvoering van de controles vindt plaats volgens Europese normen voor productcertificatie (EN 45011). In totaal waren er begin 2011 622 bedrijven met een Milieukeurcertificaat.
Figuur ???1 toont het logo van de Nederlandse Milieukeur.
[1952] PbEG L237, 21.9.2000.
[1953] PbEG L99, 11.4.1992.
[1954] COM(96)603.
[1955] COM(99)21.
[1956] PbEG C 25, 28.1.2000.
[1958] Brief van de Minister van VROM over het operationele Nederlandse milieukeursysteem, 25 juni 1992. TK 1991-1992, 21 137, nr. 114.
[1959] Jaarverslag 1999, Stichting Milieukeur.
