2003/35/EG (PbEU L156, 25.6.2003) | Richtlijn tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma’s betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337 en 96/61 |
Rechtsgrondslag | Artikel 175 EG-verdrag (art. 192 VwEU) |
Bindende termijnen | |
Inwerkingtreding | 25 juni 2003 |
Omzetting in nationale regelgeving | 25 juni 2005 |
Algemene wet bestuursrecht, Afdeling 3.4 | Stb. 1998, 1 (en wijzigingen) |
Wet uitvoering Verdrag van Aarhus | Stb. 2004, 519 |
Implementatiewet EG-richtlijnen eerste en tweede pijler Verdrag van Aarhus | Stb. 2005, 341 |
De Richtlijn beoogt de bevordering van effectieve publieke participatie en van de toegang tot de rechter op het gebied van de EU-milieuwetgeving. Ze moet bijdragen aan de uitvoering van het Verdrag van Aarhus betreffende toegang tot informatie, publieke inspraak en toegang tot de rechter inzake milieu-aangelegenheden (zie § ???), met het oog op ratificatie door de EG.
De Richtlijn roept een procedure in het leven voor de inspraak van het publiek bij bepaalde plannen en programma’s en voorziet in een verbetering van de bestaande procedures zoals die waren opgenomen in de MER-Richtlijn (85/337, zie § ???) en de inmiddels ingetrokken oude versie van de IPPC-Richtlijn (96/61, zie § ???). Sommige Richtlijnen die het opstellen van plannen en programma’s voorschrijven voorzien al in voldoende mate in inspraak van het publiek en behoeven derhalve geen aanpassing. Zo is Richtlijn 2003/35 niet van toepassing op plannen en programma’s waarvoor al een inspraakprocedure wordt gevolgd op grond van de ‘Strategische MER Richtlijn’ (2001/42, zie § ???) of op grond van de Kaderrichtlijn Water (2000/60, zie § ???) (art. 2, lid 5). In de toekomst moeten de inspraakvereisten overeenkomstig het Verdrag van Aarhus van meet af aan in EU-milieuwetgeving worden opgenomen (considerans, overweging 10). De lidstaten moeten zorgen voor reële inspraakmogelijkheden voor het publiek in de opstelling en wijziging of herziening van daartoe aangewezen plannen en programma’s (art. 2, lid 2 en Bijlage I). Ten gevolge van codificatie en wijzigingen in de wetgeving is artikel 2 van de richtlijn thans van toepassing op de volgende plannen en programma’s:
de in artikel 28 van Richtlijn 2008/98 bedoelde afvalbeheerplannen, met ingang van 12 december 2010;
de in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 91/676/ inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen bedoelde actieplannen;
de in artikel 23 van Richtlijn 2008/50/ bedoelde luchtkwaliteitsplannen, met ingang van 11 juni 2010.
De lidstaten moeten zorgen dat het publiek geïnformeerd wordt over alle voorstellen voor zulke plannen of programma’s (of voor wijziging of herziening ervan) en dat de relevante informatie ter beschikking wordt gesteld. Daartoe behoort ondermeer informatie over het recht op inspraak. Het publiek moet in een vroeg stadium, als alle opties nog open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar kunnen maken. De autoriteiten moeten bij de besluitvorming rekening houden met het resultaat van de inspraak en moeten het publiek informeren over de genomen besluiten en de motivering daarvan (art. 2, lid 2).
Inspraak is niet vereist voor plannen en programma’s die uitsluitend voor nationale defensiedoeleinden of civiele rampen bedoeld zijn (art. 2, lid 4).
Voor de wijzigingen die door Richtlijn 2003/35 zijn aangebracht in de MER-Richtlijn en de IPPC-Richtlijn wordt verwezen naar de desbetreffende paragrafen (??? en ???).
Zoals uit de considerans en artikel 1 blijkt, heeft de Richtlijn tot doel bij te dragen tot de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus (met name de artikelen 6, 7, 9(2) en 9(4) ervan), om zodoende de weg te effenen voor ratificatie door de EG. Bijna alle bepalingen van de Richtlijn weerspiegelen vereisten van het Verdrag, en in bepaalde gevallen zijn de exacte bewoordingen van het Verdrag van Aarhus gebruikt.
Artikel 2, waarmee de inspraak van het publiek bij bepaalde plannen en programma’s op milieugebied wordt geregeld, geeft uitvoering aan artikel 7 van het Verdrag. De Raad verwierp een voorstel van het Parlement om ook te voorzien in mogelijkheden voor inspraak van het publiek bij de voorbereiding van milieubeleid, aangezien artikel 7 van het Verdrag inspraak op dit gebied alleen vereist ‘voor zover passend’.
Richtlijn 2003/35 (en Richtlijn 2003/4; zie § ???) zijn in de Nederlandse regelgeving geïmplementeerd via de Implementatiewet EG-richtlijnen eerste en tweede pijler Verdrag van Aarhus.[1979] Deze Implementatiewet trad op 8 juli 2005 in werking.
De implementatie via de Implementatiewet vond hoofdzakelijk plaats in de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), de Wet milieubeheer (Wm) en de Archiefwet 1995.
Wat betreft de implementatie van Richtlijn 2003/35 houdt de wijziging van de Wm in dat (in een nieuw artikel 4.1a) de inspraakbepalingen van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing worden verklaard op de plannen en programma’s waarop de Richtlijn betrekking heeft (tenzij in de Wm in een specifieke regeling voorziet). Het nieuwe artikel 4.1b voorziet in implementatie van artikel 2, lid 5 van de Richtlijn (inspraakbepalingen niet van toepassing op procedures in het kader van de ‘Strategische MER’ Richtlijn en de Kaderrichtlijn water). Met betrekking tot de Kaderrichtlijn luchtkwaliteit (96/62, zie § ???) waren de inspraakverplichtingen geregeld in hoofdstuk 5 (Milieukwaliteitseisen) van de Wm. De inspraakverplichtingen van artikel 5.10 Wm vervielen echter op 1 augustus 2009.[1980]
Voor de implementatie van de wijzigingen die door Richtlijn 2003/35 zijn aangebracht in de MER-Richtlijn en de IPPC-Richtlijn wordt verwezen naar de desbetreffende paragrafen (??? en ???).
[1979] Stb. 2005, 341.
[1980] Wet van 12 maart 2009 tot wijziging van de Wet milieubeheer (implementatie en derogatie luchtkwaliteitseisen), Stb. 2009, 158.